Werkloosheidswet

WW

Huidige tekst

Artikel 21 WW

Geldt sinds 1 januari 2021

  1. 1

    Indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a of c, is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van het tweede lid, de in artikel 8 en het derde lid genoemde termijnen, het vierde lid en de op grond van het vijfde lid gestelde regels. Indien laatstelijk het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel d, is geëindigd, herleeft het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer een aanvraag tot herleving van het recht op WW-uitkering indient met inachtneming van het tweede lid en de in het derde lid genoemde termijnen.

  2. 2

    Het recht herleeft niet indien: a.een nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk ontstaat, waarvan het maandloon meer dan 87,5% bedraagt van het maandloon van de eerdere uitkering; of b.een recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontstaat.

  3. 3

    Een recht op uitkering dat is geëindigd: a.wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e, g, h, k of n; b.op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel c, als gevolg van het minder beschikbaar zijn voor arbeid dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, tweede lid, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid of het volgen van scholing of opleiding, terzake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen a, b, c of d; c.op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel d; of d.wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden; kan, ook indien deze omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden.

  4. 4

    Een recht op uitkering dat is geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel c, doordat inkomen wordt genoten dat uitsluitend in verband met het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, vierde lid, meer bedraagt dan 87,5% van het maandloon kan slechts herleven, indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid als hier bedoeld niet langer is dan de resterende uitkeringsduur bij de eindiging van het recht.

  5. 5

    Bij ministeriële regeling kan worden geregeld dat het derde lid buiten toepassing blijft voor categorieën van werknemers.

  6. 6

    Indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 19, eerste lid, onderdeel a, is geëindigd en vervolgens op grond van het eerste lid herleeft, is artikel 16, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:1019Parket bij de Hoge Raad, 19 september 2025 (arbeidsrecht)

    Arbeidsrecht. Billijke vergoeding van art. 7:671b lid 9, sub c, BW. Of en, zo ja, op welke wijze moet bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding de WW-uitkering die de voormalig…

  • ECLI:NL:GHDHA:2025:1432Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2025 (civiel recht)

    Kort geding. Vordering tot nabetaling van aansluitende (bovenwetteljke) WW-uitkering in verband met toezegging.

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:13498Rechtbank Den Haag, 20 maart 2025 (bestuursrecht)

    WW. Ongegrond. Geen sprake van beschikbaarheid voor arbeid.

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:7061Rechtbank Amsterdam, 20 november 2024 (socialezekerheidsrecht)

    WW. Verweerder heeft op goede gronden geconcludeerd dat de werkzaamheden van eiser als zelfstandige op het moment van de WW-aanvraag niet waren beëindigd. Beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:CRVB:2024:1089Centrale Raad van Beroep, 30 mei 2024 (socialezekerheidsrecht)

    Weigering WW-uitkering toe te kennen. Beroep tegen bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Appellant beoogt in deze procedure dat zijn…

  • ECLI:NL:RBDHA:2023:17607Rechtbank Den Haag, 21 november 2023 (socialezekerheidsrecht)

    WW; geen uitbetaling vanwege verwijtbare werkloosheid. Dat is onterecht; niet blijkt dat het Uwv een materiële beoordeling van de verwijtbaarheid heeft verricht; onvoldoende onderzoek naar…

  • ECLI:NL:CRVB:2023:1768Centrale Raad van Beroep, 21 september 2023 (socialezekerheidsrecht)

    Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht de pensioeninkomsten in mindering heeft gebracht op de WW-uitkering per 1 januari 2020. De pensioeninkomsten zijn niet eerder ingegaan dan het…

  • ECLI:NL:CRVB:2023:1785Centrale Raad van Beroep, 20 september 2023 (socialezekerheidsrecht)

    Terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering en ZW-uitkering. In rechte vaststaande besluiten. Schending van de inlichtingenverplichting door niet melden van buiten Nederland verblijf houden…

88 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.