Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Amsterdam, 24 juni 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:1842Zaaknummer 23-002697-19
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 juni 2022
- Publicatiedatum
- 25 juni 2022
- Zaaknummer
- 23-002697-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vandros | Strafzaak Willem Holleeder
Het hof:
verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het is gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het telkens als tweede cumulatief ten laste gelegde:
- in zaak A onder 1 en 2; - in zaak B onder 1 en 3;- in zaak C onder 1 en 2;
vernietigt het vonnis van de rechtbank, voor zover het vonnis in hoger beroep nog onderworpen is aan het oordeel van het hof, en doet opnieuw recht;
spreekt verdachte vrij van hetgeen aan hem in zaak B onder 4 primair ten laste is gelegd;
verklaart bewezen dat verdachte de in:
- zaak A onder 1 eerste cumulatief;
- zaak A onder 2 eerste cumulatief;
- zaak A onder 3;
- zaak B onder 1 eerste cumulatief;
- zaak B onder 2;
- zaak B onder 3 eerste cumulatief;
- zaak B onder 4 subsidiair;
- zaak C onder 1 eerste cumulatief;
- zaak C onder 2 eerste cumulatief;
tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor is beschreven in hoofdstuk 12;
verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld in hoofdstuk 12 en verklaart verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een levenslange gevangenisstraf;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in zaak B onder 3 eerste cumulatief en in zaak B onder 4 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 40.850,36 (veertigduizend achthonderdvijftig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 850,36 (achthonderdvijftig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) aan materiële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het in zaak B onder 3 eerste cumulatief en in zaak B onder 4 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 40.850,36 (veertigduizend achthonderdvijftig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 850,36 (achthonderdvijftig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 80 (tachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 mei 2004;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in zaak A onder 1 eerste cumulatief bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het in zaak A onder 1 eerste cumulatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 november 2005;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het in zaak A onder 1 eerste cumulatief bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.523,14 (duizend vijfhonderddrieëntwintig euro en veertien cent);
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het in zaak A onder 1 eerste cumulatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 november 2005;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in zaak A onder 1 eerste cumulatief bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het in zaak A onder 1 eerste cumulatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 november 2005;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.233,76 (vijfentwintigduizend tweehonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 233,76 (tweehonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.233,76 (vijfentwintigduizend tweehonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 233,76 (tweehonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
- 21 november 2012 over een bedrag van € 200,00 ter zake van GGZ-kosten eigen bijdrage;
- 31 maart 2014 over een bedrag van € 29,98 ter zake van antidepressiva;
- 22 maart 2017 over een bedrag van € 3,78 ter zake van antidepressiva;
en van de immateriële schade op 20 april 2006;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.343,54 (vijfduizend driehonderddrieënveertig euro en vierenvijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6], ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.343,54 (vijfduizend driehonderddrieënveertig euro en vierenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
- 20 april 2006 over een bedrag van € 1.134,45 ter zake van kosten graf;
- 25 april 2006 over een bedrag van € 440,44 ter zake van kosten overlijdensbericht;
- 16 juni 2006 over een bedrag van € 651,45 ter zake van kosten gedenksteen/ornament;
- 22 april 2008 over een bedrag van € 36,70 ter zake van bankje bij het graf;
- 5 mei 2011 over een bedrag van € 3.080,50 ter zake van kosten onderhoud graf;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 7], ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 april 2006;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 8], ter zake van het in zaak A onder 2 eerste cumulatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 april 2006.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. O.F. Qane en mr. T. Kaandorp, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2022.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- 1 Inleiding9
- 2 Getuigen19
- 3 Opnamen106
- 4 Achtergronden130
- 5 Aanslag Mieremet136
- 6 Moord Van Hout en aanslag Ter Haak146
- 7 Moord Endstra en aanslag [benadeelde partij 1]167
- 8 Moord Mieremet208
- 9 Moord Houtman en moord Van der Bijl217
- 10 Criminele organisatie236
- 11 Eerlijkheid proces238
- 12 Bewezenverklaring en strafbaarheid245
- 13 Straf250
- 14 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel253
- 15 Beslissingen van het hof277
- 2 Getuigen
- 3 Opnamen
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002697-19
datum uitspraak: 24 juni 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummers 13/730084-14 (zaak A), 13/731070-15 (zaak B) en 13/731088-15 (zaak C) tegen
Willem Frederik HOLLEEDER,
geboren te Amsterdam op 29 mei 1958,
gedetineerd in de extra beveiligde penitentiaire inrichting te Vught (EBI).
Verkorte inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Getuigen
3. Opnamen
4. Achtergronden
5. Aanslag Mieremet
6. Moord Van Hout en aanslag Ter Haak
7. Moord Endstra en aanslag [benadeelde partij 1]
8. Moord Mieremet
9. Moord Houtman en moord Van der Bijl
10. Criminele organisatie
11. Eerlijk proces
12. Bewezenverklaring en strafbaarheid
13. Straf
14. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
15. Beslissingen van het hof
Inhoudsopgave
1 Inleiding9
Strafzaak Vandros 9
Belang 9
Duur en omvang 9
Taak strafrechter 11
Afbakening van de zaak in hoger beroep 11
Ontvankelijkheid hoger beroep 11
Beschuldiging 12
Onderzoek op de zitting 13
Voorvragen 14
Andere strafzaken en andere betrokkenen 14
Eerdere strafzaken bij hof Amsterdam 14
Andere betrokkenen 14
Uitlokking 15
Betekenis van motieven 16
Motivering, bewijsmiddelen en verwijzing naar dossierstukken 17
Motivering en reactie op standpunten en verweren 17
Verwijzingen in voetnoten 17
2 Getuigen19
Beoordeling betrouwbaarheid getuigenverklaringen 19
Factoren met mogelijke invloed op betrouwbaarheid 19
Taak rechter 20
Wettelijke en verdragsrechtelijke bewijs(minimum)regels 21
2.1.3.1 Algemeen 21
2.1.3.2 Anonieme bedreigde getuigen 22
2.1.3.3 Kroongetuigen 22
Betrouwbaarheid verklaringen Astrid en Sonja Holleeder 24
Standpunt verdediging 24
Standpunt openbaar ministerie 24
Onderzoek hof 24
Belangen Astrid en Sonja Holleeder 25
2.2.4.1 Start getuigentraject 25
2.2.4.2 Bezittingen Cor van Hout 27
2.2.4.3 Geld verdachte in bewaring bij Astrid Holleeder 29
2.2.4.4 Opbrengst boeken en film 30
2.2.4.5 Motieven getuigen 32
2.2.4.6 Conclusie over belangen getuigen Holleeder 32
Psychische problematiek en invloed op verklaringen 32
2.2.5.1 Voorwaardelijk verzoek om deskundige 32
2.2.5.2 Onderzoek naar waarnemingen en herinneringen 33
2.2.5.3 Conclusie over waarnemingen en herinneringen 37
Redenen van wetenschap 37
Inhoud verklaringen 37
Verklaringen in verband met dossier 42
Eindconclusie betrouwbaarheid verklaringen Astrid en Sonja Holleeder 44
Betrouwbaarheid verklaringen Sandra den Hartog 45
Standpunt verdediging 45
Standpunt openbaar ministerie 46
Onderzoek hof 46
Belang Den Hartog: FIOD-zaak 46
Motieven Den Hartog 48
2.3.5.1 Moord op Klepper 48
2.3.5.2 Beëindiging van de relatie 49
2.3.5.3 Getuigentraject 50
2.3.5.4 Financieel belang bij verklaringen 52
Inhoud verklaringen 53
2.3.6.1 Kluisverklaringen, politieverklaringen en verklaringen bij rechter-commissaris 53
2.3.6.2 Verklaringen ter terechtzitting in Vandros en Passage 54
2.3.6.3 Conclusie inhoud verklaringen 56
Inhoud verklaringen in verband met dossier 57
2.3.7.1 Bezoeken aan kantoor Endstra 57
2.3.7.2 Levensonderhoud 58
2.3.7.3 Boete Houtman – verklaring [benadeelde partij 2] over boete 59
2.3.7.4 Mishandeling in Dynasty 60
2.3.7.5 Conclusie verklaringen in verband met dossier 60
Rechtmatigheid kroongetuigenovereenkomsten La Serpe en Ros 61
Standpunt verdediging 61
Standpunt openbaar ministerie 65
Oordeel hof 66
2.4.3.1 Oordelen Hoge Raad en hof in Passageproces 67
2.4.3.2 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van wettelijke regeling 67
2.4.3.3 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van EHRM-rechtspraak 68
2.4.3.4 Afspraak Holleeder-weglatingen en ondervragingsrecht 70
2.4.3.5 Conclusie hof rechtmatigheid 71
Betrouwbaarheid kroongetuigen La Serpe en Ros 72
Standpunt verdediging 72
Standpunt openbaar ministerie 74
Oordeel hof 77
2.5.3.1 Oordeel hof in Passageproces 77
2.5.3.2 (On)betrouwbaarheid kroongetuigen algemeen 78
2.5.3.3 La Serpe over verdachte 83
2.5.3.4 Ros over verdachte 97
Conclusie hof 99
De anonieme bedreigde getuigen D en Q5 100
Getuige D 100
2.6.1.1 Standpunt verdediging 100
2.6.1.2 Standpunt openbaar ministerie 100
2.6.1.3. Oordeel hof 101
Getuige Q5 101
2.6.2.1 Standpunt verdediging 102
2.6.2.2 Standpunt openbaar ministerie 102
2.6.2.3 Oordeel hof 103
3 Opnamen106
Wetenschap van Astrid en Sonja Holleeder en omertà (geheimhoudingsplicht) 107
Motieven Astrid en Sonja Holleeder om te verklaren 113
Profileren als iemand die anderen laat vermoorden: zegt verdachte ‘zomaar wat’? 127
4 Achtergronden130
Inleiding 130
Ontwikkelingen volgens verdediging 130
Achtergronden en onderlinge verhoudingen 131
Boete van Sreten Jocic 131
Contacten tussen verdachte, Soerel en Hillis 133
Verhouding tussen Mieremet en verdachte 134
5 Aanslag Mieremet136
Inleiding 136
Standpunt openbaar ministerie 136
Standpunt verdediging 137
Oordeel hof over achtergrond 139
Bewijs 141
Voor de aanslag 141
Afspraak verdachte met Van Hout 142
Na de aanslag 143
Conclusie betrokkenheid verdachte 144
Uitlokken en medeplegen 144
Periode 145
6 Moord Van Hout en aanslag Ter Haak146
Inleiding 146
Standpunt openbaar ministerie 146
Achtergrond en aanleiding volgens verdediging 146
Conflict Van Hout en Hillis 147
Andere conflicten 148
Bewijs 148
Betekenis van eerste aanslag op Van Hout 148
Aanslag op 24 januari 2003 149
Voor de aanslag 150
Na de aanslag 152
De Achterdam 153
Tien jaar na de aanslag 155
Remmers en zijn omgeving 157
Uiterlijk Remmers 159
Wetenschap Ros over opdracht 160
Conclusie betrokkenheid verdachte 163
Uitlokking 164
Medeplegen 165
Uitvoerders 165
Periode 165
Opzet op dood Ter Haak 166
7 Moord Endstra en aanslag [benadeelde partij 1]167
Inleiding 167
Standpunt openbaar ministerie 168
Standpunt verdediging 169
Oordeel hof en uitleg bewijs 171
Aanloop 171
7.4.1.1 Aanslag op Mieremet en het Telegraaf-artikel 171
7.4.1.2 Mieremet en politie 172
7.4.1.3 Gevolgen voor Endstra I: zakelijk vleugellam 172
7.4.1.4 Kantoorincident: gedwongen tot betalingen aan [betrokkene 28] 173
7.4.1.5 Betalingen aan [betrokkene 28]: een vrijwillige constructie van Endstra? 175
7.4.1.6 Betalingen aan [betrokkene 6]/Mieremet: ook van die zijde uitgewrongen 178
7.4.1.7 Motief voor Mieremet en/of valse beschuldiging verdachte? 181
7.4.1.8 Gevolgen voor Endstra II: alle liquiditeit weg, fatale termijn Hillis gemist 182
Verklaringen over doodsbedreiging 184
Tussenconclusie: geen vrijwillige constructie maar afpersing door verdachte c.s. 190
Vernietiging administratie Endstra 191
Betrokkenheid verdachte bij moord 192
7.4.5.1 Aankondiging van moord 192
7.4.5.2 Uitlatingen na moord 193
7.4.5.3 Opnamen 194
7.4.5.4 Motieven bij verdachte 196
Uitvoering van de aanslag 202
Uitlokken 205
Aanslag op [benadeelde partij 1] 206
Medeplegen 207
Ten laste gelegde periode 207
8 Moord Mieremet208
Inleiding 208
Standpunt openbaar ministerie 208
Standpunt verdediging 208
Bewijs 209
Moord op 2 november 2005 209
Betrokkenheid verdachte 210
Tussenconclusie 211
Relatie moord op Endstra en aanslag [benadeelde partij 1] 212
Betrokkenen in Thailand 212
Uitvoering van de moord 214
Tussenconclusie 215
Uitlokking 215
Slotconclusie 216
9 Moord Houtman en moord Van der Bijl217
Inleiding 217
Standpunt openbaar ministerie 217
Standpunt verdediging 217
Getuigen Astrid en Sonja Holleeder, Den Hartog, La Serpe, Ros, Q5 en Van der Bijl 217
Werkwijze opsporing in Kolbakonderzoek 218
Moord op Houtman 218
Moord op Van der Bijl 219
Oordeel hof 220
Getuigen Astrid en Sonja Holleeder, Den Hartog, La Serpe, Ros, Q5 en Van der Bijl 220
Werkwijze opsporing in Kolbakonderzoek 221
Betrokkenheid verdachte bij moorden op Houtman en Van der Bijl 224
9.4.3.1 Betekenis van eerdere rechterlijke uitspraken 224
9.4.3.2 La Serpe 227
9.4.3.3 Ros 228
9.4.3.4 Astrid en Sonja Holleeder en geluidsopnamen 230
9.4.3.5 Den Hartog 231
9.4.3.6 Getuige Q5 231
9.4.3.7 Van der Bijl en [Betrokkene 65] 232
Alternatieven verdediging 233
9.4.4.1 Moord op Houtman 233
9.4.4.2 Moord op Van der Bijl 233
Conclusie hof 234
10 Criminele organisatie236
Inleiding 236
Standpunt openbaar ministerie 236
Standpunt verdediging 236
Oordeel hof 236
11 Eerlijkheid proces238
Inleiding 238
Belastende getuigen 238
Natik Abbasov 239
Enclavegetuigen 240
La Serpe 241
Andere getuigen 242
betrokkene 88] 242
Kok 242
Slotsom ten aanzien van Kok en [betrokkene 88] 243
Duur van proces 243
Conclusie 244
12 Bewezenverklaring en strafbaarheid245
Inleiding 245
Bewezenverklaring 245
Strafbaarheid van bewezen verklaarde 248
Strafbaarheid van verdachte 249
Toepasselijke wettelijke voorschriften 249
13 Straf250
Standpunt openbaar ministerie 250
Standpunt verdediging 250
Oordeel hof 250
Onmenselijke bestraffing 251
Conclusie 252
14 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel253
Beoordelingskader 253
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] 256
Materiële schade 257
Immateriële schade 259
Beslissingen op vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] 263
Vorderingen [benadeelde partijen 2, 3 en 4] 263
Materiële schade 264
Proceskosten 265
Immateriële schade 266
Beslissingen op vorderingen [benadeelde partijen 2, 3 en 4] 269
Vorderingen [benadeelde partijen 5, 6, 7 en 8] 269
Materiële schade 270
Immateriële schade 272
Beslissingen op vorderingen [benadeelde partijen 5, 6, 7 en 8] 276
Gijzeling 276
15 Beslissingen van het hof277
Bijlage 1 Tenlastelegging
Bijlage 2 Onderzoek hoger beroep
Bijlage 3 Arresten Hoge Raad en hof in Passagezaak
Bijlage 4 Bewijsmiddelen
1. Inleiding
Strafzaak Vandros
Belang
Willem Holleeder wordt ervan verdacht dat hij samen met anderen de opdracht heeft gegeven tot meerdere moorden. In juridische termen is het verwijt dat hij deze moorden heeft ‘uitgelokt’. Het gaat om de moord op Cor van Hout, de moord op Willem Endstra, de moord op John Mieremet, de moord op Kees Houtman en de moord op Thomas van der Bijl. Daarnaast wordt hij ook verdacht van het uitlokken van de eerdere poging tot moord op Mieremet, de doodslag op Robert ter Haak, die vlakbij Van Hout stond toen Van Hout werd vermoord, en van de uitlokking van een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1], die dicht in de buurt van Endstra was toen Endstra werd vermoord. Verdachte wordt er ook van beschuldigd dat hij lid is geweest van een criminele organisatie die was gericht op het plegen van moorden.
Deze strafzaak heeft veel aandacht gekregen van het Nederlandse publiek en van de media. Verdachte is in de jaren 80 bekend geworden als één van de ontvoerders van Heineken en zijn chauffeur Doderer, een misdrijf dat Nederland destijds wekenlang in zijn greep hield. Na verloop van tijd is verdachte een bekende Nederlander geworden. Over die ontvoering zijn boeken geschreven en films gemaakt. Op enig moment werd verdachte columnist voor een tijdschrift en verscheen hij in een televisieprogramma waarin studenten gasten interviewen die naam hebben gemaakt in hun vakgebied. Verdachte werd op 13 december 2014 aangehouden omdat hij werd verdacht van de betrokkenheid bij de moord op Houtman en de moord op Van der Bijl. Op 23 maart 2015 werd bekend dat de zussen van verdachte, Astrid en Sonja Holleeder, en ook een ex-partner van verdachte, Sandra den Hartog, verklaringen hadden afgelegd over de betrokkenheid van verdachte bij levensdelicten. Al deze omstandigheden bleken ingrediënten voor boeken, documentaires, een televisieserie en een theatervoorstelling en voor veel aandacht voor en meningen over de strafzaak tegen verdachte.De strafzaak tegen verdachte is echter niet in de eerste plaats een strafzaak tegen een bekende Nederlandse crimineel. In deze strafzaak gaat het er in de eerste plaats om te achterhalen wie verantwoordelijk is voor de dood van Cor van Hout, de dood van Robert ter Haak, de dood van Willem Endstra, de aanslag op [benadeelde partij 1], de aanslag op en later de dood van John Mieremet, de dood van Kees Houtman en de dood van Thomas van der Bijl. Het gaat daarbij ook om hun kinderen, hun partners en andere naasten die hen moeten missen.Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank was dat ook van oordeel en heeft verdachte veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Ook voor verdachte is het belang van deze strafzaak groot.
Duur en omvang
De strafzaak Vandros[_06c7691c-d70d-4eda-9229-1b1e2a311adb] heeft lang geduurd. De feiten vonden plaats in de periode van 2002 tot en met 2006. Verdachte werd, zoals gezegd, op 13 december 2014 aangehouden in verband met de moord op Houtman en de moord op Van der Bijl. Het hof doet vandaag uitspraak, zo’n zeven-en-een-half jaar na de aanhouding van verdachte en meer dan twintig jaar nadat het eerste misdrijf werd gepleegd. De procedure bij de rechtbank heeft een lange tijd geduurd. Daar waren meerdere redenen voor. Allereerst werd het aantal misdrijven dat aan verdachte ten laste werd gelegd, gaandeweg uitgebreid. Het proces is begonnen met een tenlastelegging waarin verdachte onder meer de betrokkenheid werd verweten bij de moorden op Houtman en Van der Bijl. Later werd dit uitgebreid met een tenlastelegging waarin verdachte de betrokkenheid werd verweten bij de moorden op Van Hout en Endstra, de doodslag op Ter Haak en de poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van [benadeelde partij 1]. Nog later werd de beschuldiging uitgebreid met een tenlastelegging waarin verdachte de betrokkenheid werd verweten bij de poging tot moord op Mieremet en de moord op Mieremet. Op 11 mei 2016 hebben de advocaten van verdachte de verdediging neergelegd, waarna de nieuwe advocaten zich moesten inlezen in het omvangrijke dossier. In februari 2018 kon bij de rechtbank worden gestart met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, waarna de rechtbank uitspraak deed op 4 juli 2019. Bij de rechtbank hebben ruim 60 zittingsdagen plaatsgevonden. Ook het onderzoek in hoger beroep heeft lang geduurd. Nadat verdachte hoger beroep had ingesteld, heeft er op 25 mei 2020 een zogenoemde regiezitting plaatsgevonden waarop gesproken is over de inrichting van het hoger beroep. Op 22 september 2020 kon de inhoudelijke behandeling beginnen. Deze inhoudelijke behandeling is afgerond op 21 januari 2022 met het laatste woord van verdachte. Bij het hof hebben ruim 40 zittingsdagen plaatsgevonden.
De zaak Vandros heeft een ongekende omvang gekregen. Het dossier bevatte aan het slot van het proces bij de rechtbank 1244 ordners met een inhoud van 537.600 pagina’s. In hoger beroep zijn er nog vele ordners aan het dossier toegevoegd. Er zijn diverse redenen dat het dossier deze omvang heeft gekregen. Allereerst wordt verdachte beschuldigd van de betrokkenheid bij meerdere levensdelicten. Naar elk van die misdrijven is veel onderzoek gedaan. Naar sommige misdrijven is het onderzoek jaren later weer opnieuw opgepakt, nadat er nieuwe informatie beschikbaar was gekomen. Voor een aantal van deze misdrijven zijn ook andere verdachten aangehouden, verhoord en strafrechtelijk vervolgd. Er hebben eerdere strafzaken plaatsgevonden tegen bijvoorbeeld de uitvoerders en opdrachtgevers van de moorden op Houtman en Van der Bijl en tegen personen die door het openbaar ministerie worden gezien als de uitvoerders van de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1]. Deze strafzaken hebben bij de rechtbank plaatsgevonden, maar in veel strafzaken heeft ook een behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. In deze procedures zijn vele getuigen gehoord. Al die onderzoeken en strafzaken hebben een stroom van informatie opgeleverd die in het dossier Vandros terecht is gekomen. Dit was nodig omdat het openbaar ministerie, de verdediging, de rechtbank en het hof kennis moeten kunnen nemen van de informatie die over de ten laste gelegde feiten beschikbaar is. Bij dit alles komt nog dat het gaat om misdrijven gepleegd in een periode van meer dan vier jaren en met een context in een nog veel langere periode, waarin veel gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die van belang konden zijn voor een goede beoordeling van de zaak. Het openbaar ministerie verdenkt verdachte ervan te hebben samengewerkt met Dino Soerel en Stanley Hillis, personen die ook onderwerp zijn geweest van andere onderzoeken. Ook die onderzoeksgegevens, bijvoorbeeld de inhoud van hun onderlinge communicatie, konden van belang zijn voor de beoordeling van de beschuldiging dat verdachte met hen had samengewerkt. De verdediging heeft de rechtbank en het hof ook gewezen op andere scenario’s waarbij het niet verdachte was, maar een ander (of anderen) die een dringende reden had om het slachtoffer te vermoorden. Dat brengt met zich dat de rechtbank en het hof zich ook moesten verdiepen in de positie van die personen en de gebeurtenissen die voor die beoordeling relevant waren.
Uiteindelijk zijn tijdens het opsporingsonderzoek, het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank en het onderzoek in hoger beroep bij het hof vele getuigen gehoord. De rechter die over een strafzaak moet oordelen, moet uiteindelijk vaststellen welke getuigen van belang zijn voor het vinden van de waarheid en moet ook onderzoek doen naar de betrouwbaarheid van die getuigen en de bruikbaarheid van hun verklaringen voor het bewijs. Dat onderzoek kan intensiever zijn als daar aanleiding voor is of als één van de procespartijen daarover een standpunt naar voren brengt. Omdat sommige slachtoffers zich hebben bewogen in het criminele milieu was het nodig grondig onderzoek te doen, ook naar scenario’s waarin niet verdachte maar anderen achter de moorden zouden zitten. Hierbij werkte complicerend dat ook voor een flink aantal getuigen gold dat zij zich in het criminele milieu hebben bewogen. Het ging in dit onderzoek dus om waarheidsvinding in een zeer complexe context, waarbij zwaarwegende belangen op het spel staan. De wijze waarop deze beoordeling heeft plaatsgevonden, zal hierna nog worden toegelicht in hoofdstuk 2.
Al deze omstandigheden hebben tot gevolg gehad dat er veel tijd en aandacht is besteed aan deze strafzaak, tijd en aandacht waar niet alleen verdachte recht op heeft, maar waar ook de slachtoffers, de nabestaanden en de samenleving recht op hebben.
Taak strafrechter
De strafbare feiten waarvan een verdachte door het openbaar ministerie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de strafrechter op grond van de wet een aantal vragen één voor één beantwoorden. Hij doet dat op basis van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
De vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. Als een verdachte hoger beroep heeft ingesteld, moet het hof eerst beoordelen of het hoger beroep ontvankelijk is. Daarna moet het hof beoordelen of de dagvaarding geldig is, of de rechter bevoegd is om over deze tenlastelegging te oordelen, of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De vier laatste punten worden ‘de voorvragen’ genoemd. Het hof zal deze voorvragen beantwoorden in paragraaf 1.3.4.
Vervolgens moet het hof beoordelen of bewezen is dat de ten laste gelegde feiten door de verdachte zijn begaan en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert. Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte en over de oplegging van een straf of maatregel. Deze vier punten worden ‘de hoofdvragen’ genoemd. Een groot deel van dit arrest zal gaan over de vraag of verdachte de feiten heeft gepleegd die aan hem ten laste zijn gelegd.
Afbakening van de zaak in hoger beroep
Ontvankelijkheid hoger beroep
Een verdachte kan niet in hoger beroep gaan tegen de beslissing van een rechtbank waarin hij is vrijgesproken. Een verdachte zal daar meestal ook geen belang bij hebben. In de zaak tegen verdachte is een aantal feiten in drie juridische varianten aan hem ten laste gelegd. Verdachte wordt beschuldigd dat hij meerdere keren een moord heeft gepleegd of medegepleegd (lees: samen gepleegd) en daarnaast ook dat hij die moord samen met anderen heeft uitgelokt. In die eerste twee juridische varianten zou verdachte de moord zelf of samen met anderen hebben uitgevoerd, in de derde juridische variant zou hij samen met anderen de opdracht voor die moord hebben gegeven, terwijl die moord door weer anderen is uitgevoerd.
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van:- het plegen of medeplegen van de moord op Houtman (zaak A onder 1);- het plegen of medeplegen van de moord op Van der Bijl (zaak A onder 2);- het plegen of medeplegen van de moord op Van Hout (zaak B onder 1);- het plegen of medeplegen van de moord op Endstra (zaak B onder 3);- het plegen of medeplegen van de moord op Mieremet (zaal C onder 1);- het plegen of medeplegen van de poging tot moord op Mieremet (zaak C onder 2).
De rechtbank was dus van oordeel dat verdachte deze feiten niet zelf of samen met anderen heeft uitgevoerd. De rechtbank vond wel bewezen dat verdachte deze misdrijven steeds had uitgelokt, dat hij daarvoor de opdracht had gegeven.
De verdediging heeft het hof op de zitting van 25 mei 2020 gevraagd om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het hoger beroep is gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak. Het openbaar ministerie heeft op die zitting uitgelegd dat deze juridische varianten inderdaad ‘cumulatief’ (los naast elkaar) ten laste zijn gelegd, zodat verdachte door de rechtbank is vrijgesproken van een aantal afzonderlijk ten laste gelegde strafbare feiten. Het openbaar ministerie is het met de verdediging eens dat verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep voor zover het hoger beroep ook is gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en heeft het hoger beroep niet beperkt. Dit betekent dat het hoger beroep ook is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank om verdachte vrij te spreken van de beschuldiging in deze juridische varianten. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan verdachte tegen deze vrijspraken echter geen hoger beroep instellen. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep tegen die vrijspraken is gericht. Het hof heeft deze beslissing al in het vooruitzicht gesteld op de zitting van 8 juli 2020. Deze beslissing heeft het gevolg dat de beslissingen van de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het zelf plegen en het medeplegen van de moorden en de poging daartoe, blijven staan. Het hoger beroep gaat alleen over de feiten die de rechtbank wel bewezen heeft verklaard.
Beschuldiging
De tekst van de tenlastelegging met daarin de beschuldiging, is voor de rechter de basis voor het oordeel. De volledige tekst van de tenlastelegging is in bijlage 1 opgenomen, althans voor zover de tenlastelegging in hoger beroep nu nog aan de orde is. De feiten waarvoor verdachte door de rechtbank is vrijgesproken, staan niet meer in de tekst van de tenlastelegging in bijlage 1.
Het hof zal in dit arrest de ten laste gelegde misdrijven bespreken in chronologische volgorde, dus in de volgorde waarin de misdrijven in de tijd hebben plaatsgevonden. Aan verdachte worden - kort samengevat - de volgende feiten tenlastegelegd:
Aanslag op J. Mieremet (zaaksdossier Fazant) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de poging tot moord die op 26 februari 2002 in Amsterdam is gepleegd op J. Mieremet. De uitlokking van die poging tot moord heeft volgens de later gewijzigde tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 november 2000 tot en met 26 februari 2002 in (in elk geval) Nederland (Zaak C onder 2);
Moord op C. van Hout (zaaksdossier Viool) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 24 januari 2003 in Amstelveen is gepleegd op C. van Hout. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 24 januari 2003 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 1);
Doodslag R. ter Haak (zaaksdossier Viool) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de doodslag die op 24 januari 2003 in Amstelveen is gepleegd op R. ter Haak die op dat moment bij Van Hout was. De uitlokking van die doodslag heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 24 januari 2003 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 2);
Moord op W.A.A.P.M. Endstra (zaaksdossier Enclave) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 17 mei 2004 in Amsterdam is gepleegd op W.A.A.P.M. Endstra. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 3);
Poging tot doodslag of zware mishandeling [benadeelde partij 1] (zaaksdossier Enclave) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de poging tot doodslag die op 17 mei 2004 in Amsterdam is gepleegd op [benadeelde partij 1], die op dat moment bij Endstra was. Voor het geval niet komt vast te staan dat dit een poging tot doodslag was, wordt (subsidiair) de uitlokking van een zware mishandeling ten laste gelegd. De uitlokking van dat feit heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 in (in elk geval) Nederland (Zaak B onder 4);
Moord op J. Mieremet (zaaksdossier Boeddha)- Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 2 november 2005 in Thailand is gepleegd op J. Mieremet. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005 in (in elk geval) Nederland (Zaak C onder 1);
Moord op C.D. Houtman (zaaksdossier Agenda) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 2 november 2005 in Amsterdam (Osdorp) is gepleegd op C.D. Houtman. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005 in (in elk geval) Nederland (Zaak A onder 1);
Moord op A. van der Bijl (zaaksdossier Perugia) - Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 20 april 2006 in Amsterdam is gepleegd op A. van der Bijl. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 20 april 2006 in (in elk geval) Nederland (Zaak A onder 2);
Criminele organisatie - De deelname aan een organisatie in de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 mei 2006 in Nederland die gericht was op het plegen van onder meer moord en uitlokking van moord. Deze organisatie zou volgens de tenlastelegging hebben bestaan uit onder meer verdachte, D. Soerel, A. Akgün, J.F. Remmers, G. la Serpe en F.W.C. Ros (Zaak A onder 3).
Onderzoek op de zitting
Het hof heeft zijn beslissingen gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep dat heeft plaatsgevonden op meerdere zittingsdagen. De zittingsdagen zijn genoemd in bijlage 2 bij dit arrest. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden naar voren is gebracht. Ook heeft het hof kennis genomen van hetgeen door of namens de nabestaanden en benadeelde partijen naar voren is gebracht. Daarnaast heeft het hof geoordeeld op basis van het onderzoek dat eerder bij de rechtbank heeft plaatsgevonden, zoals dat is beschreven in de processen-verbaal van die zittingen.
Voorvragen
Het hof heeft uit eigen beweging onderzocht of de dagvaarding geldig is, of de rechter bevoegd is om over deze tenlastelegging te oordelen, of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De verdediging en het openbaar ministerie hebben ten aanzien van deze voorvragen geen verweren of standpunten naar voren gebracht.
Het hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hij bevoegd is tot kennisneming van het tenlastegelegde, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.Dit heeft tot gevolg dat het hof zal toekomen aan de volgende vraag: heeft verdachte de feiten gepleegd die aan hem ten laste zijn gelegd?
Andere strafzaken en andere betrokkenen
Eerdere strafzaken bij hof Amsterdam
Bij het hof Amsterdam zijn eerder strafzaken behandeld die voor een deel gingen over strafbare feiten en gebeurtenissen die in deze zaak ook aan de orde zijn. In de strafzaak Kolbak is door het hof Amsterdam onder meer geoordeeld over de betrokkenheid van verdachte bij de afpersing van Houtman en Endstra en de mishandeling van Van der Bijl. In de strafzaak Passage heeft het hof geoordeeld over onder meer de betrokkenheid van Soerel, Remmers, Ros en La Serpe bij moorden die nu ook aan verdachte ten laste zijn gelegd. Ook heeft het hof toen geoordeeld over de deelname van Soerel en Remmers aan een criminele organisatie die is gericht op het plegen van moorden. In de strafzaak Passage heeft het hof niet alleen geoordeeld over de inzet van de kroongetuigen Ros en La Serpe, maar ook overwegingen gewijd aan de betrokkenheid van verdachte.
Het hof dat in dit arrest nu oordeelt in de strafzaak Vandros tegen verdachte, is samengesteld uit andere raadsheren dan het hof in de strafzaak Kolbak en het hof in de strafzaak Passage. De raadsheren die in deze strafzaak onderzoek hebben gedaan en beslissingen hebben genomen, zijn niet op enige wijze bij de Passage-zaken of enige eerdere strafzaak tegen verdachte betrokken geweest. Zij oordelen onafhankelijk. De raadsheren hebben in deze strafzaak zelf onderzoek gedaan, zelf geoordeeld en zelf beslissingen genomen. De raadsheren hebben wel kennis genomen van de beslissingen in deze andere strafzaken, maar hebben zich daardoor niet laten leiden.
Ook na deze strafzaak zullen er nog strafzaken volgen waarin zal worden gesproken over feiten en omstandigheden waarover het hof nu oordeelt. Bij het hof worden op dit moment bijvoorbeeld ook de strafzaken behandeld van degenen die door het openbaar ministerie worden verdacht van de organisatie en uitvoering van de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1]. Voor die andere strafzaken worden weer andere rechters en raadsheren aangesteld die zelf onderzoek doen, zelf oordelen en zelf beslissingen nemen.
Andere betrokkenen
Voor het bewijs dat verdachte een misdrijf heeft uitgelokt, is niet vereist dat het hof ook steeds weet wie het misdrijf concreet hebben georganiseerd en wie het misdrijf hebben uitgevoerd. En voor zover uit het bewijs blijkt dat bepaalde personen op de één of andere manier betrokken zijn geweest bij de voorbereiding of de uitvoering van het misdrijf, is niet vereist dat het hof steeds vaststelt dat die personen zelf ook een bepaald misdrijf hebben gepleegd en daarvoor strafbaar zijn. Het hof hoeft dan ook niet te beoordelen of diegenen alle bestanddelen van een bepaald misdrijf hebben vervuld en welke deelnemingsvorm of pleegvorm aan de orde is. Ook hoeft het hof niet vast te stellen wat zij precies hebben geweten en op welk misdrijf hun opzet was gericht. Slechts hoeft te worden beoordeeld of het verdachte is geweest die, al dan niet samen met anderen, het misdrijf opzettelijk heeft uitgelokt. Er bestaat geen verplichting om een betrokkene zelf te horen voordat het hof kan vaststellen dat diegene op de één of andere manier betrokken is geweest bij de voorbereiding of de uitvoering van een misdrijf. Voor zover het hof in dit arrest vaststelt dat iemand op de één of andere manier daarbij betrokken is, betekent dat ook niet dat daarmee al vast staat dat diegene in een strafzaak daarvoor zal worden veroordeeld.
