Overleveringswet

OLW

Huidige tekst

Artikel 21 OLW

Geldt sinds 1 oktober 2024

  1. 1

    De opgeëiste persoon wordt op basis van een Europees aanhoudingsbevel dat voldoet aan de vereisten omschreven in artikel 2 zonder verdere formaliteiten aangehouden. Artikel 17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  2. 2

    Het eerste lid blijft buiten toepassing zolang de opgeëiste persoon in Nederland een voorrecht of immuniteit geniet van strafvervolging of van de tenuitvoerlegging van straffen. De uitvaardigende justitiële autoriteit wordt over het bestaan en de aard van het voorrecht of de immuniteit onverwijld in kennis gesteld, met het verzoek om bericht zodra het voorrecht of de immuniteit is opgeheven.

  3. 3

    Indien de opgeëiste persoon reeds overeenkomstig artikel 17 voorlopig werd aangehouden, zet de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, de voorlopige aanhouding om in een aanhouding als bedoeld in het eerste lid, te rekenen vanaf de dag dat het aanhoudingsbevel door de officier van justitie overeenkomstig artikel 20, tweede lid, in behandeling is genomen. De opgeëiste persoon kan over die omzetting worden gehoord en wordt in ieder geval ervan in kennis gesteld dat de aanhouding voortduurt tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.

  4. 4

    De opgeëiste persoon die overeenkomstig het eerste lid werd aangehouden, wordt binnen vierentwintig uren na zijn aanhouding geleid voor de officier van justitie, of bij diens afwezigheid, voor de hulpofficier van justitie in het arrondissement waar hij werd aangehouden.

  5. 5

    Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van justitie of hulpofficier van justitie, bedoeld in het vierde lid, bevelen dat deze persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.

  6. 6

    Indien de opgeëiste persoon buiten het arrondissement Amsterdam is aangehouden en in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijn van inverzekeringstelling overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam.

  7. 7

    Het zesde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon op grond van artikel 39, tweede lid, tegenover de rechtbank in het rechtsgebied waar hij is aangehouden heeft verklaard, in te stemmen met zijn onmiddellijke overlevering, de rechtbank heeft beslist dat de opgeëiste persoon ter beschikking zal worden gesteld van de uitvaardigende justitiële autoriteit en de feitelijke overlevering binnen de termijn van de inverzekeringstelling kan plaatsvinden.

  8. 8

    Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de rechtbank, op vordering van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam bevelen dat deze in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.

  9. 9

    Het bevel tot inverzekeringstelling of de omgezette aanhouding, bedoeld in het derde lid, kan te allen tijde zowel door de rechtbank als door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, worden opgeheven.

  10. 10

    Indien de opgeëiste persoon minderjarig is en de identiteit en verblijfplaats van de ouders of voogd bekend zijn en deze binnen een afzienbare termijn daartoe in de gelegenheid zijn, kan de minderjarige zich tijdens een verhoor als bedoeld in het vierde lid laten vergezellen door de ouders, voogd of een vertrouwenspersoon.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:757Parket bij de Hoge Raad, 8 juli 2025 (strafrecht)

    Conclusie AG. Beklag tegen inbeslagname telefoon op basis van EOB (art. 5.4.10 Sv). Geklaagd wordt dat de erkenning van het EOB door een officier van justitie niet is gebleken. Ook wordt geklaagd dat…

  • ECLI:NL:HR:2010:BN9201Hoge Raad, 21 december 2010 (strafrecht)

    Verstekverlening. Aanwezigheidsrecht. De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overweging 3.42 uit HR LJN AD5163. De aan de per fax ingediende schriftuur gehechte kopieën, die niet volledig zijn…

  • ECLI:NL:PHR:2010:BN9201Parket bij de Hoge Raad, 21 december 2010 (strafrecht)

    Verstekverlening. Aanwezigheidsrecht. De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overweging 3.42 uit HR LJN AD5163. De aan de per fax ingediende schriftuur gehechte kopieën, die niet volledig zijn…

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:5716Rechtbank Amsterdam, 1 mei 2026 (europees strafrecht)

    Verkorte overlevering. Er is geen sprake geweest van inverzekeringstelling of bewaring. De primaire vordering tot inverzekeringstelling (artikel 21 lid 8 OLW) en de subsidiaire vordering tot…

  • ECLI:NL:RBAMS:2025:5700Rechtbank Amsterdam, 31 juli 2025 (europees strafrecht)

    Vervolgings-EAB Duitsland. Overlevering toegestaan. Artikel 6 OLW. Terugkeergarantie gegeven en voldoende bevonden. Schorsingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Opgeëiste persoon bevindt zich thans…

  • ECLI:NL:RBAMS:2025:4863Rechtbank Amsterdam, 9 juli 2025 (europees strafrecht)

    Vordering tot omzetting voorlopige aanhouding van opgeëiste persoon, die uit anderen hoofde gedetineerd is, wordt toegewezen nu voorafgaand aan die voorlopige aanhouding, naast de rechtstreeks…

  • ECLI:NL:RBAMS:2025:4867Rechtbank Amsterdam, 9 juli 2025 (europees strafrecht)

    Omzetting voorlopige aanhouding op grond van art.21 lid 3 OLW bij gedetineerde uit andere hoofde.

  • ECLI:NL:RBAMS:2025:5077Rechtbank Amsterdam, 12 juni 2025 (europees strafrecht)

    Overlevering. Afwijzing vordering omzetting als bedoeld in artikel 21 lid 3 OLW. (Zie echter ook ECLI:NL:RBAMS:2025:4867)

52 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.