Overleveringswet

OLW

Huidige tekst

Artikel 24 OLW

Geldt sinds 1 juni 2019

  1. 1

    Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, rekening houdend met de termijnen, genoemd in artikel 22, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen.

  2. 2

    De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling – alsmede, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel – wordt aan de opgeëiste persoon betekend.

  3. 3

    In geval de opgeëiste persoon geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman.

  4. 4

    Indien de opgeëiste persoon minderjarig is, wordt de raad voor de kinderbescherming van de tijd en plaats van het verhoor op de hoogte gesteld. Indien de identiteit en verblijfplaats van de ouders of voogd bekend zijn, worden de ouders of voogd eveneens van de tijd en plaats van het verhoor op de hoogte gesteld.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBAMS:2022:2232Rechtbank Amsterdam, 19 april 2022 (europees strafrecht)

    EAB Duitsland vervolging. Officier van justitie ontvankelijk. Rechtszekerheidsbeginsel. EAB genoegzaam. Artikel 13 OLW niet van toepassing. Overlevering toegestaan.

  • ECLI:NL:RBAMS:2022:2234Rechtbank Amsterdam, 19 april 2022 (europees strafrecht)

    EAB Duitsland vervolging. Officier van justitie ontvankelijk. Rechtszekerheidsbeginsel. EAB genoegzaam. Artikel 13 OLW niet van toepassing. Overlevering toegestaan.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.