Uitlokking
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij misdrijven heeft uitgelokt, in de meeste gevallen een moord, maar in één geval een doodslag en in een ander geval een zware mishandeling. Het hof zal eerst toelichten wat onder ‘uitlokking’ moet worden verstaan en wat er nodig is om uitlokking te kunnen bewijzen.
Uitlokking is een zogenoemde ‘deelnemingsvorm’, een bepaalde manier van deelname aan een misdrijf dat door het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ook strafbaar wordt gesteld. Op grond van artikel 47 Sr worden als daders van een strafbaar feit ook gezien, zij die het feit opzettelijk uitlokken door een zogenoemd ‘uitlokkingsmiddel’. Artikel 47 Sr noemt de volgende uitlokkingsmiddelen:- giften,
- beloften,
- misbruik van gezag,- geweld,- bedreiging,- misleiding, en- het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen.
Bij uitlokking gaat het erom dat de uitgelokte door de uitlokker met gebruikmaking van één of meer van deze uitlokkingsmiddelen is aangezet tot het plegen van een strafbaar feit.[_e305e5aa-a111-4d69-8ebe-33dfad2d0e0c]
Voor een bewezenverklaring van uitlokking moet dus vast komen te staan dat:
- de uitlokker de uitgelokte heeft aangezet het delict te plegen;
- de uitlokker opzet heeft gehad op de uitlokking én op het delict waartoe de ander is aangezet;
- de uitlokker daartoe gebruik heeft gemaakt van een of meer van de uitlokkingsmiddelen die in de wetworden genoemd; en
- het uitgelokte delict is uitgevoerd.
De wettekst spreekt over het uitlokken van een feit en niet over het uitlokken van een bepaald persoon. Niet is vereist dat de uitlokker en de uitgelokte elkaar kennen of rechtstreeks contact hebben gehad. Uitlokking kan ook via een tussenpersoon plaatsvinden. Ook is niet vereist dat precies vast komt te staan wie het contact met de uitgelokte heeft gehad, op welke manier het contact met de uitgelokte heeft plaatsgevonden en met welke bewoordingen hij tot het plegen van het strafbare feit is aangezet.
Niet is uitgesloten dat de uitgelokte op verschillende opeenvolgende momenten tot het plegen van het strafbare feit wordt aangezet, bijvoorbeeld doordat hem opeenvolgend inlichtingen worden verschaft of nadere beloften worden gedaan.
Voor het bewijs van uitlokking maakt het niet uit dat er bij de uitgelokte al een zekere bereidheid aanwezig was tot het plegen van (mogelijk soortgelijke) strafbare feiten.
In deze zaak zijn met name de uitlokkingsmiddelen ‘giften’, ‘beloften’ en ‘inlichtingen’ van belang. Bij een ‘belofte’ kan het ook gaan om een geldbedrag dat in het vooruitzicht wordt gesteld voor het plegen van het strafbare feit. Voor het bewijs van een ‘belofte’ is het niet nodig dat ook vast komt te staan dat die belofte is ingelost, dat het beloofde geldbedrag uiteindelijk is betaald.
Bij ‘inlichtingen’ gaat het om mededelingen van feitelijke aard die van belang zijn met het oog op het te plegen delict, in die zin dat deze geschikt zijn om in die specifieke situatie ervoor te zorgen dat het delict wordt gepleegd.
Om tot het bewijs van uitlokking te komen, moet de uitlokker het opzet hebben gehad dat het strafbare feit zou worden gepleegd. Bij die beoordeling kan de vraag aan de orde komen hoever het opzet van de uitlokker reikt; is de uitlokker ook aansprakelijk voor de strafbare gedraging als de uitgelokte het strafbare feit op een andere manier uitvoert dan de uitlokker wilde? Deze vraag is in deze zaak wellicht aan de orde bij de dood van Ter Haak en de zware mishandeling van [benadeelde partij 1], die slachtoffer werden omdat zij in de directe omgeving van het doelwit aanwezig waren. Voor het bewijs van ‘opzet’ is voldoende als de uitlokker het zogenoemde ‘voorwaardelijk opzet’ had dat het strafbare feit werd gepleegd. Het ‘voorwaardelijk opzet’ op een bepaald gevolg – zoals bijvoorbeeld de dood van Ter Haak en het zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] – is aanwezig indien verdachte ‘bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard’ dat dit gevolg zal intreden. Bij deze beoordeling is van belang dat de uitlokker kiest voor een teruggetrokken positie en dat hij het uitvoeren van het strafbare feit overlaat aan anderen. Dat kan betekenen dat de uitlokker daarmee bewust ervoor kiest dat hij de uitvoering niet in de hand heeft en dat de uitgelokte het strafbare feit naar eigen inzicht uitvoert en daarbij acties onderneemt.
Betekenis van motieven
Het openbaar ministerie en de verdediging hebben veel aandacht besteed aan de motieven die er voor verdachte waren, of die er juist niet waren, om het slachtoffer om het leven te brengen. Ook het hof heeft daar aandacht voor gehad. Het belang van een motief voor het bewijs van een strafbaar feit kan verschillen. Dat iemand een reden heeft om een ander om het leven te brengen, draagt op zichzelf niet bij aan het bewijs dat diegene de ander daadwerkelijk om het leven heeft gebracht. Er zijn immers personen die een reden hebben om een ander om het leven te brengen, zonder dat zij daartoe daadwerkelijk actie ondernemen. Tegelijk is het zo dat bewezen kan worden dat iemand een ander om het leven heeft gebracht, zonder dat duidelijk is geworden wat daar de reden voor was. Dat relativeert de betekenis dat er een motief komt vast te staan voor de beoordeling in een strafzaak.
Toch kunnen vaststellingen over het motief voor een misdrijf soms van betekenis zijn. Terecht heeft de verdediging erop gewezen dat, als er in een zaak maar weinig bewijs is tegen een verdachte, de waardering van dat weinige bewijs door de rechter beïnvloed kan worden en zelfs anders kan uitvallen, als er een duidelijk motief van anderen aannemelijk wordt. Een motief kan ook zo nauw verbonden zijn met een gepleegd misdrijf, en het kan doorklinken in verklaringen van zoveel betrokkenen, dat dit op die manier bijdraagt tot het bewijs. Als aannemelijk wordt dat een verdachte iemand definitief het zwijgen heeft willen opleggen, of meende met het slachtoffer in een conflict op leven en dood te zijn verwikkeld, kan dat in de bewijsvoering een rol spelen.
In dit dossier komen verklaringen voor waarin door slachtoffers of hun omgeving is verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij het slachtoffer zou doodschieten, bijvoorbeeld als er geen geld (meer) zou worden betaald, of als het slachtoffer over verdachte zou praten met de politie, vaak in bewoordingen als ‘die gaat eraan’ of ‘hij gaat liggen’. Bij dergelijke uitlatingen kan het hof er niet zomaar van uitgaan dat het slechts gaat om een loze bedreiging of een theoretisch motief, maar zal het hof ook moeten onderzoeken of dit moet worden opgevat als een serieuze aankondiging van een moord. In het dossier komen getuigen voor die vertellen over wat zij met verdachte hebben meegemaakt en over zijn motieven. Onderzoek naar die motieven kan ook dan bijdragen aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaringen.
Motivering, bewijsmiddelen en verwijzing naar dossierstukken
Motivering en reactie op standpunten en verweren
Het hof heeft in dit arrest de beslissingen neergelegd en heeft deze beslissingen ook gemotiveerd voor zover een motivering:- nodig is om de beslissingen te begrijpen;- (op grond van de wet) vereist is bij het gebruik van een bepaald bewijsmiddel;- (op grond van de wet) vereist is omdat het openbaar ministerie en de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren hebben gebracht of de verdediging een verweer heeft gevoerd.
De voorzitter heeft de verdediging en het openbaar ministerie per e-mail van 27 oktober 2021 meegedeeld onder welke voorwaarden het is toegestaan om in het requisitoir en in het pleidooi te verwijzen naar eerder ingenomen standpunten, standpunten die al eerder in hoger beroep naar voren zijn gebracht en standpunten die bij de rechtbank in het requisitoir, het pleidooi en in de reacties daarop naar voren zijn gebracht. Het hof heeft kenbaar gemaakt dat de procespartijen in het requisitoir of het pleidooi mogen verwijzen naar eerder naar voren gebrachte standpunten, maar alleen als die verwijzing duidelijk is en de procespartij samenvat wat het standpunt is of welk verweer wordt gevoerd. Het hof heeft de verdediging en het openbaar ministerie verzocht daarbij ook de specifieke ‘randnummers’ te noemen uit het eerdere requisitoir of pleidooi. De voorzitter heeft deze voorwaarde op de zitting van 24 november 2021 herhaald voordat het openbaar ministerie begon aan het requisitoir.De verdediging heeft in het pleidooi in hoger beroep vaak verwezen naar standpunten die bij de rechtbank in het pleidooi en de latere reactie naar voren zijn gebracht. Het hof heeft daar steeds kennis van genomen. Het hof acht zich verplicht om op een standpunt in te gaan voor zover dat in het pleidooi, zoals dat in hoger beroep is voorgedragen, is samengevat en duidelijk is welk standpunt naar voren wordt gebracht of welk verweer wordt gevoerd.
Het hof zal in het arrest niet steeds reageren op standpunten en verweren van de verdediging wanneer de overwegingen en beslissingen van het hof in overeenstemming zijn met dat standpunt. Het is bijvoorbeeld niet nodig om te reageren op het standpunt dat een bepaalde getuige onbetrouwbaar is, als het hof ervoor heeft gekozen de verklaring van die getuige niet te gebruiken voor het bewijs. Ook heeft de verdediging bijvoorbeeld standpunten naar voren gebracht dat bepaalde motiveringen in het vonnis van de rechtbank onjuist zijn. Voor een deel komen de overwegingen van het hof niet overeen met de overwegingen van de rechtbank. In die situatie bestaat er voor het hof ook geen aanleiding om uit te leggen of de verdediging daarin gelijk heeft of niet. Het is voor het hof dus niet nodig om op alle standpunten van de verdediging te reageren. Dit heeft tot gevolg dat de motivering door het hof de indruk kan wekken dat het hof de meeste standpunten van de verdediging verwerpt. Die indruk is echter onterecht. Zowel het openbaar ministerie als de verdediging hebben vele terechte opmerkingen gemaakt.
Verwijzingen in voetnoten
Het hof is gekomen tot de beslissing dat verdachte strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof heeft die beslissing steeds gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn te vinden in bijlage 4 bij dit arrest. In dit arrest zal eerst worden ingegaan op de betrouwbaarheid van een aantal getuigen en de bruikbaarheid van hun verklaringen voor het bewijs. Ook zullen eerst verschillende ontwikkelingen en verhoudingen die op de achtergrond een rol hebben gespeeld worden besproken, voordat het hof ingaat op de verschillende strafbare feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Het hof zal in de motivering vaak in voetnoten verwijzen naar de vindplaats in het dossier van de feiten en omstandigheden die in de motivering een rol spelen. Als het gaat om een verwijzing naar een dossierstuk dat ook als bewijsmiddel in bijlage 4 is opgenomen, wordt niet in alle gevallen verwezen naar het precieze digitale paginanummer in dat dossierstuk. De relevante tekst uit dat dossierstuk is immers terug te vinden in de bijlage. Als het gaat om een verwijzing naar een dossierstuk dat niet als bewijsmiddel in de bijlage is opgenomen, zal het hof in elk geval het specifieke digitale paginanummer in de voetnoot noemen. Een deel van het dossier is alleen digitaal beschikbaar in het computerprogramma Zysearch. Voor zover in voetnoten wordt verwezen naar een document uit Zysearch, zal er worden verwezen naar de digitale pagina van het pdf-bestand dat uit Zysearch is gehaald. Het hof zal – mocht tegen dit arrest beroep in cassatie worden ingesteld – zorgdragen voor een gegevensdrager waarop de digitale bestanden uit Zysearch staan waar in dit arrest naar wordt verwezen. In het arrest zal ook worden verwezen naar opnamen van gesprekken tussen (onder meer) verdachte en Astrid Holleeder én verdachte en Sonja Holleeder. Een deel van deze opnamen is op de zitting beluisterd. Het hof zal in de motivering vaak verwijzen naar een nummer van de opname. Dat nummer komt overeen met de nummering van het ‘Schematisch overzicht door A.A. Holleeder verstrekte opnames’, dat op 26 mei 2021 per e-mail aan het openbaar ministerie en de verdediging is toegestuurd. In dit overzicht staan per opname de vindplaatsen in het dossier.
2 Getuigen
Beoordeling betrouwbaarheid getuigenverklaringen
In deze zaak bestaat het bewijsmateriaal voor het grootste deel uit getuigenverklaringen. Het openbaar ministerie baseert daarop het standpunt dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd waarvan hij wordt beschuldigd, terwijl de verdediging vrijspraak bepleit. Het is aan het hof om de betrouwbaarheid van die verklaringen te onderzoeken en zich daarover een oordeel te vormen. Ook moet het hof rekening houden met een aantal bewijs(minimum)regels, bijvoorbeeld in verband met het gebruik van verklaringen van kroongetuigen en anonieme getuigen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op deze beoordeling van de betrouwbaarheid en op de bewijsregels die voor deze zaak relevant zijn.
Factoren met mogelijke invloed op betrouwbaarheid
Op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de mate waarin de rechter zijn oordeel daarop kan gronden, kunnen vele factoren van invloed zijn. Factoren die betrekking hebben op de kwaliteit van de waarnemingen, of op de kwaliteit van de verklaringen daarover. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:
- de mate waarin de getuige onbelemmerd zicht heeft gehad op de gebeurtenissen: weersomstandigheden, lichtgesteldheid, obstakels, afstand of bijvoorbeeld het afgeleid zijn van de getuige tijdens de waarnemingen;
- de complexiteit en de snelheid waarmee die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden;
- de aandacht waarmee de getuige zijn waarnemingen heeft gedaan, waarbij een grote impact of onbeduidendheid van de gebeurtenissen een rol kan spelen en de moeite die de getuige heeft gedaan om zijn waarnemingen te onthouden;
- de mate waarin het nodig is om, voor een goed begrip van die gebeurtenissen, de context daarvan te kennen en de mate waarin die kennis bij de getuige aanwezig is;
- objectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, zoals fysieke belemmeringen van permanente of tijdelijke aard; slechthorend- of, slechtziendheid, een geestelijke stoornis of beperking en bijvoorbeeld drank- of drugsgebruik kunnen van invloed zijn;
- subjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, die een juiste waarneming en verklaring daarover kunnen bevorderen, zoals een beroepsmatige opleiding, ervaring of expertise;
- subjectieve factoren die een juiste waarneming en verklaring daarover in de weg kunnen staan, zoals een bewuste of onbewuste vooringenomenheid tegenover bepaalde personen of bevolkingsgroepen, eigen belangen van de getuige of belangen van anderen om een bepaalde verklaring af te leggen, dan wel de emotionele toestand waarin de getuige zich bevond tijdens de waarneming of het afleggen van zijn verklaring;
- de mate waarin de getuige onder druk staat om een bepaalde verklaring af te leggen;
- tijdsverloop tussen het moment waarop de waarnemingen zijn gedaan en het moment waarop de getuige daarover voor het eerst een verklaring aflegt en of en in welke mate de herinnering van de getuige is vervaagd of is beïnvloed door informatie waarvan de getuige in de tussenliggende periode kennis heeft genomen.
Bij getuigenverklaringen waarin de getuige vertelt over wat hij van een ander heeft gehoord, kan deze waaier aan factoren ook van toepassing zijn op die ander, de bron van deze verklaring.
Ook de wijze waarop de getuige is verhoord kan op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring van invloed zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:
- de mate waarin voor het getuigenverhoor bepaalde kwalificaties bij de verhoorder vereist en aanwezig zijn (bijv. een specifieke opleiding) en of de verhoorder dat tijdens het verhoor laat zien, zowel wat betreft eventueel vereiste (specialistische) voorkennis als wat betreft de wijze van uitvoering van het verhoor;
- of in het verhoor open of gesloten vragen, dan wel sturende vragen zijn gesteld en of er informatie aan de getuige is gegeven;
- of blijkt van enige vorm van vooringenomenheid bij degenen die het verhoor hebben afgenomen;
- als het een kwetsbare getuige betreft, of er passende maatregelen zijn getroffen;
- of de getuige is beëdigd of niet.
Taak rechter
Omdat dergelijke factoren van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring, is er onder omstandigheden nader onderzoek nodig. Dit kan bijvoorbeeld door een opdracht tot toevoeging aan het dossier van een volledige weergave van de gestelde vragen en daarop gegeven antwoorden, of van de audio- of video-opname van het verhoor, indien deze beschikbaar is. Ook kan nader onderzoek gericht zijn op het verifiëren of het klopt of kan kloppen wat de getuige verklaart, bijvoorbeeld door een nader verhoor van de getuige of andere getuigen, waarin deze met onderzoeksresultaten kunnen worden geconfronteerd. In bijzondere situaties, zoals wanneer het gaat om verklaringen van kroongetuigen, behoort de rechter extra behoedzaam te zijn vanwege de betrouwbaarheidsrisico’s die aan dergelijke verklaringen zijn verbonden.
Het is de taak van de rechter om de verklaringen van getuigen te wegen en te waarderen in verband met de inhoud van het overige bewijsmateriaal en, als de rechter zover komt, te selecteren welke gedeelten van verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs. Bij de uitoefening van die taak komt het altijd aan op de bijzonderheden van het geval. Wel is er meer in het algemeen een aantal aanknopingspunten voor de selectie en waardering van getuigenverklaringen. Aanknopingspunten zijn bijvoorbeeld of:
- sprake is van in de vorige paragraaf beschreven factoren die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring;
- de verklaring coherent is of tegenstrijdigheden bevat;
- de getuige consistent is in zijn verklaringen of op verschillende momenten verschillend verklaart;
- het bij dergelijke tegenstrijdigheden of inconsistenties gaat om details of om hoofdlijnen;
- en of er voor zulke tegenstrijdigheden of inconsistenties een begrijpelijke verklaring is. Een rol kan daarbij ook spelen of de verklaringen van de getuige globaal en kort of gedetailleerd en uitgebreid zijn en of deze bepaalde kenmerkende details bevat;
- de getuige pas na het afleggen van eerdere verklaringen is gekomen met bepaalde feiten en omstandigheden en of de getuige daarvoor een aannemelijke uitleg geeft;
- de getuige, in situaties waarin dat voor de hand lijkt te liggen, in staat blijkt meer gedetailleerd te verklaren over de gebeurtenissen en over de context waarin deze plaatsvonden;
- de verklaring op zichzelf aannemelijk kan zijn of al op het eerste gezicht verzonnen lijkt;
- de verklaring aansluit bij andere bewijsmiddelen en daarin steun vindt, en zo niet, of dat verklaarbaar is, en als dat verklaarbaar is, wat de aard en het gewicht is van die andere bewijsmiddelen in samenhang met de verklaring van de getuige. Onderzoeksresultaten die beschikbaar zijn gekomen na het afleggen van een verklaring, kunnen veel steun bieden aan die verklaring, zeker als het gaat om objectieve feiten waarop de getuige geen invloed kan hebben gehad.
Andere aanknopingspunten bij de waardering van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kunnen zijn of:
- de getuige zich toetsbaar opstelt, bijvoorbeeld door de weg te wijzen naar nadere informatie of andere personen (van wie ook voldoende gegevens worden verstrekt) aan de hand waarvan een verklaring getoetst kan worden;
- wat de getuige opgeeft als zijn redenen om naar de autoriteiten te stappen en een verklaring af te leggen en of die redenen aannemelijk zijn;
- de getuige een oprechte en betrouwbare indruk wekt bij het afleggen van zijn verklaring, bijvoorbeeld wanneer deze met kritische vragen wordt geconfronteerd, onderdelen van zijn verklaring in twijfel worden getrokken of hij met nieuwe gegevens wordt geconfronteerd die zich slecht met zijn verklaring lijken te verdragen.
De waardering van getuigenverklaringen aan de hand van de aanknopingspunten die daarvoor in het concrete geval bestaan, kan ertoe leiden dat de rechter een bepaalde getuige in het geheel niet geloofwaardig vindt. Ook kan het resultaat van deze waardering zijn dat voor bepaalde delen van wat een getuige heeft verklaard voldoende steun bestaat, zodat de rechter af kan gaan op de juistheid van die delen en deze gebruikt voor zijn beslissing. De rechter hoeft niet altijd verslag te doen van dit proces van bewijswaardering, maar kan volstaan met een weergave van de uitkomst ervan, of dat nu een vrijspraak of een veroordeling is. Dat ligt anders als door de verdediging of het openbaar ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring en de rechter dat standpunt niet volgt. Dan zal de rechter gemotiveerd op dat standpunt moeten reageren. Daarnaast kent de wet een aantal motiveringsvoorschriften in verband met specifieke soorten getuigenbewijs, zoals anonieme getuigen en kroongetuigen.
Het dossier in deze zaak bevat een heel groot aantal getuigenverklaringen over een groot aantal gebeurtenissen in een lange periode. Het onderzoek naar deze verklaringen en de waardering daarvan is buitengewoon arbeidsintensief en tijdrovend geweest. Dit is voor een belangrijk deel de reden dat dit strafproces lang heeft geduurd.
Wettelijke en verdragsrechtelijke bewijs(minimum)regels
Naast het vereiste dat de rechter een getuigenverklaring betrouwbaar moet oordelen, om deze aan het bewijs te laten bijdragen, zijn er ook andere vereisten die voortvloeien uit de wet en uit bijvoorbeeld het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.1.3.1 Algemeen
Het Wetboek van Strafvordering (Sv) kent een aantal belangrijke regels voor het bewijsminimum. Volgens artikel 342, tweede lid, Sv kan de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige, oftewel: ‘één-getuige-is-geen-getuige’. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Een onderdeel van de tenlastelegging kan dus wel bewezen worden verklaard op basis van de verklaring van één getuige. Het doel van deze regel is de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de feiten en omstandigheden die door één getuige naar voren zijn gebracht, op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
De wet sluit niet uit dat een bewezenverklaring in beslissende mate rust op de verklaring van één getuige. Bij normale getuigen, ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, ligt de lat niet hoog wat betreft de mate waarin hun verklaring steun moet vinden in ander bewijsmateriaal. Dat betekent dat in het algemeen steunbewijs van beperkt gewicht voldoende kan zijn om tot een veroordeling te komen.
2.1.3.2 Anonieme bedreigde getuigen
Er zijn getuigen van wie uit veiligheidsoverwegingen in het strafproces de identiteit verborgen blijft. Voor die getuigen gelden bijzondere regels, die vooral te maken hebben met de beperkte ondervragingsmogelijkheden doordat sommige vragen niet kunnen worden beantwoord omdat anders de identiteit van de getuige bekend kan worden. Vanwege de hindernissen die de verdediging ondervindt bij het aanvechten van verklaringen van anonieme getuigen, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) op basis van artikel 6 EVRM aan het gebruik voor het bewijs van verklaringen van anonieme getuigen eisen gesteld. Dat betekent dat bij de beoordeling van de eerlijkheid van de procedure waarin gebruik wordt gemaakt van anoniem getuigenbewijs, moet worden stilgestaan bij de vragen of (i) er een goede reden is om de identiteit van de getuige verborgen te houden en deze niet ter terechtzitting te horen, (ii) de veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaring van de anonieme getuige en (iii) of er toereikende compenserende factoren (ook van procedurele aard) zijn om te kunnen spreken van een eerlijke en behoorlijke beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijs.[_693c0daf-204c-465e-a72a-f851d979a818]
De gedachten die ten grondslag liggen aan deze eisen die door het EHRM worden gesteld, zijn herkenbaar in de regeling in het Wetboek van Strafvordering van het gebruik van verklaringen van anonieme bedreigde getuigen. Ten eerste is de mogelijkheid van het gebruik van zulke verklaringen beperkt tot ernstige misdrijven. Volgens artikel 344a, tweede lid onder b, Sv moet de tenlastelegging zien op een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv,[_337a0407-569a-4614-aa96-7b54388f12d4] dat gezien zijn aard, het georganiseerd verband waarin het is begaan of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Ook moet de anonieme getuige op grond van artikel 344a, tweede lid, onder a, Sv door de rechter-commissaris als een bedreigde getuige zijn gehoord, met toepassing van de wettelijke regeling die daarvoor is beschreven in de artikelen 226c tot en met 226f Sv. Verder mag volgens artikel 344a, eerste lid, Sv het bewijs niet uitsluitend of in beslissende mate berusten op die anonieme getuige. Er is dus steunbewijs voor de betrokkenheid van de verdachte vereist uit andere dan de anonieme bron en dat steunbewijs moet volgens de Nederlandse wettelijke regeling zo stevig zijn dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op het anonieme bewijs berust. Ook voor deze regel geldt dat het gaat om de bewezenverklaring als geheel. Die wettelijke regeling lijkt in dat opzicht inmiddels iets strenger dan de recente rechtspraak van het EHRM. Volgens die rechtspraak is een veroordeling die in beslissende mate is gebaseerd op anonieme getuigenverklaringen niet per definitie in strijd met artikel 6 EVRM, mits een goede reden bestond voor die anonimiteit en het nadeel voor de verdediging voldoende is gecompenseerd.[_39cc3e91-e2ed-4570-b3f9-3d7ae20eb1e0]
De rechter is verder op grond van artikel 360, eerste lid, Sv verplicht in zijn uitspraak te motiveren waarom een door hem voor het bewijs gebruikte anonieme getuigenverklaring naar zijn oordeel betrouwbaar is, en moet uitleggen dat is voldaan aan de in artikel 344a, tweede lid, Sv gestelde voorwaarden.
2.1.3.3 Kroongetuigen
Ook het gebruik voor het bewijs van verklaringen van kroongetuigen is wettelijk geregeld. Op die regeling wordt in paragraaf 2.4 nader ingegaan. Hier kan worden volstaan met het benoemen dat het maken van afspraken met kroongetuigen alleen in beeld komt in een opsporingsonderzoek dat ziet op een ernstig misdrijf, zoals volgt uit artikel 226g, eerste lid, Sv. Het moet gaan om een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, gepleegd in georganiseerd verband dat gezien de aard of de samenhang met andere door de verdachte gepleegde misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert of om een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.
Artikel 344a, vierde lid, Sv bepaalt dat de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag aannemen op verklaringen van kroongetuigen. Ook deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Een onderdeel van een bewezenverklaring kan wel worden gebaseerd op enkel de verklaring van een kroongetuige.
Bij kroongetuigen zal meestal niet het probleem ontstaan dat deze niet behoorlijk en effectief ondervraagd kunnen worden. Het is immers een onderdeel van de overeenkomst met een kroongetuige dat de kroongetuige meewerkt aan verhoren. Bij kroongetuigen is geen sprake van de beperking van het ondervragingsrecht die wel bestaat bij anonieme getuigen doordat de identiteit verborgen moet blijven. Daarom is niet uitgesloten – ook niet in de Nederlandse wettelijke regeling – dat de bewezenverklaring in beslissende mate berust op verklaringen van kroongetuigen.
Wel is de rechter verplicht het gebruik van de verklaring van een kroongetuige voor het bewijs te motiveren, zoals volgt uit artikel 360, tweede lid, Sv. Deze verplichting is vergelijkbaar met de motiveringsplicht bij het gebruik van de verklaringen van een anonieme bedreigde getuige.
In het Passageproces heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet is uitgesloten dat een bewezenverklaring in overwegende mate steunt op verklaringen van kroongetuigen en een anonieme bedreigde getuige.[_ba52e2e8-f68e-422c-b166-4363e444e638]
Betrouwbaarheid verklaringen Astrid en Sonja Holleeder
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen Astrid en Sonja Holleeder belangen hebben bij het afleggen van verklaringen tegen verdachte. De getuigen Holleeder hebben laten zien dat zij zelf bepalen welke informatie zij wel en welke informatie zij niet in willen brengen. Zij hebben in Goudsnip laten zien dat zij bereid en in staat zijn om een web van leugens te creëren en dat zij dat jarenlang op een overtuigende wijze kunnen volhouden. Ze hebben gelogen; heel lang en heel goed. Die belangen in de zaak Goudsnip hebben tot gevolg dat er risico’s bestaan dat zij niet de waarheid vertellen. Er kunnen risico’s liggen in een beloning voor het afleggen van een verklaring of het uitblijven van een bestraffing in de zaak Goudsnip.
Ook heeft de verdediging gewezen op de mogelijkheid dat Astrid en Sonja Holleeder psychische problemen hebben die invloed hebben op de kwaliteit van hun waarneming, hun herinnering en hun vermogen om over die herinnering te verklaren. Er kunnen risico’s liggen in emoties, zoals angstgevoelens, boosheid of wraakgevoelens ten opzichte van verdachte. Ook kunnen deze liggen in het functioneren van het geheugen van een getuige of de capaciteiten van een getuige om de registratie van feitelijke gebeurtenissen gescheiden te houden van eigen emoties.
De conclusie van het betoog van de verdediging is dat het hof rekening moet houden met de risico’s die deze belangen van de getuigen en hun psychische problemen meebrengen voor de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Het hof moet bij elk onderdeel dat door de getuigen Holleeder als belastend voor verdachte wordt ingebracht, beoordelen of dat onderdeel steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat andere bewijsmiddel moet dan los van die verklaring bestaan. Als een dergelijke ondersteuning ontbreekt, moet het hof dat niet ondersteunde onderdeel van de verklaring van Astrid of Sonja Holleeder niet laten bijdragen aan het bewijs tegen verdachte.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigen Holleeder zich jarenlang in een positie hebben bevonden waarin zij veel van verdachte te weten kwamen, waardoor zij belangrijke getuigen zijn in deze zaak. Volgens het openbaar ministerie staan hun verklaringen over verdachte los van hun verklaringen over de bezittingen van Cor van Hout (hierna ook: Van Hout) die onderwerp waren van het onderzoek Goudsnip. Overigens acht het openbaar ministerie niet aannemelijk dat de getuigen Holleeder in het onderzoek Vandros onware verklaringen hebben afgelegd over de verkoop van die bezittingen; hun verklaringen passen goed bij de onderzoeksresultaten van het onderzoek Goudsnip, ondanks slechts enkele aanwijzingen dat het toch anders zit.
In reactie op de door de verdediging opgeworpen mogelijkheid dat de verklaringen van met name Astrid Holleeder zijn beïnvloed door psychische problemen, heeft het openbaar ministerie gesteld dat daarvoor geen aanwijzingen zijn. Aan de oprechtheid van haar motieven hoeft niet te worden getwijfeld. Zij heeft door de jaren heen consistent en consequent verklaard, zeker ook op de punten die relevant zijn voor de beoordeling van de tenlastelegging. Daarnaast worden die verklaringen op voldoende punten ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Onderzoek hof
Het hof heeft hiervoor in paragraaf 2.1 uitgelegd welke bewijsregels er gelden voor getuigen, voor anonieme bedreigde getuigen en voor kroongetuigen. Astrid en Sonja Holleeder zijn gewone getuigen in de zin van het Wetboek van Strafvordering. Voor hen gelden geen bijzondere bewijsregels. Dit betekent dat het bewijs dat verdachte één van de ten laste gelegde feiten heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één van hen.
Het hof heeft onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de getuigen en de verklaringen die zij hebben afgelegd. Het hof heeft onderzocht of de getuigen belangen hadden om verdachte te beschuldigen en veroordeeld te krijgen. Ook is onderzocht of er aanknopingspunten zijn dat de getuigen Holleeder psychische problemen hebben waardoor zij gebeurtenissen anders hebben geïnterpreteerd, verkeerd in het geheugen opgeslagen of daarover verklaren op een manier die een vertekend beeld geeft van de werkelijkheid. Verder heeft het hof onderzoek gedaan naar de inhoud van de verklaringen, op zichzelf en in samenhang met andere dossierstukken en verklaringen.
Belangen Astrid en Sonja Holleeder
De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen Astrid en Sonja Holleeder belangen hebben bij het afleggen van verklaringen tegen verdachte. Die belangen maken dat er andere factoren spelen dan de enkele behoefte de waarheid te dienen.
De verdediging heeft daarbij gewezen op verschillende belangen. De getuigen Holleeder hebben volgens de verdediging in het onderzoek Goudsnip niet de waarheid gesproken over de bezittingen van Van Hout. Ook in de huidige strafzaak tegen verdachte spreken zij daarover nog altijd niet de waarheid. De getuigen Holleeder hebben belangen in De Achterdam in Alkmaar, terwijl zij juist verdachte ervan beschuldigen dat hij Van Hout heeft laten vermoorden zodat hij De Achterdam in bezit kon krijgen. Een aantal kennissen van de getuigen Holleeder die medeverdachten waren in de zaak Goudsnip, zijn uiteindelijk goed weggekomen.
Verder heeft de verdediging gewezen op andere financiële belangen van de getuigen Holleeder. De getuigen kregen inkomsten uit de verkoop van het boek ‘De ontvoering van Alfred Heineken’ en van de film die daarvan is gemaakt. Ook beschikte Astrid Holleeder over contant geld van verdachte dat zij voor verdachte zou bewaren. Astrid Holleeder heeft meerdere boeken geschreven over verdachte die op grote schaal zijn verkocht en ook tot een televisieserie en een theaterstuk hebben geleid. De getuigen hoefden dit geld niet met verdachte te delen en konden daarvan profiteren als verdachte voor lange tijd in de gevangenis zou belanden. Het hof zal hieronder ingaan op de vraag of deze belangen aannemelijk zijn geworden.
2.2.4.1 Start getuigentraject
De manier waarop de getuigen Holleeder, en later ook Sandra den Hartog, in contact zijn gekomen met het openbaar ministerie is beschreven door officier van justitie mr. B. Wind (hierna ook: mr. Wind) in haar proces-verbaal van 19 augustus 2015.[_4f513abc-6d03-4b90-97e3-a63cff0094dd] Ook heeft mr. Wind beschreven hoe de getuigen zich hebben opgesteld in de periode voordat zij zijn gaan verklaren, de periode waarin zij in het geheim verklaringen hebben afgelegd en de periode daarna waarin de getuigen moesten beslissen of de getuigenverklaringen openbaar zouden worden of niet. De manier waarop de getuigen zich in die periodes hebben geuit en zich hebben opgesteld, wijst er niet op dat zij een financieel belang hadden om verdachte veroordeeld te krijgen of dat zij dat deden zodat zij zelf geen problemen zouden krijgen met de bezittingen van Van Hout. Ook blijkt niet dat zij dat deden zodat een aantal medeverdachten in de zaak Goudsnip niet vervolgd zou worden of een gunstige behandeling zou krijgen. Integendeel, de manier waarop de getuigen zich hebben opgesteld en geuit, biedt juist aanwijzingen dat dergelijke belangen niet aan de orde waren. Daarbij is het volgende van belang.
