Huidige tekst
Artikel 8.03 BPR
Inrichting Een snelle motorboot mag slechts deelnemen aan de scheepvaart indien: a.de inrichting van het schip en van de motor zodanig is, dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen; b.de afgewerkte gassen door een behoorlijk geluiddempende voorziening worden afgevoerd; c.de stuurinrichting deugdelijk en doelmatig is; d.het schip is voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen; deze eis geldt niet voor een gesloten binnenbesturing; e.een reddingsvest onder handbereik voor ieder der opvarenden aan boord is; f.een deugdelijk brandblusapparaat aan boord is.