Successiewet 1956

SW

Huidige tekst

Artikel 8 SW

Geldt sinds 1 januari 2010

  1. 1

    Goederen, niet zijnde registergoederen, welke - of waarvan de daarop betrekking hebbende bewijsstukken - bij het overlijden onder de overledene berustten of voor hem door anderen werden bewaard of bezeten, worden, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen door hem, aan wie die goederen of die bewijsstukken moeten worden afgegeven.

  2. 2

    Indien en voor zover de goederen reeds vóór het overlijden aan anderen toebehoorden, kan op de in het vorige lid bedoelde verkrijging de verplichting tot afgifte in mindering worden gebracht.

  3. 3

    Wat is schuldig erkend bij uiterste wil, wordt voor de toepassing van deze wet geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.

  4. 4

    De in de voorgaande leden vervatte bepalingen zijn niet toepasselijk voor goederen, bewijsstukken of schuldigerkenningen: 1°. welke de overledene, tengevolge van de uitoefening van een beroep of bedrijf, onder zich had voor iemand, niet behorende tot zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun partners; 2°. welke de overledene onder zich had als openbaar ambtenaar, als ouder uitoefenende het ouderlijk gezag, als voogd, als curator, als executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap of als bewindvoerder in de gevallen waarin deze als zodanig volgens een uitdrukkelijke wetsbepaling is aangesteld of bij verdeling van een gemeenschap is benoemd; 3°. welke bij het overlijden verblijven aan deelgenoten, ingevolge een overeenkomst tussen de overledene en die deelgenoten gesloten; 4°. welke toebehoren aan de partner; 5°. welke reeds tijdens het leven van de erflater bestonden en rechtens afdwingbaar waren.

  5. 5

    De bepalingen van dit artikel zijn mede toepasselijk op de daarin bedoelde goederen, bewijsstukken of schuldigerkenningen, berustende onder of bewaard of bezeten voor de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van de overledene.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2020:476Hoge Raad, 3 april 2020 (belastingrecht)

    art. 12, art. 7, lid 2, en art. 27 Successiewet. Verrekening schenkbelasting met erfbelasting bij schenking binnen 180 dagen voor overlijden. Toerekening schenkbelasting bij schenkingen binnen en…

  • ECLI:NL:PHR:2018:1106Parket bij de Hoge Raad, 4 oktober 2018 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft heden conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 februari 2018, nr. BK-17/00832…

  • ECLI:NL:HR:1959:AY1786Hoge Raad, 28 januari 1959 (belastingrecht)

    Artikel 1, lid 7, SW (in 1957: artikel 1, lid 2, SW); aangaan algehele gemeenschap van goederen in huwelijkse voorwaarden; schenking

  • ECLI:NL:GHAMS:2020:1673Gerechtshof Amsterdam, 25 juni 2020 (belastingrecht)

    Erfbelasting; vermindering van erfbelasting; fictieve verkrijging

  • ECLI:NL:GHAMS:2020:1674Gerechtshof Amsterdam, 25 juni 2020 (belastingrecht)

    Erfbelasting; vermindering van erfbelasting; fictieve verkrijging

  • ECLI:NL:GHAMS:2020:1675Gerechtshof Amsterdam, 25 juni 2020 (belastingrecht)

    Erfbelasting; vermindering van erfbelasting; fictieve verkrijging

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.