Gerechtsdeurwaarderswet

GDW

Huidige tekst

Artikel 37 GDW

Geldt sinds 1 januari 2018

  1. 1

    Aan de behandeling en de beslissing van tuchtzaken wordt op straffe van nietigheid deelgenomen door ten minste twee leden of plaatsvervangende leden, onder wie de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter, door Onze Minister benoemd op grond van artikel 35, tweede lid, en een lid of plaatsvervangend lid, door Onze Minister benoemd op grond van artikel 35, derde lid. Indien de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter door na aanvang van de zaak opgekomen omstandigheden is verhinderd, kan deze worden vervangen door een op grond van artikel 35, tweede lid, door Onze Minister benoemd lid of plaatsvervangend lid.

  2. 2

    De kamer voor gerechtsdeurwaarders neemt een tegen een gerechtsdeurwaarder gerezen bezwaar in behandeling hetzij op verzoek van Onze Minister, hetzij op een bij de kamer ingediende klacht. Een verzoek van Onze Minister of een klacht wordt schriftelijk en met redenen omkleed ingediend bij de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders. Indien de klager daarom verzoekt, is de secretaris hem behulpzaam bij het op schrift stellen van de klacht. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

  3. 3

    Voordat een tegen een gerechtsdeurwaarder gerezen bezwaar in behandeling wordt genomen op grond van een bij de kamer ingediende klacht, heft de secretaris van de kamer voor gerechtsdeurwaarders een griffierecht van € 50. Het griffierecht komt ten bate van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

  4. 4

    De secretaris wijst de klager op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op het daartoe bekend gemaakte bankrekeningnummer.

  5. 5

    Indien het griffierecht niet binnen de in het vierde lid bedoelde termijn is bijgeschreven op het daartoe bekend gemaakte bankrekeningnummer, dan wordt de klacht niet- ontvankelijk verklaard.

  6. 6

    Indien een klacht in der minne is geschikt ingevolge het tiende lid, kan als onderdeel van de minnelijke schikking door partijen worden bepaald dat het door de klager betaalde griffierecht wordt vergoed door de betrokken gerechtsdeurwaarder.

  7. 7

    Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, wordt het door de klager betaalde griffierecht vergoed door de betrokken gerechtsdeurwaarder.

  8. 8

    In afwijking van het derde lid, wordt geen griffierecht geheven indien het verzoek of de klacht afkomstig is van: a.Onze Minister; b.het Bureau; of c.de KBvG.

  9. 9

    Onze Minister kan het in het derde lid bedoelde bedrag wijzigen voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

  10. 10

    Indien de voorzitter van oordeel is dat een klacht onderscheidenlijk een verzoek vatbaar is voor minnelijke schikking, roept hij de klager onderscheidenlijk Onze Minister en de betrokken gerechtsdeurwaarder op ten einde een zodanige schikking te beproeven.

  11. 11

    Indien de klacht zich naar het oordeel van de voorzitter daartoe leent en uit de klacht blijkt dat deze nog niet is voorgelegd aan de geschillencommissie, bedoeld in artikel 57, derde lid, kan de voorzitter besluiten de behandeling van de klacht te schorsen, en de klager in de gelegenheid stellen het geschil voor te leggen aan de geschillencommissie. Tegen de beslissing is geen voorziening toegelaten.

  12. 12

    Indien de klacht onderscheidenlijk het verzoek, bedoeld in het derde lid, niet in der minne wordt opgelost en het geschil, bedoeld in het vierde lid, niet naar tevredenheid van beide partijen wordt opgelost, brengt de voorzitter de klacht ter kennis van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

  13. 13

    De leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt, indien er te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Titel IV van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a.in plaats van het openbaar ministerie en de verdachte Onze Minister, de gerechtsdeurwaarder en de klager een verzoek om wraking kunnen doen; b.deze voordracht mondeling of schriftelijk uiterlijk bij de aanvang van de behandeling moet worden gedaan, tenzij de feiten of omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen eerst in de loop van de behandeling ontstaan of bekend worden en c.degene die met de andere leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders over wraking zal beslissen, wordt aangewezen uit de niet met de behandeling van de zaak belaste leden en plaatsvervangende leden van de kamer.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2016:859Parket bij de Hoge Raad, 12 augustus 2016 (civiel recht)

    Art. 80a lid 1 RO. Diverse als cassatieberoep aangemerkte klachtbrieven over beslissingen van Kamer voor gerechtsdeurwaarders, tuchtcollege gezondheidszorg, rechtbank e.a. Geen advocaat bij HR…

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:2743Gerechtshof Amsterdam, 8 september 2026 (civiel recht)

    Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Tenuitvoerlegging vonnis ten laste van klaagster; beslag onder UWV. Weigering terugbetaling € 0,09. Onjuiste toepassing beslagvrije voet. Inzage dossier.…

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:1998Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 2026 (civiel recht)

    Tuchtrecht. Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Intimiderende brief. Aankondiging faillissement oneigenlijke drukuitoefening. Wet kwaliteit incassodienstverlening. Klacht gegrond. Waarschuwing

  • ECLI:NL:GHAMS:2025:1604Gerechtshof Amsterdam, 24 juni 2025 (civiel recht)

    Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Reactietermijn interne klacht. Onprofessioneel gedrag gerechtsdeurwaarder. Onheuse uitlatingen. Vervaltermijn artikel 37 lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet. Klacht…

  • ECLI:NL:GHAMS:2024:2927Gerechtshof Amsterdam, 29 oktober 2024 (civiel recht)

    Klacht tegen gerechtsdeurwaarders. Verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder. Art. 156 en 157 Rv. Onjuiste hoofdsom. Vonnis en betekening niet ontvangen. Niet reageren op betalingsregeling. Klacht deels…

  • ECLI:NL:GHAMS:2021:1816Gerechtshof Amsterdam, 22 juni 2021 (civiel recht)

    Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Onrechtmatige beslaglegging door gerechtsdeurwaarder? Driejaarstermijn ex art. 37 lid 2 Gdw. Wettelijke grondslag voor vaststellen beslagvrije voet op nihil…

  • ECLI:NL:GHAMS:2019:2429Gerechtshof Amsterdam, 7 juni 2019 (civiel recht)

    Spoedappel. Schorsing als bedoeld in artikel 38 Gdw. 3 gerechtsdeurwaarders komen in hoger beroep van de door de kamer opgelegde schorsing voor de duur van zes maanden. Het hof wijst af het verzoek…

  • ECLI:NL:GHAMS:2017:1121Gerechtshof Amsterdam, 4 april 2017 (civiel recht)

    Hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam van 12 oktober 2016 waarbij het wrakingsverzoek van verzoeker gedeeltelijk niet-ontvankelijk…

13 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.