Mr. Wind heeft in haar proces-verbaal beschreven dat het eerste contact met Astrid Holleeder heeft plaatsgevonden in februari 2013 en het eerste contact met Sonja Holleeder in april 2013. Vanaf het begin van de gevoerde gesprekken maakten de getuigen zich grote zorgen over het feit dat hun broer bezig was om weer een machtspositie op te bouwen om vervolgens weer mensen te gaan afpersen en moorden te laten plaatsvinden. Dit terwijl verdachte toen hij in januari 2012 op vrije voeten kwam, nauwelijks nog een machtspositie in het criminele milieu had.[_d6c433f2-e12a-445a-98e7-87f59f9c1353] Verdachte sprak tegenover de getuigen, met name tegen Astrid Holleeder, steeds vaker over mensen die ‘eraan moesten gaan’ en zij vreesde dat dat zou gaan gebeuren zodra hij weer de beschikking over voldoende macht en geld zou hebben. Ook dreigde hij Sonja Holleeder en haar kinderen en Peter de Vries (hierna ook: De Vries) te laten vermoorden. De getuigen vonden deze dreiging zeer reëel.[_b06d9785-fd10-48be-b962-e8d6632ea88c] De hoofdreden voor Astrid Holleeder om te gaan verklaren was dat zij wilde voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. Zij had om die reden geen keus meer.[_1d797e20-b449-4878-a463-3ed881135b01]
Mr. Wind heeft beschreven dat de getuigen inderdaad voorwaarden hebben genoemd voor het afleggen van een verklaring, namelijk dat door het openbaar ministerie zou worden toegezegd dat een aantal personen, die als verdachte waren aangemerkt in de al jaren slepende zaak Goudsnip, daarvan zou worden verlost, dat het verlies van inkomen door Sandra den Hartog en Astrid Holleeder financieel zou worden gecompenseerd en dat zij een stem wilden in de beslissing voor welke zaken verdachte zou worden vervolgd.[_47fe1ec5-2be9-4711-afc8-e33e7ddba17f] Mr. Wind heeft echter toegelicht dat de getuigen uiteindelijk geen voorwaarden hebben verbonden aan hun instemming met het gebruik van hun verklaringen.[_37030dbe-8df4-44f9-a97b-9609b1bf8002]
Het proces-verbaal van mr. Wind over de contacten met de getuigen wijst erop dat het met name de belangen van anderen in de strafzaak Goudsnip waren die in de besprekingen met het openbaar ministerie aan de orde zijn geweest en de financiële consequenties die het zou hebben als de getuigen zouden gaan verklaren en zij daardoor zouden moeten stoppen met hun werk. Dat die onderwerpen aan de orde zijn geweest, is goed te begrijpen en levert nog geen aanwijzing op dat dit belangen waren om verdachte in strijd met de waarheid te beschuldigen om hem op die manier buitenspel te zetten. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat de getuigen Holleeder verklaringen hebben afgelegd in ruil voor bepaalde toezeggingen door het openbaar ministerie.
Uit de gebeurtenissen vanaf het eerste contact met justitie tot aan het moment waarop de getuigenverklaringen openbaar werden, blijkt juist dat de getuigen het openbaar ministerie op afstand hebben gehouden. Zij waren bang voor de consequenties van hun verklaringen, hadden geen vertrouwen in de bescherming door justitie en een goede afloop van de zaak en wilden lange tijd niet dat er nog wat met hun verklaringen zou gebeuren.
Mr. Wind heeft toegelicht dat Astrid Holleeder eerst nog te weinig vertrouwen in de gesprekspartners had en in de vertrouwelijkheid van een getuigentraject, om met betrekking tot moorden al open kaart te spelen. Dit vertrouwen moest groeien.[_7eedc390-1267-4c06-9cf5-12a3ee255927] Astrid Holleeder gaf blijk van een grote angst voor haar broer; zij vreesde voor het leven van familieleden en anderen. Ze vertelde dat verdachte al jaren zegt dat hij ‘iemand plat heeft’ bij de politie en dat ze bang is dat hij te horen krijgt dat ze met justitie in gesprek is. Dat zou haar doodvonnis betekenen. Bij de getuigen is voortdurend sprake geweest van grote bezorgdheid over de omvang van de kring van personen die op de hoogte was van het traject. Het vertrouwen in de geheimhouding is zeer langzaam gegroeid.[_2cbc59ce-d6e6-4cec-8d4a-6b467c0bc7ae]
Nadat Astrid Holleeder op 28 maart 2013 had laten weten dat zij bereid was om verklaringen af te leggen, is een eerste verhoor uitgesteld omdat Sonja Holleeder mogelijk ook wilde gaan verklaren, maar nog twijfelde. Als Sonja Holleeder dat niet zou willen, zou Astrid Holleeder er alleen voor staan. Vervolgens heeft Astrid Holleeder een gesprek gevraagd met mr. Wind waarin de getuige onder meer aangaf te vrezen dat haar verklaring tegen haar zin in toch gebruikt zou worden of dat deze verklaring zou gaan zwerven en zo breder bekend zou worden.
Op 21 en 22 april 2013 zijn uiteindelijk zes kluisverklaringen afgelegd door zowel Astrid als Sonja Holleeder.[_979b2d65-bf9b-4347-96c5-60c2b88b88cf] Op 5 augustus 2013 vertelde Astrid Holleeder dat verdachte ergens € 150.000,- had liggen. Zij wilde dat de politie dat bedrag in beslag zou nemen om te voorkomen dat verdachte geld zou hebben om iemand om het leven te laten brengen.[_e20bbec6-a149-4f19-a13f-251805e96a6b] In augustus 2013 ontstond twijfel en onvrede bij de getuigen Holleeder over het getuigentraject en werd een gesprek met het Team Getuigenbescherming door hen afgezegd. Justitie heeft meerdere gesprekken met de getuigen Holleeder gehad met als inzet hen ‘aan boord te houden’.[_a017b5b4-7951-46da-9df6-5dccf8036a74] In januari 2014 hebben de getuigen Holleeder laten weten dat zij het traject niet meer zagen zitten en dat zij wilden dat de afgelegde verklaringen vernietigd zouden worden. Een afspraak voor een laatste gesprek kwam moeizaam tot stand. Op 26 maart 2014 heeft mr. Wind een exitgesprek gevoerd met Astrid en Sonja Holleeder waarin de getuigen niet op andere gedachten waren te brengen en afgesproken werd dat de afgelegde kluisverklaringen door justitie vernietigd zouden worden. Buiten het zicht van de getuigen werd door het openbaar ministerie echter besloten nog niet onmiddellijk tot vernietiging over te gaan, maar even af te wachten.[_926a26c9-f411-4c25-9e73-670b424e011a]
Deze opstelling van de getuigen, hun gebrek aan vertrouwen in bescherming door justitie en hun weerstand tegen het openbaar ministerie worden van hun verklaringen, is moeilijk te verklaren als de getuigen in werkelijkheid niets te vrezen hadden voor verdachte en andere belangen hadden dan dat werd voorkomen dat meer mensen het leven zouden laten. De terughoudende opstelling en hun beslissing om het getuigentraject stop te zetten, zijn juist aanwijzingen dat zij geen andere belangen hadden.
2.2.4.2 Bezittingen Cor van Hout
De getuigen Holleeder zijn beiden als verdachte betrokken geweest in de zaak Goudsnip. Zij werden in die zaak onder meer verdacht van het witwassen van de criminele erfenis van Van Hout en van het onjuist doen van aangifte erfbelasting. De getuigen Holleeder hebben inmiddels in de zaak Vandros erkend dat er in de zaak Goudsnip is gelogen. De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen Holleeder daarover nog altijd liegen. Dat zij liegen, toont volgens de verdediging aan dat zij een belang hebben bij De Achterdam en dat ook de verklaringen die zij onder ede bij de rechtbank en het hof hebben afgelegd, niet zomaar kunnen worden geloofd.
Hiervoor is in paragraaf 2.2.4.1 al besproken dat en waarom het niet aannemelijk is dat de getuigen Holleeder in strijd met de waarheid belastend over verdachte zijn gaan verklaren om zo voor andere personen in de zaak Goudsnip een gunstige afdoening te krijgen. De vraag rijst of de getuigen Holleeder in verband met de zaak Goudsnip of De Achterdam nog een ander belang hebben bij het valselijk belasten van verdachte.
Het hof heeft kennis genomen van delen uit het onderzoek Goudsnip en heeft daarover tijdens het onderzoek vragen gesteld aan getuigen, ook aan de getuigen Holleeder. De beschikbare dossierstukken uit het onderzoek Goudsnip roepen vragen op en bevatten aanwijzingen dat de getuigen Holleeder hierover mogelijk nog altijd niet de gehele waarheid spreken. De verdediging heeft daar terecht op gewezen. Het hof beschikt echter niet over het gehele dossier Goudsnip en heeft daar geen uitputtend onderzoek naar gedaan, zodat het hof niet vast kan stellen wat ten aanzien van al die thema’s de precieze waarheid is. Een dergelijk uitputtend onderzoek is ook niet nodig voor het onderzoek naar de vraag of de getuigen Holleeder een belang hebben om verdachte in strijd met de waarheid te beschuldigen. Het gaat er niet om dat komt vast te staan dat Astrid of Sonja Holleeder een belang hebben bij de bezittingen van Van Hout, het gaat er om of de getuigen een belang hebben om verdachte ten onrechte te beschuldigen, om te liegen in verklaringen om hem zo buitenspel te zetten.
Voor het hof is duidelijk geworden dat het de getuigen Holleeder in de zaak Goudsnip niet zou helpen als zij verdachte tot een gevangenisstraf veroordeeld zouden krijgen. Op het moment dat zij voor het eerst contact kregen met justitie en lieten weten bereid te zijn om verklaringen af te leggen, was de strafvervolging in de zaak Goudsnip voor henzelf namelijk al achter de rug. De strafzaak tegen Astrid Holleeder was al geseponeerd; zij zou niet worden vervolgd. Sonja Holleeder had een transactie geaccepteerd die tot gevolg had dat zij 1,1 miljoen euro moest betalen. Ook als de financiële belangen in de zaak Goudsnip niet volledig aan het licht zijn gekomen, is het niet te begrijpen dat de getuigen die belangen op het spel zouden zetten door in strijd met de waarheid tegen verdachte te gaan verklaren. Immers, als het niet waar is wat de getuigen Holleeder verklaren over verdachte en De Achterdam, en als het wel waar is wat verdachte daarover heeft verklaard, dan moet worden uitgegaan van de volgende situatie. Verdachte heeft verklaard dat hij geen recht had op een deel van de bezittingen van Van Hout, dat hij niet uit was op De Achterdam en dat de getuigen Holleeder van hem niets te vrezen hadden. Als dat waar is, hadden Astrid en Sonja Holleeder nadat de zaak Goudsnip in 2011 voor hen achter de rug was, niets meer te vrezen: niet van justitie en niet van verdachte. Dat zij vervolgens contact hebben gezocht met justitie, waar zij juist aversie en achterdocht tegen hadden, met het risico dat verdachte een boekje open zou doen over De Achterdam, is hoogst onwaarschijnlijk.
Het hof heeft verdachte tijdens het onderzoek expliciet gevraagd welk belang Astrid en Sonja Holleeder, in verband met de bezittingen van Van Hout, erbij hebben dat verdachte wordt veroordeeld voor moorden. Verdachte heeft die vraag niet kunnen beantwoorden.[_64346c30-a4e1-44dd-a19b-4a2ec78cec8e]
De verdediging heeft weliswaar aangevoerd dát er mogelijk een verband bestaat, maar niet onder woorden gebracht wát het verband is tussen de belangen bij De Achterdam en het belang om verdachte op te sluiten, nog afgezien van de vraag of die belangen aannemelijk zijn geworden.
Door de verdediging is bij verschillende gelegenheden aangevoerd dat de getuigen Holleeder de wens van hun broer om De Achterdam in handen te krijgen ‘in het hart van hun beschuldigingen hebben gelegd’. Zij hebben immers verklaard dat verdachte Van Hout heeft laten vermoorden om zo de beschikking te krijgen over De Achterdam. Dat betoog zegt iets over het tegenover elkaar staan van de belangen van verdachte en de getuigen Holleeder met betrekking tot De Achterdam; het betoog zegt echter niets over een belang om verdachte op valse gronden veroordeeld te krijgen.
Het hof heeft bij het verhoor van Sonja Holleeder vragen gesteld over het beroep dat zij op haar verschoningsrecht deed toen haar in het verhoor bij de rechter-commissaris op 20 juli 2016 vragen werden gesteld over het onderzoek Goudsnip.[_4ca87318-a438-4607-807a-84fb49c2e022] Lange tijd is onduidelijk gebleven in verband waarmee Sonja Holleeder een beroep op het verschoningsrecht deed, een beroep dat zij overigens naar het oordeel van de rechter-commissaris terecht deed. Ook was niet bekend wat de inhoud was van de strafbeschikking die Sonja Holleeder in december 2016 heeft aanvaard, waarna zij naar eigen zeggen vrijuit kon verklaren.[_6ab4daf7-19dd-4fc5-a8a1-470f8dd3d1dd] Sonja Holleeder heeft op 4 oktober 2021 in hoger beroep hierover verklaard. Het beroep op het verschoningsrecht en de daarop gevolgde strafbeschikking had te maken met een constructie waarbij Sonja Holleeder als werkneemster geregistreerd stond en loon ontving, terwijl dit in feite een witwasconstructie betrof.[_eadfa17e-5977-4000-9760-0919c02715fd] Er is niet gebleken dat hier enig belang speelt dat op enigerlei wijze van invloed kan zijn op de inhoud van verklaringen over de betrokkenheid van verdachte bij moorden.
De verdediging heeft gesteld dat Sonja Holleeder er in haar verklaringen bij de politie ‘niet voor teruggeschrokken is het leugenachtige verhaal over de erfenis van Van Hout in te zetten om haar beschuldigingen aan het adres van verdachte meer gewicht te geven’. Deze stelling van de verdediging gaat eraan voorbij dat het gewicht van de beschuldiging niet is verminderd, nadat de leugen die de verdediging bedoelt aan het licht is gekomen. De verdediging bedoelt dat Sonja Holleeder heeft verklaard dat Van Hout zijn bezittingen al voor zijn dood had verkocht, omdat hij wist dat verdachte hem wilde doden om toegang te krijgen tot zijn bezit, terwijl later is gebleken dat in elk geval De Achterdam niet voor de dood van Van Hout door hem is verkocht. Dat Sonja Holleeder heeft gelogen over het moment van deze verkoop betekent echter nog niet dat zij dat heeft gedaan met de bedoeling de beschuldiging aan het adres van verdachte over de dreiging van hem tegenover Van Hout zwaarder te maken. Het lijkt er eerder op dat zij daar toen niet de waarheid over heeft verteld in verband met het standpunt dat zij in het Goudsnip-onderzoek had ingenomen. Nog steeds niet valt in te zien welk eigen belang van Sonja Holleeder zij hier zou dienen met een beschuldiging aan het adres van verdachte.
Ten slotte is van belang dat de getuigen Holleeder niet ontkennen dat Sonja Holleeder en haar kinderen na het overlijden van Van Hout de zeggenschap over zijn bezittingen hebben gekregen. Het punt waarop er aanwijzingen bestaan dat Sonja Holleeder mogelijk niet de gehele waarheid spreekt, betreft inmiddels alleen nog of Sonja Holleeder al vóór het overlijden van Van Hout de zeggenschap heeft gekregen over Villa Francis en De Achterdam en aan wie dit onroerend goed is verkocht.
Als de getuigen Holleeder daadwerkelijk op dit punt nog steeds niet de volledige waarheid zouden hebben gesproken, staat dat naar het oordeel van het hof los van hun verklaringen over verdachte. Een reden om daarover niet volledig open te kunnen zijn zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat dit voor personen die Sonja Holleeder te hulp zijn geschoten, mogelijk (nadere) fiscale of justitiële consequenties zou kunnen hebben.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat voor het hof niet duidelijk is geworden, laat staan aannemelijk geworden, dat het in verband met de bezittingen van Van Hout, voor Astrid of Sonja Holleeder of voor anderen, gunstig zou zijn dat verdachte van het toneel zou verdwijnen en de getuigen Holleeder daarom in strijd met de waarheid over hem zijn gaan verklaren bij de politie.
2.2.4.3 Geld verdachte in bewaring bij Astrid Holleeder
Verdachte heeft verklaard dat hij een geldbedrag van € 700.000,- aan Astrid Holleeder in bewaring had gegeven dat was opgeborgen in een kluis bij advocaat [advocaat 1]. In het dossier bevindt zich een e-mail van 18 maart 2018 van advocaat mr. [XX] (het hof begrijpt: [advocaat 1]) [advocaat 1] waarin hij schrijft dat hij graag wil ophelderen dat hij niet in het bezit is van een kluis met geld van Willem Holleeder en dat hij dat ook nooit is geweest.[_53cf7844-d0b1-4c82-9cbc-bf148ead1ee9] Dat Astrid Holleeder de toegang had tot een contant geldbedrag past ook moeilijk bij een opname waarin verdachte aan haar vraagt om een geldbedrag aan zijn fiscalist te betalen. Verdachte zegt in dat gesprek dat hij dat bedrag later aan haar zal teruggeven.[_a11a55ad-0815-42af-935e-09b80df4dbd2] Verdachte heeft bij het hof verklaard dat hij alleen beschikte over zwart geld, maar dat hij zijn advocaat en zijn fiscalist niet met zwart geld kon betalen. Die uitleg van verdachte past bij de inhoud van het gesprek. Als Astrid Holleeder een geldbedrag van verdachte in bewaring had gehad, is alleen niet begrijpelijk dat hij haar belooft het bedrag terug te geven. Wanneer verdachte geld in bewaring zou hebben bij Astrid Holleeder, ligt het meer voor de hand dat hij haar had gezegd dat zij het uit de kluis kon halen.
Dat Astrid Holleeder zou beschikken over een groot geldbedrag wordt dus tegengesproken door de advocaat bij wie het geldbedrag in bewaring zou zijn gegeven en past niet bij een gesprek waarin verdachte aan Astrid Holleeder vraagt een bedrag voor te schieten. Verder bevatten de dossierstukken ook geen aanwijzing dat Astrid Holleeder heeft beschikt over een geldbedrag van verdachte. Dat Astrid Holleeder de beschikking heeft gehad over een groot geldbedrag van verdachte, is niet aannemelijk geworden.
2.2.4.4 Opbrengst boeken en film
Verdachte heeft gezegd dat Astrid en Sonja Holleeder konden beschikken over een deel van de opbrengst van het boek ‘De ontvoering van Alfred Heineken’ en van de verfilming van dat boek. Als verdachte zou worden veroordeeld voor een aantal moorden, dan zouden de getuigen Holleeder die opbrengst niet hoeven te delen met verdachte. Verdachte heeft daarover gezegd dat Sonja Holleeder na het overlijden van Van Hout recht had op een deel van de opbrengst van het boek en dat De Vries recht had op het andere deel van de opbrengst. Maar als er ooit een film zou komen, zou de opbrengst worden verdeeld onder De Vries, Van Hout, Jan Boellaard, Frans Meijer en verdachte.[_5b6ed202-76fa-420e-8680-ede90d20b1de] Verdachte heeft verklaard dat hij vindt dat Jan Boellaard en Frans Meijer ook recht hebben op een deel van de opbrengst van de film.[_4d5084ed-8899-4434-be9d-3f8390cb7eb5]
In het dossier bevindt zich een overeenkomst die betrekking heeft op de verdeling van de opbrengsten van het boek ‘De ontvoering van Alfred Heineken’. Ook is in deze overeenkomst een bepaling opgenomen over inkomsten die voortvloeien uit een verfilming van het boek.[_ae2a318f-48fb-4e8b-b86a-d8745647f3e9] Getuige De Vries heeft verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken van de overeenkomst en de inhoud kende.[_3688e122-f4d8-4cd7-82de-2345d99392cb] Ook is er een ondertekende verklaring van 4 april 2012 van verdachte die onder meer gaat over de opbrengst van het boek.[_bad6bac5-91db-48da-b93d-0f192589bb14] Uit deze stukken blijkt welke personen recht hadden op welk deel van de opbrengst. Uit deze stukken volgt niet dat verdachte enige aanspraak kon maken op een deel van de opbrengst.
Sonja Holleeder heeft verklaard dat verdachte geen recht had op een deel van de opbrengst van het boek of van de film die daarvan zou worden gemaakt. [_f690782e-5687-4a31-856b-f1eedadbf663] Astrid Holleeder heeft verklaard over hoe de verdeling van de opbrengsten was geregeld.[_d54bf15a-dea9-4bd3-bf5b-07132e953981]
Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde overeenkomst en verklaringen, moet worden vastgesteld dat verdachte geen recht had op een deel van de opbrengst van het boek en van de film én dat Astrid en Sonja Holleeder dat wisten. Het is dan ook niet aannemelijk dat het voor de getuigen Holleeder nodig zou zijn om verdachte voor langere tijd buitenspel te zetten om zo de opbrengst niet te hoeven delen met verdachte. De getuigen Holleeder hoefden deze opbrengst immers niet te delen met verdachte en wisten dat ook.
Verdachte heeft overigens verklaard dat hij de verklaring van 4 april 2012 met betrekking tot de filmrechten wel heeft ondertekend, maar dat hij niet wist wat er in de overeenkomst stond. Dit wordt inderdaad bevestigd door de inhoud van opname 2. Verdachte zegt daarin spontaan en zonder te weten dat hij wordt opgenomen, dat hij zijn bril niet ophad toen hij zoiets heeft ondertekend.[_f84e3820-02ff-4fe2-9492-706cb3391e51] Het gaat er echter nu niet om of verdachte dat wist, maar of het voor Astrid Holleeder nodig was om te gaan verklaren dat haar broer betrokken was bij moorden. Het gaat om de vraag of de getuigen een belang hadden om verdachte buitenspel te zetten om zo een deel van de opbrengst van het boek of de verfilming veilig te stellen. Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden dat de getuigen dat belang hadden. Het dossier bevat zelfs een overeenkomst en een schriftelijke verklaring waaruit volgt dat dat belang niet bestond. Verdachte kon daarom geen aanspraak maken op de opbrengst van deze filmrechten en kon een deel daarvan ook niet afdwingen. Dit betekent dat het niet nodig was om verdachte via het afleggen van valse verklaringen buitenspel te zetten.
Het hof vindt verder van belang dat de getuigen Holleeder los van elkaar hebben verklaard dat zij ondanks de eerdere afspraken, bereid waren om de opbrengst van de film met verdachte te delen. Sonja Holleeder heeft verklaard dat zij tegen verdachte heeft gezegd dat hij een deel mocht hebben[_2fb2d16d-ebfe-4180-b75c-10f2557897ea] en dat zij uiteindelijk heeft gezegd dat hij alles mocht hebben.[_8a913dba-fe16-41da-9778-05898a7dd0ad] Ook Astrid Holleeder heeft verklaard dat verdachte haar deel van de opbrengst mocht hebben.[_067f599a-08ec-4539-a9fa-12970384c90b] Deze verklaringen worden ondersteund door de inhoud van opgenomen gesprekken. In opname 2 zegt Sonja Holleeder tegen verdachte dat zij haar deel niet hoeft en dat verdachte het gewoon mag hebben. Verdachte zegt daarop dat hij het ook niet helemaal wil, maar wel respect wil.[_1d856eb5-7a92-4323-ac03-b076febc42ad] Later in het gesprek wordt afgesproken dat de opbrengst wordt gedeeld; Sonja Holleeder en verdachte hebben allebei evenveel geld nodig en dat moeten ze eruit zien te krijgen.[_9fb340e9-d3e1-4ce7-bd33-d609148bb4d4] In opname 24 vraagt Astrid Holleeder aan verdachte hoe hij het geregeld wil hebben. Verdachte antwoordt daarop dat hij gewoon zijn deel wil hebben.[_5fbfbd7b-fb31-40f9-9159-2aef01e6f47c] In opname 32 is te horen dat Sonja Holleeder tegen verdachte zegt dat zij hebben geregeld dat verdachte ook geld kreeg. Dat wordt in dit gesprek door verdachte bevestigd.[_d3e780e3-a154-4367-8304-ccd114d7ac80]
Deze gesprekken tussen verdachte en de getuigen Holleeder bevestigen dat de getuigen bereid waren om af te zien van de opbrengst van de film. Uiteindelijk is afgesproken dat verdachte een deel daarvan zou krijgen en dit was inmiddels geregeld.
Het hof heeft nog nagedacht over de mogelijkheid dat de getuigen Holleeder deze gesprekken met verdachte hebben gehad terwijl zij tegen verdachte over dit onderwerp logen. Het hof moet tot de conclusie komen dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt bestaat. Bij de beoordeling van deze mogelijkheid moet er dan overigens van uit worden gegaan dat de getuigen Holleeder liegen, dat verdachte hierover de waarheid spreekt en dat de getuigen dus geen enkele angst hoefden te hebben voor een dreiging van de kant van verdachte. Het is niet aannemelijk dat de getuigen in die situatie, waarin zij niets van verdachte te vrezen hadden, niet gewoon zouden hebben gewezen op wat er schriftelijk was geregeld over de verdeling van de opbrengst, maar in plaats daarvan de keuze zouden hebben gemaakt om ervoor te zorgen dat hun onschuldige broer levenslang in een gevangenis zou worden gezet.
Ten slotte heeft verdachte gewezen op de boeken die Astrid Holleeder heeft geschreven en dat zij veel geld heeft verdiend met de verkoop van de boeken en de rechten voor een televisieserie. Allereerst is van belang dat het voor Astrid Holleeder niet nodig was om verdachte veroordeeld te krijgen om een boek te kunnen schrijven over haar afkomst en ervaringen. Verder is van belang dat de getuige op het moment dat zij contact opnam met justitie niet kon voorzien dat haar schrijfvaardigheden in de smaak zouden vallen bij een uitgever en bij het publiek en dat haar boeken op aanzienlijke schaal zouden worden verkocht. Als het waar zou zijn wat verdachte daarover heeft gezegd, dan zou Astrid Holleeder een boek hebben willen schrijven om geld te verdienen en daarvoor een aansprekend verhaal hebben bedacht dat bestond uit valse verklaringen dat haar broer betrokken was bij moorden. Astrid Holleeder zou in ruil voor deze nieuwe loopbaan haar vertrouwde familieleven, contacten met vrienden en haar baan en maatschappelijke positie hebben opgegeven en haar broer ten onrechte een levenslange gevangenisstraf hebben bezorgd. Dit alles is moeilijk voorstelbaar en hoogst onwaarschijnlijk. Daarbij komt dat het hof in het omvangrijke dossier geen onderbouwing heeft gevonden voor deze gang van zaken.
2.2.4.5 Motieven getuigen
Astrid en Sonja Holleeder hebben verklaard wat voor hun motieven waren om contact op te nemen met justitie en over verdachte te gaan verklaren. Deze motieven zijn ook beschreven in het proces-verbaal van mr. Wind van 19 augustus 2015 en hiervoor in paragraaf 2.2.4.1 samengevat.
Het hof ziet ondersteuning voor deze motieven in verschillende opnamen, zoals hierna zal worden besproken in hoofdstuk 3.
2.2.4.6 Conclusie over belangen getuigen Holleeder
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de conclusie dat er geen aanwijzingen bestaan dat de getuigen Holleeder er een belang bij hadden om verdachte tot een aanzienlijke gevangenisstraf veroordeeld te krijgen door hem ten onrechte ervan te beschuldigen dat hij betrokken was bij meerdere moorden.
Psychische problematiek en invloed op verklaringen
2.2.5.1 Voorwaardelijk verzoek om deskundige
De verdediging heeft er verder op gewezen dat er aanknopingspunten zijn dat er bij Astrid en Sonja Holleeder een psychische problematiek speelt. Met betrekking tot Sonja Holleeder is dat verder niet met specifieke verklaringen in verband gebracht. Wel heeft de verdediging gewezen op een aantal situaties die er volgens de verdediging op wijzen dat de waarneming van Astrid Holleeder is verstoord en dat zij op basis van haar waarnemingen vergaande conclusies trekt die op wankele veronderstellingen zijn gebaseerd. Het hof moet zich volgens de verdediging de vraag stellen wat de consequenties zouden zijn als er sprake is van PTSS bij de getuigen en welke invloed dat heeft op de waarneming, herinnering en de verklaringen van de getuigen.
Het openbaar ministerie heeft in de reactie op het pleidooi gesteld dat dat een onmogelijke vraag voor het hof is omdat de rechter geen arts of gedragskundige is en dat het hof het moet doen met wat er bekend is uit de dossierstukken.
De verdediging heeft op 21 januari 2022 nogmaals het woord gevoerd en gereageerd op dat standpunt van het openbaar ministerie. Als het hof zou menen dat die vraag niet beantwoord zou kunnen worden, vindt de verdediging dat het eerdere verzoek tot het benoemen van een deskundige alsnog zou moeten worden toegewezen, zodat het hof wordt voorgelicht over de vraag of de verklaringen van Astrid Holleeder door PTSS zijn beïnvloed.
Het hof oordeelt daarover als volgt. Bij het waarderen van verklaringen van een getuige is het inderdaad van belang of er aanwijzingen bestaan dat zich fouten hebben voorgedaan bij het waarnemen, het herinneren of het verklaren over die herinnering. Het vermogen van mensen om waar te nemen, te herinneren en te verklaren over herinneringen heeft beperkingen. Het hof gaat ervan uit dat psychische stoornissen, zoals PTSS daar invloed op kunnen hebben. Het hof kan zich vinden in wat de verdediging daarover naar voren heeft gebracht. Het hof houdt bij zijn beoordeling van getuigenverklaringen rekening met die mogelijkheid, in het bijzonder als het daarvoor concrete aanknopingspunten ziet. Een dergelijk aanknopingspunt behoeft niet zonder meer te worden gevonden in het feit dat een getuige bepaalde vermoedens koestert of conclusies trekt. Ieder mens leeft met vermoedens die op basis van waarnemingen worden gevormd. Ieder mens trekt conclusies, soms op basis van solide, soms op basis van wankele uitgangspunten. Dat een getuige vermoedens heeft of misschien snel conclusies trekt, betekent niet dat de verklaringen van die getuige waardeloos zijn. Waar het steeds om gaat, is wat de getuige precies heeft waargenomen; wat heeft de getuige gehoord en gezien. Die waarnemingen kunnen van belang zijn voor het bewijs. Speculaties door een getuige, gissingen en conclusies die een getuige trekt, zijn voor het bewijs niet van belang.
Dit alles betekent dat het hof van oordeel is dat het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van Astrid Holleeder kan plaatsvinden, ook als er sprake is van een psychische problematiek die invloed heeft op de waarneming, de herinnering en het verklaren over de herinnering. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan om een deskundige te benoemen niet is vervuld, zodat er geen verzoek bestaat waarop het hof een beslissing moet nemen. Anders gezegd; de situatie waarin de verdediging wil dat het hof advies vraagt aan een deskundige,
doet zich niet voor.
2.2.5.2 Onderzoek naar waarnemingen en herinneringen
Het hof heeft eerst onderzocht of er concrete aanwijzingen zijn dat Astrid Holleeder gebeurtenissen verkeerd heeft waargenomen of heeft herinnerd in een mate die opvallend is. Daarbij is gebruik gemaakt van de voorbeelden die de verdediging heeft genoemd.
De verdediging heeft gewezen op een situatie waarin Astrid Holleeder de vorige advocaat van verdachte heeft beschuldigd dat hij heeft meegewerkt aan het naar buiten brengen van informatie door contact te leggen met de tandarts van verdachte. Door dat contact zou de getuige gevaar hebben gelopen.
In het dossier bevindt zich een e-mail van de vorige raadsman van verdachte, mr. [advocaat 2], waarin hij aan de tandarts schrijft dat een kroon van verdachte kapot is. In een reactie schrijft de tandarts dat de tandarts uit Vught al contact heeft opgenomen, dat de kroon was losgekomen en dat deze inmiddels is herplaatst.[_5ee49ea6-af41-492b-98e9-e78d4ccfa951]
Het hof stelt vast dat door de vorige raadsman, terwijl verdachte in beperkingen zat, is gecorrespondeerd waarbij werd gesproken over een kroon. Op basis van deze dossierstukken is duidelijk geworden dat verdachte werkelijk een probleem had met zijn gebit waarbij zijn raadsman hem hielp om contact te krijgen met zijn tandarts. Astrid Holleeder is ervan uitgegaan dat het woord ‘kroon’ werd gebruikt als een verwijzing naar de term ‘kroongetuige’ en dat er namens verdachte een boodschap werd doorgegeven. De verdediging heeft gelijk dat dit een conclusie is van de getuige.
Het is echter de vraag of die gedachte van Astrid Holleeder wijst op een verstoord beeld van de realiteit. Bij die beoordeling moet het hof niet alleen rekening houden met het scenario dat de getuige verdachte ten onrechte beschuldigt van ernstige misdrijven, het hof moet ook rekening houden met het scenario dat het waar is wat de getuige heeft verklaard of dat het grootste deel daarvan waar is. In dat geval is het begrijpelijk dat de getuige bang is voor een reactie van verdachte en erg op haar hoede is bij een e-mail waarin wordt gesproken over een ‘kroon’. Die houding en deze interpretatie wijst er dan ook niet op dat de getuige de realiteit uit het oog is verloren. Het is weliswaar een conclusie die de getuige heeft getrokken, maar de getuige heeft daarbij wel inzicht gegeven in de feiten die voor haar de aanleiding waren om deze conclusie te trekken. Op die manier kan worden onderzocht of die conclusie terecht of onterecht is.
De verdediging heeft verder naar voren gebracht dat Astrid Holleeder heeft verklaard dat de advocaat van Fred Ros (hierna ook: Ros) aan mr. [advocaat 2] zou hebben gezegd dat er van Ros geen belastende informatie zou komen. Deze advocaat heeft dat tegengesproken.
Het hof stelt vast dat de verklaring van Astrid Holleeder specifieker en genuanceerder is dan hoe de verdediging die verklaring heeft begrepen. Op de zitting van 23 november 2018 bij de rechtbank heeft de raadsman Astrid Holleeder geconfronteerd met de verklaring van de raadsman van Ros. Deze raadsman had verklaard dat hij geen contact heeft gehad met mr. [advocaat 2] of met verdachte over verklaringen die zij van Ros konden verwachten. Astrid Holleeder antwoordde hierop: “Maar ik was er toch focking bij? Hij zegt het toch tegen mij. Ik zat met mr. [advocaat 2] in de kamer en Wim was daarbij en we bespraken de zitting na afloop. Mr. [advocaat 2] zei dat toen tegen mij. Het kwam erop neer dat ze elkaar binnenkort nog wel even zouden spreken.”[_1c659bd4-1963-4fd1-b830-67a61f684ace]
De getuige heeft dus verteld op grond van welke feiten zij aanneemt dat de vorige raadsman van verdachte contact heeft gehad met de raadsman van Ros. Het kwam er op neer dat mr. [advocaat 2] tegen haar zei dat hij de raadsman van Ros nog wel zou spreken. Daarmee staat niet vast dat een dergelijk gesprek werkelijk heeft plaatsgevonden en dat een eventueel gesprek tussen mr. [advocaat 2] en mr. [advocaat 3] die inhoud heeft gehad. De verklaring van Astrid Holleeder wordt dus niet tegengesproken door de verklaring van de raadsman van Ros. Uit de dossierstukken blijkt dus niet dat de feiten die zij noemt, niet waar zijn. Wel is het goed mogelijk dat de getuige hier een conclusie trekt die niet juist is. Dat Astrid Holleeder mogelijk een verkeerde conclusie trekt, betekent niet dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn. Zoals gezegd; ieder mens trekt conclusies. Dergelijke conclusies zijn niet bruikbaar voor het bewijs; verklaringen over de feiten die de getuige werkelijk heeft waargenomen, kunnen wel bruikbaar zijn voor het bewijs. Het hof heeft gelezen dat de getuige dit niet ziet als een conclusie. De mening van de getuige over wat voor het bewijs waardevol is en wat niet, is echter niet van belang.
De verdediging heeft ook aangevoerd dat Astrid Holleeder bij de rechtbank heeft gezegd dat zij aan mr. Wind heeft verteld dat Ros niet was betaald. Mr. Wind heeft dat tegengesproken. Het hof overweegt daarover het volgende.
