Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte

UHW

Huidige tekst

Artikel 20 UHW

Geldt sinds 1 januari 2019

1 a. De voorzitter doet onverwijld, in ieder geval binnen vier weken na het verstrijken van de in artikel 7, vierde lid, genoemde termijn, dan wel, indien de in dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te worden gedaan, na het tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding van de verzoeker is ontvangen, of binnen vier weken na het voorbereidend onderzoek, bedoeld in artikel 28, schriftelijk en met redenen omkleed uitspraak, indien: 1°. het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, 2°. het verzoek kennelijk redelijk of niet redelijk is, 3°. het voorstel dat ten grondslag ligt aan het verzoek, kennelijk redelijk of niet redelijk is, 4°. de aan het verzoek ten grondslag liggende bezwaren kennelijk gegrond of ongegrond zijn of 5°. de bezwaren tegen het aan het verzoek ten grondslag liggende voorstel kennelijk ongegrond zijn. b. Onverminderd onderdeel a doet de voorzitter binnen vier maanden na het verstrijken van de in artikel 7, vierde lid, genoemde termijn, dan wel, indien de in dat artikellid bedoelde oproep niet behoeft te worden gedaan, na het tijdstip waarop de aldaar bedoelde vergoeding van de verzoeker is ontvangen of binnen vier maanden na het voorbereidend onderzoek, bedoeld in artikel 28, desverzocht tevens schriftelijk en met redenen omkleed uitspraak indien in de huurovereenkomst of anderszins tussen partijen is afgesproken dat de desbetreffende aangelegenheden bij geschil aan de voorzitter kunnen worden voorgelegd. 2 Van een kennelijk redelijk verzoek is in ieder geval sprake in het geval, bedoeld in artikel 7:253, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, tenzij: a.de huurcommissie in een eerdere uitspraak heeft uitgesproken dat op grond van artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek een lagere huurprijs redelijk is en de in die uitspraak genoemde gebreken nog niet zijn verholpen; b.het percentage van de in het voorstel opgenomen huurverhoging het in artikel 10, tweede lid, bedoelde maximale huurverhogingspercentage te boven gaat, in welk geval het verzoek slechts kennelijk redelijk is, voorzover het dat percentage niet overschrijdt. 3 De voorzitter vermeldt in voorkomende gevallen in de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, tot welke huurprijs zijn uitspraak leidt, alsmede de datum van ingang. Hetgeen in deze wet is bepaald met betrekking tot een uitspraak van de huurcommissie is van overeenkomstige toepassing op de uitspraak van de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 4 Artikel 7 dan wel, voor geschillen als bedoeld in artikel 4a, artikel 7a is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor het door de huurcommissie doen van een uitspraak op het verzet, bedoeld in het zesde en zevende lid, niet opnieuw de in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 7a bedoelde vergoeding aan de Staat verschuldigd is. 5 Het bestuur zendt onverwijld een afschrift van de voorzittersuitspraak aan partijen. 6 Tegen de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, kan de huurder, verhuurder, huurdersorganisatie of bewonerscommissie binnen drie weken na verzending van het afschrift van die uitspraak schriftelijk en gemotiveerd in verzet gaan bij de huurcommissie. De voorzitter wijst in zijn uitspraak partijen op deze mogelijkheid, alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht genomen moeten worden. 7 Is de huurcommissie van oordeel dat het verzet, bedoeld in het zesde lid, gegrond is, dan vervalt de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, en wordt het aan de in het eerste lid bedoelde uitspraak ten grondslag liggende verzoek overeenkomstig hoofdstuk III door de huurcommissie in behandeling genomen. 8 Indien geen van de in het zesde lid genoemde partijen binnen de in dat lid genoemde termijn in verzet is gegaan, is hetgeen in artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek dan wel artikel 8a van de Wet op het overleg huurders verhuurder is bepaald met betrekking tot een uitspraak van de huurcommissie, van overeenkomstige toepassing op de uitspraak van de voorzitter.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2024:53Hoge Raad, 19 januari 2024 (civiel recht)

    Prejudiciële vragen. Huurrecht. Kan huurder of verhuurder zich na uitspraak van voorzitter huurcommissie op grond van artikel 7:262 BW rechtstreeks tot kantonrechter wenden zonder eerst in verzet te…

  • ECLI:NL:PHR:2023:983Parket bij de Hoge Raad, 3 november 2023 (burgerlijk procesrecht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Huurrecht. Procesrecht. Kan huurder/verhuurder zich na uitspraak voorzitter huurcommissie o.g.v. art. 7:262 BW rechtstreeks tot kantonrechter wenden zonder eerst in…

  • ECLI:NL:HR:2023:1005Hoge Raad, 30 juni 2023 (civiel recht)

    Huurrecht. Prejudiciele vragen. Toetsing aanvangshuurprijs. Art. 7:249 BW. Is voor waardering van energieprestatie van woning nodig dat bij ingang van huurovereenkomst een energie-index was…

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:7072Rechtbank Amsterdam, 19 mei 2026 (civiel recht)

    Verhuurder is het niet eens met de uitspraak van de huurcommissie, maar is niet-ontvankelijk omdat er geen grondslag bekend is en er geen stukken zijn ingediend die zijn vordering onderbouwen.…

  • ECLI:NL:RBMNE:2026:1483Rechtbank Midden-Nederland, 1 april 2026 (civiel recht)

    Eiser is niet-ontvankelijk. De kantonrechter zal de aanvangshuurprijs niet opnieuw toetsen. Er zijn geen aanknopingspunten dat eiser een eerlijk proces is onthouden. Zaaknummer huurcommissie: nummer.

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:53Rechtbank Noord-Nederland, 13 januari 2026 (civiel recht)

    Artikel 7:262 BW procedure. De huurcommissie heeft de betalingsverplichting van huurder voor de servicekosten op een lager bedrag vastgesteld. Eiser meent dat hij in de procedure bij de huurcommissie…

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:54Rechtbank Noord-Nederland, 13 januari 2026 (civiel recht)

    Artikel 7:262 BW procedure. De huurcommissie heeft de betalingsverplichting van huurder voor de servicekosten op een lager bedrag vastgesteld. Eiser meent dat hij in de procedure bij de huurcommissie…

  • ECLI:NL:RBNNE:2026:56Rechtbank Noord-Nederland, 13 januari 2026 (civiel recht)

    Artikel 7:262 BW procedure. De huurcommissie heeft de betalingsverplichting van huurder voor de servicekosten op een lager bedrag vastgesteld. Eiser meent dat hij in de procedure bij de huurcommissie…

30 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.