Gemeentewet

Gemw

Huidige tekst

Artikel 220d Gemw

Geldt sinds 1 september 2007

  1. 1

    In afwijking in zoverre van artikel 220c wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b.glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c.onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d.één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f.openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g.waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h.werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i.een onroerende zaak of een deel daarvan waarvan de waarde ingevolge de gemeentelijke belastingverordening bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking blijft; j.werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.

  2. 2

    Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt het begrip landbouw opgevat als in artikel 312 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  3. 3

    Bij de toepassing van het eerste lid is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken van overeenkomstige toepassing.

  4. 4

    Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met toepassing van het eerste en het tweede lid, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:494Parket bij de Hoge Raad, 25 april 2025 (belastingrecht)

    Art. 2(1)(e) Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken; art. 220d(1)(j) Gemeentewet. Valt een installatie met zonnepanelen die onder een recht van opstal zijn…

  • ECLI:NL:PHR:2021:736Parket bij de Hoge Raad, 4 augustus 2021 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag hoe de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet moet worden toegepast voor de vaststelling van de heffingsmaatstaf voor de…

  • ECLI:NL:PHR:2020:1142Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2020 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of in de Verordening forensenbelasting van de gemeente Ommen, in strijd met het (grondwettelijke) gelijkheidsbeginsel onderscheid wordt gemaakt in…

  • ECLI:NL:PHR:2020:1143Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2020 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of in de Verordening forensenbelasting van de gemeente Ommen, in strijd met het (grondwettelijke) gelijkheidsbeginsel onderscheid wordt gemaakt in…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:581Gerechtshof Den Haag, 14 april 2026 (belastingrecht)

    Verordening bedrijveninvesteringszone Weimarstraat Den Haag 2022. Art. 1, lid 2, art. 4, lid 4, art. 5, lid 1, en art. 7, lid 2 en lid 3, Wet BIZ. BI-zone wordt na proefpeiling en draagvlakmeting…

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:138Rechtbank Noord-Nederland, 22 januari 2026 (belastingrecht)

    WOZ/OZB. NSW-uitzondering en bestemmingswaarde zijn van toepassing. De rechter is niet gebonden aan de NSW-beschikking voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel…

  • ECLI:NL:RBAMS:2025:8538Rechtbank Amsterdam, 13 november 2025 (bestuursrecht)

    Er is terecht reclamebelasting geheven van een sporthal in Gaasperdam. Dat heeft de rechtbank geoordeeld.

  • ECLI:NL:GHAMS:2024:3611Gerechtshof Amsterdam, 22 oktober 2024 (belastingrecht)

    Er bestaat geen wettelijke grondslag op basis waarvan de heffingsambtenaar een beschikking als bedoeld in Hoofdstuk IV van de Wet WOZ kan nemen voor een woning of een woning in aanbouw. Het nemen van…

110 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.