Op 18 december 2018 heeft Astrid Holleeder bij de rechtbank verklaard dat zij wist dat Ros niet was betaald en dat hij daarom verklaringen is gaan afleggen. Nadat Ros was gaan verklaren, heeft Astrid Holleeder tegen mr. Wind gezegd dat zij daarvan wist en ook dat het openbaar ministerie niets aan de verklaringen van Ros zou hebben: “Ik heb haar toen alles verteld over de betalingen, over alles eigenlijk. Ik weet het nu niet meer uit mijn hoofd. Dit klopte volledig met wat zij ook had gehoord van Ros. Dat had ik van Willem al, dus ik heb haar dat allemaal al verteld, voordat ik überhaupt aan boord kwam. Vandaar dat ik ook wist dat Ros het niet zou worden”.[_04302d09-0813-485d-97a0-f7816ae0974b] Aan Astrid Holleeder is op deze zitting vervolgens de opmerking voorgehouden dat zij zei ‘dat wat zij aan mr. Wind vertelde over de betalingen, overeenkwam met wat mr. Wind van Ros had gehoord’. Daarop heeft Astrid Holleeder verklaard: “Ik heb dat niet in detail gehoord van haar, maar zij kan dat checken, want zij weet wat ze van Ros heeft gehoord.”[_263f942a-d5c8-4dfa-80a5-1954c376165f]
Het hof heeft mr. Wind als getuige gehoord en hier vragen over gesteld. Mr. Wind heeft verklaard dat er geen informatie-uitwisseling plaatsvindt tussen haar en een getuige. Zij heeft er over gewaakt dat zij niet heeft gesproken over de inhoud van verklaringen van Ros.[_c01387d5-1d1f-42ee-9339-639ba1e9eb43] Mr. Wind herinnert zich wel dat de getuige een waardeoordeel gaf over de verklaring van Ros, zij herinnert zich echter niet dat Astrid Holleeder iets heeft gezegd over betalingen aan Ros die achter waren gebleven.[_9d5a7f66-4fd2-4baa-a423-80b0fb20b7b9] Als Astrid Holleeder daarover iets zou hebben gezegd, zou mr. Wind dat hebben opgeschreven. In haar aantekeningen kan zij daarover niets vinden.[_706659ec-aa62-45d3-ae3e-662305cd67cd]
Het hof heeft hierover ook aan Astrid Holleeder vragen gesteld. De getuige heeft daarover verklaard dat zij zich niet woordelijk kan herinneren wat er is gezegd, maar wel de strekking. Zij verklaarde: “Mr. Wind heeft mij niet iets verteld. Het is meer dat ik haar iets vertelde. Misschien dat ze knikte of dat ik uit haar houding iets heb afgeleid.”[_96adc228-b59e-41c1-a3cc-2b73c2af8b4a]
Het hof stelt vast dat de verklaring van Astrid Holleeder dat dit onderwerp (het stokken van de betalingen aan Ros) ter sprake is gekomen, niet volledig wordt uitgesloten door de verklaring van mr. Wind daarover. Mr. Wind heeft verklaard dat zij denkt zeker te weten dat dat onderwerp niet aan de orde is geweest, maar dat dat antwoord niet honderd procent waterdicht is.[_bf3c3740-c34b-422a-a657-4fbb3f2592a0] Daarbij moet worden bedacht dat het ook mogelijk is dat één van de gesprekspartners tijdens een gesprek onvoldoende luistert of informatie onvoldoende doordringt. Dat mr. Wind zelf ook iets over dat onderwerp heeft gezegd, is niet wat Astrid Holleeder heeft verklaard.
Het voorbeeld dat de verdediging heeft gegeven, biedt dan ook geen aanwijzing dat de getuige met heel veel stelligheid feiten presenteert die aantoonbaar niet waar zijn.
De verdediging heeft verder gewezen op een beschuldiging die Astrid Holleeder heeft geuit richting mr. Janssen op de zitting van de rechtbank op 28 juni 2018. De getuige kwam volgens de verdediging op basis van flarden informatie tot vergaande beschuldigingen aan het adres van de raadsman.
Het hof heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting waarin deze gebeurtenis is beschreven. Tijdens deze zitting is de getuige in aanvaring gekomen met de raadsman. Als haar om bepaalde namen wordt gevraagd, dan zegt zij dat zij eerder namen heeft genoemd wat voor haar gevolgen heeft gehad. Zij verklaarde: “Als mij foto’s worden gestuurd van mijn kleinkinderen die ergens binnen zitten, dan word ik pislink. Meneer Janssen, u heeft ook kinderen. Iedereen heeft kinderen. Ik hoef geen bewijs, [mr. Janssen]. Als dat soort dingen gebeuren, krijg je een andere kant van mij te zien. Als er foto’s van mijn kleinkinderen worden gestuurd, heb je echt een probleem. Ik ga niet wachten op niemand niet. (..) Ik ga helemaal niet met jou in discussie, [mr. Janssen]. Je moet geen foto’s sturen van mijn kleinkinderen.”
Aan de getuige wordt vervolgens gevraagd of zij met ‘je’ mr. Janssen bedoelt. De getuige antwoordt daarop ‘nee’.[_36a687ef-a295-4f17-a732-0b39a3970b8f] Het hof begrijpt deze passage zo dat de getuige het woord ‘je’ gebruikt in de betekenis van ‘men’; ‘als dat soort dingen gebeuren, krijgt men een andere kant van mij te zien. Als men foto’s
van mijn kleinkinderen stuurt, heeft men echt een probleem.’ Op een latere vraag van de raadsman daarover zegt zij nogmaals dat het niet de raadsman is die foto’s heeft gestuurd.[_b156f3a7-6346-4e1f-9926-0d145dbf9bda]
Het hof kan dan ook niet tot de vaststelling komen dat de getuige hier vergaande beschuldigingen uit aan het adres van de raadsman. Wel is duidelijk dat de getuige tijdens dat verhoor moeite had om zich tegenover mr. Janssen te beheersen en zich hoffelijk te gedragen.
De verdediging heeft ook aandacht gevraagd voor een opmerking van Astrid Holleeder in hoger beroep. Op 28 september 2021 heeft de getuige verklaard dat zij moeite had met de opstelling van de raadsman. Het gaat om een uitlating van de raadsman in een artikel in de New Yorker met de titel ‘How a notorious gangster was exposed by his own sister.’ Volgens de getuige werd in dat artikel aan mr. Janssen gevraagd of zij niet afgemaakt gaat worden door haar broer, waarop mr. Janssen had gezegd dat hij daar zijn handen niet voor in het vuur kan steken.[_ed431f80-571f-45e1-95e8-e21273a5ee14] De verdediging voert aan dat de getuige op basis van flarden informatie tot vergaande beschuldigingen komt en er niet voor terugschrikt die beschuldigingen openlijk, expliciet en uitermate stellig te doen.
In de betreffende passage in het artikel is het volgende te lezen:
“I (het hof begrijpt: de auteur van het artikel) spoke recently with Wim’s lawyer [mr. Janssen], who said, “It’s possible that she really believes she is in danger. For my part, it is impossible to say that she is not in danger. I would have to be godlike to have that kind of certainty.” He continued, “Willem says that she is not in danger, that he is not going to hurt her.” Nevertheless, Janssen acknowledged, Wim is “very angry with Astrid.”[_ee67a82a-9e4d-4654-bbf9-029665d473ff]
Het hof moet vaststellen dat de strekking van die uitlating overeenkomt met wat de getuige zich daarvan herinnerde tijdens het verhoor van 28 september 2021. De raadsman heeft volgens het artikel gezegd dat het voor hem onmogelijk is om te zeggen dat de getuige niet in gevaar is; hij zou immers moeten beschikken over goddelijke gaven om daar zekerheid over te kunnen hebben. Het hof begrijpt dat de raadsman in een antwoord op deze vraag deze afstand moet nemen. Het hof begrijpt ook dat de getuige dit zo opvat dat de raadsman zijn handen niet in het vuur kan steken voor zijn cliënt. Dit voorval laat zien dat de getuige zich tijdens de zitting van 28 september 2021 niet goed kon verplaatsen in de positie van de raadsman tijdens het interview. Het voorval bewijst echter niet dat de waarneming van getuige is verstoord. Tijdens de zitting van 1 oktober 2021 kwam de getuige overigens op dit voorval terug en bood zij haar excuses aan.[_a74701e5-2992-488c-8da1-b52a92b33279]
De verdediging heeft verder gewezen op de beschuldiging die Astrid Holleeder heeft geuit in de richting van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Astrid Holleeder heeft bij de rechtbank vraagtekens geplaatst bij uitlatingen en gedrag van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].[_cd10f680-565d-45c8-ad18-428db7a1fc0a] Ook in hoger beroep heeft Astrid Holleeder hierover verklaard. Het hof vindt van belang dat de getuige daarbij uitdrukkelijk heeft gezegd dat zij dat niet ‘weet’, maar dat het een ‘beredenering’ is. Voordat zij tijdens het verhoor antwoord gaf, heeft zij de vraag gesteld of het de bedoeling was om ‘vrijelijk te redeneren’.[_db3f3ae4-4906-4719-964a-c42eee4eacde] Aan het slot van haar uitleg over dit onderwerp zegt zij nogmaals dat het speculeren is.[_bfdd15a1-1d9d-4028-b35b-3fdb9f127b2e] Het hof ziet in deze verklaring dan ook geen bewijs dat de getuige de werkelijkheid niet van fantasie kan onderscheiden. De getuige heeft uitgelegd dat het niet gaat om wetenschap en dat zij zich ervan bewust is dat het speculaties zijn. Zij heeft uitgelegd wat de feiten zijn waarop zij haar vermoedens baseert. Zij heeft dus onderkend dat het gaat om vermoedens en heeft zich ook bereid getoond om haar vermoedens ter discussie te stellen.
In het pleidooi bij de rechtbank heeft de verdediging nog gewezen op de verklaring van Astrid Holleeder dat verdachte na een hartaanval op zijn sterfbed had gevraagd om de komst van een bepaalde officier van justitie en dat het om honderd miljoen ging. De getuige heeft hierover verklaard dat zij bang was voor contacten die verdachte had bij politie en bij justitie. Het hof acht van belang dat de getuige heeft uitgelegd welke feiten en omstandigheden aanleiding waren voor haar angst. Uit die uitleg volgt niet dat de getuige een vertekend beeld heeft van de realiteit. Bij de beoordeling hiervan moet het hof ook rekening houden met de mogelijkheid dat verdachte tegen de getuige heeft gesproken over mensen bij de politie die hij plat heeft. Niet is aannemelijk geworden dat de feiten die de getuige daarvoor aandraagt, onjuist zijn. Hetzelfde geldt voor het verzoek van verdachte om de komst van een bepaalde officier van justitie. De betreffende officier van justitie heeft verklaard dat hij verdachte nooit uit de wind heeft gehouden en nooit benaderd is om naar verdachte te gaan toen hij in het ziekenhuis lag. Astrid Holleeder heeft echter niet met stelligheid verklaard dat deze officier van justitie verdachte uit de wind heeft gehouden. Evenmin heeft zij verklaard dat verdachte door deze officier van justitie in het ziekenhuis is bezocht. Zij heeft alleen verklaard dat verdachte vroeg om de komst van deze officier van justitie, wellicht in een delirium. Ook heeft zij namen genoemd van meerdere personen die aanwezig waren toen verdachte daar om vroeg.[_1e596d36-32e0-4c69-ac2e-c0e6c378cf55]
2.2.5.3 Conclusie over waarnemingen en herinneringen
De voorbeelden die de verdediging heeft genoemd, tonen niet aan dat Astrid Holleeder gebeurtenissen verkeerd heeft waargenomen of zich verkeerd heeft herinnerd in een mate die opvallend is. Wel heeft de getuige meerdere keren vermoedens uitgesproken en conclusies getrokken. Dat is echter logisch en begrijpelijk en maakt de getuige niet minder geschikt als getuige in een strafzaak.
Dit alles neemt niet weg dat het hof aanneemt dat ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de getuige invloed kunnen hebben gehad op de waarneming en het geheugen van de getuige. Het hof is bij de beoordeling van verklaringen van de getuige steeds nagegaan of er aanknopingspunten bestaan dat dat zich heeft voorgedaan. Datzelfde geldt overigens ook voor de verklaringen van Sonja Holleeder.
Redenen van wetenschap
Tijdens de verhoren van Astrid Holleeder is haar steeds gevraagd wat er precies tegen haar is gezegd, bijvoorbeeld door Van Hout en door verdachte. Astrid Holleeder heeft niet steeds kunnen vertellen wat de inhoud van die uitspraken was. Dit is begrijpelijk omdat het voor een deel gaat om gesprekken die lang geleden hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van sommige gebeurtenissen heeft de getuige gezegd dingen te ‘weten’ als een gegroeide wetenschap. Men kent sommige feiten zonder dat men zich nog herinnert hoe die kennis is ontstaan. Men kent bijvoorbeeld een kleur zonder te weten hoe de kennis is ontstaan dat die kleur die kleur is. Ook kan er tussen twee mensen een gedeelde wetenschap bestaan, zonder dat die wetenschap onder woorden wordt gebracht. Met een gedeelde geschiedenis heeft men soms aan weinig woorden genoeg om elkaar heel goed te begrijpen. Zo hoeven twee partners niet onder woorden te brengen dat zij een relatie hebben. Dat is een evidente wetenschap die niet benoemd hoeft te worden. Zo’n gegroeide wetenschap naar aanleiding van gezamenlijke ervaringen, is echter niet zonder meer bruikbaar voor het bewijs. Voor het bewijs zal de rechter moeten vaststellen wat de redenen van wetenschap zijn, hoe de wetenschap is ontstaan, welke feiten de getuige heeft waargenomen of ondervonden.
Inhoud verklaringen
Het hof is nagegaan of in de verklaringen van Astrid Holleeder zelf aanwijzingen kunnen worden gevonden dat de getuige niet de waarheid spreekt of dat zij gebeurtenissen heel anders heeft ervaren dan gerechtvaardigd is.
Het hof vindt van belang dat de getuige heeft laten zien dat zij bereid is om kritisch te kijken naar haar eigen verklaringen. De getuige is steeds bereid geweest te vertellen wat zij heeft waargenomen en wat slechts vermoedens en conclusies zijn. Zij heeft zich op die manier toetsbaar opgesteld.
De verdediging heeft bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan het ontstaan van de verdenking bij Astrid Holleeder dat verdachte betrokken is geweest bij de eerste aanslag op Van Hout. Voordat Van Hout op 24 januari 2003 werd vermoord, hebben er twee aanslagen op Van Hout plaatsgevonden. De eerste aanslag vond plaats op 27 maart 1996. Uit aantekeningen bleek volgens Astrid Holleeder dat John Mieremet (hierna ook: Mieremet) tegen journalist John van den Heuvel (hierna ook: Van den Heuvel) heeft gezegd dat verdachte voorafgaand aan die eerste aanslag heeft laten zien waar Van Hout woonde. Astrid Holleeder heeft verklaard dat zij dat in die aantekeningen zag staan en dat toen alle puzzelstukjes in elkaar vielen.[_9c198406-391f-4080-ac0e-0f4e501f4ad3] De verdediging heeft gewezen op diverse verklaringen waaruit blijkt dat iedereen wist waar Van Hout woonde. Mieremet en Sam Klepper (hierna ook: Klepper) hadden verdachte daar dus niet voor nodig. Ook is volgens de verdediging van belang dat Mieremet in de periode waarin hij met Van den Heuvel sprak, bezig was om verdachte in een kwaad daglicht te zetten. Het ligt dan ook voor de hand dat Mieremet daarover niet de waarheid heeft verteld.
Het hof vindt allereerst van belang dat de getuige in haar verklaring duidelijk maakt dat het ging om een ‘indruk’ dat verdachte met die aanslag te maken had.[_7107f4bd-a30a-45c2-9f52-1bca7732227b]
Astrid Holleeder heeft verklaard dat gaandeweg bij haar de overtuiging is gegroeid dat verdachte betrokken was bij de eerste aanslag op Van Hout. Daar heeft zij meerdere gebeurtenissen voor aangedragen. Zij heeft gewezen op de opmerking van verdachte in opname 20 over Sonja en [betrokkene 3] (op wie verdachte toen boos was) dat hij wilde dat ‘ze in één auto zitten’.[_a7bd5978-c82e-4075-9b1f-49eb64c7a96c] Die opmerking ziet Astrid Holleeder als een verwijzing naar de eerste aanslag, waarbij Van Hout met Sonja Holleeder en hun zoontje in één auto zaten.[_df49734b-23f5-46f4-b7c8-71d458387696] Verder heeft verdachte aan haar verteld dat er een ‘aangever’ in de Dongestraat had gestaan en ook dat degene die door het openbaar ministerie voor deze aanslag werd vervolgd wél de schutter was, ondanks dat hij is vrijgesproken. Mieremet heeft tegen Van den Heuvel gezegd dat verdachte hen de woning aan de Deurloostraat heeft aangewezen.[_10f26a7c-4074-4021-bb63-e5a7025a9b25]
Gelet op deze feiten en omstandigheden die Astrid Holleeder heeft genoemd, is het niet vreemd of bijzonder achterdochtig dat bij haar de overtuiging is ontstaan dat verdachte ook bij de eerste aanslag was betrokken. Astrid Holleeder heeft in hoger beroep nog uitgelegd dat zij er eerst nog van uitging dat verdachte door Mieremet en Klepper onder druk werd gezet, maar deze eerste aanslag later is gaan zien als een gezamenlijke activiteit van verdachte samen met Mieremet.
De getuige heeft ook verklaard dat zij weet dat verdachte contact had met de uitvoerders van die aanslag.[_e5c6d6e7-45a5-4c2a-a590-cd1783df56ff] De getuige heeft uitgelegd dat, als je verdachte het voordeel van de twijfel geeft, het ook mogelijk is dat verdachte pas later bevriend is geworden met degenen die achter de eerste aanslag op Van Hout zaten. De getuige heeft het echter anders beleefd, reden waarom zij de stellige indruk heeft gekregen dat verdachte bij die eerste aanslag betrokken was.[_886b0e20-3058-41c5-ac3c-b8c72f4216f7]
Het hof ziet deze verklaring als een voorbeeld waarin de getuige openheid geeft over haar aannames, uitleg geeft over de achtergrond van die aannames en bereid is om die ter discussie te stellen. Zij verklaart dat het mogelijk is dat het anders is gegaan dan dat zij aanneemt.
De getuige heeft veel vaker tijdens het afleggen van verklaringen uit eigen beweging gezegd dat het slechts een vermoeden is wat zij zegt, bijvoorbeeld over de betrokkenheid van Stanley Hillis (hierna ook: Hillis) bij de aanslag op Mieremet[_c9e8c10b-3c3e-49d4-8160-f9d31f3ce0a4] en bij de moord op Van Hout[_5cd1857c-5953-458c-8010-33c3af9d863a] en de reden dat verdachte haar vroeg naar de waarde van een verklaring van een overleden persoon.[_b691da47-45f1-4aff-aabf-d7e6d9c0a708] Zij zegt het als zij slechts een conclusie trekt, bijvoorbeeld dat de reden waarom verdachte op een bepaald moment om een foto van Van der Bijl vroeg was, om deze te kunnen geven aan de uitvoerders van zijn liquidatie.[_f5081642-523c-418c-bd1e-18932d81d429] Zij maakt die kanttekening bijvoorbeeld ook als zij zegt dat zij denkt dat ook Hillis betrokken is bij de moord op Van Hout. De getuige zegt daarbij expliciet dat verdachte dat niet letterlijk heeft gezegd, maar dat het haar eigen conclusie is. Zij heeft daarbij ook uitgelegd welke feiten en omstandigheden de basis zijn voor die conclusie.[_da1b34a0-a5c4-4877-81ad-025e58163982]
Tijdens het onderzoek op de zitting bij de rechtbank en bij het hof heeft de getuige ook weerstand laten zien tegen vragen en emoties getoond. Op die momenten gaf zij niet steeds evenveel openheid van zaken. De getuige heeft daarbij echter vaak uitgelegd wat de achtergrond is van haar weerstand en van haar emoties. Zo had de getuige er moeite mee dat zij kritisch werd ondervraagd door voormalige vakgenoten of als zij een bepaalde strategie dacht te zien van verdachte. Ook heeft de getuige meerdere keren verklaard dat zij geen namen wil noemen van personen die bij een bepaalde gebeurtenis aanwezig of betrokken waren. De getuige heeft daarbij uitgelegd dat het bekend worden van die namen gevolgen kan hebben voor de veiligheid van die personen en voor haar contact met deze personen.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de vraag of Astrid Holleeder valse belastende verklaringen over verdachte aflegt, vindt het hof van betekenis dat de getuige op diverse momenten verdachte niet heeft belast terwijl dat wel eenvoudig had gekund. De getuige heeft vele mogelijkheden om verdachte te belasten niet aangegrepen. De getuige is bijvoorbeeld gevraagd naar de contacten die verdachte had met Soerel. Op dat moment was er in de media al informatie over Soerel en over de strafzaak van Soerel verschenen. Astrid Holleeder had die informatie zelfs verzameld in mappen. Zij heeft verklaard dat zij dit op verzoek van verdachte heeft gedaan. In het dossier bevinden zich mappen met krantenartikelen over Soerel uit 2007.[_cc4f0a1d-4f6b-489c-b75c-619f7c07717d] Ondanks dat de getuige over die informatie beschikte, heeft zij die informatie niet misbruikt door te verklaren dat zij van verdachte had gehoord over een samenwerking tussen verdachte en Soerel. Astrid Holleeder heeft op 19 juni 2013 ondanks die kennis verklaard dat zij niet weet wat verdachte en Soerel samen deden toen zij nog goed contact hadden.[_ea0cfa6d-7cc9-48ce-b132-afd0cede2bc0] Op dat moment was er in de media al jaren informatie verschenen over Soerel en over het Passageproces waarin Soerel verdacht werd van moorden waartoe hij samen met verdachte opdracht zou hebben gegeven.
Verder is aan Astrid Holleeder gevraagd wat verdachte haar heeft verteld over betrokkenheid bij de moord op Mieremet op 2 november 2005. De getuige heeft daarop geantwoord dat verdachte in de loop der jaren riep dat Mieremet dood moest: ‘hij gaat eraan, hij gaat eraan’.[_b4b8be69-d4dc-4965-a3a4-2a4669305ed2] Op de vraag of hij daar na de moord nog wat over heeft gezegd, heeft zij verklaard dat verdachte heeft gezegd dat het mooi was,[_a7c35e2e-6127-4a9e-b4f0-cc8e747a2013] maar dat verdachte daar verder niets over heeft verteld. Zij weet niet wanneer en aan wie de opdracht is gegeven.[_fcf261dc-efc0-40ca-8c46-bbc01435abb7] De getuige heeft deze vraag, die in meerdere verhoren is gesteld, niet aangegrepen om daarover specifieker te verklaren en verdachte ten aanzien van die moord verder te belasten. De getuige maakt formuleringen van uitlatingen van verdachte niet specifieker dan de formulering volgens haar was.
Aan de getuige is ook gevraagd wat haar broer tegen haar heeft gezegd na het overlijden van Abbasov[_5d9c1eca-e1e3-4f94-bdf9-6dd76656d316] en wat hij verder heeft gezegd over de bewijswaarde van een verklaring van een overleden persoon.[_b77dbf80-0040-41b5-88cc-2d8277099cb9] De getuige heeft die vraag niet aangegrepen om bijvoorbeeld te zeggen dat verdachte haar heeft gezegd dat het hem ging om Endstra terwijl zij dat wel vermoedde.
Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de vraag aan de getuige wat zij weet over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op Evert Hingst. Ondanks dat de verbalisant de uitlating van verdachte dat er snel veel achter elkaar zouden gaan, verbindt met meerdere liquidaties kort achter elkaar en daarbij de naam van Hingst noemt, antwoordt de getuige dat zij dat echt niet weet.[_7d656716-df67-4ec7-a1cd-5a7029c74e37]
De getuige heeft verklaard dat verdachte in 2003 en 2004 veel omging met personen van een Turkse afkomst. Op de vraag of zij weet uit welke plaats die kwamen, verklaart zij dat zij hem dat niet heeft gevraagd.[_e951e3a6-db27-4e43-a615-8b3becd88507] De getuige grijpt die vraag niet aan om een verbinding te leggen met Turkse mensen uit Alkmaar die door het openbaar ministerie worden verdacht van betrokkenheid bij de moord op Endstra en bij de moord op Mieremet.
Ten slotte valt op dat Astrid Holleeder haar visie heeft gegeven op de waarde van de verklaringen van getuige Q5 die ontlastend is. Zij heeft verklaard dat het schreeuwerige waarover getuige Q5 heeft verklaard, niet past bij de manier waarop verdachte met zulke zaken omgaat.[_1fd3a5f5-4d2b-4849-b77d-7d5bac8a20e9]
Ook ten aanzien van Sonja Holleeder is het hof nagegaan of in haar verklaringen zelf aanwijzingen kunnen worden gevonden dat de getuige niet de waarheid spreekt of dat zij gebeurtenissen heel anders heeft ervaren dan gerechtvaardigd is. Afgezien van de kwesties die verband houden met het onderzoek Goudsnip, heeft het hof dergelijke aanwijzingen niet gevonden. Wel zijn er sterke aanwijzingen dat er geen sprake is van een leugenachtig, afgestemd en geconstrueerd verhaal. In de verklaringen van Sonja Holleeder valt op dat zij niet schroomt te zeggen als zij iets niet weet, ook niet als er een gelegenheid bestaat verdachte verder te belasten. Ze weet bijvoorbeeld dat [betrokkene 4] bang was na een gesprek met verdachte, maar ze weet niet wat verdachte tegen [betrokkene 4] heeft gezegd.[_0c30cfea-69d8-4894-9441-3460b0c9311a] Als Sonja Holleeder verdachte valselijk had willen belasten, had zij belastende dingen kunnen verzinnen die zij van [betrokkene 4] zou hebben gehoord. Dat had niet bij [betrokkene 4] kunnen worden nagevraagd omdat [betrokkene 4] is overleden.
Sonja Holleeder weet dat zij het van verdachte met Van Hout moest bijleggen, kort voordat de eerste aanslag op Van Hout werd gepleegd en verklaart dat zij niet gelooft dat het initiatief daarvoor van Van Hout uitging. Zij weet echter niet meer hoe Van Hout reageerde toen zij door verdachte bij Van Hout werd gebracht.[_d48d6ee3-da7b-4ed2-ae79-d0239c56d947] Als de getuige verdachte valselijk had willen belasten zou zij kunnen hebben verklaren dat Van Hout verbaasd en afwijzend reageerde op haar komst. Daarmee zou zij de verklaring van verdachte hebben tegengesproken.
Ook op andere punten in de verklaringen van Sonja Holleeder valt op dat zij mogelijkheden om verdachte te belasten niet heeft aangegrepen. Veel van haar verklaringen gaan over één-op-één situaties met verdachte, situaties waar geen andere personen bij aanwezig waren. Sonja Holleeder had, als zij in strijd met de waarheid belastend over verdachte had willen verklaren, hem over de ten laste gelegde feiten teksten in de mond kunnen leggen waaruit zijn betrokkenheid bij die feiten blijkt. Dat heeft zij niet gedaan. Over de moord op Mieremet heeft Sonja Holleeder bijvoorbeeld geen verklaringen afgelegd die voor verdachte belastend zijn.
Ook Sonja Holleeder geeft openheid over haar aannames en geeft uitleg over de achtergrond van die aannames. Een voorbeeld daarvan biedt haar verklaring over de wetenschap van verdachte dat Van der Bijl met de CIE sprak, waarover zij op 12 januari 2016 heeft verklaard: “Wat ik wel wil zeggen is dat Willem wist dat Thomas met de CIE sprak. Wim wist altijd alles van zijn petten”.[_2108f626-b5a7-4d48-b022-ebd373fe2b08] Ter terechtzitting van 4 oktober 2021 heeft de getuige uitgelegd dat zij wist dat verdachte ‘petten had’ (het hof begrijpt: corrupte politieambtenaren), omdat hij dat zelf altijd zei. Zij heeft echter ook verklaard dat verdachte niet letterlijk heeft gezegd ‘ik weet van mijn petten dat Van der Bijl met de CIE praat’. De getuige heeft verklaard dat zij zelf het verband heeft gelegd tussen de eerdere mededeling van verdachte dat hij petten had en zijn mededeling dat hij weet dat Van der Bijl met de CIE praat en dat zij op grond daarvan dacht dat verdachte dat van zijn petten weet, omdat hij anders niet zo snel had kunnen weten dat Van der Bijl met de CIE sprak.[_d506c3fd-311b-4365-a4db-b8fd3e022126]
De getuige heeft deze vraag, die in meerdere verhoren is gesteld, niet aangegrepen om daarover specifieker te verklaren en verdachte ten aanzien van die moord verder te belasten. De getuige maakt formuleringen van uitlatingen van verdachte niet specifieker dan de formulering volgens haar was. Dat draagt bij aan de overtuiging van het hof dat de getuige hier naar waarheid verklaart over wat zij heeft meegemaakt en vormt mede de basis voor het oordeel dat op de betrouwbaarheid van deze verklaringen kan worden afgegaan. Een voorbeeld van het niet specifieker (evidenter/meer belastend) verklaren biedt haar verklaring over het ‘WC-gesprek’. Sonja Holleeder heeft verklaard dat verdachte, gezeten op het toilet bij Sonja Holleeder thuis, had gezegd ‘dat Endstra ook zou gaan’. Sonja Holleeder heeft verklaard dat zij uit die mededeling begreep dat ‘er misschien wel wat met hem zou gebeuren’ en dat verdachte tijdens dit gesprek ook zei ‘dat Endstra met de CIE sprak’.[_881a719b-309a-465b-9f44-857b8cd686eb] Bij een ontmoeting kort na de moord op Endstra heeft verdachte volgens de verklaring van Sonja Holleeder daarover tegen haar gezegd ‘Boks, het was hij of ik’.[_88a47d7b-1d7c-4224-a0e7-fff2bea44610] In samenhang beschouwd kan aan deze uitlatingen van verdachte een belastende conclusie worden verbonden, maar als de getuige verdachte vals had willen beschuldigen, had voor de hand gelegen dat zij verdachte veel directer termen in de mond zou hebben gelegd.
Het hof ziet een sterke aanwijzing dat Sonja Holleeder geen vals verhaal heeft geconstrueerd in haar verklaring over een mededeling van Van Hout na de mislukte moordpoging op Mieremet. Sonja Holleeder heeft verklaard dat verdachte aan Van Hout had gevraagd om aan die moord mee te betalen. Na die moordpoging heeft Van Hout volgens Sonja Holleeder gezegd dat hij niet ging betalen en dat hij had ‘gedaan wat hij bij hem had gedaan’. Sonja Holleeder bleek wel in staat deze mededeling van Van Hout te reproduceren, maar kon niet uitleggen wat hij met die mededeling precies bedoelde. Het hof acht moeilijk voorstelbaar dat de getuige Sonja Holleeder deze mededeling zou verzinnen. Het gaat om een uitlating die zich in de context van het geheel aan gebeurtenissen goed laat interpreteren, maar waarvan de getuige Sonja Holleeder de precieze betekenis niet heeft kunnen duiden.[_abd2ebf2-9ba1-4bf2-94dc-70677097918d]
Het hof acht evenmin aannemelijk dat Sonja Holleeder steeds gedachtenspinsels van Astrid Holleeder heeft nagepraat. Het hof heeft de ogen niet gesloten voor het risico dat beide zussen elkaars gedachten over gebeurtenissen in de loop der jaren hebben beïnvloed, maar de verklaringen die zij over de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten hebben afgelegd, zijn kenbaar gebaseerd op hun eigen ervaringen en waarnemingen. Die verklaringen vertonen op veel punten juist geen overlap, omdat het één-op-éen situaties met verdachte betreft, situaties waarin één van de getuigen Holleeder alleen met verdachte was. Een ander sterk aanknopingspunt voor het níet napraten van of afstemmen met de verklaringen van Astrid Holleeder, ziet het hof in het feit dat de getuige Sonja Holleeder op verschillende momenten als zij wordt geconfronteerd met de verklaring van Astrid Holleeder, deze niet bijvalt[_fb3d5a32-7848-46e8-9d7f-87c1b6402de1] of zelfs tegenspreekt.[_7a1fd6c2-a195-48d1-a404-b6fcd58af589]
Conclusie over inhoud verklaringen
Het hof stelt vast dat Astrid en Sonja Holleeder vele malen lang en indringend zijn verhoord. Tijdens deze verhoren waren zij bereid om te vertellen wat zij hebben gezien en gehoord en wat slechts vermoedens zijn. Het is het hof opgevallen dat de getuigen vele mogelijkheden om verdachte te beschuldigen niet hebben aangegrepen. Ook hebben de getuigen formuleringen van uitlatingen van verdachte niet specifieker of duidelijker gemaakt dan de formulering volgens hen was. Dit alles wijst er niet op dat de getuigen liegen.
Verklaringen in verband met dossier
Het hof heeft ook onderzocht of de verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder worden tegengesproken of juist worden ondersteund door andere dossierstukken. Dit onderzoek komt grotendeels terug bij de bespreking van de verschillende ten laste gelegde feiten. Daar zal blijken dat voor de verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder veel steun is te vinden in bewijsmiddelen die onafhankelijk van hun verklaringen bestaan, waaronder in het bijzonder ook de mededelingen van verdachte zelf, zoals hij die heeft gedaan in de opgenomen gesprekken.
Het hof heeft nauwgezet onderzocht welke betekenis de opnamen hebben die de getuigen hebben gemaakt van gesprekken met verdachte. De overwegingen daarover, zijn beschreven in hoofdstuk 3. Gelet op de inhoud van deze opnamen stelt het hof vast dat verdachte Sonja en met name Astrid Holleeder in vertrouwen nam. Ook blijkt uit de inhoud van de opnamen dat Astrid en Sonja Holleeder in de positie waren om de waarnemingen te doen waar zij over hebben verklaard.
De verdediging heeft aandacht gevraagd voor de verklaring van Astrid Holleeder dat Van der Bijl Ros had benaderd met het verzoek om verdachte te vermoorden en dat verdachte dat zou hebben omgedraaid door Ros de opdracht te geven om Van der Bijl te vermoorden. De verdediging wijst erop dat Ros heeft tegengesproken dat hij eerst door Van der Bijl benaderd zou zijn.Het hof ziet in de dossierstukken geen bewijs dat Van der Bijl contact onderhield met Ros. Van belang is echter dat Astrid Holleeder heeft verklaard dat het verdachte was die dit tegen haar heeft gezegd. Het hof houdt voor mogelijk dat verdachte dit later tegen Astrid Holleeder heeft gezegd als rechtvaardiging voor zijn betrokkenheid bij de moord op Van der Bijl. Een dergelijke rechtvaardiging komt vaker voor met uitspraken van verdachte als ‘het was hij of ik’. Het hof ziet in deze verklaring van Astrid Holleeder niet het bewijs dat zij liegt of zomaar wat zegt.
Er is ook zogenoemd ‘verificatieonderzoek’ gedaan naar de verklaring van Sonja Holleeder. Dit onderzoek biedt steun aan haar verklaringen. Een bijzonder voorbeeld daarvan is het onderzoek dat is gedaan naar de mogelijkheid dat verdachte, zoals Sonja Holleeder verklaarde,[_dcf094f9-26f9-4f51-9f33-704e706c397e] haar na de moord op Van der Bijl (op 20 april 2006) iets in het oor zou hebben gefluisterd over een foto in het onderzoeksdossier naar de moord op Van der Bijl, terwijl verdachte op dat moment gedetineerd was. Verdachte heeft dat ontkend en heeft verklaard dat hij vanaf 27 april 2006 in landelijke afzondering zat, zodat hij alleen bezoek achter glas kon ontvangen en fluisteren in een oor niet mogelijk was.[_fd83f833-719b-4f0b-9422-aa1ae6942d4d] Deze stelling van verdachte gaat echter niet op, aangezien uit de bezoekerslijsten blijkt dat Sonja Holleeder ook op 27 april 2006 verdachte heeft bezocht[_d7d5ae53-c3b2-47a7-bfe9-20adfc67561e] en uit de detentiegegevens blijkt dat verdachte pas op 28 april 2006 in het landelijke afzonderingsregime is gegaan.[_b2be32b6-d029-4930-a413-7fa9c34dc116]
Verdachte heeft meermalen verklaard dat Astrid Holleeder haar eigen verklaringen en die van Sonja Holleeder en Sandra den Hartog in elkaar heeft gezet en op elkaar heeft afgestemd. Verdachte heeft in hoger beroep bijvoorbeeld gewezen op de verklaringen die Astrid en Sonja Holleeder en Sandra den Hartog hebben afgelegd over afgeroomde geldbedragen die zijn afgedragen aan een advocaat. Zij hebben volgens verdachte hierover zogenaamd spontaan verklaard nadat Astrid Holleeder daarover had verklaard op 1 oktober 2021. Het hof wijst er echter op dat Astrid Holleeder hierover is gaan verklaren in antwoord op gerichte vragen van de advocaat-generaal naar aanleiding van de verklaring van getuige [betrokkene 5] over dit thema.[_81381527-65b6-435c-a13d-8b10369e49a3] De advocaat-generaal heeft Sonja Holleeder op 5 oktober 2021 hier ook naar gevraagd.[_6729959d-98fa-4e3b-a12f-2ec4529a0ba2] Op de zitting van 7 oktober 2021 heeft ook Sandra den Hartog hierover verklaard nadat aan haar daarover door het hof specifieke vragen waren gesteld.[_26ab8561-3b67-4bea-8582-90e7e35c142f] Aan verdachte moet worden toegegeven dat het vragen kan oproepen als getuigen opeens spontaan precies hetzelfde verklaren over een bepaalde gebeurtenis. Alleen hebben de getuigen hier dus niet opeens spontaan over verklaard. Zij hebben daarover verteld, nadat hun daarover vragen waren gesteld. Het hof ziet daarin dan ook niet een aanwijzing dat zij verklaringen op elkaar hebben afgestemd.
