Ziektewet

ZW

Huidige tekst

Artikel 29 ZW

Geldt sinds 1 juli 2026

  1. 1

    Behoudens het tweede lid, onderdeel e, en de artikelen 29a, 29b en 29d wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten: a.recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vijfde, zesde of negende lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt; b.recht heeft op bezoldiging als bedoeld in artikel 76a, eerste lid, dan wel indien het recht op die bezoldiging op grond van artikel 76a, derde of zevende lid, of artikel 76b, eerste, tweede of derde lid, geheel of gedeeltelijk ontbreekt. De eerste zin is niet van toepassing op de werknemer waarvan de werkgever het loon niet voldoet omdat hij verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61 van de Werkloosheidswet gedurende de periode dat de voor de werknemer rechtens geldende opzegtermijn langer duurt dan de opzegtermijn, bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet.

  2. 2

    Het ziekengeld wordt uitgekeerd over iedere dag van ongeschiktheid tot werken, doch over maximaal vijf dagen per kalenderweek en niet over zaterdagen en zondagen. In de eerste kalenderweek wordt in afwijking van het bepaalde in de eerste zin het ziekengeld uitgekeerd over zaterdag en zondag, doch over maximaal vijf dagen per kalenderweek, indien de zaterdag of zondag aantoonbaar een werkdag zou zijn geweest, met dien verstande dat: 1°. als de zaterdag aantoonbaar een werkdag zou zijn geweest, uitkering van ziekengeld plaatsvindt over de zaterdag; 2°. als de zaterdag en zondag aantoonbaar werkdagen zouden zijn geweest, uitkering van ziekengeld plaatsvindt over de zaterdag en zondag; 3°. als de zondag aantoonbaar een werkdag zou zijn geweest, uitkering van ziekengeld plaatsvindt over de zondag. Het ziekengeld wordt uitgekeerd aan: a.de verzekerde van wie de arbeidsverhouding op grond van artikel 4 of 5 als dienstbetrekking wordt beschouwd, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken; b.degene wiens aanspraak berust op artikel 46, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken; c.de verzekerde van wie de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het op grond van het vijfde lid van toepassing zijnde tijdvak eindigt, vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken; d.de verzekerde die: 1°. op grond van artikel 7, onderdeel a, als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de veertiende week van de ongeschiktheid tot werken of zo veel eerder als de uitkering, bedoeld in dat onderdeel, eindigt op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet; 2°. op grond van artikel 7, onderdeel b, als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken; e.de verzekerde die wegens orgaandonatie ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken; f.de vrouwelijke verzekerde, overeenkomstig artikel 29a; g.de werknemer, bedoeld in de artikelen 29b en 29d.

  3. 3

    Als eerste dag van de ongeschiktheid tot werken geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.

  4. 4

    Geen ziekengeld wordt uitgekeerd op en na de dag waarop de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt, indien de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen voor die leeftijd alsmede over de periode waarover de verzekerde een uitkering op grond van artikel 3:7, tweede lid, 3:9 of 3:10, tweede en derde lid van de Wet arbeid en zorg ontvangt.

  5. 5

    Geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken met dien verstande dat het tijdvak zes weken bedraagt indien de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag dat de verzekerde de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt. Voor het bepalen van het in de eerste volzin bedoelde tijdvak worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. In de gevallen waarin de tweede volzin toepassing vindt, worden gedurende de desbetreffende periode van 104 weken onderscheidenlijk zes weken de eerste twee dagen van de ongeschiktheid tot werken, waarover op grond van het tweede lid, onderdelen a, b en c, geen ziekengeld wordt uitgekeerd, slechts eenmaal in aanmerking genomen.

  6. 6

    Geen ziekengeld wordt uitgekeerd voor zover de verzekerde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, artikel 29a, artikel 29b of artikel 29d, door toepassing van artikel 629, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geen recht heeft op loon dan wel op grond van artikel 76b, tweede lid, geen recht heeft op bezoldiging.

  7. 7

    Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, en onderdeel d, onder 2°, bedraagt 70% van het dagloon van verzekerde. Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, onder 1°, wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 47, eerste lid, onderdeel b, en 47a van de Werkloosheidswet, hierbij zijn de bepalingen met betrekking tot dagloon, maandloon en inkomen van artikel 1b van de Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing. Bij deze vaststelling blijft artikel 31, tweede lid, buiten toepassing met dien verstande dat het loon, bedoeld in artikel 30, tweede lid, aangemerkt wordt als inkomen als bedoeld in artikel 47 respectievelijk artikel 47a van de Werkloosheidswet.

  8. 8

    Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, wordt gesteld op het dagloon.

  9. 9

    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid, onderdeel e.

  10. 10

    Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het vijfde lid, wordt ten aanzien van een verzekerde als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b of c, die laatstelijk in dienstbetrekking stond tot een eigenrisicodrager, verlengd: a.met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven; b.met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.

  11. 11

    Geen ziekengeld wordt uitgekeerd over de periode, gedurende welke de verzekerde, bedoeld in het tiende lid, onderdeel a, zonder deugdelijke grond zijn aanvraag om een uitkering als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later indient dan in dat artikel is voorgeschreven.

  12. 12

    Het tweede lid, onderdeel a, b of c, is niet van toepassing indien onderdeel g van dat lid van toepassing is.

  13. 13

    Het tweede lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien onderdeel e of f van dat lid van toepassing is.

  14. 14

    Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, onder 1°, worden perioden van ongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2021:1225Parket bij de Hoge Raad, 23 december 2021 (belastingrecht)

    Zijn Duits Elterngeld en een Duitse ontslagvergoeding ‘loon’ in de zin van art. 12 Wet WIA, zodat zij meetellen in de grondslag van WIA-uitkeringsberekening? Beperkte cassatiegronden. Verkeerde…

  • ECLI:NL:PHR:2021:1183Parket bij de Hoge Raad, 15 december 2021 (belastingrecht)

    Gedifferentieerde werkgeverspremie werkhervattingskas 2018; uitzendcontract met uitzendbeding; voor welke periode geldt de no-riskbepaling (art. 29b ZW) die werkgevers beschermt bij ziekte-uitval van…

  • ECLI:NL:PHR:2019:1361Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2019 (civiel recht)

    Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Arbeidsongeval van uitzendkracht waarvoor inlener aansprakelijk is. Uitzendbureau is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (art. 63a ZW). Uitzendbureau zoekt…

  • ECLI:NL:PHR:2008:BC6699Parket bij de Hoge Raad, 14 maart 2008 (civiel recht)

    Arbeidsrecht. Contractuele beperking van aanvulling op wettelijke minimumuitkering bij arbeidsongeschiktheid, in verband met buiten de werksfeer liggende gedragingen of activiteiten van de werknemer…

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:8030Rechtbank Gelderland, 19 oktober 2026 (socialezekerheidsrecht)

    hoogte dagloon Wazo-uitkering juist vastgesteld. Bonus in referteperiode ook inbaar. Beroep op evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:CRVB:2026:1227Centrale Raad van Beroep, 16 september 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Het Uwv heeft het dagloon van appellant voor zijn ZW uitkering terecht vastgesteld op € 7,46. De Raad is van oordeel dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn…

  • ECLI:NL:RBGEL:2026:6837Rechtbank Gelderland, 4 september 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Weigering van het UWV om de tijdelijke urenuitbreiding van eiseres aan te merken als tweede dienstverband, zodat zij geen recht heeft op ziekengeld voor die uren. Beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:CRVB:2026:1110Centrale Raad van Beroep, 26 augustus 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante geschikt wordt geacht voor haar laatste werk. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

357 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.