Gerechtsdeurwaarderswet

GDW

Huidige tekst

Artikel 3a GDW

Geldt sinds 1 januari 2025

  1. 1

    De gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling stelt, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, Onze Minister aanstonds van de ontvangen opdracht in kennis, op de wijze als bij ministeriële regeling is vastgesteld. De kennisgeving gaat vergezeld van alle gegevens die voorzienbaar van belang zijn voor de beoordeling of het verrichten van de ambtshandeling in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat en waarover de gerechtsdeurwaarder redelijkerwijs kan beschikken.

  2. 2

    Onze Minister kan een gerechtsdeurwaarder aanzeggen dat een ambtshandeling die aan hem is of zal worden opgedragen, dan wel door hem reeds is verricht, in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat.

  3. 3

    Een aanzegging kan uitsluitend ambtshalve geschieden. In verband met de vereiste spoed kan een aanzegging mondeling geschieden, in welk geval zij onverwijld schriftelijk wordt bevestigd.

  4. 4

    Van de aanzegging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  5. 5

    Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging ontvangt als bedoeld in het tweede lid, de ambtshandeling nog niet verricht, dan heeft de aanzegging ten gevolge dat de gerechtsdeurwaarder niet bevoegd is tot het verrichten van deze ambtshandeling. Een ambtshandeling die is verricht in strijd met de eerste volzin is nietig.

  6. 6

    Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging ontvangt als bedoeld in het tweede lid, de ambtshandeling reeds verricht en behelsde deze een beslagexploot, dan betekent hij deze aanzegging aanstonds aan degene aan wie het exploot is gedaan, heft het beslag op en maakt de gevolgen daarvan ongedaan. De kosten van de betekening van de aanzegging komen ten laste van de Staat.

  7. 7

    De voorzieningenrechter kan, rechtdoende in kort geding, de gevolgen van de aanzegging, bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, en de verplichtingen, bedoeld in het zesde lid, opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. Indien de ambtshandeling een beslag behelst is artikel 438, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. De procedure wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingesteld binnen veertien dagen na de dag waarop de gerechtsdeurwaarder de aanzegging heeft ontvangen, bedoeld in het tweede lid. De bij de kennisgeving verstrekte gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bij het begin van de procedure in het geding gebracht.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2024:727Hoge Raad, 17 mei 2024 (internationaal privaatrecht)

    Internationaal privaatrecht; staatsimmuniteit. Geschil over beëindiging arbeidsovereenkomst werkneemster ambassade. Immuniteit van jurisdictie. Terughoudend oordeel Nederlandse rechter over…

  • ECLI:NL:PHR:2023:1035Parket bij de Hoge Raad, 17 november 2023 (internationaal privaatrecht)

    Internationaal privaatrecht. Internationaal publiekrecht. Staatsimmuniteit. Geschil over beëindiging arbeidsovereenkomst; terughoudend oordeel Nederlandse rechter over vertrouwelijk karakter…

  • ECLI:NL:PHR:2020:412Parket bij de Hoge Raad, 24 april 2020 (civiel recht)

    Overheidsaansprakelijkheid. Is de Staat gehouden om vrouwelijke IS-uitreizigers en hun kinderen te repatriëren of zich daartoe in te spannen? Mensenrechten; rechtsmacht buiten grondgebied Staat; art.…

  • ECLI:NL:PHR:2016:1129Parket bij de Hoge Raad, 9 november 2016 (belastingrecht)

    De in Nederland woonachtige belanghebbende was geruime tijd werkzaam bij het Europees Octrooi Bureau (hierna: het EOB). In 2009 is belanghebbende gepensioneerd. Van het EOB heeft belanghebbende in…

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:16440Rechtbank Den Haag, 5 september 2025 (civiel recht)

    Vordering tot opheffing van een op de voet van artikel 435 lid 3 Rv gelegd executoriaal maar inmiddels conservatoir verworden beslag tlv gedaagde sub 2 op aandelen van gedaagde sub 1 afgewezen.

  • ECLI:NL:RBROT:2025:12840Rechtbank Rotterdam, 6 augustus 2025 (burgerlijk procesrecht)

    Kort geding. Executiegeschil. In het te executeren vonnis is de uitvoerbaarheid bij voorraad uitgebreid gemotiveerd, zodat aan een belangenafweging niet wordt toegekomen. Nieuwe feiten en…

  • ECLI:NL:RBROT:2025:8965Rechtbank Rotterdam, 23 juli 2025 (civiel recht)

    Conservatoir en executoriaal beslag op pand in Rotterdam dat eigendom is van een Iraans staatsbedrijf. Openbare veiling. Veilingkoper verwerft het pand. Het Iraanse staatsbedrijf, N, vordert van de…

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:12717Rechtbank Den Haag, 15 juli 2025 (civiel recht)

    Vordering tot opheffing executoriaal beslag gelegd ten laste van Spaanse publiekrechtelijke rechtspersoon (SEPI) voor een vordering op Koninkrijk Spanje uit hoofde van twee arbitrale vonnissen.…

49 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.