Het hof heeft in de verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder en Sandra den Hartog geen concrete aanwijzingen aangetroffen dat hun verklaringen zijn afgestemd. Opvallend is juist dat de getuigen elk een andere verhouding tot verdachte hadden en elk verdachte in andere situaties hebben meegemaakt en vanuit die ervaring hun eigen verhaal hebben verteld. Astrid en Sonja verklaren over sommige gebeurtenissen die zij voor een deel gelijktijdig hebben meegemaakt, maar ook over veel gebeurtenissen waar de ander niet over kan verklaren. Sandra den Hartog verklaart voor een groot deel over andere situaties. De getuigen zijn vele malen indringend verhoord over gebeurtenissen die in een periode van een aantal jaren hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat de getuigen tijdens deze verhoren regelmatig emotioneel werden en de inhoud van verklaringen vaak spontaan en onbeheerst tot stand is gekomen, kortom, onder omstandigheden waarbij het nauwelijks te doen zou zijn om een afgestemd verhaal overeind te houden. Dat verklaringen op elkaar zijn afgestemd en dat dit in de lange reeks van getuigenverhoren niet naar voren zou komen, is ook moeilijk voor te stellen vanwege de complexiteit en de veelheid van de gebeurtenissen en de tijdspanne waarin deze zich hebben afgespeeld.
Conclusie verklaringen in verband met dossier
Het hof stelt vast, gelet op het voorgaande, dat er veel steun is te vinden in andere bewijsmiddelen die onafhankelijk zijn van de verklaringen van de getuigen Holleeder. In het bijzonder is er ook steun voor verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder te vinden in mededelingen van verdachte in de opgenomen gesprekken.
Verificatieonderzoeken hebben de verklaringen van de getuigen niet onderuit gehaald. Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden dat er afstemming tussen de getuigen Holleeder onderling of tussen hen en getuige Den Hartog heeft plaatsgevonden of dat de getuigen elkaar napraten zonder dat zij zich baseren op eigen waarneming en ondervinding.
Eindconclusie betrouwbaarheid verklaringen Astrid en Sonja Holleeder
Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de verklaringen van de getuigen Astrid en Sonja Holleeder in verband met (financiële) belangen of bij hen bestaande psychische problemen, voor zover zij zich hebben uitgelaten over hun wetenschap van betrokkenheid van verdachte bij een aantal moorden. Wel zal het hof behoedzaam met deze verklaringen omgaan vanwege de risico’s en onzekerheden die in het algemeen aan getuigenbewijs zijn verbonden en gelet op de bijzonderheden van deze zaak.
Betrouwbaarheid verklaringen Sandra den Hartog
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat getuige Den Hartog geen gewone getuige is maar een getuige die vrijwel haar hele leven heeft doorgebracht in het criminele milieu of in ieder geval daarmee in nauw contact heeft gestaan. Dit maakt het voor haar niet vreemd om zich op een bepaalde manier te verhouden tot politie en justitie en zij zal bereid en in staat zijn om wettelijke en ethische normen terzijde te stellen ten behoeve van eigen (financiële) veiligheid en comfort. Voor Den Hartog geldt dat zij in ieder geval in staat is om op overtuigende wijze niet geheel naar waarheid te verklaren wanneer daarvoor een motief, een belang of een reden bestaat. Den Hartog heeft bij eerdere gelegenheden waarbij zij met politie of justitie in contact heeft gestaan, aangetoond bereid en in staat te zijn verklaringen af te leggen die niet naar waarheid waren. Dit dwingt tot enige mate van voorzichtigheid bij het waarderen van haar verklaringen.
Het FIOD-onderzoek dat was gericht op de bezittingen van Den Hartog en de erfenis van Klepper is in 2014 afgerond. Ondanks dat dit onderzoek al lang is afgrond, heeft dit in december 2021 nog altijd niet tot een vervolging geleid. Mogelijk is er een verband tussen het uitblijven van een strafvervolging en de rol die getuige Den Hartog in dit dossier vervult. Deze suggestie kan niet zonder meer van de hand worden gewezen. Het is volgens de verdediging niet vol te houden dat er voor Den Hartog geen belang heeft gespeeld bij het verklaren in de zaak Vandros. Den Hartog had een aantoonbaar belang bij het afleggen van verklaringen in Vandros, een belang dat ook is uitgekomen; er is nog altijd geen beslissing tot de vervolging van Den Hartog.
De verdediging wijst er verder op dat bij Den Hartog een overtuiging is gegroeid dat verdachte achter de moord op Klepper zou zitten. Die overtuiging is ten onrechte bevestigd door Astrid Holleeder met een bevestigende knik toen Den Hartog daar navraag over deed. Dit alles terwijl Astrid Holleeder geen enkele wetenschap heeft van de moord op Klepper, de achtergronden daarvan of de opdrachtgever, zoals Astrid Holleeder ook zelf heeft verklaard. Als het klopt dat Astrid Holleeder Den Hartog daar inderdaad in heeft bevestigd, is het dus de vraag op grond waarvan zij dat heeft gedaan.
De verdediging wijst er tot slot op dat Den Hartog er geen misverstand over heeft laten bestaan dat zij wraakgevoelens koestert ten opzichte van verdachte en dat zij aan het einde van de relatie van hem af wilde. Het hof begrijpt de verdediging zo dat deze wraakgevoelens van Den Hartog ten opzichte van verdachte van invloed kunnen zijn geweest op haar uiteindelijke bereidheid tot het afleggen van verklaringen en ook op de inhoud van die verklaringen. Dit alles maakt dat zij redenen kan hebben om anders te verklaren dan zij gedaan zou hebben wanneer die omstandigheden er niet zouden zijn. De verdediging betoogt niet dat de verklaringen van Den Hartog van het bewijs moeten worden uitgesloten, maar deze omstandigheden maken wel dat er (veel) te veel kanttekeningen zijn om de verklaringen zonder meer als betrouwbaar aan te merken. Er moet volgens de verdediging enige mate van zekerheid bestaan dat specifieke belastende onderdelen van haar verklaringen juist zijn, voordat deze een rol krijgen in de reconstructie van de werkelijkheid. Dit maakt dat telkens bij een onderdeel van een verklaring dat als belastend voor verdachte wordt ingebracht, beoordeeld moet worden of dat onderdeel steun vindt in andere bewijsmiddelen die los staan van de verklaring van deze getuige. Als een belastende onderdeel van de verklaring van Den Hartog niet wordt ondersteund door ander bewijs, dan moet het hof dat onderdeel niet laten bijdragen aan een bewezenverklaring.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft erop gewezen dat verdachte naast zijn zussen Astrid en Sonja Holleeder ook Den Hartog vertrouwde. Ook voor Den Hartog geldt dat zij wetenschap heeft over misdrijven die door verdachte zijn gepleegd en dat die wetenschap haar angst heeft ingeboezemd. Deze angst werd door verdachte gevoed door te zeggen dat hij contacten bij de politie had; de zogenoemde ‘petten’. Hieruit volgde voor Den Hartog het angstige besef dat ze nooit met de politie mocht en kon praten. Den Hartog heeft verklaard dat zij haar verklaringen niet heeft afgestemd met Astrid en Sonja Holleeder. De motieven voor haar om te gaan verklaren zijn de veiligheid van haar zoon en van haarzelf. Ook wilde Den Hartog dat bekend werd dat verdachte Klepper heeft vermoord.Nergens is aannemelijk geworden dat Astrid Holleeder Den Hartog heeft geregisseerd in de verklaringen die Den Hartog zou gaan afleggen. Er is voor het openbaar ministerie dan ook geen reden om te twijfelen aan de oprechtheid van de motieven van Den Hartog om te gaan verklaren. De verklaringen van Den Hartog zijn voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Zij heeft niet uit eigen belang of financieel gewin verklaard, maar vanwege de motieven die ze heeft genoemd. Den Hartog heeft consistent verklaard en weet gebeurtenissen vrij nauwkeurig in de tijd te plaatsen. Zij maakt dingen niet mooier of groter dan wat zij uit eigen wetenschap kan verklaren.
Onderzoek hof
Het hof heeft hiervoor toegelicht dat Astrid en Sonja Holleeder gewone getuigen zijn waarvoor geen bijzondere bewijsregels gelden. Dit geldt ook voor Den Hartog. Dit betekent dat alleen de algemene regel geldt dat het bewijs dat verdachte één van de ten laste gelegde feiten heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van deze getuige. Overigens zijn er ten aanzien van Den Hartog wel beschermingsmaatregelen genomen, als bedoeld in artikel 226 Sv, die nog steeds gelden.
Het hof heeft onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van Den Hartog als getuige en de verklaringen die zij heeft afgelegd. Daarbij is gekeken naar de eventuele belangen en motieven die deze getuige heeft bij het afleggen van voor verdachte belastende verklaringen. Ook heeft het hof de inhoud van haar verklaringen en de samenhang van haar verklaringen met andere processtukken onderzocht.Bij de bespreking van de afzonderlijke zaaksdossiers waar de getuige Den Hartog over heeft verklaard, zal ook worden ingegaan op de betrouwbaarheid van haar verklaringen in relatie tot de overige processtukken.
Belang Den Hartog: FIOD-zaak
De verdediging heeft aangevoerd dat voor Den Hartog geldt dat zij, gelet op de FIOD-zaak, een belang heeft bij het afleggen van verklaringen in Vandros en dat dit belang ook is uitgekomen. Het hof begrijpt dit standpunt zo dat Den Hartog door het openbaar ministerie in de FIOD-zaak zal worden ‘beloond’ voor haar verklaringen in Vandros met de beslissingen die het openbaar ministerie in die zaak inmiddels heeft aangekondigd.Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat Den Hartog niet wordt beloond voor haar verklaringen en heeft daarbij ook kenbaar gemaakt hoe het Functioneel Parket van plan is om de FIOD-zaak af te handelen. Den Hartog zal in die zaak worden vervolgd. Dat kan ofwel leiden tot een transactie met Den Hartog, ofwel tot het aanbrengen van haar strafzaak bij de rechter. Bij de afdoening van deze zaak zal aansluiting worden gezocht bij soortgelijke zaken waarin partners van vermoorde personen uit het criminele milieu worden aangesproken op delicten die verband houden met witwassen van crimineel vermogen. Dat betekent dat Den Hartog in het kader van een transactie vrijwillig afstand zal moeten doen van het aanwezige criminele vermogen en dat zij inzicht zal moeten geven in eventueel nog onbekend vermogen. Als dat inzicht is gegeven én er is ook overeenstemming met de Belastingdienst, dan kan het openbaar ministerie de vervolgingsbeslissing nemen. Bij een transactie denkt het openbaar ministerie aan een werkstraf, naast het genoemde afstand doen van het criminele vermogen. Het openbaar ministerie heeft uitgelegd wat de reden is dat deze afdoening lang duurt. Daarbij is onder andere gewezen op de fiscale problematiek die kennelijk voortkomt uit complexe erfrechtelijke omstandigheden, waarbij er ook sprake is van een verschil van inzicht tussen de Belastingdienst en Den Hartog, althans de Belastingdienst heeft nog geen standpunt ingenomen hoe zij de verhouding tussen Den Hartog, haar kinderen en dat vermogen duidt. Zodra de Belastingdienst daarover een standpunt heeft ingenomen, kan het openbaar ministerie een vervolgingsbeslissing nemen die dus zal leiden tot een transactie in de vorm van een werkstraf met afstand van crimineel vermogen, dan wel een dagvaarding voor een openbare zitting.[_ce67aecd-1d96-4d26-ad0a-fec172f2e436]
Het hof overweegt ten aanzien van het door de verdediging gestelde belang bij getuige Den Hartog als volgt. Niet kan worden ontkend dat de FIOD-zaak tegen Den Hartog een zaak is van zeer lange adem. Echter, als Den Hartog met haar getuigenverklaringen in Vandros een gunstige uitkomst van de FIOD-zaak had willen bereiken, dan had zij die voorafgaand aan haar verklaringen moeten zien af te dwingen. Uit de mededeling van het openbaar ministerie over de te nemen vervolgingsbeslissing volgt dat dit niet is gebeurd. Ook uit het proces-verbaal van officier van justitie mr. Wind van 19 augustus 2015 volgt dat Den Hartog voorafgaand aan het afleggen van verklaringen over verdachte, geen voorwaarden heeft gesteld.[_0eb4b2fb-db37-441b-81e0-bcd1a6d0708f] Hoewel mr. Wind door Astrid Holleeder is geïnformeerd over ‘een belastingzaak of strafzaak’ tegen Den Hartog, is dit onderwerp niet besproken met Den Hartog, zoals blijkt uit dat proces-verbaal.[_2294e4fc-499e-49b6-8ce3-0eff04c92b29]Den Hartog heeft ook na het afleggen van haar kluisverklaringen geen voorwaarden verbonden aan haar instemming met het gebruik van die verklaringen.[_eb5a2983-09bf-4725-828b-2b66b8c5bc7b] Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mr. Wind verklaard dat in het contact met Den Hartog het FIOD-onderzoek wel ter sprake is gekomen maar dat daarover vooraf op geen enkele wijze afspraken zijn gemaakt. Mr. Wind heeft niet met Den Hartog gesproken over de erfenis van Klepper en over belastingaanslagen. Ook andere functionarissen binnen het openbaar ministerie hebben in het kader van het tot stand komen van de verklaringsbereidheid en het bekend maken van die verklaringen in Vandros niet gesproken over het FIOD-onderzoek. Ruim na het afleggen van haar verklaringen heeft het Functioneel Parket ook met Den Hartog gesproken over de afdoening van het FIOD-onderzoek.[_8f4c1a8a-780c-4285-9efd-22fb16f7ce86]De aangekondigde afdoening, die in belangrijke mate nog afhangt van de opstelling van Den Hartog, past kennelijk in een algemeen beleid van het openbaar ministerie. Als Den Hartog geen inzage geeft en afstand doet van het criminele vermogen, zal zij worden gedagvaard voor de strafrechter waarna een proces volgt waarvan de uitkomst onbekend is. Voor het hof is, gelet op deze omstandigheden, niet aannemelijk geworden dat Den Hartog ‘beloond’ wordt voor haar verklaringen in Vandros en dat deze beloning inmiddels ook werkelijkheid is geworden. Het hof concludeert tot slot dat er geen aanknopingspunten in beeld zijn gekomen voor de conclusie dat Den Hartog voordeel heeft verkregen of mocht verwachten van het afleggen van verklaringen tegen verdachte.
Motieven Den Hartog
2.3.5.1 Moord op Klepper
De verdediging wijst erop dat Astrid Holleeder getuige Den Hartog ten onrechte heeft laten geloven dat verdachte achter de moord op Klepper zit. De verdediging heeft hierbij opgemerkt dat Astrid Holleeder zelf heeft verklaard dat zij niets over die moord weet. Het hof begrijpt de verdediging zo dat Den Hartog door haar verdenking wraakgevoelens is gaan koesteren tegen verdachte die een risico kunnen vormen voor het waarheidsgehalte van haar verklaringen.
Het hof stelt voorop dat de moord op Klepper in 2000 niet aan verdachte is ten laste gelegd. Den Hartog heeft in haar eerste kluisverklaring verklaard dat zij op het moment dat [betrokkene 6] (hierna ook: [betrokkene 6]) haar vertelde dat Klepper in Amsterdam was doodgeschoten, gezegd heeft: “Dat heeft Willem (het hof begrijpt: verdachte) gedaan”.[_7d820dea-d027-441d-8ff3-25041148afdd] In een latere verklaring heeft Den Hartog verklaard dat verdachte bij een bezoek aan haar in België heeft gezegd dat hij niet achter de moord op Klepper zat en dat is Den Hartog gaan geloven.[_0ee24496-89b6-42f2-8148-40f910c07367]
Den Hartog heeft verklaard dat verdachte op twee momenten tijdens een ruzie de zoon van Den Hartog een ‘kankerjong’ en een ‘teringjong’ heeft genoemd en heeft gezegd: “anders gaat hij liggen, zoals ik zijn vader heb laten liggen”. De eerste keer is dat volgens Den Hartog in de tweede helft van 2013 geweest en de tweede keer in augustus 2014. Den Hartog is toen naar Astrid Holleeder gegaan, omdat zij aan haar wilde vragen of het klopte wat verdachte had gezegd over Klepper. Den Hartog heeft verklaard dat zij in die periode misschien nog wantrouwig naar Astrid Holleeder toe was, maar dat zij op dat moment vanwege emoties helemaal niet kon nadenken. Astrid Holleeder was niet thuis, maar kwam later naar Den Hartog toe. Den Hartog vroeg toen aan haar of het klopte van Klepper, waarop Astrid Holleder zei: “Ik kan en wil het niet zeggen”. Den Hartog heeft tegenover Astrid Holleeder gezegd dat zij het ‘moest’ weten en dat zij het al voldoende vond als Astrid Holleeder alleen maar zou knikken. Daarna hoefde Den Hartog het er dan niet meer over te hebben met Astrid Holleeder. Vervolgens wilde Astrid Holleeder Den Hartog fouilleren en dat heeft zij ook gedaan. Daarna knikte Astrid Holleeder bevestigend.[_bde2124d-56a9-4056-a450-ffd544b6d3e0]
Astrid Holleeder heeft verklaard over de dreiging van verdachte richting de zoon van Den Hartog en dat de oogkleppen bij Den Hartog afvielen. Den Hartog heeft bij haar thuis aan Astrid Holleeder gevraagd: “luister; heeft hij het “gedaan”, wat “met Sam” te maken?”. Astrid Holleeder vertrouwde Den Hartog niet en heeft tegen haar gezegd: “trek je kleren uit. We gaan zo naar buiten, ik wil je fouilleren”. Astrid Holleeder heeft verklaard dat zij niets heeft willen zeggen tegen Den Hartog omdat ze haar nog steeds niet vertrouwde. Zij heeft overal bij Den Hartog gevoeld waar iets van afluisterapparatuur kon zitten en heeft haar helemaal gecheckt. Buiten de woning heeft Astrid Holleeder niets gezegd tegen Den Hartog, maar geknikt.[_ec705ff6-4471-4611-80b7-f239cb8bf16e]
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het mogelijk is dat hij dreigende dingen heeft gezegd over de zoon van Den Hartog, dat hij heus wel gezegd heeft dat hij (de zoon van Den Hartog) niet het pad van zijn vader moet volgen en dat hij heeft geschreeuwd en gedreigd.Misschien heeft hij iets gezegd als dat hij op zijn vader lijkt.[_f6b72295-e669-448d-bce7-e2248d8738aa]
Het hof concludeert dat Astrid Holleeder bij Den Hartog niet de verdenking heeft gewekt dat verdachte verantwoordelijk is voor de moord op Klepper, maar dat zij deze verdenking slechts heeft bevestigd. Den Hartog is al kort na de moord op Klepper, toen zij daarvan op de hoogte werd gesteld door [betrokkene 6], verdachte daarvan gaan verdenken. Zij had namelijk van Klepper al gehoord dat, als Klepper vermoord zou worden, onder anderen verdachte daar dan achter zou zitten.[_babdb4ee-22e5-4992-9996-a1d93a8a2428] Nadat verdachte na de moord op Klepper Den Hartog heeft doen geloven dat hij er niet achter zat, heeft verdachte nadien tot twee keer toe tegenover Den Hartog bij gelegenheid van een onderlinge ruzie gezegd dat hij verantwoordelijk is voor de moord op Klepper. Astrid Holleeder is hiervan een keer getuige geweest, zoals in de volgende paragraaf aan de orde komt. De verklaringen van Astrid Holleeder en die van Den Hartog ondersteunen elkaar, terwijl er geen aanknopingspunten bestaan dat zij hierover niet de waarheid vertellen.
2.3.5.2 Beëindiging van de relatie
De verdediging heeft aangevoerd dat Den Hartog de relatie met verdachte wilde beëindigen en dat zij van hem af wilde. De verdediging leidt hier kennelijk uit af dat die wens van invloed kan zijn geweest op de inhoud van verklaringen die Den Hartog in de zaak Vandros heeft afgelegd. Den Hartog heeft over haar relatie met verdachte verklaard dat vanaf het voorjaar of de zomer van 2001 sprake was van een man-vrouwrelatie. De relatie heeft geduurd tot augustus 2014. Den Hartog wilde toen inderdaad dat verdachte uit haar leven zou gaan, maar wel dat ze als goede vrienden uit elkaar zouden gaan.[_c4e137e1-b7ce-4f8e-975d-eda51a975511] Het einde van de relatie is niet per se wat Den Hartog heeft doen besluiten om verklaringen te gaan afleggen, maar heeft het wel mogelijk gemaakt om bij de politie verklaringen af te leggen. Dat Den Hartog wel wilde verklaren, was naar aanleiding van een gebeurtenis die al eerder had plaatsgevonden. Die gebeurtenis was een ruzie over de zoon van Den Hartog zoals hiervoor beschreven. Dit was voor Den Hartog ook een reden om de relatie met verdachte te willen beëindigen. Op advies van Astrid Holleeder heeft Den Hartog na die eerste keer in de tweede helft van 2013 de relatie om veiligheidsredenen nog niet beëindigd. Den Hartog was bang en verkeerde niet in de positie om de relatie met verdachte te beëindigen. “Dat is niet een keuze die Willem aan jou overlaat, hij beëindigt de relatie.” De relatie heeft daarna nog driekwart jaar voortgeduurd. Er volgden meer ruzies over de zoon van Den Hartog en in augustus 2014 barstte de bom na opnieuw een ruzie over de zoon van Den Hartog die volgens verdachte het huis uit moest. Er heeft toen een ontmoeting plaatsgevonden bij De Omval tussen verdachte, Den Hartog en Astrid Holleeder. Verdachte was volgens Den Hartog door het dolle heen en niet rustig te krijgen. Den Hartog moest van verdachte zijn spullen in haar woning gaan halen. Verdachte heeft in het bijzijn van Astrid Holleeder weer allerlei bedreigingen in de richting van de zoon van Den Hartog geuit en gezegd dat haar zoon anders ‘zou gaan liggen’ net zoals verdachte zijn vader had laten liggen. Den Hartog weet tijdens het verhoor niet meer of verdachte dit al had gezegd voordat Astrid Holleeder was gearriveerd, maar hij zei het in ieder geval ook toen Astrid Holleeder erbij was. Den Hartog heeft de relatie na dit incident bij De Omval beëindigd. Toen Den Hartog eind september 2014 haar eerste verklaring bij de politie aflegde, was de relatie tussen verdachte en haar al beëindigd.[_d43ae370-e497-4ac5-8964-d6f3588c0a36]Verdachte heeft in de periode van 2006 tot 2012 vanwege de Kolbakzaak gedetineerd gezeten, waarbij de vraag zich opdringt waarom Den Hartog de relatie met verdachte in die periode niet heeft beëindigd. Op die vraag heeft Den Hartog geantwoord: “Het was niet aan mij om de relatie te beëindigen en toen hij gedetineerd zat wilde ik hem niet laten stikken, dat doe je niet. Maar ook toen was ik te bang om de relatie te beëindigen. Hij komt altijd een keer los, hè”.[_0d5caa1a-df5e-47e7-a38e-ec1fc30b9f72]
Astrid Holleeder heeft over het incident bij De Omval in augustus 2014 verklaard dat verdachte, vanwege deze hoog oplopende ruzie met Den Hartog, bij zijn moeder moest gaan verblijven omdat hij niet bij Sonja Holleeder terecht kon. Astrid Holleeder heeft verklaard: “Toen dat dus speelde verwees hij ook weer naar Sam, dat hij Sam had ‘laten doen’. Toen waren we wel met zijn drieën zeg maar. Toen stond Sandra daar wel bij. Maar dat is eigenlijk de enige keer geweest, over Sam dat wij daar met zijn drieën waren. En ik heb haar echt, echt pas in een heel, heel laat stadium durven zeggen of knikken hoe het zat”.[_f5753f0f-74fa-47e4-ad21-875ae1f54c29]
Het hof stelt vast dat de verklaring van Den Hartog wordt ondersteund door de verklaring van Astrid Holleeder. Het hof ziet ook geen aanknopingspunten dat het met het verloop van de relatie tussen verdachte en Den Hartog, de periode na de Kolbakdetentie van verdachte en het einde van de relatie, anders is gegaan dan Den Hartog heeft verklaard. Op het moment dat Den Hartog voor het eerst bereid was om te gaan verklaren, was de relatie al beëindigd. Het was voor haar dan ook niet nodig om verdachte te beschuldigen om op die manier van hem af te komen. Uit hetgeen Den Hartog over met name de beëindiging van de relatie heeft verklaard, volgt eerder dat zij die als een bevrijding heeft ervaren dan dat daaruit wraakgevoelens jegens verdachte zijn ontstaan. De dossierstukken bieden geen ondersteuning dat Den Hartog dergelijke wraakgevoelens had, laat staan dat deze haar wens hebben bepaald om verdachte veroordeeld te krijgen voor levensdelicten.
2.3.5.3 Getuigentraject
Het getuigentraject van Astrid Holleeder, Sonja Holleeder en Den Hartog is beschreven in een proces-verbaal van officier van justitie mr. Wind, waaruit het volgende blijkt. Getuige Den Hartog heeft in september 2014 voor het eerst met mr. Wind gesproken.[_116391f8-0d8c-4c4d-a719-44bad3140732] Nog in diezelfde maand heeft Den Hartog haar eerste van in totaal zes kluisverklaringen afgelegd. Ook Den Hartog heeft uit angst zeer getwijfeld over het instemmen met het gebruik van deze verklaringen in liquidatie-onderzoeken. Op 23 maart 2015 hebben de getuigen Holleeder en Den Hartog deze instemming uiteindelijk verleend.[_09f2c486-57aa-4a9e-b89a-5f21d1224538]De belangrijkste reden voor Den Hartog om tegen verdachte te verklaren is dat zij wilde voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen.[_f561dcf3-3d5b-4bab-8cd2-92c5b9c84a28] Nadat begin september 2014 een overeenkomst met Ros tot stand was gekomen, heeft op initiatief van mr. Wind op 11 september 2014 een gesprek met Astrid Holleeder plaatsgevonden om te vernemen of zij en haar zus Sonja Holleeder alsnog bereid waren tot overleg over het mogelijk gebruik van hun verklaringen. Na dit gesprek heeft Astrid Holleeder aan mr. Wind laten weten dat zij daartoe bereid waren en dat ook Den Hartog overwoog om met justitie te praten en dat Den Hartog graag een kennismakingsgesprek met mr. Wind wilde onder de voorwaarde dat dit vertrouwelijk bleef. Daartoe werd een afspraak gepland op 15 september 2014.[_a11c5d47-490a-401f-abf4-12bd42100adb]Vanaf één van de eerste contacten van mr. Wind met Astrid en Sonja Holleeder sprak Astrid Holleeder op verschillende momenten over Den Hartog die eveneens in de ‘greep van Willem zou zitten’ en doodsbang was. Zonder te vertellen dat zij zelf kluisverklaringen had afgelegd, had Astrid Holleeder gaandeweg voorzichtig gepolst en beetje bij beetje hadden Astrid Holleeder en Den Hartog elkaar in vertrouwen genomen. Daaruit was Astrid Holleeder gebleken dat Den Hartog ‘ook helemaal klaar was met Willem’. Astrid Holleeder en Den Hartog hadden in augustus 2014 een paar keer afgesproken en waren doodsbang dat verdachte daar achter zou komen, wat ook een keer gebeurd was en waardoor Den Hartog doodsangst had uitgestaan. Den Hartog had Astrid Holleeder verteld dat ze heel bang was dat verdachte haar kinderen iets aan zou doen, omdat hij daarmee steeds dreigde. Ze zou niet eerder iets durven te verklaren dan dat verdachte (langdurig) vast zou zitten.
Op 15 september 2014 heeft mr. Wind met een medewerker van het Team Bijzondere Getuigen (TBG) en in aanwezigheid van Astrid en Sonja Holleeder een kennismakingsgesprek met Den Hartog gevoerd, die met Astrid en Sonja Holleeder was meegekomen. Na de kennismaking, waarbij mr. Wind en de medewerker van het TBG het belang van vertrouwelijkheid en de mogelijkheden van een getuigentraject hebben toegelicht, hebben mr. Wind en de medewerker van het TBG verder met Den Hartog gesproken, buiten aanwezigheid van de zussen Holleeder. Den Hartog vertelde dat verdachte dertien jaar bij haar heeft ingewoond, dat hij zich na de moord op haar partner Klepper in haar leven heeft gewerkt en dat ze dat destijds heeft laten gebeuren, maar niet meer van hem afkwam. Gaandeweg heeft ze ontdekt wat voor persoon verdachte is en dat hij verantwoordelijk is voor moorden. Den Hartog vertelde dat verdachte haar leven totaal beheerst, dat hij gewelddadig is en dat zij heel bang voor hem is. Nog niet zo lang geleden had verdachte tijdens een ruzie tegen haar geschreeuwd dat Den Hartog samenwoonde met de moordenaar van haar man. Den Hartog vertelde dat destijds, direct na de moord op Klepper, haar eerste gedachte was geweest dat verdachte daar verantwoordelijk voor was, maar dat zij later zo was ingepakt door verdachte dat ze was gaan geloven dat dat niet zo was. De recente opmerking van verdachte tijdens de ruzie was bij haar ingeslagen als een bom. Ook had verdachte gedreigd haar kinderen, met name haar jongste zoon te vermoorden en ze gaf aan hem daartoe in staat te achten en te vrezen dat hij dat daadwerkelijk zal doen. De reden dat verdachte het zo op met name haar jongste zoon had voorzien, was volgens Den Hartog dat die jongen sterk op zijn vader lijkt en dat verdachte zou vrezen dat deze jongen, als hij oud genoeg is, vanwege de moord op zijn vader ooit wraak op verdachte zal nemen. Datzelfde zou in het hoofd van verdachte spelen ten aanzien van de zoon van Sonja Holleeder en Van Hout. Den Hartog vreesde het moment dat de drie jaren gevangenisstraf als ‘voorwaardelijke invrijheidstelling uit de Kolbakzaak’ verdachte niet meer boven zijn hoofd zouden hangen. Verdachte had gezegd dat hij, zodra hij weer ruimte had, haar jongste zoon, Sonja Holleeder en de zoon van Sonja Holleeder zou (laten) vermoorden. De dreigementen naar haar kinderen vormden voor Den Hartog de druppel die maakte dat zij nu, ondanks haar angst voor verdachte, bereid was te verklaren. In de periode van medio december 2014 tot eind maart 2015 hebben nog verschillende gesprekken plaatsgevonden met de getuigen, bijgestaan door hun raadsman die optrad voor alle drie de getuigen. In deze besprekingen is een aantal voorwaarden ter sprake gekomen die de getuigen mogelijk wilden verbinden aan het gebruik van hun verklaringen. De besprekingen hebben er uiteindelijk in geresulteerd dat ook Den Hartog geen voorwaarden heeft verbonden aan haar instemming met het gebruik van haar verklaringen. Wel is aan haar toegezegd dat mr. Wind zich, indien Den Hartog ten gevolge van haar optreden als getuige haar baan zou verliezen, tot het uiterste zou inspannen om te bezien wat de mogelijkheden zijn om gemiste inkomsten te vergoeden en ook proces- en advocaatkosten die daar mee zouden samenhangen. Op 23 maart 2015 hebben alle drie de getuigen ingestemd met het gebruik van hun kluisverklaringen in liquidatie-onderzoeken.[_157ad543-17d5-4781-a3a0-dc052ffbb34b]Den Hartog heeft ook verklaard dat zij ook voor zichzelf is gaan verklaren, voor haar eigen veiligheid, omdat verdachte weet wat hij heeft gezegd en dat Den Hartog dat weet.[_403cefa1-14f5-4f4b-b579-1fc06c4729c2]
Het hof stelt vast dat de wijze waarop Den Hartog met het openbaar ministerie in contact is gekomen, geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat zij bepaalde oneigenlijke motieven had om verdachte vals te beschuldigen. Mr. Wind heeft in haar proces-verbaal beschreven en toegelicht dat Den Hartog uit veiligheidsoverwegingen is gaan verklaren ter bescherming van haar kinderen, zichzelf en anderen.
2.3.5.4 Financieel belang bij verklaringen
Volgens verdachte heeft Den Hartog een financieel belang om te liegen over hem. Zij heeft grote problemen met de FIOD in verband met het geld dat Klepper bij Willem Endstra (hierna ook: Endstra) had ingelegd en in verband met de banktegoeden in Liechtenstein. Verdachte is ervan overtuigd dat Astrid Holleeder haar heeft overgehaald om mee te liegen, en dat Astrid Holleeder tegen haar heeft gezegd dat justitie dan haar problemen kan oplossen. Als het nu nog niet is opgelost, dan gebeurt dat later wel, zodat justitie nu kan zeggen dat er niets is aangeboden in ruil voor haar verklaring.[_a4330478-6cfc-492a-91d2-00e40ad2bae3]
Ter terechtzitting in hoger beroep is aan verdachte de vraag voorgelegd welk financieel voordeel de getuigen Holleeder en Den Hartog zouden hebben bij hun verklaringen. Verdachte heeft voor wat Den Hartog betreft gewezen op de belastingschuld die Den Hartog heeft en waar zij vanaf wil. Verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring ook gewezen op het incident bij De Omval. Hij zou tijdens die ruzie tegen Den Hartog hebben gezegd dat hij niets meer zou betalen voor Den Hartog, behalve de huur. Hierna heeft verdachte een gesprek gehad met Den Hartog op het Gelderlandplein waar Den Hartog hem gevraagd zou hebben of hij haar ‘liet vallen’ ook met dat van die belasting. Verdachte zou daarop gezegd hebben: “ik heb er geen zin meer in, zoek het maar zelf uit”. Daarop zou Den Hartog gezegd hebben: “dan zal je het weten ook”. Verdachte vermoedt dat, als hij tegen Den Hartog gezegd zou hebben dat hij haar zou helpen, Den Hartog misschien niet zou zijn gaan verklaren over hem. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gezegd dat hij niet weet of Den Hartog in ruil voor haar verklaringen van die belastingschuld af is gekomen. Hij gaat ervan uit dat Astrid Holleeder tegen haar gezegd heeft dat ze van die schuld af zal komen. Verdachte weet niet of het openbaar ministerie ook aan Den Hartog een sepot heeft beloofd, net als bij al die anderen aan wie een sepot was beloofd en bij wie het ook gelukt is. Van verdachte mag Den Hartog een sepot hebben, ondanks haar valse verklaringen.[_dd7e2bc1-3593-49c4-a6b0-fd0db3024b0a]Ook heeft verdachte in hoger beroep verklaard over een opname die Astrid Holleeder volgens verdachte heeft gemaakt, maar die zij niet aan het openbaar ministerie heeft verstrekt. Die opname zou volgens verdachte zijn gemaakt van een gesprek van verdachte met Astrid Holleeder over een vriendinnetje van verdachte die dicht bij de moeder van verdachte woonde. Astrid Holleeder wilde weten waar dat vriendinnetje van verdachte precies woonde. Het gesprek van verdachte met Astrid Holleeder ging ook over Den Hartog. In dat gesprek zou verdachte gezegd hebben dat hij klaar was met Den Hartog vanwege haar zoon en dat hij haar geen geld meer ging geven en dat ze het lekker zelf moest gaan uitzoeken met de Belastingdienst. Later kreeg hij die vraag op het Gelderlandplein van Den Hartog terug. Verdachte stelt achteraf te weten dat Astrid Holleeder dat gesprek heeft opgenomen en aan Den Hartog heeft laten horen. Astrid Holleeder heeft dat volgens verdachte gedaan om Den Hartog tegen hem op te zetten en haar tegen verdachte een valse verklaring te laten af leggen. Astrid Holleeder moest Den Hartog van verdachte los weken en in haar kamp krijgen. Ze moest mij in een kwaad daglicht plaatsen, aldus verdachte.[_fc76aff0-90dc-4acf-a8d1-f78eedcdc566]
Het hof stelt vast dat uit niets is gebleken dat Den Hartog door haar verklaringen in Vandros een einde heeft weten te maken aan haar eventuele belastingschulden. Het hof heeft hiervoor al beschreven dat het openbaar ministerie Den Hartog wil vervolgen met betrekking tot de FIOD-zaak, waarbij Den Hartog in overeenstemming met het beleid van het openbaar ministerie afstand zal moeten doen van haar criminele vermogen, bekend en onbekend, en een werkstraf zal moeten vervullen. Indien Den Hartog dit weigert, zal ze worden vervolgd. Uit de uitleg van het openbaar ministerie blijkt ook dat ook de Belastingdienst zich ervoor inspant om de erfenis van Klepper in beeld te krijgen. Er bestaat geen enkele informatie die steun geeft aan een vermoeden dat Den Hartog in verband met een belastingschuld verdachte is gaan beschuldigen van levensdelicten.
