Wet studiefinanciering 2000

WSF

Huidige tekst

Artikel 10a.8 WSF

Geldt sinds 1 september 2022

Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis 1 Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. 2 Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is, of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn. 3 Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf. 4 Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander. 5 Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander. 6 De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere. 7 In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden. 8 Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2022:3724Rechtbank Den Haag, 11 maart 2022 (bestuursrecht)

    In geschil is of verweerder terecht de door eiser gestelde uitgaven buiten beschouwing heeft gelaten en de draagkracht voor het jaar 2021 terecht heeft vastgeteld op € 418,14 per maand. De rechtbank…

  • ECLI:NL:CRVB:2021:1221Centrale Raad van Beroep, 19 mei 2021 (socialezekerheidsrecht)

    Bij de vaststelling van de draagkracht van betrokkene, in verband met aflossing van zijn studieschuld, is ten onrechte het inkomen van zijn zus betrokken, die in dit verband als zijn partner is…

  • ECLI:NL:CRVB:2021:58Centrale Raad van Beroep, 13 januari 2021 (socialezekerheidsrecht)

    Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd, en in hoger beroep is herhaald, in de…

  • ECLI:NL:CRVB:2013:CA3229Centrale Raad van Beroep, 14 juni 2013 (socialezekerheidsrecht)

    Vaststelling hoogte maandelijkse afbetaling studieschuld.

  • ECLI:NL:CRVB:2012:BV6866Centrale Raad van Beroep, 24 februari 2012 (socialezekerheidsrecht)

    Vaststelling maandelijks terug te betalen bedrag in verband met een studieschuld. De wetgever heeft er blijkens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de Wsf 2000 nadrukkelijk niet voor…

  • ECLI:NL:RBASS:2011:BU1923Rechtbank Assen, 25 oktober 2011 (bestuursrecht)

    Eiser heeft al gevolg van een ongunstig effect van de Bbz voor het jaar 2009 een verzamelinkomen dat vele malen hoger is dan zijn daadwerkelijk genoten inkomen. In onderhavig geval, waarbij niet in…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.