Ziektewet

ZW

Huidige tekst

Artikel 76a ZW

Geldt sinds 1 januari 2020

  1. 1

    Bij verhindering wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte, zwangerschap of bevalling om de dienst te verrichten of het ambt te vervullen bestaat ten aanzien van de werkgever jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76, krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, gedurende een tijdvak van 104 weken aanspraak op 70% van de bezoldiging, bedoeld in de toepasselijke rechtspositieregeling, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt, voorzover deze bezoldiging niet meer bedraagt dan hetgeen overeenkomt met het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen. De aanspraak bedraagt de eerste 52 weken echter minimaal het bedrag van het minimumloon dat voor betrokkene zou gelden indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag op hem van toepassing zou zijn. De eerste twee volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing voorzover in verband met ziekte, zwangerschap of bevalling ook na ontslag aanspraak bestaat op betaling van bezoldiging of van hetgeen daarmee overeenkomt.

  2. 2

    Is bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, op een andere wijze dan naar tijdruimte vastgesteld, dan is deze afdeling van toepassing, met dien verstande dat als bezoldiging wordt beschouwd de gemiddelde bezoldiging die betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.

  3. 3

    Van het eerste lid kan bij algemeen verbindend voorschrift ten nadele van betrokkene slechts in zoverre worden afgeweken dat betrokkene voor de eerste twee dagen van het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 104 weken onderscheidenlijk het in het achtste lid, eerste volzin, bedoelde tijdvak van zes weken geen aanspraak heeft op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt.

  4. 4

    In afwijking van het eerste lid heeft de vrouwelijke werknemer de in dat lid bedoelde aanspraak niet gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg.

  5. 5

    Voor de toepassing van het eerste en derde lid worden perioden waarin betrokkene wegens ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen, samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  6. 6

    Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd: a. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven. b. met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; en c. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.

  7. 7

    Het eerste lid is niet van toepassing op zakgeldgenietenden.

  8. 8

    In afwijking van het eerste lid bestaat de in dat lid bedoelde aanspraak gedurende een tijdvak van zes weken voor de persoon, bedoeld in artikel 76, die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt. Indien de ongeschiktheid als gevolg van ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de werknemer de in de vorige volzin bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum het in die volzin genoemde tijdvak, voor zover het totale tijdvak waarin aanspraak bestaat op bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt niet meer bedraagt dan 104 weken.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2019:772Parket bij de Hoge Raad, 5 juli 2019 (arbeidsrecht)

    Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. WWZ. Ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Verzoek werknemer tot toekenning billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever gedurende…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:1233Centrale Raad van Beroep, 17 september 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Beëindiging ZW-uitkering van appellant omdat hij meer dan 65% kan verdienden van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant voor de…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:6680Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Loonsanctie. De bedrijfsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid, ook als de professionele marge in acht wordt genomen, over zo’n lange periode tot zijn inschatting van de…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:461Centrale Raad van Beroep, 15 april 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd. De Raad is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante haar…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:2648Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 april 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Loonsanctie, eerste ziektedag. Verlenging wachttijd.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:1379Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 maart 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV terecht heeft beslist dat eiseres het loon van haar werknemer een jaar langer moet doorbetalen, omdat eiseres niet genoeg re-integratie-inspanningen heeft…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:1238Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 februari 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Loonsanctie terecht opgelegd.

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:953Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 februari 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Beroep tegen loonsanctie. Beroep eiseres op nuancering van de zogenaamde 'voor rekening en risico-benadering' ter zake de verantwoordelijkheid van eiseres voor de re-integratieresultaten. Tot 22 mei…

98 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.