Inhoud verklaringen
Het hof is ook nagegaan of in de verklaringen van Den Hartog zelf aanwijzingen kunnen worden gevonden dat zij niet de waarheid spreekt of dat zij gebeurtenissen anders heeft ervaren dan gerechtvaardigd. Vastgesteld kan worden dat Den Hartog, na haar zes kluisverklaringen en nadat deze naar buiten zijn gebracht, vele malen is gehoord als getuige: bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting zowel in de Passagezaak als in de zaak Vandros. In totaal is Den Hartog zesentwintig keer als getuige gehoord.
2.3.6.1 Kluisverklaringen, politieverklaringen en verklaringen bij rechter-commissaris
In de verklaringen die Den Hartog heeft afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris geeft zij meermalen aan dat ze het antwoord op de gestelde vraag niet weet of dat zij zich iets niet kan herinneren. Zo weet Den Hartog niet, althans zij kan het zich niet herinneren, wat verdachte tegen haar heeft gezegd nadat Den Hartog met Mieremet heeft gesproken op initiatief van verdachte.[_e16bd1ac-4d22-4bdd-ae6c-4f27e353a529] Ook geeft Den Hartog aan dat zij het niet precies weet hoe het zit tussen verdachte en Houtman.[_1ae0c493-520f-48ba-b330-57e94b471a3e] Als Den Hartog wordt gevraagd over het Telegraafartikel van Mieremet antwoordt zij dat Mieremet op een gegeven moment nattigheid voelde, dat Mieremet zich eerst samen voelde met verdachte en dan op een gegeven moment was dat schijnbaar niet meer zo. Den Hartog verklaart dan in dit verband over verdachte: “ik kan natuurlijk niet voor een ander spreken dus ik weet niet hoe dat gegaan is maar je merkte wel aan hem dat er gewoon dreiging was ook omdat hij gewapend was”.[_f083d3ad-588a-4bc5-ad42-28431cedfdf3] Ook over de problemen tussen Mieremet en Houtman enerzijds en verdachte anderzijds met betrekking tot een pand aan de Scheldestraat heeft Den Hartog verklaard niet precies te weten wat het probleem was.[_c6f1889a-5573-4c0b-a976-e45a228376d3] Als Den Hartog wordt gevraagd wat zij van het conflict met Jocic weet, geeft zij aan dat niet te weten.[_e74efac9-7ad5-4643-8d17-e7e32c64c66b] Over de reis naar Liechtenstein in verband met het ophalen van geld is aan haar de vraag gesteld waarom het juist Hillis was die met Den Hartog meeging naar Liechtenstein. Den Hartog heeft daarop geantwoord dat verdachte dit wilde maar dat zij niet weet of Hillis het zelf wilde.[_53ea57c1-a5f2-4534-8abc-93d384840227] Als Den Hartog wordt gevraagd hoe het de tweede keer ging toen verdachte zich in een ruzie met Den Hartog uitliet over de moord op Klepper, antwoordt zij dat zij het niet meer weet of verdachte die tweede keer ook heeft gezegd: “dan gaat hij liggen net als zijn vader” of “ik schiet hem neer”, “ik breek zijn knieschijven”.[_6e13fb0c-4846-49ee-8d5c-6806c5d03dde] Ook zegt Den Hartog het als de beantwoording van de vraag zou betekenen dat zij moet speculeren. Als Den Hartog gevraagd wordt wanneer verdachte er achter was gekomen dat Endstra verdachte wilde laten vermoorden antwoordt zij: “Is speculeren, dat weet ik niet meer”.[_6fdcabdf-45f9-41ff-ba49-d4c03e136d1c] Den Hartog zegt het ook wanneer de beantwoording van een vraag wordt bepaald door een indruk die zij ergens van heeft gekregen. Aan Den Hartog is bijvoorbeeld de vraag gesteld over de bedreiging van Mieremet tegen Den Hartog waarbij [betrokkene 7] (hierna ook: [betrokkene 7]) een rol zou hebben gespeeld, terwijl [betrokkene 7] een neef was van Klepper. Den Hartog heeft daarop verklaard dat het wel een bedreigend gesprek was, dat zij daar heel verbaasd over was, dat het erop leek dat er twee kampen ontstonden en dat het leek dat [betrokkene 7] voor het andere kamp had gekozen, waar het geld misschien terecht zou komen. Den Hartog had de indruk dat het gesprek voor [betrokkene 7] ook ongemakkelijk was.[_4d214fab-14c4-4905-a561-ecf95476276a]
Wat opvalt is dat Den Hartog, overigens anders dan het openbaar ministerie stelt, moeite heeft om gebeurtenissen in de tijd te plaatsen. Zo kan zij van de aanslag op Mieremet niet exact zeggen in welk jaar dat was.[_59bb1dfd-a455-4aee-ac6d-5203490165b6] Ook kan zij niet goed aangeven wanneer de bedreiging door Mieremet in het voormalige café Lexington heeft plaatsgevonden of in welke periode verdachte in een bepaalde woning heeft verbleven. Ze geeft dan aan dat ze het niet weet en dat de jaartallen die ze voor die woningen noemt, een gok zijn.[_32e8074c-ab91-4971-91ad-85c2e8da51d4] Daarbij valt op dat dit laatste gaat om gebeurtenissen die objectief vast staan en waarvan duidelijk is dat Den Hartog geen enkel belang heeft om daar vaag over te doen: het gaat om de locaties waar verdachte op een bepaald moment woonde.
2.3.6.2 Verklaringen ter terechtzitting in Vandros en Passage
Den Hartog heeft op de terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat zij naar waarheid heeft verklaard bij de politie en bij de rechter-commissaris, dat zij dat voor zover zij weet zo goed mogelijk heeft gedaan, dat zij soms een heel goed geheugen heeft en dat het voor haar het makkelijkst is om chronologisch te verklaren, omdat ze de dingen in die volgorde heeft beleefd.[_5f55e066-b1da-46b5-9809-dddf58b8acf3]Als Den Hartog ter terechtzitting bij de rechtbank als getuige wordt gehoord zegt zij het ook als zij het antwoord op een vraag niet weet. Zo weet zij niet zeker of Hillis bij het ophalen van geld in Liechtenstein bij terugkeer in de auto tegen Den Hartog heeft gezegd dat hij het geld heeft overgedragen. Hillis zou wel hebben gezegd dat hij nog een geldbedrag bij zich had. Den Hartog weet niet meer hoeveel.[_b32b6101-9cb3-4a3a-9fe3-c70d3a4bfb51] Over een bezoek dat zij samen met verdachte heeft gebracht aan Mink Kok (hierna ook: Kok) in detentie heeft Den Hartog verklaard, dat dat was om Kok te vertellen dat verdachte Den Hartog hielp en dat Mieremet Den Hartog bedreigde. Den Hartog weet het jaar van dat bezoek niet, maar kan zich herinneren dat het op haar verjaardag was. Het leek verdachte een goed idee om langs te gaan bij Kok maar Den Hartog weet niet waarom Kok op de hoogte moest worden gebracht. Zij heeft zich niet afgevraagd wat Kok daar mee te maken had. Ze heeft gewoon verteld dat verdachte haar hielp en het goed met Den Hartog voor had en dat Mieremet Den Hartog bedreigde en haar niets wilde geven. Daarna is Den Hartog naar buiten gegaan en heeft ze op verdachte gewacht.[_2ca51796-6c03-4006-bcd2-b98d3123f1ba]
Ook op de terechtzitting in Passage heeft Den Hartog als getuige het aangegeven wanneer zij iets niet wist. Zo heeft ze verklaard dat zij niet weet wat de achtergrond was van het conflict van verdachte met Kuiters na zijn vrijlating uit de Kolbakdetentie.[_c57f0678-e0a7-41ba-bf43-771843c315ee] Als Den Hartog gevraagd wordt naar de naam Donald Groen geeft zij aan dat die naam haar wel iets zegt en wel eens een paar keer ergens heeft gelezen. Zij kan zich herinneren dat verdachte en Astrid Holleeder een keer iets bespraken tijdens een wandeling en dat zij daar achteraan liep en dat verdachte toen met zijn vinger naar een foto in een of ander misdaadboek wees en met zijn hoofd schudde van “nee, nee”. Den Hartog hoorde de naam Donald Groen maar zij weet niet meer wat verdachte toen zei.[_267fec7c-641b-4c58-9229-414e3b478cc0] Ook geeft Den Hartog aan dat zij niet weet wat de relatie was tussen verdachte en Kok.[_adcadc28-b2c2-43cc-93e9-bb3bcbac2b66]
Den Hartog heeft ter terechtzitting in hoger beroep op vragen meermalen geantwoord deze niet te kunnen beantwoorden omdat ze het niet weet[_7427f1c7-1660-4217-9a0c-86ebb5766246] of dat ze het niet zeker weet.[_7df644c7-7383-43ce-8269-e7d8b92ad7c9] Den Hartog heeft ook meermalen verklaard dat zij wetenschap van gebeurtenissen en omstandigheden heeft verkregen uit hetgeen verdachte vertelde, maar dat zij niet zelf wetenschap is gaan achterhalen door verdachte vragen te stellen. Dit omdat Den Hartog geen vragen aan verdachte kon stellen.[_07d2bf2c-1ed5-44e7-bf82-ff5e64d4f341]Den Hartog geeft meermalen aan dat haar verklaringen zijn gebaseerd op wat zij van verdachte heeft gehoord, op wat verdachte tegen haar heeft gezegd.[_7c96c324-4c46-4e12-bb95-75fe88075b5c]
Als Den Hartog ermee wordt geconfronteerd dat zij eerder anders heeft verklaard, bijvoorbeeld over het moment waarop voor haar duidelijk werd dat Klepper naar IJmuiden zou gaan voor een gesprek met verdachte kort na de poging moord op [betrokkene 8], dan geeft zij aan dat ze het niet meer goed weet en ze verklaart dan wat ze wel met zekerheid nog kan zeggen.[_8ba5770a-c347-4f90-8e6b-dae5180c170d] Ook over een tweede overdracht van geld aan verdachte en de plaats en wijze waarop die heeft plaatsgevonden, is Den Hartog ondervraagd. Dit omdat zij tijdens een eerdere verklaring heeft verklaard daarover geen details te kunnen noemen, terwijl zij in een latere verklaring wel details kon noemen. Den Hartog verklaart dan dat zij het bij gelegenheid van die eerdere verklaring ook niet wist en dat ook heeft verklaard, maar dat zij buiten die verhoorsituatie erover is gaan nadenken en dat dan bepaalde dingen gewoon naar boven zijn gekomen waarover ze later heeft kunnen verklaren.[_042f00d1-6458-4be2-9343-1fd0c7139c86]
Den Hartog blijft bij de beantwoording van vragen bij wat zij zich kan herinneren, wat zij nog weet en wat zij niet weet. Het hof vindt daarbij van belang dat veel van deze vragen gelegenheden bieden om belastend over verdachte te verklaren. Den Hartog grijpt die gelegenheden niet aan om haar verklaring in belastende zin in te vullen als zij het niet meer weet. Zo kan zij zich niets meer herinneren van het gesprek met verdachte naar aanleiding van het naar buiten komen van de verklaringen van kroongetuige Ros.[_ad8da99a-da17-4e80-933b-26b51306cf18] Als Den Hartog een belang of motief zou hebben gehad om verdachte vals te beschuldigen, dan had zij die vraag daar eenvoudig voor kunnen gebruiken. Op dat moment was er al veel informatie in de media verschenen over de moord op Houtman en de moord op Van der Bijl en wat daarover in het Passageproces was gezegd.
Het valt op dat Den Hartog zich bijvoorbeeld kan herinneren dat verdachte over [betrokkene 10] (hierna ook: [betrokkene 10]) liep te tieren en dat verdachte boos op [betrokkene 10] was maar dat verdachte ook vreselijk om iets moest lachen, maar ze weet niet waar dat om was. Den Hartog lijkt slechts te beschrijven wat ze waarneemt; ze kan zich vaag herinneren waar het over is gegaan en is daar kennelijk ook niet echt in geïnteresseerd.[_0d0127dc-1aea-456b-b16e-040927d5b0ec] Ter terechtzitting in hoger beroep is Den Hartog voorgehouden dat zij eerder verklaard heeft dat verdachte en Endstra de opdracht voor de aanslag op [betrokkene 8] aan Klepper en Mieremet hadden gegeven en dat zij later heeft verklaard dat de opdracht niet met medeweten van Klepper was aangenomen. Bij een vraag over dit verschil in verklaringen van Den Hartog verklaart zij dat ze het verschil snapt waarop de vraag betrekking heeft. Den Hartog haalt vervolgens naar voren wat zij zich kan herinneren hoe Klepper zich heeft geuit en dat zij daar een conclusie uit heeft getrokken.[_dedb244a-3391-45d8-953b-4e2977862c99] Bij een confrontatie door verdachte met twee verklaringen van haar over de aanslag op Mieremet, waarbij het lijkt dat sprake is van een inhoudelijk verschil, antwoordt Den Hartog dat ze gewoon heeft verteld zoals ze het heeft meegemaakt en dat ze heeft verklaard wat verdachte tegen haar heeft gezegd.[_a86fca64-dea2-47b4-89c7-c22ad73fd8ac] Den Hartog maakt ook een correctie als in de vraagstelling een woordsamenstelling wordt gebruikt die zij zich kennelijk anders herinnert. Zo zou verdachte bij een vraag over de bedreiging van de zoon van Den Hartog niet hebben gezegd dat verdachte hem (de zoon van Den Hartog) zou ‘laten doen’ zoals verdachte zijn vader heeft ‘laten doen’. Den Hartog merkt dan op: “Laten liggen zei hij volgens mij”.[_2523f814-0553-444e-b150-8d657f3b2541] Ook maakt Den Hartog een correctie indien in de vraagstelling volgens haar ten onrechte sprake is van een conclusie. Zij licht dan toe dat zij een vraag heeft gesteld aan verdachte waarop verdachte heeft geantwoord en dat dat dus geen conclusie van haar is.[_9f1ea637-22a1-4fd8-a31d-b644cfc4ff17]
2.3.6.3 Conclusie inhoud verklaringen
Het hof stelt vast dat Den Hartog consistent heeft verklaard in de zesentwintig verklaringen die zij heeft afgelegd. Zij heeft verklaard over wat zij zelf heeft gehoord en zelf heeft waargenomen, waarbij de informatie vaak rechtstreeks van verdachte afkomstig is. Den Hartog geeft bij de beantwoording van vragen zeer regelmatig aan het antwoord niet te weten of niet meer te weten. Zij verklaart op een natuurlijke wijze, waarbij zij hetgeen zij verklaart niet belastend invult, aanvult of aandikt. Zij geeft er steeds blijk van bij de beantwoording van vragen goed te kunnen onderscheiden tussen wat zij weet en wat zij niet (meer) weet, of hetgeen zij verklaart is gebaseerd op een indruk die ze ergens van heeft gekregen en of het een speculatie is of een conclusie. Den Hartog corrigeert ook begrippen in een vraagstelling als deze naar haar mening onjuist zijn. Den Hartog heeft meerdere keren verklaard dat zij niet op de hoogte is van mogelijk diepere en meer complexe achtergronden van gebeurtenissen die ze heeft meegemaakt en maakt ook duidelijk dat ze daar zelden in is geïnteresseerd en al helemaal geen eigen onderzoek naar heeft gedaan. Vragen over tegenstrijdigheden in haar verklaringen beantwoordt zij op een aannemelijke wijze. Al deze overwegingen maken dat naar het oordeel van het hof Den Hartog in haar verklaringen in algemene zin over komt als een betrouwbare getuige.
Inhoud verklaringen in verband met dossier
Het hof heeft ook onderzoek gedaan naar enkele thema’s die, hetzij in het vooronderzoek, hetzij ter terechtzitting tot vragen hebben geleid over het handelen van Den Hartog of over hetgeen Den Hartog daarover heeft verklaard. Daarbij is ook gekeken naar de processen-verbaal van verificatie die naar aanleiding van de getuigenverklaringen van Den Hartog zijn opgesteld. De thema’s die bij dit onderzoek door het hof zijn betrokken zijn:- Bezoeken aan het kantoor van Endstra - Levensonderhoud- Boete Houtman – verklaring [benadeelde partij 2] over boete- Mishandeling in Dynasty
Hetgeen Den Hartog meer specifiek heeft verklaard in verband met de afzonderlijke zaaksdossiers zal aan de orde komen bij de bespreking ervan.
2.3.7.1 Bezoeken aan kantoor Endstra
Den Hartog heeft verklaard dat de huur van haar woning in de Bart de Ligtstraat is opgezegd en dat zij naar aanleiding daarvan naar het kantoor van Endstra is gegaan met de vraag voor een woning.[_806ac110-e657-4c64-ad2f-1a88d6e3a9e6] Den Hartog heeft Endstra gevraagd of hij een woning voor haar kon regelen. Den Hartog kan zich van dat gesprek herinneren dat ze tegen Endstra heeft gezegd: “in de Spiegelstraat zei je dat alles in orde zou komen met het geld en nu word ik met mijn kinderen het huis uitgezet en wil je niets doen voor mij. Hoe zit het dan met het geld?”. Endstra zou toen gezegd hebben dat Den Hartog daar niet te veel vragen over moest stellen, dat ze op moest passen, want kinderen hadden ook wel eens een ongelukje. Daar moesten Endstra en [betrokkene 11] een beetje om lachen en toen waren we weer terug bij het kantoor en zijn ze ieder hun weg gegaan, aldus Den Hartog. Zij weet niet of het bedreigend was wat Endstra tegen haar zei, maar ze was er wel verrast door. Endstra had met de huuropzegging niets te maken.[_5584b902-2475-42e0-b847-82b431776b2f]
Ter terechtzitting in hoger beroep is Den Hartog over dit bezoek en een mogelijk eerder bezoek aan het kantoor van Endstra ondervraagd. Over het bezoek naar aanleiding van de opzegging van de huur van haar woning aan de Bart de Ligtstraat heeft zij verklaard dat het klopt dat zij naar het kantoor van Endstra is gegaan. Den Hartog zou niet zijn begonnen over het geld maar over een woning, omdat haar huur was opgezegd. Endstra reageerde daar volgens Den Hartog niet heel leuk op. Ze zou toen gevraagd hebben wat het probleem was, omdat Endstra ook het geld van Klepper nog had. Endstra zou haar toen samen met zijn broer hebben bedreigd.[_f8690d81-99bd-444f-9b06-c66bc997b313] Den Hartog heeft ook verklaard dat zij eerder een gesprek met Endstra heeft gehad in de Spiegelstraat voor het kantoor van Bram Moszkowicz. Verdachte had Den Hartog gebeld en gezegd dat zij daar naartoe moest komen. In de Spiegelstraat is toen tussen Den Hartog en Endstra gesproken over de investering van Klepper. Endstra zou toen hebben toegegeven dat hij geld van Klepper had, een bedrag van 7 miljoen euro of om en nabij 12 miljoen gulden. Op de vraag of Den Hartog vaker bij het kantoor van Endstra is geweest, antwoordt zij: “voor zover ik het me nu kan herinneren, ben ik maar één keer op het kantoor van Endstra geweest”.[_86fdb060-2685-4fa9-9197-c6c1d5ed5283] De verklaringen van Endstra,[_b1f42966-e13c-4c3a-b158-6f4f01450518] [betrokkene 12][_d0217f0b-11bc-4349-87ad-5b1cf4c4e69b] (secretaresse van Endstra) en A. Zeegers[_d686481f-be8a-4360-a39a-f74b10807a17] (juridisch adviseur van Endstra) over het bezoek van Den Hartog aan het kantoor van Endstra in oktober 2003, zeggen Den Hartog niets. Het hof heeft Den Hartog geconfronteerd met het gegeven dat de huuropzegging is gedateerd 14 april 2004 en dat het bezoek aan het kantoor in oktober 2003 dus niet in verband kan staan met die huuropzegging. Den Hartog antwoordde daarop: “Nee, precies. Ik heb geen idee. Ik weet alleen van mijn bezoek over mijn huur. Dat is bij mijn weten de enige keer dat ik daar… ik ben er niet eens binnen geweest. Ik heb bij de deur gestaan”.[_7a46bd5d-273e-4973-9d64-b506cd27350a]
Het hof houdt voor mogelijk dat Den Hartog terughoudend is om te verklaren over kwalijke gedragingen van haarzelf, waarover de drie hiervoor genoemde getuigen hebben verklaard. Het hof stelt vast dat het bezoek van Den Hartog aan het kantoor van Endstra in oktober 2003 niet in verband kan hebben gestaan met de huuropzegging van haar woning in de Bart de Ligtstraat. Deze heeft namelijk plaatsgevonden bij brief van 14 april 2004 en is door [bedrijf 1] bij brief van 21 april 2004 bevestigd.[_e1587d73-8c7a-496b-a71c-2cc7023ff99a] Gelet op de ontmoeting van Den Hartog met Endstra in de Spiegelstraat en het toen besproken onderwerp, te weten de investering van Klepper bij Endstra, en gelet op de verklaring van Den Hartog dat zij in het gesprek met Endstra naar aanleiding van de huuropzegging ook de investering van Klepper bij Endstra ter sprake heeft gebracht, acht het hof het aannemelijk dat deze investering ook onderwerp van gesprek is geweest in oktober 2003. Het hof houdt het voor mogelijk dat Den Hartog, omwille van welke vrees dan ook, niet bereid is opening van zaken te geven over dit eerdere bezoek aan het kantoor van Endstra.
2.3.7.2 Levensonderhoud
Den Hartog heeft over haar inkomsten na de moord op Klepper verklaard dat zij het geld uit de verkoop van het huis in België heeft belegd en dat zij nog geld uit België heeft meegenomen waar ze een tijdje van heeft geleefd.[_e8cffd3f-e07e-43bc-ae90-e574816d2713] Op de vraag of zij geld van verdachte ontving voor levensonderhoud of voor andere dingen heeft Den Hartog geantwoord dat verdachte wel eens wat heeft betaald, boodschappen en zo maar dat was niet op regelmatige basis. Dit geldt voor de hele periode dat zij contact met verdachte had, van 2001 tot 2014.[_ddb2ab4e-9b71-4804-9d14-fbf250cebbc8] Op een nadere vraag hierover heeft Den Hartog na overleg met haar advocaat een beroep gedaan op haar verschoningsrecht met als toelichting dat zij verdacht wordt van witwassen over deze periode en dat geldt ook voor vragen over haar inkomsten in de periode vóór 2006.[_e6e85bb4-70ef-455f-bc33-75991a1d7111]Ter terechtzitting in hoger beroep heeft Den Hartog verklaard dat zij van verdachte geen geld kreeg voor haar persoonlijke onkosten, dat zij geen toelage kreeg of zoiets. Den Hartog heeft daarmee niet willen zeggen dat ze helemaal geen geld van verdachte heeft gehad voor haarzelf. Den Hartog kreeg van Sonja Holleeder geld, maar dat geld was voor verdachte.[_a926b23a-4b27-4e7d-9955-39be9bf2b741]
Verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring van november 2015 gesteld dat Den Hartog in de tijd dat hij vastzat in de Kolbakzaak elk jaar zo'n 100.000 euro van zijn cashgeld heeft gepakt om alles te kunnen betalen. Ook heeft verdachte Den Hartog vanaf 2002 elke maand € 6.000 gegeven en de rest was voor andere kosten.[_ec65df8c-be79-4936-a00f-28e281240074]Verdachte heeft verklaard dat hij ‘1,5 miljoen’ bij Den Hartog had liggen en toen hij vrij kwam was daar ongeveer € 850.000 van over. Verdachte stelt dat Den Hartog niet net moet doen alsof zij nooit geld van hem kreeg: Den Hartog heeft van verdachte altijd geld gehad ook toen hij vastzat; zij heeft daarover kunnen beschikken en er alles mee kunnen doen.[_73eda0f3-81c9-4387-860f-3c1ede0a5e68]
Het hof stelt vast dat, gelet op hetgeen verdachte in zijn schriftelijke verklaring heeft neergelegd, Den Hartog gedurende de zes jaren Kolbakdetentie van verdachte zou hebben ontvangen, respectievelijk zou hebben mogen pakken, elk jaar € 100.000 (€ 600.000) en elke maand € 6.000 (€ 432.000). Deze bedragen zijn niet in overeenstemming te brengen met de bedragen die verdachte heeft genoemd als bedrag dat hij bij Den Hartog had liggen en na zijn ontslag uit detentie nog over had. Het hof stelt verder vast dat verdachte bij de bespreking van dit onderwerp ter terechtzitting in hoger beroep niet meer heeft herhaald wat hij in zijn schriftelijke verklaring heeft neergelegd over de bedragen die Den Hartog op maandelijkse basis kreeg en op jaarbasis mocht pakken. De verklaring van Den Hartog over het geld dat zij van Sonja Holleeder ontving in de periode van de Kolbakdetentie van verdachte, wordt bevestigd door de verklaring van Sonja Holleeder ter terechtzitting in hoger beroep. Ook heeft zij bevestigd dat er uiteindelijk te weinig geld ter beschikking was om de raadsman van verdachte volledig te betalen.[_fc15171e-a5cc-480a-afba-07b3b1df260c]Het hof begrijpt de verklaringen van Den Hartog en verdachte aldus dat Den Hartog wel eens geld of een cadeau van verdachte kreeg, maar dat er geen sprake is geweest van een maandelijkse en jaarlijkse toelage van een zeer grote omvang. Tijdens het onderzoek in deze strafzaak zijn geen feiten komen vast te staan op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat het niet klopt wat Den Hartog hierover heeft verteld.
2.3.7.3 Boete Houtman – verklaring [benadeelde partij 2] over boete
Den Hartog heeft verklaard dat verdachte het vaak over Houtman had. Houtman was volgens verdachte ‘een vieze hond’ want die deed met Mieremet samen of hij deed iets niet met Mieremet samen. Verdachte deelde het in zoverre met Den Hartog dat hij vertelde dat het met Mieremet te maken had. Het ging volgens Den Hartog over een pand dat Mieremet had of een pand dat van Endstra vandaan kwam. Over Houtman riep verdachte ook: “teringhond, kankerhond, betalen moet hij”. Volgens Den Hartog was het bij verdachte altijd zo: er was iets gebeurd, en of dat nu ook met die panden te maken had, dat weet Den Hartog niet, maar er was iets gebeurd wat verdachte persoonlijk als een belediging zag en als je hem persoonlijk beledigt dan krijg je eerst altijd een boete.[_9a798d5e-1734-40c6-909f-55e38d52aee8][benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij met Houtman heeft besproken hoe Houtman ging betalen. Zij verklaart: “Ja, het was een boete over de Scheldestraat, panden van Mieremet. Kees had die panden willen kopen. Daar is rotzooi over gekomen. Daar werd ook al aan de voordeur aan gerefereerd. Ze riepen: je luistert niet”.[_356e552d-4c21-47d1-9f80-21765055d464]
Het hof stelt vast dat hetgeen Den Hartog heeft verklaard over de door verdachte aan Houtman opgelegde ‘boete’ bevestigd wordt door [benadeelde partij 2] die daar in haar verklaring expliciet naar verwijst: een boete die aan Houtman is opgelegd.
2.3.7.4 Mishandeling in Dynasty
Den Hartog heeft verklaard dat zij Hillis, afgezien van de reis naar Liechtenstein, één keer heeft gezien. Den Hartog weet niet meer of dat voor die reis was of daarna. Den Hartog zat met verdachte, [betrokkene 15] en haar moeder te eten bij ‘Dynasty’ (het hof begrijpt: restaurant Dynasty in de Reguliersdwarsstraat te Amsterdam). Hillis zat daar aan een ander tafeltje te eten. Er is toen een vechtpartij geweest waarbij verdachte iemand heeft neergeslagen. Hillis zei toen tegen verdachte: “ga maar weg”. Tegen ons zei hij: “ga maar rustig zitten en doe maar net alsof er niks gebeurd is”, aldus Den Hartog. Verdachte had een man van een gezin dat aan een ander tafeltje zat neergeslagen. Die man had een opmerking gemaakt dat verdachte zoveel zat te telefoneren.[_0abfab66-877b-49f6-a199-e787d03a0c40][betrokkene 16] (hierna ook: [betrokkene 16]) heeft op 10 juni 2001 verklaard dat hij een opmerking heeft gemaakt tegen een man die aan het telefoneren was met een mobiele telefoon en daarbij zeer luid sprak. De man reageerde zeer agressief op zijn opmerking en sloeg [betrokkene 16], zijn zoon en zijn vrouw. De man sloeg met zijn handen. [betrokkene 16] werd geraakt op zijn achterhoofd, zijn zoon kreeg klappen op zijn kaak en op zijn achterhoofd en zijn vrouw werd ook op haar hoofd geraakt. De man is daarna weggelopen uit het restaurant. Er is geen aangifte gedaan. De man die klappen had uitgedeeld, was in gezelschap van drie vrouwen. De vrouwen wilden er niets over zeggen en wilden ook hun naam niet opgeven. Op 16 maart 2006 heeft [betrokkene 16] verklaard dat hij later heeft begrepen dat de man die luidruchtig liep te bellen Holleeder was. De gastheer van het restaurant Dynasty heeft op 16 maart 2006 verklaard dat verdachte betrokken was bij deze ruzie. Ook de eigenaar van het restaurant heeft op 22 maart 2006 verklaard dat verdachte enkele jaren geleden bij een ruzie betrokken was. Ten tijde van de ruzie was deze getuige niet aanwezig maar hij hoorde het later die avond.[_d147fc2f-30e0-481e-9177-1d76cfed614b]
Het hof stelt vast dat Den Hartog volledig in overeenstemming met de verklaring van de betrokkenen heeft verklaard. Zij heeft dit incident niet zwaarder aangezet om verdachte extra te belasten. Hetgeen Den Hartog hierover heeft verklaard, wordt ondersteund door objectieve gegevens in het dossier.
2.3.7.5 Conclusie verklaringen in verband met dossier
Het hof stelt vast dat Den Hartog over het eerste bezoek van haar aan het kantoor van Endstra geen opening van zaken heeft gegeven. Wel stelt het hof vast dat deze kwestie het handelen van Den Hartog zelf betreft en niet van een ander. De reden daarvoor is moeilijk in te schatten. Ook kan het hof niet met zekerheid de vraag beantwoorden of verdachte bij dat bezoek een rol heeft gespeeld. Wel stelt het hof vast dat Den Hartog in haar verklaring hierover ook geen rol van verdachte schetst, ondanks dat die gelegenheid zich wel aandient. De verklaring van Den Hartog over de boete die verdachte aan Houtman heeft opgelegd, wordt ondersteund door de verklaring van [benadeelde partij 2] en anderen, zoals hierna in hoofdstuk 9 zal blijken.De verklaring van Den Hartog over het incident in de Dynasty vindt steun in de verklaringen van de betrokkenen. Het hof stelt vast dat Den Hartog waarheidsgetrouw heeft verklaard en dat zij de mogelijkheid onbenut laat om in strijd met de waarheid dit incident ernstiger te doen voorkomen teneinde verdachte te belasten.
Rechtmatigheid kroongetuigenovereenkomsten La Serpe en Ros
Het openbaar ministerie heeft met Peter la Serpe (hierna ook: La Serpe) en Ros zogenoemde kroongetuigenovereenkomsten gesloten. In ruil voor een lagere strafeis hebben zij verklaringen afgelegd over verschillende moorden en pogingen daartoe, of voorbereidingen daarvan, die in het Passageproces zijn tenlastegelegd. Het hof Amsterdam heeft in dat proces mede op basis van deze verklaringen negen verdachten, onder wie ook deze twee kroongetuigen, veroordeeld tot gevangenisstraffen. Aan vier verdachten is een levenslange gevangenisstraf opgelegd. In het Passageproces ging het onder meer om verdenkingen die te maken hebben met zeven moorden in de periode tussen 1993 en 2006 en misdrijven die daarmee verband houden.
La Serpe heeft op 20 februari 2007 zijn kroongetuigenovereenkomst met het openbaar ministerie ondertekend. De rechter-commissaris heeft de afspraken die daarin zijn neergelegd in maart 2007 met toepassing van artikel 226g, derde lid, Sv getoetst en rechtmatig geoordeeld.[_2d33186b-06ce-466e-893c-11cee60b0f1c] Ros heeft zijn kroongetuigenovereenkomst met het openbaar ministerie op 11 september 2014 ondertekend. De afspraken die daarin zijn neergelegd zijn in september 2014 door de rechter-commissaris met toepassing van artikel 226g, derde lid, Sv getoetst en rechtmatig geoordeeld.[_4dad93c7-3fdc-45da-b20c-72b537b04dad]
De feiten die in deze zaak aan verdachte ten laste worden gelegd, overlappen gedeeltelijk met de feiten waarvoor een aantal verdachten in het Passageproces inmiddels onherroepelijk is veroordeeld. In het Passageproces zijn verklaringen van La Serpe en Ros voor het bewijs gebruikt. En ook in deze zaak heeft de rechtbank voor het bewijs gebruik gemaakt van hun verklaringen.
De verdediging wil niet dat deze verklaringen worden gebruikt. Volgens de verdediging zijn deze verklaringen onrechtmatig verkregen en niet betrouwbaar voor zover ze voor verdachte belastend zijn. Het openbaar ministerie denkt daar anders over en beroept zich voor het bewijs van een aantal feiten ook in hoger beroep op deze verklaringen.
In dit hoofdstuk worden de verweren van de verdediging ten aanzien van deze kroongetuigen besproken.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van La Serpe en Ros van het bewijs moeten worden uitgesloten met toepassing van artikel 359a Sv, vanwege diverse gebreken die aan deze verklaringen kleven. Door die gebreken is niet te beoordelen of financiële overwegingen voor deze kroongetuigen een motief vormen voor het afleggen van belastende verklaringen en kan de inhoud van de verklaringen niet op waarde worden geschat. De verdediging heeft hierbij verwezen naar het toetsingskader van de Hoge Raad voor de toepassing van bewijsuitsluiting wegens vormverzuimen, zoals neergelegd in de uitspraak van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889). Volgens de verdediging is in deze zaak bewijsuitsluiting (ook) nodig als ‘rechtsstatelijke waarborg’, om zo het openbaar ministerie te weerhouden van toekomstig handelen in strijd met de wet.
Onderdeel van het betoog van de verdediging is een beschouwing over het oordeel van de Hoge Raad in het Passageproces in de zaak tegen Jesse Remmers (hierna ook: Remmers). In dat arrest van 23 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:600) liet de Hoge Raad het oordeel van het hof Amsterdam in stand. Daarbij kwam ook de rechtmatigheid aan de orde van de kroongetuigenovereenkomsten met La Serpe en Ros en heeft de Hoge Raad op een aantal punten uitleg gegeven aan de kroongetuigenregeling zoals die in wet- en regelgeving is neergelegd.
