Werkloosheidswet

WW

Huidige tekst

Artikel 24 WW

Geldt sinds 1 januari 2020

  1. 1

    De werknemer voorkomt dat hij: a.verwijtbaar werkloos wordt; b.werkloos is of blijft, doordat hij: 1°. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen; 2°. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt; 3°. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of 4°. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  2. 2

    De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien: a.aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt; b.de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

  3. 3

    Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt, in de periode voordat zes maanden waarin een recht op uitkering bestaat op grond van deze wet zijn verstreken, verstaan arbeid die aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer werkloos is geworden. Na deze periode van zes maanden is alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, passend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend wordt beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening of arbeid op grond waarvan men niet als werknemer in de zin van deze wet wordt aangemerkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid, waarbij tevens wordt bepaald op welke wijze wordt vastgesteld of arbeid aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer werkloos is geworden, alsmede in welke gevallen een periode waarin recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet bestaat, wordt meegeteld bij de vaststelling van de periode, bedoeld in de eerste zin.

  4. 4

    In afwijking van het derde lid, is alle arbeid direct passend, indien de werknemer na 104 weken ziekte, op grond van artikel 5 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geen uitkering ontvangt en als gevolg hiervan een uitkering op grond van deze wet ontvangt.

  5. 5

    De werknemer is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25.

  6. 6

    Het niet voeren van verweer door de werknemer tegen of het instemmen van de werknemer met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, of het vijfde lid.

  7. 7

    Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, waarbij voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel b, voor «de dienstbetrekking is beëindigd» mede wordt gelezen: de arbeid is beëindigd of niet voortgezet.

  8. 8

    Onze Minister is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°, opgelegd.

  9. 9

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen, hun op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 4°, opgelegd.

  10. 10

    In afwijking van het zesde en zevende lid, is sprake van benadeling als bedoeld in het vijfde lid indien de werknemer tijdens het verlengde tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:1019Parket bij de Hoge Raad, 19 september 2025 (arbeidsrecht)

    Arbeidsrecht. Billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9, sub c, BW. Of en, zo ja, op welke wijze moet bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding de WW-uitkering die de voormalig…

  • ECLI:NL:PHR:2021:262Parket bij de Hoge Raad, 17 maart 2021 (belastingrecht)

    Het geschil draait om informatiebeschikkingen ziende op eventuele niet (volledig) aangegeven buitenlandse bankrekeningen. Rechtmatigheid en reikwijdte van de informatiebeschikkingen. Kunnen…

  • ECLI:NL:PHR:2018:46Parket bij de Hoge Raad, 12 januari 2018 (civiel recht)

    Arbeidsrecht. Recht op transitievergoeding bij ontslag op staande voet (onverwijlde opzegging om een dringende reden); art. 7:673 lid 1, onder a, en art. 7:677 lid 1 BW. Dringende reden bij ontbreken…

  • ECLI:NL:PHR:2013:1827Parket bij de Hoge Raad, 6 december 2013 (civiel recht)

    Art. 81 lid 1 RO. Verzoek tot vaststelling kinderalimentatie; verdiencapaciteit alimentatieplichtige, andere maatstaf dan door UWV toegepast.

  • ECLI:NL:CRVB:2026:1309Centrale Raad van Beroep, 30 september 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Geen medische noodzaak voor ontslag. Wijziging grondslag in nader besluit. Herhaling gronden in beroep en hoger beroep. Tegenvallende reistijd…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:1218Centrale Raad van Beroep, 16 september 2026 (socialezekerheidsrecht)

    De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:1226Centrale Raad van Beroep, 16 september 2026 (socialezekerheidsrecht)

    De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering…

  • ECLI:NL:CRVB:2026:1119Centrale Raad van Beroep, 25 augustus 2026 (socialezekerheidsrecht)

    Afwijzingen verzoek om schadevergoeding. Er bestaan geen causaal verband tussen het onrechtmatige besluit van 16 juni 2016 en de door het college gestelde schade.

782 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.