Huidige tekst
Artikel III/3 STCW
Voorschrift III/3 Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan hoofdwerktuigkundigen en tweede scheepswerktuigkundigen op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen tussen 750 kW en 3000 kW 1 Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede scheepswerktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen tussen 750 kW en 3000 kW dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs. 2 Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen: .1 voldoen aan de vereisten voor vaarbevoegdheidsverlening als scheepswerktuigkundige belast met machinekamerwacht en: .1.1 hebben voor vaarbevoegdheidsverlening als tweede scheepswerktuigkundige ten minste 12 maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld als leerling-scheepswerktuigkundige of scheepswerktuigkundige, en .1.2 hebben voor vaarbevoegdheidsverlening als hoofdwerktuigkundige ten minste 24 maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld waarvan ten minste 12 maanden dienst is gedaan als bevoegd tweede scheepswerktuigkundige; en .2 hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/3 van de STCW-Code. 3 Iedere scheepswerktuigkundige die bevoegd is dienst te doen als tweede scheepswerktuigkundige op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van 3000 kW of meer, kan dienst doen als hoofdwerktuigkundige op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van minder dan 3000 kW, mits dit officieel is aangetekend op het vaarbevoegdheidsbewijs.