De argumenten van de verdediging kunnen als volgt worden samengevat.
Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van wettelijke regeling en EHRM-rechtspraak
Voor een deel rust het betoog van de verdediging op haar uitleg van de toepasselijke wet- en regelgeving en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan.[_3c54dcab-8168-4c69-95db-2c6a8346197b] De verdediging signaleert drie problemen in verband met de kroongetuigenovereenkomsten die zijn gesloten met La Serpe en Ros.
( a) Toezegging over ontneming in strijd met de wet
Het openbaar ministerie heeft ernstig onrechtmatig gehandeld door La Serpe en Ros toe te zeggen dat er geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. La Serpe had naar eigen zeggen een wederrechtelijk voordeel verkregen van € 65.000,-. Ros had zelfs een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 430.000,-.
Volgens de tekst van artikel 226g, eerste lid, Sv kan de officier van justitie een getuige in ruil voor een verklaring alleen toezeggen dat de strafeis met de helft zal worden verminderd. De toezegging dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen is dus in strijd met het gesloten wettelijk systeem van toezeggingen. Ook de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) is in strijd met de wet, voor zover deze ervan uitgaat dat de toezegging van vermindering van een ontnemingsvordering mogelijk is. De Aanwijzing moet in zoverre buiten toepassing worden gelaten.
Om deze stellingen te onderbouwen, heeft de verdediging betoogd dat de Tweede Kamer bij de stemming over het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van artikel 226g, eerste lid Sv (de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Stb. 2005, 254), er vanuit ging dat daarmee een gesloten systeem van toegestane toezeggingen aan getuigen in het leven werd geroepen. Dat was in lijn met de conclusies van de Commissie Van Traa naar aanleiding van de IRT-affaire en deed recht aan de opvatting van de toenmalige Minister Korthals dat getuigenverklaringen van criminelen niet gekocht moesten kunnen worden. De verdediging heeft onder ogen gezien dat de opvolgende Minister Donner in het vervolg van het wetgevingstraject gehoor heeft gegeven aan de kritiek vanuit het openbaar ministerie op het wetsvoorstel. Deze Minister ging uitdrukkelijk er vanuit dat met de wet een niet gesloten systeem van toezeggingen zou ontstaan. Hij zag daarom ook ruimte voor de nadere regeling van toelaatbare en niet-toelaatbare toezeggingen in de Aanwijzing en benutte die. Volgens de verdediging komt daaraan geen betekenis toe. Ook heeft geen betekenis dat de Eerste Kamer onder dat gesternte heeft ingestemd met het wetsvoorstel. Een ander oordeel zou volgens de verdediging de Eerste Kamer amenderende bevoegdheden geven en zou afbreuk doen aan het staatsrechtelijke primaat van de Tweede Kamer bij het wetgevingsproces.
In het Passageproces heeft de Hoge Raad ten onrechte de uitleg van het wettelijk systeem van Minister Donner gevolgd en de schikkingsmogelijkheid die het openbaar ministerie in het kader van de ontneming heeft, niet beperkt geacht door artikel 226g, eerste lid, Sv. Daarmee heeft de Hoge Raad een uitleg aan de wet gegeven die op grond van de tekst en de strekking daarvan niet kan en waardoor het nut van de wettelijke regeling op losse schroeven komt te staan. Die uitleg is volgens de verdediging in strijd met het legaliteitsbeginsel. Inmiddels heeft dat geleid tot een nieuwe Aanwijzing toezeggingen aan kroongetuigen van 25 mei 2020 (hierna: de nieuwe Aanwijzing) waarin voorop is gesteld dat het opportuniteitsbeginsel onverkort van toepassing is bij kroongetuigen en dat alleen de toezegging van strafvermindering onder het bereik valt van de wettelijke regeling van artikel 226g, eerste lid, Sv en artikel 44a Sr. Voor het overige heeft het openbaar ministerie de vrije hand; aan een getuige kan bijvoorbeeld worden beloofd dat niet om zijn uitlevering wordt gevraagd, dat hij zijn misdaadwinst mag behouden of dat hij niet vervolgd zal worden voor een strafbaar feit, dit alles zonder dat dit wordt getoetst door de rechter-commissaris. Aan de inhoud van deze nieuwe Aanwijzing verbindt de verdediging de conclusie dat het openbaar ministerie verder zal gaan met het schenden van de wet. Om die reden bestaat volgens de verdediging de noodzaak dat de verklaringen van de kroongetuigen worden uitgesloten van het bewijs als ‘rechtsstatelijke waarborg tegen voortgaand onrechtmatig handelen’.
( b) Verkapte financiële beloning voor verklaringen
De wetgever wilde niet dat belastende verklaringen zouden worden ‘gekocht’ met financieel voordeel voor een kroongetuige bij het afleggen van een verklaring. Bij de totstandkoming van artikel 226l Sv en het daarop gebaseerde Besluit getuigenbescherming (Stb. 2006, 21) (hierna: het Besluit) lijkt het uitgangspunt te zijn geweest dat pas over zijn beveiliging zou worden gesproken nadat de kroongetuige zijn (verminderde) straf had uitgezeten. Het Besluit regelt hoe getuigenbescherming tot stand komt en wie daarbij betrokken zijn, maar regelt niets over de wijze waarop of de kaders waarbinnen dat gebeurt. Het Besluit verhindert dus niet dat afspraken over bescherming van de getuige een verkapte beloning kunnen opleveren. Volgens de Aanwijzing worden bij de gesprekken over het aangaan van een kroongetuigenovereenkomst geen toezeggingen gedaan over beschermingsmaatregelen. Dat bleek bij La Serpe niet houdbaar. Voor La Serpe was het belangrijkste hoe zijn leven er na zijn gevangenisstraf uit zou zien. Hij wilde eerst duidelijke afspraken over de wijze van bescherming en heeft de onderhandelingsruimte daarover maximaal benut. In het kader van getuigenbescherming heeft La Serpe twee rentevrije leningen van € 300.000,- gekregen en gedurende 10 jaar elk jaar € 80.000,-. Van terugbetaling van de leningen zal vermoedelijk niets komen, nu het openbaar ministerie geen contact meer heeft met La Serpe. De verdediging gaat er vanuit dat de afspraken in het kader van getuigenbescherming met Ros ook de vorm hebben dat hij met financiële steun van de Staat zelf in zijn bescherming mag voorzien.
In combinatie met de ontnemingstoezegging vormen deze afspraken een verkapte financiële beloning die de wetgever niet wilde. Aan die kern van het verweer is de Hoge Raad in het Passageproces ten onrechte voorbij gegaan. De Hoge Raad is in het Passageproces immers niet ingegaan op het oordeel van het hof dat de getuigenbeschermingsafspraken, niet in redelijkheid moesten worden aangemerkt als beloning voor het afleggen van een verklaring.
( c) Tekortschietende rechterlijke controle
Als het openbaar ministerie een kroongetuigenovereenkomst wil aangaan, toetst de rechter-commissaris op grond van artikel 226g Sv of de afspraak ziet op een getuigenverklaring in een opsporingsonderzoek naar feiten van een bepaalde ernst en of de toezegging in overeenstemming is met het gewicht van de getuigenverklaring. Als naast de toezegging ook zogenaamde kleine gunsten aan de getuige zijn verleend, moet dit in een proces-verbaal worden opgenomen en aan de rechter-commissaris worden gemeld conform artikel 226g vierde lid, Sv. De wet zegt niet dat het openbaar ministerie de rechter-commissaris moet informeren over beschermingsafspraken. Maar, in artikel 226j, derde lid, Sv dat ziet op het voorlichten van de verdachte over de kroongetuigenovereenkomst, staat dat de rechter-commissaris de verdachte geen mededeling hoeft te doen van beschermingsafspraken die met de getuige zijn gemaakt. Die bepaling wekt de indruk dat de rechter-commissaris wel van de beschermingsafspraken op de hoogte moet worden gebracht, hetgeen past bij de bedoeling van de wetgever dat ook die afspraken door de rechter worden getoetst. Desondanks heeft het openbaar ministerie de met La Serpe en Ros gemaakte beschermingsafspraken niet aan de rechter-commissaris kenbaar gemaakt. De rechter-commissaris heeft er ook niet naar gevraagd.
Omdat de gemaakte getuigenbeschermingsafspraken buiten de rechterlijke toetsing zijn gebleven, heeft er in wezen geen (volwaardige) toetsing van de proportionaliteit van de kroongetuigenovereenkomst plaatsgevonden. In dit kader heeft de verdediging ook geklaagd over het achterhouden van informatie door het openbaar ministerie en over een onrechtmatige zwijgplicht die aan de getuige Ros is opgelegd ten aanzien van de beschermingsafspraken die met hem zijn gemaakt.
De Hoge Raad heeft in het Passageproces geoordeeld dat toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuigen geen onderdeel uitmaken van de afspraak die in artikel 226g, eerste lid, Sv wordt bedoeld en dat deze ook niet vallen onder ‘gunstbetoon’ in de zin van artikel 226g, vierde lid, Sv. Dat brengt mee dat de officier van justitie niet verplicht is om informatie over afspraken over getuigenbescherming bij de processtukken te voegen en dat de rechter-commissaris deze afspraken ook niet hoeft te toetsen. Artikel 226j, derde lid, Sv maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders.
Volgens de verdediging gaat de Hoge Raad hiermee voorbij aan de kern van het verweer, te weten dat die getuigenbeschermingsmaatregelen in dit geval zo’n omvangrijke financiële component kenden dat deze als (verkapte) beloning moesten worden aangemerkt.
Het oordeel van de Hoge Raad moet volgens de verdediging genuanceerd worden. Een categorische uitsluiting van informatie die de feitenrechter in de beoordeling mag betrekken, zelfs als er financiële afspraken bestaan die het motief van de getuige om te gaan verklaren in twijfel trekken, staat op gespannen voet met artikel 6 EVRM, met name met het recht om bewijsmateriaal effectief te kunnen onderzoeken en betwisten. Voor die stelling ziet de verdediging steun in twee uitspraken van het EHRM over het gebruik voor het bewijs van verklaringen van kroongetuigen. Uit de zaak Habran en Dalem tegen België[_152c4d8c-b055-4432-b0fe-456ec7202b07] volgt dat bij het gebruik van de verklaringen van kroongetuigen gewaakt moet worden voor een beschuldiging en berechting op grond van oncontroleerbare aantijgingen op basis van onbekend gebleven belangen. Er zijn adequate maatregelen nodig om misbruik tegen te gaan, waaronder in het bijzonder een duidelijke, kenbare procedure voor het autoriseren, tenuitvoerleggen en superviseren van de totstandkoming van dergelijk bewijsmateriaal. Uit de zaak Adamčo tegen Slowakije[_3730ba34-d1d3-4529-a84b-296bcd0f7347] volgt dat de intensiteit van de toetsing van de verklaringen in verband moet staan met het belang van de voordelen die de kroongetuige krijgt in ruil voor die verklaringen. Tegen die achtergrond heeft de verdediging erop gewezen dat:
- de verklaringen van La Serpe het enige concrete bewijs opleveren van betrokkenheid van verdachte bij een aantal aan hem ten laste gelegde feiten;
- ook het Nederlandse openbaar ministerie bij beslissingen omtrent het sluiten van overeenkomsten met kroongetuigen als single hierarchy fungeert, met volstrekte afwezigheid van rechterlijk toezicht; en
- La Serpe verkapte immuniteit is toegezegd door hem niet te vervolgen voor deelneming aan een criminele organisatie en de deeldossiers ‘Bethlehem’ en ‘[vader betrokkene 26]’ waarin hij een rol heeft gespeeld, en hem een verkapte toezegging van strafvermindering boven het wettelijk maximum is gedaan, omdat het uitgangspunt van 16 jaar gevangenisstraf te laag was voor de feiten die het openbaar ministerie in de zaak van La Serpe bewezen vond en er toezeggingen zijn gedaan over het niet ontnemen van voordeel dat volgens La Serpe zelf € 65.000,- bedroeg.
Het ontbreken van een volwaardige proportionaliteitstoets van de kroongetuigenovereenkomst met Ros klemt volgens de verdediging te meer, omdat deze overeenkomst niet als proportioneel kan worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat het openbaar ministerie in het Passageproces bij de rechtbank een levenslange gevangenisstraf tegen Ros heeft geëist, hij in dat proces in hoger beroep naast La Serpe de tweede kroongetuige werd en met hem is afgesproken dat in het Passageproces de strafeis met de – wettelijk maximaal mogelijke – helft zou worden verlaagd. De consequentie van het oordeel van het hof in Passage dat op geen enkel moment in de procedure een proportionaliteitstoets plaatsvindt, kan niet juist zijn.
Afspraak Holleeder-weglatingen en ondervragingsrecht
Het openbaar ministerie heeft met La Serpe afgesproken dat de delen van zijn kluisverklaringen waarin hij over verdachte sprak, daaruit zouden worden weggelaten, dit worden ‘de Holleeder-weglatingen’ genoemd. De verdediging heeft aangevoerd dat deze afspraak niet gemaakt had mogen worden. Als gevolg van die afspraak heeft verdachte pas bijna dertien jaar na de betreffende gebeurtenissen La Serpe daarover kunnen ondervragen. Die ondervraging was daardoor nauwelijks effectief, omdat La Serpe op veel punten niet meer wist hoe de dingen waren gegaan en wat hij daarover eerder had gezegd, terwijl hij op andere punten zijn eerdere verklaringen herhaalde die inmiddels in graniet waren gebeiteld. Dit blijkt uit het eerste verhoor van La Serpe door de verdediging in de zaak tegen verdachte, dat plaatsvond op 11 oktober 2018 bij de rechtbank. De afspraak over de Holleeder-weglatingen heeft daarmee onherstelbare schade toegebracht aan verdedigingsrechten die verdachte op grond van artikel 6 EVRM heeft.
In hoger beroep kon de getuige La Serpe niet worden gehoord. Ondanks het ontbreken van aanknopingspunten dat een verhoor van La Serpe in hoger beroep vruchtbaarder zou zijn geweest, is het niet tot stand komen van dat verhoor potentieel nadelig voor de verdediging. Tijdens het hoger beroep was La Serpe voor het eerst niet meer afhankelijk van het openbaar ministerie omdat de geldigheidsduur van de overeenkomst inmiddels was verstreken. Het was daarom interessant om te zien of hem dat ruimte bood om op onderdelen anders te verklaren. Daar komt de formele kant bij; de rechter die een motivering van de betrouwbaarheid van de kroongetuige moet geven op grond van artikel 360, tweede lid, Sv, moet in beginsel zelf die getuige horen.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie is van opvatting dat er vanuit een oogpunt van rechtmatigheid niets aan het gebruik van de verklaringen van La Serpe en Ros in de weg staat. De overeenkomsten met La Serpe en Ros hebben een wettelijke basis in artikel 226g Sv. De rechter-commissaris heeft de afspraken met La Serpe en Ros getoetst en die toets omvatte de wettelijke vereisten: de dringende noodzaak, de proportionaliteit en subsidiariteit, en de betrouwbaarheid van de getuigen. Het openbaar ministerie heeft erop gewezen dat beide kroongetuigentrajecten door meerdere rechterlijke colleges zijn getoetst en telkens niet onrechtmatig zijn bevonden wat betreft de toezegging over een ontneming, de financiële constructie rond de bescherming, het achterhouden van relevante informatie over de beide overeenkomsten, en het feit dat La Serpe pas na dertien jaar in het onderzoek Vandros kon worden gehoord.
Overeenkomsten getoetst aan wettelijke regeling en EHRM-rechtspraak
De klacht over de ontnemingstoezegging wordt volgens het openbaar ministerie weerlegd door het oordeel van de Hoge Raad in het Passageproces. In reactie op de klacht over beschermingsafspraken als verkapte beloning, heeft het openbaar ministerie verwezen naar het oordeel van het hof in het Passageproces, dat er geen aanknopingspunten zijn dat er bij het aangaan van de kroongetuigenovereenkomsten afspraken zijn gemaakt onder het mom van bescherming of dat er toezeggingen zijn gedaan die redelijkerwijs niets te maken hebben met een passende bescherming, maar eigenlijk een beloning zijn voor de bereidheid van de getuige om te verklaren. Wat betreft de klacht over ontoereikende rechterlijke toetsing ziet de verdediging er volgens het openbaar ministerie aan voorbij dat elke toezegging aan een kroongetuige in het strafproces openbaar wordt en daarmee vatbaar is voor kritische beschouwing door de verdediging en rechterlijke toetsing in het kader van algemene rechtsbeginselen. Het openbaar ministerie ziet geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het oordeel van de Hoge Raad in strijd is met artikel 6 EVRM op het punt van de toetsing van afspraken over getuigenbescherming. De onderliggende feiten en de toezeggingen die in de zaak Adamčo tegen Slowakije waren gedaan, verschillen sterk van die in de zaken betreffende La Serpe en Ros. Zo is bij hen geen sprake van toegezegde immuniteit voor een gepleegde moord, en lijkt de rechterlijke toetsing in de Slowaakse zaak veel beperkter, aldus het openbaar ministerie.
Afspraak Holleeder-weglatingen en ondervragingsrecht
Volgens het openbaar ministerie heeft het vormverzuim dat door het hof in het Passageproces is geconstateerd met betrekking tot de Holleeder-weglatingen, niet doorgewerkt in de huidige zaak tegen verdachte. De delen van de verklaring van La Serpe die eerder waren weggelaten, zijn in het Passageproces al aan de procesdeelnemers kenbaar gemaakt. In de huidige zaak heeft de verdediging alle ruimte gekregen om onderzoek te (laten) doen naar die aanvankelijke weglatingen en hoe daarmee later is omgegaan.
Een verhoor van de getuige La Serpe heeft in hoger beroep om een onbekende reden niet plaats kunnen vinden. Dat is jammer omdat dat had kunnen bijdragen aan de oordeelsvorming door het hof over de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Dat betekent echter niet dat zijn verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. In de wet noch in de jurisprudentie is aangegeven hoe de rechter de verklaringen van de getuige op betrouwbaarheid moet onderzoeken. Bij de rechtbank is La Serpe op drie zittingsdagen in oktober 2018 uitvoerig door de zittingsrechter en de verdediging gehoord. Daarvóór is hij tientallen keren gehoord, niet alleen door de recherche maar ook door rechters in het Passageproces, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. In de huidige zaak van verdachte kan het hof de afgelegde verklaringen naast andere bevindingen leggen, en onderzoeken of zij op de essentiële onderdelen bevestigd worden door ander bewijsmateriaal dat losstaat van die verklaringen van de kroongetuigen.
Oordeel hof
Aan de verweren van de verdediging over de kroongetuigenovereenkomsten met La Serpe en Ros is bijzonder dat deze verweren in het Passageproces namens andere verdachten al eerder zijn gevoerd. Voor een belangrijk deel heeft de verdediging verweren die in het Passageproces in de zaak tegen Remmers zijn gevoerd in meer of minder samengevatte vorm herhaald of daarnaar verwezen. De verdediging heeft dat deels gedaan zonder nieuwe argumenten toe voegen, nieuwe feiten of omstandigheden aan te halen of te wijzen op specifieke punten die voor de zaak tegen verdachte relevant zijn. In zoverre zijn die verweren, zowel wat betreft de feitelijke grondslag daarvan als wat betreft de juridische beoordeling daarvan, al tot in hoogste nationale instantie uitgeprocedeerd.
Nieuw ten opzichte van die eerder gevoerde verweren zijn de argumenten van de verdediging waarom het oordeel van de Hoge Raad niet in stand kan blijven, met daarin onder meer een verwijzing naar rechtspraak van het EHRM. Ook nieuw is het verweer over de specifieke gevolgen van de Holleeder-weglatingen voor het ondervragingsrecht van verdachte, waarbij ook is betrokken dat La Serpe in hoger beroep niet is gehoord.
Vanwege deze bijzondere situatie wordt hier, voordat verder op deze verweren wordt ingegaan, op een aantal door de verdediging aangeroerde punten het oordeel weergegeven van de Hoge Raad en het hof Amsterdam in het Passageproces.
2.4.3.1 Oordelen Hoge Raad en hof in Passageproces
De onderdelen van de arresten van het hof Amsterdam en de Hoge Raad in het Passageproces tegen Remmers die voor de beoordeling van het verweer relevant zijn, zijn onder (a.) weergegeven in bijlage 3 bij dit arrest.
2.4.3.2 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van wettelijke regeling
Het hof heeft in detail kennis genomen van de inhoud van het dossier, ook ten aanzien van de punten waarover het gaat in de verweren over de ontnemingstoezegging, de beschermingsafspraken en de tekortkoming in de rechterlijke controle die er volgens de verdediging bestaat. Daarnaast heeft het hof de totstandkomingsgeschiedenis van de wet- en regelgeving op dit gebied bestudeerd en kennis genomen van de rechtspraak op dit terrein, ook van het EHRM. Dit eigen onderzoek heeft het hof gebracht tot eigen oordelen. Deze oordelen van dit hof zijn in de kern dezelfde als die van de Hoge Raad en het hof Amsterdam in het Passageproces, zodat het niet zinvol zou zijn dat in detail opnieuw in dit arrest in eigen bewoordingen op te schrijven. De motivering die in die arresten is gegeven, zoals deze is te vinden in bijlage 3, moet op deze plek als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Een nieuwe argument van de verdediging ten opzichte van de beoordeling door de Hoge Raad is dat de uitleg van de Hoge Raad van artikel 226g, eerste lid, Sv ‘een doorbreking van het primaat van de Tweede Kamer’ als wetgever oplevert. Dit nieuwe argument brengt het hof niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat de tekst van het wetsvoorstel, zoals dat door de Tweede Kamer is aanvaard, niet door de Eerste Kamer is geamendeerd en dat de Tweede Kamer niet heeft gereageerd toen hij werd geïnformeerd over de uitleg die Minister Donner inmiddels aan het wetsvoorstel gaf, maar ook geen initiatieven heeft ontplooid nadat de wet was aangenomen en de Aanwijzing was gepubliceerd.
De stelling dat blijkens de nieuwe Aanwijzing sprake zou zijn van voortgaand onrechtmatig handelen door het openbaar ministerie gaat niet op, omdat die stelling is gebaseerd op een uitleg van de wet die het hof niet volgt.
Het hof oordeelt dus - in lijn met de oordelen in het Passageproces van het hof en de Hoge Raad - kort samengevat het volgende:
- De mededelingen van het openbaar ministerie aan La Serpe en Ros over het (onder voorbehoud) afzien van ontnemingsvorderingen zijn eenzijdige beslissingen van het openbaar ministerie die niet de strekking hebben van een financiële beloning voor het afleggen van een verklaring. Deze beslissingen van het openbaar ministerie om af te zien van het instellen van ontnemingsvorderingen zijn niet in strijd met artikel 226g, eerste lid, Sv en het openbaar ministerie heeft in redelijkheid tot deze beslissingen kunnen komen;
- Toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige maken geen onderdeel uit van de in artikel 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en kunnen evenmin worden beschouwd als afspraken in de zin van artikel 226g, vierde lid, Sv. Dit betekent dat er voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat dergelijke ‘toezeggingen’ bekend te maken en deze zijn ook geen voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris met toepassing van artikel 226g, derde lid, Sv of door de zittingsrechter. Van het oneigenlijk achterhouden van informatie door het openbaar ministerie in dit opzicht is dan ook geen sprake;
- Ook als ervan wordt uitgegaan dat het juist is wat de verdediging heeft gesteld over de feitelijke aard en inhoud van de (financiële) contouren van de getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen, kan niet worden vastgesteld dat er maatregelen zijn getroffen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar moeten worden aangemerkt als een beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring;
- Gelet op de wijze waarop de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv met La Serpe tot stand is gekomen, en het gebrek aan voldoende duidelijk bewijsmateriaal dat voor La Serpe belastend is met betrekking tot de door de verdediging genoemde strafbare feiten, is niet gebleken dat aan La Serpe toezeggingen zijn gedaan omtrent het niet-vervolgen voor de betrokkenheid bij die strafbare feiten, in ruil voor de bereidheid om een verklaring af te leggen. Evenmin moet de hoogte van de basisstrafeis ten aanzien van La Serpe in dit verband als een toezegging worden beschouwd;
- Afspraken die met een kroongetuige worden gemaakt, worden zowel door de rechter-commissaris als door de zittingsrechter getoetst. De rechter-commissaris toetst de rechtmatigheid en beoordeelt of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van artikel 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Ook geeft de rechter-commissaris een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord. De zittingsrechter beoordeelt in het kader van de bruikbaarheid voor het bewijs zelfstandig de betrouwbaarheid van door de kroongetuige afgelegde verklaringen. De zittingsrechter is gebonden aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 344a, vierde lid, Sv en, als hij de verklaring van een kroongetuige voor het bewijs gebruikt, ook aan de motiveringsplicht van artikel 360, tweede en vierde lid, Sv. Daarnaast kan van de zittingsrechter op grond van artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv een beoordeling en motivering worden verlangd naar aanleiding van een betrouwbaarheidsverweer, of als er een verweer wordt gevoerd dat er sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv;
- Een toetsing van de proportionaliteit door de rechter-commissaris van de met Ros gesloten overeenkomst heeft wel degelijk plaatsgevonden en de beperkte rol die de zittingsrechter vervolgens heeft in het kader van de toetsing van de proportionaliteit van de met Ros gesloten overeenkomst waar het gaat om aspecten die los staan van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen, brengt dit hof niet tot een ander oordeel dan de rechter-commissaris.
Kortom, door af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering tegen La Serpe en Ros is er geen sprake van toezeggingen die in strijd met de wet zijn. Aan La Serpe en Ros is geen verkapte financiële beloning of verkapte immuniteit gegeven voor het afleggen van verklaringen. Aan La Serpe is ook geen verkapte toezegging gedaan van strafvermindering boven het wettelijk maximum en er is geen sprake van een tekort in het rechterlijk toezicht op de totstandkoming van (het geheel aan afspraken die verband houden met) kroongetuigenovereenkomsten.
2.4.3.3 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van EHRM-rechtspraak
De beslissingen van het EHRM waarop de verdediging heeft gewezen brengen het hof ook niet tot een ander oordeel. De rechtspraak van het EHRM, zoals neergelegd in deze beslissingen, houdt samengevat het volgende in. Het gebruik van getuigenverklaringen, afgelegd in ruil voor immuniteit of andere voordelen, kan twijfel oproepen over de eerlijkheid van het strafproces. Dergelijke verklaringen zijn immers naar hun aard vatbaar voor manipulatie en de mogelijkheid bestaat dat zij louter zijn afgelegd om de voordelen te krijgen die zijn aangeboden in ruil voor hun verklaring, of uit persoonlijke wraak. Het risico mag niet worden onderschat dat dergelijke verklaringen kunnen leiden tot een beschuldiging en berechting, terwijl het gaat om niet geverifieerde aantijgingen die niet noodzakelijkerwijs belangeloos zijn gedaan. Voorkomen moet worden dat valse verklaringen aan een veroordeling ten grondslag worden gelegd. Deze risico’s brengen mee dat toereikend onderzoek moet worden gedaan naar de betrouwbaarheid van dergelijke verklaringen. De verdediging moet daarbij, en ook voor het overige in de strafprocedure, de nodige ruimte worden geboden om de betrouwbaarheid van de verklaringen aan te vechten. Aan de inrichting van dit onderzoek en de waarborgen die dat biedt, worden met het oog op de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel, hogere eisen gesteld naarmate het gewicht van de desbetreffende verklaringen in de bewijsvoering groter is. Bij zijn beoordeling moet de rechter oog hebben voor alle voordelen die de getuige heeft ontvangen in ruil voor het afleggen van verklaringen. De rechter moet daarbij zijn blik niet vernauwen tot alleen de voordelen in de strafzaak tegen de getuige die dan voorligt. Dat de rechter oog moet hebben voor alle voordelen is gebaseerd op de gedachte dat naarmate deze voordelen groter zijn, deze in toenemende mate voor de getuige aanleiding kunnen vormen om ongeacht welke verklaring af te leggen. Dat brengt mee dat de intensiteit van het betrouwbaarheidsonderzoek ook in verhouding moet staan tot de omvang van de voordelen die de getuige heeft ontvangen in ruil voor het afleggen van de verklaring. Volgens het EHRM kan ook van belang zijn of de beslissingen over afspraken met de getuige en de hem geboden voordelen tot stand komen in een zogenoemde single hierarchy, zonder externe toetsing.
In de Nederlandse praktijk is geen sprake van een single hierarchy bij de totstandkoming van kroongetuigenovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv, anders dan de verdediging veronderstelt. Deze overeenkomst wordt immers getoetst door de rechter-commissaris. Daarbij komt dat de zittingsrechter door de regeling van artikel 226g, vierde lid, Sv en de toevoeging daaraan door de Hoge Raad als het gaat om de ontnemingsvordering, voldoende zicht heeft op alle voordelen voor de getuige die van invloed kunnen zijn op zijn bereidheid tot het afleggen van een verklaring.
De strafrechter heeft dan ook toereikend zicht op deze voordelen. Daar doet niet aan af dat de afspraken over de noodzakelijke beschermingsmaatregelen en de daarmee gemoeide kosten volgens de Nederlandse wettelijke regeling in beginsel buiten het zicht van de rechter blijven. Voor deze beperking bestaat een goede reden, namelijk dat het prijsgeven van informatie over dergelijke beschermingsmaatregelen ook iets kan zeggen over de inhoud van die maatregelen. Het bekend worden van die informatie kan afbreuk doen aan de effectiviteit van die beschermingsmaatregelen. Tegelijk is evident dat de kosten van dergelijke beschermingsmaatregelen steeds aanzienlijk zijn als de dreiging voor een getuige zodanig wordt ingeschat dat zijn veiligheid alleen kan worden gewaarborgd door hem een nieuwe identiteit te verschaffen in een nieuwe leefomgeving. Bij de waardering van een financiële tegemoetkoming die een getuige in zo’n situatie kan worden verschaft om zelf dat nieuwe bestaan vorm te geven, is een dergelijke tegemoetkoming voor de noodzakelijke beveiliging niet zozeer een voordeel, maar een compensatie van het nadeel dat bestaat in het levensgevaar als gevolg van het afleggen van verklaringen door de getuige. Ook dat draagt bij aan het oordeel van het hof dat ten aanzien van La Serpe en Ros niet is gebleken ‘dat maatregelen zijn getroffen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar (louter) moeten worden aangemerkt als strekkende tot beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring’.
Ten overvloede moet worden opgemerkt dat, zelfs als een met een kroongetuige getroffen regeling zich op of over de grens beweegt van wat slechts als redelijke kosten in verband met beschermingsmaatregelen kan gelden, verdachte daarvan geen nadeel behoeft te ondervinden in termen van zijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Wel moet er dan sprake zijn van een passende intensiteit van de betrouwbaarheidstoetsing en behoedzaamheid bij het eventuele gebruik voor het bewijs, in samenhang met ondersteunend bewijs uit onafhankelijke bron.
Wat betreft de intensiteit en omvang van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van La Serpe en Ros moet worden gezegd dat een uitvoeriger onderzoek moeilijk denkbaar is. De verdediging is in dat verband gefaciliteerd in de onderzoekswensen die zij heeft aangedragen en heeft de beide kroongetuigen alle vragen kunnen stellen, met uitzondering van vragen over de beschermingsmaatregelen. In geen enkel stadium van de procedure is de verdediging iets in de weg gelegd bij het voeren van verweer ten aanzien van de kroongetuigen. Op de inhoud en de resultaten van dat betrouwbaarheidsonderzoek wordt hierna in paragraaf 2.5 ingegaan. Bij dat onderzoek is ook aandacht besteed aan de mogelijke invloed op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen, die kan uitgaan van de wens om zich te (blijven) verzekeren van alle voordelen die de kroongetuigenovereenkomst en beschermingsmaatregelen hen bood. Zoals blijkt uit het voorgaande is uitvoerig onderzocht of (verkapte) toezeggingen van immuniteit, financieel (ontnemings)voordeel of strafeis-vermindering van die voordelen deel uitmaakten.
Kortom, in relatie tot de eisen die op grond van de rechtspraak van het EHRM op grond van artikel 6 EVRM worden gesteld aan het onderzoek naar de betrouwbaarheid van verklaringen van kroongetuigen, stelt het hof vast dat:
- de betrouwbaarheid van de (verklaringen van de) kroongetuigen op vele manieren uitvoerig is onderzocht, juist vanuit het besef van de risico’s die daaraan inherent zijn, zoals deze in de rechtspraak van het EHRM zijn verwoord;
- de verdediging in het verband van dat onderzoek alle ruimte is geboden haar ondervragingsrecht uit te oefenen en verweer te voeren, terwijl ook gehoor is gegeven aan de onderzoekswensen van de verdediging;
- ruimschoots aandacht heeft bestaan voor en voldoende zicht is gekomen op de voordelen die de kroongetuigen in ruil voor hun verklaringen hebben ontvangen.
Onder die omstandigheden werpt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet reeds een formeel beletsel op voor het gebruik van de verklaringen van La Serpe en Ros, zodat de bruikbaarheid daarvan staat of valt met het oordeel over de betrouwbaarheid dat in paragraaf 2.5 aan de orde komt. Ook bij de vorming van zijn oordeel daarover is het hof zich terdege bewust van de risico’s die door het EHRM zijn benoemd die kleven aan verklaringen van kroongetuigen. Het hof zal de verklaringen van La Serpe ook niet als het enige concrete bewijs gebruiken voor betrokkenheid van verdachte bij hem ten laste gelegde feiten.
2.4.3.4 Afspraak Holleeder-weglatingen en ondervragingsrecht
Het hof komt, ook ten aanzien van de rechtmatigheid van de afspraak over de Holleeder-weglatingen, tot hetzelfde oordeel als het hof in het Passageproces, zoals hiervoor is weergegeven. Dat betekent dat er in dit opzicht sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Dat vormverzuim is deels hersteld doordat de eerder weggelaten onderdelen van de verklaringen van La Serpe alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Voor een ander deel is dat vormverzuim voldoende gecompenseerd, doordat, mede aan de hand van getuigenverhoren van de betrokken rechercheurs en officier van justitie, de gang van zaken rondom deze weglatingsafspraak kenbaar en toetsbaar is geworden.
De verdediging heeft gesteld dat verdachte van de weglatingsafspraak als nadeel heeft ondervonden dat hij in zijn strafzaak pas vragen heeft kunnen stellen aan La Serpe nadat jaren waren verstreken. De verdediging veronderstelt kennelijk dat een strafzaak tegen verdachte eerder zou zijn gestart en hij dus eerder in de gelegenheid zou zijn geweest La Serpe te ondervragen, als de verklaringen van La Serpe eerder integraal bekend zouden zijn geweest. Problematisch aan die veronderstelling is dat ook na het bekend worden van de verklaringen van La Serpe over verdachte in 2011 niet tot vervolging van verdachte is overgegaan. Dat gebeurde pas nadat – jaren later – ook anderen belastende verklaringen over verdachte hadden afgelegd, met name Ros, Astrid en Sonja Holleeder en Den Hartog. Verklaringen die, waar het Astrid en Sonja Holleeder betreft, samenhangen met de door hen in de periode van 2013 tot en met 2015 gemaakte geluidsopnamen. De vertraging in het moment waarop verdachte in zijn strafzaak La Serpe heeft kunnen ondervragen, is dus niet het gevolg van de weglatingsafspraak. De gevolgen van die vertraging voor de kwaliteit van het verhoor kunnen dan ook niet worden aangemerkt als nadeel als gevolg van een vormverzuim. In zoverre wordt dat verweer verworpen. Dat neemt niet weg dat in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid een rol speelt in hoeverre de verklaringen van La Serpe inhoudelijk getoetst konden worden, waarbij ook de inhoud van zijn in deze zaak bij de rechtbank afgelegde verklaringen een rol speelt. Daarop wordt hierna ingegaan in paragraaf 2.5.
In het licht van het voorgaande ziet het hof geen aanleiding aan het geconstateerde vormverzuim het gevolg te verbinden van uitsluiting van het bewijs van alle verklaringen van La Serpe.
