Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Gelderland, 19 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8030Zaaknummer ARN 24/3515
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 24/3515
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
hoogte dagloon Wazo-uitkering juist vastgesteld. Bonus in referteperiode ook inbaar. Beroep op evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet arbeid en zorg
Artikel 3:13
1. De uitkering, bedoeld in deze paragraaf, bedraagt per dag het dagloon.
2. Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze paragraaf recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dat de werknemer of de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, dan wel de betrokkene, bedoeld in artikel 3:10, in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het recht op uitkering op grond van deze paragraaf is ontstaan, verdiende in de dienstbetrekking waaruit dat recht is ontstaan, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Artikel 12b. Referteperiode voor ZW en Wazo
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de ZW, is ingetreden of waarin het recht op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b van de Wazo of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan.
(…)
Artikel 12c. Loonbegrip voor ZW en Wazo
1. Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan, (…)
Artikel 12d. Algemene bepalingen over het loon voor ZW en Wazo
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Onder loon als bedoeld in artikel 12c wordt mede begrepen loon uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan, en uit de daaraan voorafgaande dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 12c, tweede, derde en vierde lid, waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.
Artikel 12 e. ZW- en Wazo-dagloon
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW en de Wazo is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan, is aangevangen na aanvang maar voor het einde van de referteperiode, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3515
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een zwangerschaps- en bevallingsuitkering aan eiseres op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo), waarbij het dagloon is vastgesteld op bruto € 268,10. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het dagloon. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht het dagloon van de Wazo-uitkering van eiseres heeft vastgesteld op bruto € 268,10.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het besluit van 26 maart 2024 heeft het UWV aan eiseres een Wazo-uitkering toegekend over de periode van 25 maart 2024 tot en met 14 juli 2024, waarbij het dagloon is vastgesteld op bruto € 268,10. Met het bestreden besluit van 6 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.[_27455067-65b3-4413-b65d-ed7dd0d596c3]
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is vanaf 2016 werkzaam bij [bedrijf]. Zij ontvangt als [functie] -stagiaire vanaf 2020 jaarlijks een bonus. Nadat zij een aanvraag heeft gedaan voor een Wazo-uitkering is de besluitvorming gevolgd zoals vermeld onder 2. Bij het bepalen van het dagloon is het UWV uitgegaan van een referteperiode van 1 februari 2023 tot en met 31 januari 2024. De uitbetaling van de bonus vond plaats in januari 2023 en in februari 2024 en daarmee buiten de referteperiode, waardoor het UWV daarmee geen rekening heeft gehouden bij het bepalen van het dagloon van de Wazo-uitkering van eiseres.
Is het UWV terecht uitgegaan van een dagloon van bruto € 268,10?
4. Eiseres voert, samengevat, primair aan dat het UWV, op grond van artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) ten onrechte de uitgekeerde bonus van februari 2024 niet heeft meegenomen in de berekening van het dagloon van haar Wazo-uitkering. Eiseres had vanaf 1 januari 2024 een vordering op haar werkgever ten aanzien van de bonus, maar deze werd pas inbaar in februari 2024. Anders dan in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 september 2022[_6eeff0e3-9dea-418d-b2d6-e1b1cf4e9af1] bestaan er in het geval van eiseres wel concrete afspraken met de werkgever over de verschuldigdheid van de betaling en het moment waarop betaling van de bonus verschuldigd is.
Uitgangspunt bij de vaststelling van het Wazo-dagloon is het loon dat de werknemer volgens opgave van zijn werkgever in de referteperiode heeft genoten.[_0d838679-3294-47bf-aed0-fedc608c469e] In artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit wordt een uitzondering gemaakt op dit uitgangspunt, in die zin dat onder loon ook wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat hierbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB wordt uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikelonderdeel afgeleid dat de besluitgever toepassing hiervan slechts aangewezen acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat een belanghebbende aantoont dat hij tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat, moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.[_c074a84e-df2c-4c31-815a-d956a2156472]
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de referteperiode voor het vaststellen van het Wazo-dagloon van eiseres loopt van 1 februari 2023 tot en met 31 januari 2024. Ook niet in geschil is dat de uitbetaling van de bonus waar het hier om gaat, die van februari 2024, buiten deze periode valt. Evenmin is in geschil dat deze bonus in de referteperiode vorderbaar was. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de bonus in de referteperiode ook inbaar was. Dan wordt eiseres geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden en telt de bonus van februari 2024 wel mee bij de bepaling van het dagloon in de referteperiode.
In de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar werkgever staat over de bonus het volgende opgenomen:
“Jaarlijks ontvangt Werknemer een bonus op basis van gerealiseerde omzet en goed functioneren van Werknemer, dit ter uitsluitende beoordeling van Werkgever.
De bonus bedraagt 20% over omzet boven € 100.000. Onder omzet in de zin van dit artikel wordt verstaan: het in het desbetreffende kalenderjaar door Werknemer in rekening gebrachte en geïncasseerde honorarium exclusief BTW.
De bonus wordt vastgesteld in januari van het daaropvolgend jaar.
Uitbetaling vindt vervolgens plaats in februari naar de stand van geïncasseerde debiteuren per 31 december (…).”
Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt echter dat in 2023 de bonus in januari is uitbetaald, net als in 2020. Verder is in bezwaar door eiseres en mr. [naam] van [bedrijf] toegelicht dat uitbetaling van de bonus elk jaar plaats vindt met het salaris over januari en dat door administratieve problemen in 2024 de bonus pas in februari is uitgekeerd. Uit de telefoonnotitie van 30 april 2024 met de werkgever van eiseres volgt dat de boekhouder de hoogte van de bonus uitrekent en dat afhankelijk van wanneer die berekening klaar is, in januari of februari wordt uitbetaald. Uit het voorgaande volgt dat eiseres in de referteperiode, namelijk in januari 2024, haar werkgever had kunnen aanmanen om de vorderbare bonus aan haar uit te keren. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij dit heeft gedaan. Van een situatie dat de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen is de rechtbank niet gebleken. Dat betekent dat het UWV terecht bij het vaststellen van de Wazo-dagloon geen rekening heeft gehouden met de in februari 2024 uitbetaalde bonus. De beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel
5. Subsidiair beroept eiseres zich op de redelijkheid en billijkheid. Door geen rekening te houden met de uitbetaling van bonussen wordt eiseres naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar benadeeld. Zij heeft namelijk geen invloed op het moment van uitbetaling van de bonus; die is elk jaar uiterlijk in februari voldaan. Het is onaanvaardbaar als iemand wordt gekort op zijn uitkering omdat een jaarlijkse bonus toevalligerwijs net buiten de referteperiode valt, terwijl kan worden bewezen dat de bonus jaarlijks is uitgekeerd en het om een substantieel bedrag gaat. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Dit resulteert erin dat eiseres wel jaarlijks belasting en premies moet betalen over de bonus, maar hiermee geen rekening wordt gehouden als eiseres door toedoen van moeder natuur aanspraak maakt op een uitkering. Wellicht gaat het om een gering bedrag, maar dit kan voor anderen anders zijn waardoor zij ten onrechte worden benadeeld en sprake is van een oneerlijke uitkomst.
De rechtbank begrijpt dat eiseres hiermee bedoelt dat toepassing van de bepaling van artikel 12d van het Dagloonbesluit zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven.
Het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.[_1e165243-d046-4513-8d7a-b910a06b5bfa] Wat eiseres heeft aangevoerd maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit voor eiseres onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang.
Uit artikel 12d van het Dagloonbesluit volgt dat bij de vaststelling van het dagloon pas rekening kan worden gehouden met (achteraf gehonoreerde) civielrechtelijke aanspraken, als een betrokkene de werkgever tijdig heeft gemaand het verschuldigde loon te betalen. Laat de betrokkene dit na, dan behoort het UWV met die aanspraken geen rekening te houden. Eiseres stelt dat zij geen invloed heeft op het moment van uitbetaling van de bonus, maar de rechtbank heeft hiervoor onder 4.4 overwogen dat eiseres haar werkgever had kunnen aanmanen om de bonus in januari 2024 aan haar uit te keren. Dat heeft zij niet gedaan. Deze situatie heeft de besluitgever bij het opstellen van artikel 12d van het Dagloonbesluit voorzien en daaraan het gevolg verbonden dat het loon niet wordt meegeteld bij de vaststelling van het dagloon.[_0dfbbfcc-0cdc-4b05-bf4c-f067c280c695] Wat eiseres heeft aangevoerd over de belasting en premies is ook geen bijzondere omstandigheid die maakt dat het bestreden besluit voor haar onredelijk bezwarend is. Datzelfde geldt voor wat zij heeft aangevoerd over de mogelijk oneerlijke uitkomst voor anderen. Dat ziet immers niet op eiseres. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het dagloon van de Wazo-uitkering van eiseres terecht heeft vastgesteld op bruto € 268,10. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet arbeid en zorg
Artikel 3:13
1. De uitkering, bedoeld in deze paragraaf, bedraagt per dag het dagloon.
2. Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van deze paragraaf recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon, bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dat de werknemer of de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, dan wel de betrokkene, bedoeld in artikel 3:10, in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het recht op uitkering op grond van deze paragraaf is ontstaan, verdiende in de dienstbetrekking waaruit dat recht is ontstaan, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Artikel 12b. Referteperiode voor ZW en Wazo
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de ZW, is ingetreden of waarin het recht op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b van de Wazo of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan.
(…)
Artikel 12c. Loonbegrip voor ZW en Wazo
1. Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan, (…)
Artikel 12d. Algemene bepalingen over het loon voor ZW en Wazo
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Onder loon als bedoeld in artikel 12c wordt mede begrepen loon uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan, en uit de daaraan voorafgaande dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 12c, tweede, derde en vierde lid, waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.
Artikel 12 e. ZW- en Wazo-dagloon
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW en de Wazo is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan, is aangevangen na aanvang maar voor het einde van de referteperiode, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.
Voetnoten
- Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
- ECLI:NL:CRVB:2022:1980.
- Op grond van artikel 3:13, tweede lid, van de Wazo en artikel 12b, eerste lid, en 12d, eerst lid, van het Dagloonbesluit.
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:744.
- Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 3 juni 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:756.
- Vergelijk de uitspraak genoemd in noot 5.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.