Successiewet 1956

SW

Huidige tekst

Artikel 16 SW

Geldt sinds 1 januari 2010

  1. 1

    De bezittingen en de schulden van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die tot het overlijden van een erflater ingevolge dat artikel zijn toegerekend aan die erflater, en met ingang van zijn overlijden aan zijn erfgenamen, worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht door die erfgenamen krachtens erfrecht te zijn verkregen en wel per erfgenaam voor het deel dat ingevolge dat artikel aan de erfgenaam wordt toegerekend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 die zonder toepassing van dat lid tot het overlijden van de erflater zouden zijn toegerekend aan die erflater, en met ingang van zijn overlijden aan zijn erfgenamen.

  2. 2

    Onder hetgeen krachtens erfrecht wordt verkregen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan het ten gevolge van het overlijden van een erflater verkrijgen van een in rechte vorderbare aanspraak op een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  3. 3

    Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter zake van de in dit artikel bedoelde verkrijging.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2023:947Hoge Raad, 7 juli 2023 (belastingrecht)

    Artikel 2.14a Wet IB 2001; artikel 17 SW; APV; Liechtensteinse stiftung; discretionair vermogen; begunstigden.

  • ECLI:NL:HR:2023:948Hoge Raad, 7 juli 2023 (belastingrecht)

    Artikel 2.14a Wet IB 2001; artikel 16 SW; APV; Liechtensteinse stiftung; discretionair vermogen; begunstigden; inbrenger; bestuursbevoegdheid over ingebracht vermogen.

  • ECLI:NL:PHR:2022:1233Parket bij de Hoge Raad, 21 december 2022 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of het door de grootouders van belanghebbende in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, moet worden aangemerkt als discretionair…

  • ECLI:NL:PHR:2022:1234Parket bij de Hoge Raad, 21 december 2022 (belastingrecht)

    A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of het door de ouders van belanghebbende in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, moet worden aangemerkt als discretionair vermogen…

  • ECLI:NL:GHSHE:2026:1357Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 mei 2026 (belastingrecht)

    Artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht Geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht die nopen tot afwijken van de…

  • ECLI:NL:GHDHA:2023:1299Gerechtshof Den Haag, 27 juni 2023 (belastingrecht)

    IB/PVV. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Stichting is een afgezonderd particulier vermogen (APV) als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001. Toerekening aan erfgenaam en…

  • ECLI:NL:GHDHA:2021:2071Gerechtshof Den Haag, 20 oktober 2021 (belastingrecht)

    Art. 16 Successiewet 1956, art. 2.14a Wet IB 2001. Erfbelasting. Afgezonderd particulier vermogen in stichting met geen ander feitelijk doel dan verhuur van vier panden. Stichting is geen SBBI.…

  • ECLI:NL:GHARL:2021:9196Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 september 2021 (belastingrecht)

    Erfbelasting. APV. Non-discretionair vermogen? Is erflaatster aan te merken als (mede-)inbrenger?

12 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.