Wet arbeid en zorg

WAZO

Huidige tekst

Artikel 3:1 WAZO

Geldt sinds 1 april 2018

  1. 1

    De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof.

  2. 2

    Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of vanaf tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft.

  3. 3

    Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.

  4. 4

    Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de vrouwelijke werknemer op grond van artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten.

  5. 5

    Als een kind tijdens het bevallingsverlof vanwege zijn medische toestand in een ziekenhuis is opgenomen, wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal opnamedagen, te rekenen vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof tot een maximum van tien weken. De in de eerste zin bedoelde verlenging van het bevallingsverlof is uitsluitend van toepassing voor zover de ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee het bevallingsverlof als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd.

  6. 6

    In afwijking van het derde lid kan de vrouwelijke werknemer de werkgever verzoeken het bevallingsverlof op te delen na 6 weken waarop het recht op dat verlof is ingegaan. De vrouwelijke werknemer kan dit deel van het verlof opnemen gedurende het tijdvak van 30 weken, welk tijdvak aanvangt de dag nadat het bevallingsverlof is opgedeeld. Het verzoek wordt gedaan uiterlijk drie weken nadat het verlof is ingegaan.

  7. 7

    De omvang van het bevallingsverlof dat is opgedeeld en dat later wordt opgenomen is gelijk aan de arbeidsduur per week ten tijde van het bevallingsverlof dat volgt na de werkelijke datum van de bevalling.

  8. 8

    De werkgever stemt uiterlijk twee weken nadat het verzoek, bedoeld in het zesde lid, is gedaan in met het verzoek, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.

  9. 9

    Ingeval van toepassing van het vijfde lid, ziet het verzoek, bedoeld in het zesde lid, op de periode na afloop van de verlenging, bedoeld in het vijfde lid.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2025:320Hoge Raad, 21 februari 2025 (arbeidsrecht)

    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Arbeidsrecht. Regeling in cao voor het middelbaar beroepsonderwijs over samenloop 'overige dagen' met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Ongeoorloofd onderscheid…

  • ECLI:NL:PHR:2024:638Parket bij de Hoge Raad, 17 september 2024 (arbeidsrecht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Arbeidsrecht. Bepaling in cao Middelbaar Beroepsonderwijs over samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met ‘werkbare dagen’ waarop niet hoeft te worden…

  • ECLI:NL:HR:2020:1748Hoge Raad, 6 november 2020 (arbeidsrecht)

    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Arbeidsrecht. Cao-bepalingen Voortgezet Onderwijs over samenloop vakantieverlof met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Ongeoorloofd onderscheid tussen mannelijke en…

  • ECLI:NL:PHR:2002:AE2180Parket bij de Hoge Raad, 9 augustus 2002 (civiel recht)

    -

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:6680Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Loonsanctie. De bedrijfsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid, ook als de professionele marge in acht wordt genomen, over zo’n lange periode tot zijn inschatting van de…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:644Centrale Raad van Beroep, 20 mei 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Tussenuitspraak. Hoogte dagloon opnieuw berekenen. Het geschil gaat over de vraag of appellante in de referteperiode, die loopt van 7 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019, onbetaald verlof heeft…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:744Centrale Raad van Beroep, 20 mei 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het ZW-dagloon heeft vastgesteld op € 92,14 en het WW-dagloon op € 129,60. Volgens appellante moeten bepalingen uit het Dagloonbesluit buiten…

  • ECLI:NL:RBZWB:2026:1379Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 maart 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV terecht heeft beslist dat eiseres het loon van haar werknemer een jaar langer moet doorbetalen, omdat eiseres niet genoeg re-integratie-inspanningen heeft…

55 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.