De omstandigheid dat La Serpe in hoger beroep niet als getuige kon worden gehoord betekent niet, zoals hierna zal blijken, dat door het hof de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen niet in toereikende mate beoordeeld kan worden. Artikel 360 Sv verplicht de rechter niet onder alle omstandigheden om een kroongetuige te horen, voordat zijn verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt.
2.4.3.5 Conclusie hof rechtmatigheid
Naar het oordeel van het hof doen zich geen onrechtmatigheden voor ten aanzien van de totstandkoming van de verklaringen van La Serpe en Ros waardoor, zoals de verdediging heeft betoogd, niet te beoordelen zou zijn in hoeverre financiële overwegingen een motief vormen voor het afleggen van belastende verklaringen en waardoor de inhoud van de verklaringen niet op waarde worden geschat. Het hof verwerpt daarom het verweer.
Betrouwbaarheid kroongetuigen La Serpe en Ros
Standpunt verdediging
Voor het geval het hof de rechtmatigheidsverweren met betrekking tot de verklaringen van La Serpe en Ros verwerpt, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het hof deze verklaringen vanwege twijfel over de betrouwbaarheid, slechts zou moeten gebruiken waar zij steun vinden in andere bewijsmiddelen die los staan van deze verklaringen. Dat zou volgens de verdediging recht doen aan de vele inhoudelijke kanttekeningen die bij deze verklaringen kunnen worden gemaakt, en in het Passageproces ook zijn gemaakt. Die kanttekeningen zullen moeten leiden tot grote voorzichtigheid met het gebruik ervan.
De verdediging heeft met zoveel woorden gesteld niet de verweren te herhalen die in het Passageproces over de betrouwbaarheid van La Serpe en Ros zijn gevoerd. Tegelijkertijd heeft de verdediging in haar pleidooi op veel punten gerefereerd aan dezelfde kwesties, maar dan niet met de conclusie van integrale uitsluiting van het bewijs, die aan de verweren in het Passageproces is verbonden, maar als fundament voor de twijfel aan de betrouwbaarheid van La Serpe en Ros en als reden om hun verklaringen met uiterste behoedzaamheid tegemoet te treden.
Daarnaast heeft de verdediging, specifiek toegesneden op deze zaak, enkele nieuwe getuigenverklaringen in haar bespreking betrokken. Ook heeft zij gewezen op het verschil in positie van de kroongetuigen ten opzichte van verdachte, in vergelijking met hun positie ten opzichte van de veroordeelden in het Passageproces Remmers en Soerel. Ros heeft verklaard dat hij verdachte nooit heeft gezien of gesproken; wel had hij direct contact met Remmers en Soerel. La Serpe stond in direct contact met Remmers en Ros, maar heeft uit eigen waarneming heel beperkt over verdachte verklaard, namelijk alleen over de kwestie ‘Naarden-Vesting/autoverhuur’ en over het zogenoemde ‘Osdorp-eerst moment’.
Over La Serpe en Ros en hun verklaringen met betrekking tot verdachte, heeft de verdediging het volgende aangevoerd.
La Serpe
La Serpe heeft verklaard over een ontmoeting met verdachte tijdens de voorbereiding van de moord op Houtman die in Osdorp woonde. Bij die ontmoeting zou verdachte ‘Osdorp eerst’ hebben gezegd. De verdediging acht dat uitermate onwaarschijnlijk. La Serpe is pas zes jaar na de gebeurtenissen met deze verklaring gekomen toen hij een hoogoplopend conflict had met het openbaar ministerie over zijn getuigenbeschermingsafspraken. La Serpe wist dat de naam van verdachte boven het Passageproces zweefde, maar dat er onvoldoende bewijs was voor zijn concrete betrokkenheid. Het kwam La Serpe goed uit deze troef uit te spelen en zo de onderhandelingen over zijn getuigenbescherming vlot te trekken. Het is een oncontroleerbare verklaring van La Serpe die afwijkt van wat hij eerder bij de politie heeft verklaard, welke verklaringen onrechtmatig buiten het dossier waren gehouden. De verklaring kon door de verdediging niet meer getoetst worden, omdat La Serpe daarover uit zijn geheugen inmiddels niets meer kon verklaren tijdens zijn verhoor bij de rechtbank in oktober 2018. Bij deze verklaring zijn zoveel kanttekeningen te plaatsen en zij is zodanig inconsistent en niet toetsbaar gebleken, dat zij niet voor het bewijs mag worden toegelaten.
La Serpe heeft ook verklaard over een ontmoeting in 2004 in een restaurant in Naarden-Vesting met verdachte en Remmers waarbij ook De Vries aanwezig was, gevolgd door een ontmoeting met verdachte in Amsterdam waarbij hij La Serpe hielp bij de huur van een auto voor La Serpe en Remmers bij Auto [betrokkene 17]. De verdediging acht de verklaring van La Serpe over de ontmoeting in Naarden-Vesting onwaarschijnlijk. De verklaring van La Serpe over de ontmoeting in Naarden-Vesting staat lijnrecht tegenover de verklaring van De Vries. De Vries is stellig blijven verklaren dat hij in 2004 geen ontmoeting heeft gehad met verdachte, Remmers en La Serpe. De Vries heeft er daarbij ook op gewezen dat hij de combinatie van verdachte en Remmers, die toen al de reputatie van huurmoordenaar had, vreemd zou hebben gevonden, zo kort na de moord op Van Hout. Dat maakt volgens de verdediging uitermate onwaarschijnlijk dat De Vries het niet zou hebben onthouden, als de ontmoeting zou hebben plaatsgevonden zoals La Serpe daarover verklaart.
Verder maakt het nogal een verschil of verdachte bij de ontmoeting in Naarden-Vesting op de vraag van Remmers om een liquidatieklus zou hebben gezegd: ‘ga maar naar Dino, hij heeft er genoeg’, of ‘ga maar naar Dino, ik heb er genoeg’. Het eerste impliceert volgens de verdediging hooguit wetenschap, het tweede wijst op betrokkenheid. La Serpe heeft daar geen duidelijkheid over kunnen geven, doordat hij bij latere verhoren over die verklaringen keer op keer heeft verklaard geen herinnering te hebben aan die uitlating over moordopdrachten in verband met de ontmoeting in Naarden-Vesting. Dit terwijl La Serpe deze verklaringen heeft afgelegd in een fase waarvan hij heeft verklaard dat hij zogenaamd ‘tactisch bezig’ was en hij niet meer weet of dit een tactisch moment was dat buiten beschouwing moet blijven, of juist een moment waarop hij naar waarheid heeft verklaard.
Over de gang van zaken bij Auto [betrokkene 17] liggen de verklaringen van La Serpe en verdachte niet zo ver uiteen, behalve op het belangrijkste punt, te weten dat verdachte tegen La Serpe, toen deze in de auto stapte, zou hebben gezegd dat ‘ze maar naar Dino moesten gaan als ze een nieuwe auto nodig zouden hebben’. Volgens verdachte was hij al weg toen La Serpe de auto kreeg. De verdediging put daarvoor steun uit de verklaring die de autoverhuurder, [betrokkene 17] (hierna ook: [betrokkene 17]), bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd.
Ook heeft La Serpe verklaard dat hij van Remmers heeft gehoord dat hij Van Hout ‘mocht doen’ en dat Remmers zei dat hij ‘de power van Holleeder achter zich had’. Ook over dit onderwerp heeft La Serpe uiterst wisselend verklaard, zowel wat betreft het moment waarop hij dit van Remmers hoorde, als wat betreft de inhoud van de informatie. Zijn verklaring kan niet geverifieerd worden. Dat Ros heeft verklaard dat hij Remmers hetzelfde heeft horen zeggen, maakt dat niet anders. Ros heeft La Serpe op de zittingen in het Passageproces eindeloos over deze uitlating horen praten voordat hij zelf ging verklaren. Bovendien heeft La Serpe uitspraken gedaan in relatie tot de moord op Van Hout die hij op een later moment expliciet heeft ingetrokken met als uitleg dat hij de naam Van Hout had genoemd omdat hij de naam Houtman nog niet wilde of durfde te noemen.
Ook de verklaring van La Serpe over de opdrachtverstrekking in de Baja Beach Club is ernstig wisselend. Hij noemt Ros in relatie tot een aangenomen lijst van te vermoorden personen, terwijl Ros dat ontkent. La Serpe spreekt eerst over een klus en later over meerdere liquidaties, is wisselend over welke disco het betreft en noemt verschillende namen van beoogde slachtoffers.
In het kader van het pleidooi over de moord op Houtman (zaaksdossier Agenda) heeft de verdediging het zeer verbazingwekkend genoemd dat de rechtbank betekenis heeft toegekend aan de verklaring van La Serpe over het verzoek van Remmers om naar café De Hallen te gaan waar verdachte een slachtoffer zou aanwijzen: Houtman of Van der Bijl. La Serpe heeft zeer wisselend verklaard of het om het aanwijzen van Houtman of Van der Bijl ging. Het onderwerp ‘aanwijzen door Holleeder’ is in de verklaring uit 2007 niet te vinden, maar is pas toegevoegd in 2011 en betreft een herinnering van wat hij – stoned – van Remmers zou hebben gehoord. Als al wordt aangenomen dat het klopt wat La Serpe verklaart, wordt dat pas relevant als verdachte in De Hallen zou hebben gezeten om een slachtoffer aan te wijzen. Het is uiterst onwaarschijnlijk, dat een opdrachtgever zijn beoogde slachtoffer in een drukke gelegenheid gaat aanwijzen aan een uitvoerder.
Al deze onderwerpen zijn belangrijke onderdelen van de verklaringen van La Serpe die de kern vormen van het belastende bewijs dat eerst tegen de Passageverdachten en nu tegen verdachte wordt ingebracht. Nader verhoor van La Serpe heeft in de zaak tegen verdachte nauwelijks kunnen plaatsvinden doordat La Serpe bij zijn verhoor bij de rechtbank in deze zaak door tijdsverloop geen antwoord meer kon geven, terwijl in hoger beroep geen verhoor heeft plaatsgevonden.
Samenvattend stelt de verdediging dat La Serpe wisselend heeft verklaard over verdachte, terwijl verificatie van zijn verklaringen niet heeft kunnen plaatsvinden. Voor zover hetgeen hij heeft verklaard over ontmoetingen met verdachte wel gecontroleerd kon worden, heeft dat geen enkele bevestiging opgeleverd. Integendeel: Remmers, De Vries en Ros hebben gezegd dat La Serpe niet naar waarheid verklaart.
Ros
De verdediging heeft gesteld dat het onmogelijk is om een scheiding aan te brengen tussen wat Ros zelf heeft meegemaakt en wat hij uit het Passagedossier weet of zelf verzonnen heeft, omdat Ros pas kroongetuige werd nadat hij als verdachte het Passageproces bij de rechtbank had bijgewoond en al die tijd het dossier tot zijn beschikking heeft gehad. Ros kan uit eigen wetenschap niets over verdachte verklaren, omdat hij op geen enkel moment contact met hem heeft gehad.
De verdediging heeft voorts erop gewezen dat de verklaringen van Ros over een opdracht tot moord op [betrokkene 18] (hierna ook: [betrokkene 18]) lijnrecht tegenover die van La Serpe staan (zaaksdossier Oma). De verdediging werpt in verband hiermee de vraag op hoe men La Serpe kan zien als een betrouwbare getuige, als hij zich zou hebben vergist over die moordopdracht en of dat dan geen gevolgen moet hebben voor de waardering van zijn verklaringen over ‘Osdorp eerst’, over opdrachten die zouden zijn gegeven in de Baja Beach Club en over zijn ideeën over opdrachtgevers, achterliggende conflicten, het driemanschap en wat hij uit het milieu heeft begrepen en geconcludeerd.
Hetzelfde geldt voor de verklaringen van Saro en Habes over de druk die door Ros op hen is uitgeoefend bij de opdracht tot de moord op Van der Bijl, zijn aanwezigheid ter plaatse ten tijde van de moord, afgaande op getuige [betrokkene 19], en ook voor de verklaringen van Alex de Boer (hierna ook: De Boer) over de (vermeende) opdracht tot moord op Atilla Önder (hierna ook: Önder), in zaaksdossier Nicht. Als die verklaringen betrouwbaar zijn, dan heeft Ros veel meer op zijn kerfstok dan hij heeft verklaard en heeft hij daarover geraffineerd weten te liegen. In dat verband heeft de verdediging ook gewezen op de rol van Ros bij de moord op Van Hout waar aanwijzingen voor bestaan. En, in het verlengde daarvan, op de ontboezeming van mr. Plasman in het televisieprogramma Op1 op 25 november 2021. Mr. Plasman was een tijdlang de raadsman van Ros toen hij kroongetuige werd in het Passageproces. Volgens de interpretatie van de verdediging zegt mr. Plasman in deze uitzending dat Ros als kroongetuige heeft gelogen over de motor die is gebruikt bij de moord op Van Hout, zodat dit een nieuwe aanwijzing is dat Ros veel meer betrokkenheid heeft gehad bij de moord op Van Hout dan hij heeft verklaard. Dat acht de verdediging van belang voor de waardering van de betrouwbaarheid van Ros, maar ook voor de stelling van Astrid Holleeder dat verdachte tegen haar zou hebben gezegd dat Ros niet op de motor heeft gezeten ten tijde van de moord op Van Hout. Verdachte betwist die mededeling aan Astrid te hebben gedaan, maar zou hij dat wel hebben gezegd, dan wijst dat er juist op dat verdachte weinig wist over de gang van zaken bij de moord op Van Hout.
Deze kwesties raken volgens de verdediging het hart van de betrouwbaarheid van de kroongetuigen.
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie is het eens met de conclusie van de verdediging dat de verklaringen van beide kroongetuigen alleen gebruikt kunnen worden als zij steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het openbaar ministerie ziet uit een oogpunt van betrouwbaarheid echter geen obstakels die meebrengen dat de verklaringen van La Serpe of Ros integraal onbruikbaar zijn. Dat betekent dat de waarde van die verklaringen telkens per zaaksdossier moet worden beoordeeld in verband met andere bewijsmiddelen.
Het openbaar ministerie heeft zich geschaard achter de overwegingen van het hof in het Passageproces in de zaak tegen Remmers over de manier waarop in zaken zoals deze naar de waarde van de verklaringen van kroongetuigen moet worden gekeken. De zaak Vandros verschilt daarin niet van de zaak Passage. Ook wat betreft de controverse over verklaringen van La Serpe en Ros met betrekking tot een opdracht tot de moord op [betrokkene 18] (zaaksdossier Oma) heeft het openbaar ministerie verwezen naar de overwegingen van het hof in het Passageproces. Het openbaar ministerie is niet afzonderlijk ingegaan op een aantal aspecten die in het Passageproces ook aan de orde zijn geweest, waar de verdediging naar heeft verwezen. Dat betreft het volgens de verdediging wisselend verklaren door La Serpe over de opdrachtverstrekking in de Baja Beach Club en spanning tussen de verklaringen van Ros en die van De Boer (zaaksdossier Nicht) en Saro en Habes (zaaksdossier Perugia), en ook de in het Passageproces besproken aanwijzingen dat Ros de motor zou hebben bestuurd bij de moord op Van Hout. Het openbaar ministerie schaart zich ook op die punten, zo begrijpt het hof, achter het oordeel van het hof in het Passageproces.
La Serpe
Volgens het openbaar ministerie heeft La Serpe zijn nek uitgestoken door kluisverklaringen af te leggen op een moment dat het openbaar ministerie nog geen begin van een zaak tegen de Passageverdachten had, ook niet tegen La Serpe zelf. Hij wist dat hij, door te verklaren over moorden waarbij hij zelf betrokken was, een jarenlange gevangenisstraf tegemoet zou gaan. Hij heeft zichzelf zwaar belast en in dat kader uitgebreid en volledig over de rol van andere betrokkenen verklaard. Hij wist dat, als hij de stap naar het afleggen van verklaringen zou zetten, niet alleen het openbaar ministerie en de politie maar ook alle later toetsende strafrechters van hem zouden verlangen dat hij alles op tafel zou leggen wat van belang is. Geen getuige wordt zo intensief en van alle kanten bevraagd en getoetst als een kroongetuige. De tientallen keren dat La Serpe vragen heeft moeten beantwoorden, laten dat zien. Met inachtneming van de overwegingen van het hof in het arrest Remmers ziet het openbaar ministerie geen reden om niet af te gaan op de onderdelen van de verklaringen van La Serpe die voor verdachte belastend zijn. Ook heeft het openbaar ministerie gewezen op het motief van La Serpe voor de afspraak om verdachte weg te laten uit zijn kluisverklaringen zoals die aanvankelijk in het Passageproces aan het dossier waren toegevoegd, namelijk de angst van La Serpe voor (de macht van) verdachte.
Het openbaar ministerie heeft in repliek gereageerd op het verweer ten aanzien van de verklaring van La Serpe over ‘Osdorp eerst’ en over de ontmoeting in Naarden-Vesting. Daarbij heeft het openbaar ministerie gewezen op de overwegingen hierover van het hof in het Passageproces en gesteld dat er geen reden is om dit in Vandros anders te zien.
Waar de verklaringen van La Serpe en De Vries tegenover elkaar staan op het punt van de aanwezigheid van De Vries bij een ontmoeting te Naarden-Vesting, acht het openbaar ministerie aannemelijk dat De Vries zich heeft vergist. Dat baseert het openbaar ministerie op de verklaringen van twee medewerkers van het restaurant. Het is niet aannemelijk dat zij zich hebben vergist of enig belang hebben om de waarheid geweld aan te doen. Ook heeft het openbaar ministerie gewezen op de agenda van De Vries en de e-mails van Remmers aan De Vries.
Over de bewoordingen waarin verdachte Remmers bij die ontmoeting in Naarden-Vesting zou hebben verwezen naar Soerel, heeft het openbaar ministerie gesteld dat La Serpe hierover in 2006 wel heeft verklaard, te weten: ‘En Holleeder zei neem contact op met Dino, hij had er genoeg neem contact op met Dino, en dat is wat Holleeder zei’. Voor de tenlastelegging maakt het niet uit; Remmers heeft aan verdachte om een liquidatieklus gevraagd. De relevantie is volgens het openbaar ministerie dat Holleeder aan Remmers heeft laten blijken dat hij op het punt van te plegen moorden samenwerkte met Soerel. Het openbaar ministerie verwijst hiervoor ook naar de overwegingen van het hof in het Passageproces.
Over de huur van de auto bij Auto [betrokkene 17] heeft het openbaar ministerie betoogd dat de rechtbank ten onrechte de lezing van verdachte terzijde heeft geschoven wat betreft het bedrijf waar de auto is gehuurd. Verdachte had gelijk dat het bij Auto [betrokkene 17] was. Het gaat volgens het openbaar ministerie echter niet zozeer om de vraag waar verdachte La Serpe naar toe bracht om een auto voor Remmers op te halen; veel belangrijker is de opmerking van verdachte over Soerel. La Serpe heeft verklaard dat verdachte aan het eind tegen hem zei: ‘Als jullie een nieuwe auto willen, neem dan contact op met Dino’. Het openbaar ministerie zegt geen reden te zien om aan deze verklaring van La Serpe te twijfelen. Daarbij merkt het openbaar ministerie op dat het opvallend is dat de verklaringen van verdachte en La Serpe over de autohuur grotendeels overeenkomen en slechts uiteenlopen op een punt waar verdachte belang heeft om af te wijken: zijn connectie met Soerel. Verder acht het openbaar ministerie van belang dat verdachte bij een nieuwe auto voor Remmers en La Serpe kennelijk onmiddellijk dacht aan Auto [betrokkene 17], waar hij La Serpe diezelfde middag heeft geïntroduceerd en dat zowel verdachte als Soerel daar klant waren, zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 17]. Ook heeft het openbaar ministerie gewezen op de verklaring van Remmers als getuige in hoger beroep dat de ruimte boven het garagebedrijf ‘een broeinest’ was voor mensen als Zwolsman, Holleeder en ook hijzelf om anderen te ontmoeten en te spreken. De verklaring van Remmers sluit aan bij de verklaringen van verdachte en La Serpe.
Dat La Serpe Remmers heeft horen zeggen dat hij de power van Holleeder achter zich had, is volgens het openbaar ministerie niet vatbaar voor twijfel. Het moment waarop Remmers dat gezegd zou hebben is volgens het openbaar ministerie minder van belang en ook meent het openbaar ministerie dat op dit punt voor de verklaring van La Serpe wél steun kan worden gevonden in de verklaring van Ros.
Het openbaar ministerie acht de verklaring van La Serpe over het verzoek van Remmers om naar café De Hallen te gaan wel bruikbaar voor het bewijs. In repliek heeft het openbaar ministerie erop gewezen dat verdachte een bezoeker was van café De Hallen en dat de afpersing van Houtman zich ten dele in dat café heeft afgespeeld, nota bene ook in aanwezigheid van meerdere personen. Volgens het openbaar ministerie lijkt de verdediging zich een onwaarschijnlijk theater voor te stellen, alsof het ook voor omstanders duidelijk zou hebben kunnen worden dat verdachte daar was in het kader van een moordopdracht op de cafébaas. Maar dat zou overdrijving zijn van wat La Serpe heeft verklaard. Het ging om het enkele aanwijzen van iemand – in de zin van ‘dat is hem’ – en dat is geen vreemde gedachte.
Het openbaar ministerie is het niet eens met de stelling van de verdediging dat het (nadere) verhoor van La Serpe nauwelijks heeft kunnen plaatsvinden doordat hij pas in 2018 in Vandros kon worden gehoord. Ook toen konden immers alle vragen aan La Serpe worden gesteld. Het enkele feit dat het in 2018 ging om gebeurtenissen van vele jaren eerder, heeft hooguit meegebracht dat de getuige zich op onderdelen iets niet meer scherp kon herinneren, maar dat maakt zijn verklaringen niet zonder meer minder betrouwbaar. Het openbaar ministerie heeft in dat verband verwezen naar de overwegingen van het hof in het Passageproces. La Serpe is eerder over die gebeurtenissen al tientallen keren in het Passageproces is ondervraagd.
Ros
Voor Ros geldt volgens het openbaar ministerie dat hij wellicht meer dan La Serpe puur door eigenbelang bewogen is, omdat hij tot in het hoger beroep van het Passageproces heeft gewacht voordat hij kroongetuige werd en belastende verklaringen ging afleggen. Ros heeft daarmee de schijn gewekt dat het hem uitsluitend om strafkorting te doen was. Daarmee is echter niet gegeven dat zijn verklaringen dus minder betrouwbaar zijn. Net als bij La Serpe geldt bij Ros dat zijn verklaringen op de relevante punten voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Hij is in hoger beroep nader gehoord, heeft verklaard dat zijn eerdere verklaringen naar waarheid zijn afgelegd, en heeft naar vermogen antwoord gegeven op aanvullende vragen.
Verder heeft het openbaar ministerie erop gewezen dat de rechtbank bij het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van Ros heeft betrokken wat in het onderzoek Vandros bekend is geworden over de bestuurder van de motor die bij de moord op Van Hout is gebruikt, in het bijzonder in een door Astrid Holleeder opgenomen gesprek met verdachte. Over het televisieoptreden van mr. Plasman, waarop door de verdediging is gewezen, heeft het openbaar ministerie gesteld dat nergens in het fragment is te horen over welke verklaring van welke kroongetuige dat gaat. Volgens het openbaar ministerie is de uitlating van de verdediging dan ook speculatief dat dit zou gaan over de verklaring van Ros dat hij de motor niet heeft bestuurd bij de moord op Van Hout.
Oordeel hof
De verdediging heeft inhoudelijke kanttekeningen geplaatst bij de verklaringen van La Serpe en Ros. Net zoals bij de rechtmatigheid van de afspraken met deze kroongetuigen, is het bijzonder dat veel van die inhoudelijke aspecten zijn voorgelegd aan het hof dat heeft geoordeeld in het Passageproces. Voor een belangrijk deel heeft de verdediging geen nieuwe of specifiek op de zaak tegen verdachte betrekking hebbende argumenten aangevoerd. Dat betreft de volgende thema’s:
- het wisselend verklaren door La Serpe over de verstrekking van moordopdrachten in de Baja Beach Club;
- de tegenstelling tussen Ros en La Serpe over een opdracht voor een moord op [betrokkene 18] (zaaksdossier Oma);
- de spanning tussen de verklaringen van Ros en de verklaringen van De Boer over een opdracht voor een moord op Önder (zaaksdossier Nicht);
- de spanning tussen de verklaringen van Ros en de verklaringen van Saro en Habes en de mogelijke aanwezigheid van Ros op de plaats delict bij de moord op Van der Bijl volgens de verklaring van getuige [betrokkene 19] (zaaksdossier Perugia);
- de aanwijzingen dat Ros tijdens de moord op Van Hout de motor zou hebben bestuurd die daarbij gebruikt is.
Hieronder wordt, vanwege deze bijzonderheid eerst het oordeel weergegeven van het hof Amsterdam in het Passageproces, over deze thema’s die de verdediging naar voren heeft gebracht. Vervolgens zal daarop door dit hof worden ingegaan en zullen nieuwe elementen en punten worden besproken die specifiek relevant zijn voor de zaak tegen verdachte. Vanzelfsprekend heeft het hof bij zijn beoordeling steeds oog voor het verschil in positie van verdachte ten opzichte van de kroongetuigen in vergelijking met Soerel en Remmers. De kroongetuigen hebben inderdaad weinig verklaard over contacten die zij zelf met verdachte hadden.
2.5.3.1 Oordeel hof in Passageproces
De onderdelen van het arrest van het hof Amsterdam in het Passageproces tegen Remmers die voor de beoordeling relevant zijn, zijn onder (b.) weergegeven in bijlage 3 bij dit arrest.
2.5.3.2 (On)betrouwbaarheid kroongetuigen algemeen
Taak en taakopvatting hof
Uit artikel 360, tweede en vierde lid, Sv volgt dat het hof het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een kroongetuige nader moet motiveren. Dit betekent dat het hof moet laten blijken zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht. Die wettelijke plicht maakt dat het hof uitdrukkelijk aandacht behoort te besteden aan kwesties die vragen oproepen over de betrouwbaarheid van (de verklaring van) een kroongetuige. Daarvoor is niet doorslaggevend of daarover een verweer is gevoerd. Ook ambtshalve zal het hof dergelijke kwesties onderzoeken en daarover oordelen. Dat in deze zaak het betrouwbaarheidsverweer niet op dezelfde wijze is gevoerd als in het Passageproces, neemt niet weg dat de kwesties die in dat proces aan de orde zijn geweest en waar de verdediging naar verwezen heeft, ook van dit hof nauwgezette aandacht vereisen, voor zover die kwesties twijfel kunnen wekken aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen La Serpe en Ros.
Het hof heeft nauwgezet de verklaringen van de kroongetuigen onderzocht om zo te zorgen voor een eerlijk proces waar verdachte recht op heeft, en om te voorkomen dat hij op grond van valse beschuldigingen veroordeeld zou kunnen worden. Het hof heeft onderzoek naar deze verklaringen gedaan in het algemeen, maar in het bijzonder ook waar deze belastend zijn voor verdachte. De intensiteit van dat onderzoek is niet minder geweest doordat de verdediging niet heeft betoogd dat de verklaringen van de kroongetuigen per definitie over de gehele linie onbetrouwbaar zijn. Ook heeft dat niet afgedaan aan het uitgangspunt dat de verklaringen van La Serpe en Ros alleen voor het bewijs tegen verdachte gebruikt mogen worden indien zij steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Deze taakopvatting doet naar het oordeel van het hof recht aan de uitzonderlijke omstandigheden van dit geval, waaronder in het bijzonder de aard van de betrokken kroongetuigen (beiden zijn onherroepelijk veroordeeld voor betrokkenheid bij levensdelicten), de inhoud van hun verklaringen (over de betrokkenheid van verdachte bij levensdelicten) en aan wat er voor verdachte op het spel staat (het openbaar ministerie vordert oplegging van een levenslange gevangenisstraf).
Vormgeving betrouwbaarheidsonderzoek
Aan de kroongetuigen is bij het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst duidelijk gemaakt dat zij de waarheid moeten spreken. Als zou blijken dat zij dat niet deden, verviel de overeenkomst.[_ecce3c1f-9934-4eb0-997e-b348bb0457bb] Voor de kroongetuigen stond daarmee van het begin af aan alles op het spel. Vanwege de aard van de criminaliteit waarover zij verklaarden en de belastende verklaringen die zij over (zichzelf en) anderen aflegden, moesten zij vrezen voor hun leven bij het wegvallen van de kroongetuigenovereenkomst en in het verlengde daarvan de beschermingsmaatregelen. Zij hebben verklaard over een aantal personen waarvan inmiddels onherroepelijk vast is komen te staan dat zij betrokken waren bij moorden. De eerste belangrijke toets van de betrouwbaarheid van de kroongetuigen vond plaats bij de beoordeling op basis van de kluisverklaringen die door hen waren afgelegd, eerst door politieambtenaren en leden van het openbaar ministerie en vervolgens door de rechter-commissaris in het verband van de toetsing van de voorgenomen overeenkomsten met de kroongetuigen.
Vervolgens zijn de kroongetuigen in het Passageproces en het huidige strafproces dat daarop volgde tientallen malen verhoord door politieambtenaren, door leden van het openbaar ministerie en – meestal in aanwezigheid en met een actieve inbreng van de verdediging – door rechters-commissarissen, door de leden van de rechtbank en door het hof. In het onderhavige hoger beroep kon alleen La Serpe niet opnieuw gehoord worden.
Deze reeks verhoren begon voor La Serpe met zijn kluisverklaringen in 2006 en duurde tot in 2018 toen zijn laatste verhoor bij de rechtbank in dit strafproces plaatsvond. Ros begon met het afleggen van zijn kluisverklaringen in 2014 en werd voor het laatst in 2021 in de zaak tegen verdachte door dit hof ter terechtzitting gehoord. Al deze verhoren hebben tezamen geresulteerd in duizenden bladzijden aan verklaringen.
Naar de betrouwbaarheid van de kroongetuigen en hun verklaringen is ook naast en in samenhang met de herhaalde verhoren van de kroongetuigen zeer intensief onderzoek gedaan, eerst in het Passageproces en vervolgens in het onderhavige proces. Daarbij kan gewezen worden op de vele nadere onderzoekshandelingen die in dit verband zijn verricht, zoals verificatieonderzoeken, verhoren van andere getuigen, toevoeging aan het dossier van aanvullende processen-verbaal en processen-verbaal met zogenoemde ‘verbatim-uitwerkingen’ van de vragen die aan de kroongetuigen zijn gesteld en de antwoorden die daarop zijn gegeven. In nadere verhoren van de kroongetuigen zijn zij geconfronteerd met de vragen die de resultaten van deze onderzoekshandelingen opriepen. Ook is veel en telkens opnieuw door andere betrokkenen, met soms een andere invalshoek, doorgevraagd naar aanleiding van eerder afgelegde verklaringen.
Het onderzoek was niet alleen gericht op het in detail nagaan of het kan kloppen wat de kroongetuigen inhoudelijk hebben verklaard en of er feiten of omstandigheden zijn die twijfel oproepen aan hun verklaringen, dan wel daaraan steun bieden. Het onderzoek heeft zich in veel ruimere zin uitgestrekt over het waarheidsgehalte van hun verklaringen. Ook was dat onderzoek gericht op de vraag of er voor hen motieven bestonden om valse verklaringen af te leggen, waarbij ook veel aandacht is besteed aan het totale pakket aan mogelijke voordelen dat La Serpe en Ros hebben gekregen in ruil voor hun optreden als kroongetuigen.
In elke fase van de strafprocessen Passage en Vandros heeft bij dit betrouwbaarheidsonderzoek de verdediging (van verschillende verdachten) de gelegenheid gekregen en genomen om een prominente rol te spelen. Veel van haar onderzoekswensen zijn ingewilligd en hebben tot resultaten geleid die in het vervolg van het onderzoek en in de beoordeling zijn betrokken. In zoverre kon in de onderhavige zaak worden voortgebouwd op het onderzoek dat in het Passageproces is verricht, maar ook in het Vandrosproces hebben nog nadere getuigenverhoren en onderzoekshandelingen plaatsgevonden.
De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, zoals ook de verdediging van de verdachten in het Passageproces dat heeft kunnen doen. La Serpe en Ros zijn in het Vandrosproces op verschillende dagen ter terechtzitting van de rechtbank gehoord en Ros is vervolgens ook nog ter terechtzitting van het hof gehoord. Bij deze verhoren is de verdediging de gelegenheid geboden al haar vragen te stellen, afgezien van vragen over de beschermingsmaatregelen. Bij de verhoren van La Serpe en Ros tijdens dit proces zijn hen vragen gesteld naar aanleiding van hun eigen eerder afgelegde verklaringen en verklaringen van anderen en zijn zij met onderzoeksresultaten geconfronteerd en naar aanleiding daarvan bevraagd. Het is niet gelukt om ook een verhoor van La Serpe ter terechtzitting in hoger beroep mogelijk te maken, ondanks dat het openbaar ministerie daarvoor alle in redelijkheid te verwachten inspanningen heeft gedaan. Het openbaar ministerie heeft gezocht naar getuige La Serpe via de mogelijkheden die hem ter beschikking staan, zoals daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting verslag is gedaan. Deze inspanningen zijn tot voor kort vruchteloos gebleven.
Per e-mail van 1 juni 2022 heeft de landelijk officier van justitie getuigenbescherming en bijzondere getuigen mr. [officier van justitie 1] het hof laten weten dat er inmiddels wel contact is geweest met La Serpe die te kennen heeft gegeven dat hij niet bereid is om wederom als getuige te verschijnen. Omdat het openbaar ministerie geen contactgegevens heeft, is het niet mogelijk opnieuw contact met de getuige te krijgen. Het openbaar ministerie ziet geen mogelijkheden om deze getuige te doen verschijnen en hem te forceren om mee te werken aan een getuigenverhoor.
Het hof ziet gelet op de inhoud van dit bericht geen mogelijkheden om La Serpe alsnog binnen aanvaardbare termijn als getuige te kunnen horen. De verdediging heeft naar aanleiding van dit bericht daartoe ook geen nadere verzoeken gedaan.
Dat La Serpe door het hof niet gehoord kan worden, brengt niet mee dat de verklaringen van La Serpe ontoetsbaar zijn, zoals de verdediging heeft gesteld en waarbij de verdediging zich ook heeft beklaagd over het late moment waarop La Serpe in deze zaak door de verdediging ondervraagd kon worden en toen al veel vergeten was, terwijl andere herinneringen in graniet gebeiteld leken. La Serpe heeft in zijn verhoor bij de rechtbank van oktober 2018 weliswaar verklaard sommige dingen door tijdsverloop niet meer te weten, daar tegenover staat dat La Serpe – zeven jaar eerder – in het Passageonderzoek vele malen indringend is gehoord, ook over de onderdelen van zijn verklaringen die juist voor de zaak tegen verdachte het meest relevant zijn, zoals zijn verklaring over de ‘power van Holleeder’ of over het ‘Osdorp eerst-moment’. Daarbij is ook van belang dat op grond van het onderzoek in het Passageproces en het onderzoek in deze zaak inmiddels een compleet beeld is verkregen van de (verbatim) inhoud van de belangrijke kluisverklaringen van La Serpe, inclusief de delen die op basis van de weglatingsafspraak aanvankelijk ontbraken. De betrouwbaarheidstoetsing kent in dat opzicht geen hindernissen meer. Van die verhoren heeft de verdediging, net als het openbaar ministerie en het hof, kennis genomen. Daarmee is het nadeel dat de verdediging pas laat vragen heeft kunnen stellen, in belangrijke mate verdwenen. De verdediging stelt dat het nadeel voor verdachte ook eruit blijkt dat La Serpe in oktober 2018 standvastig eerdere verklaringen bleef herhalen, niet omdat hij zich de gebeurtenissen herinnerde, maar omdat hij daarover al zo vaak had verklaard. Dit is een stelling van de verdediging die het hof niet onderschrijft; een getuige kan een verklaring ook herhalen omdat de getuige zich de gebeurtenissen herinnert. Het hof zal bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van La Serpe wel rekening houden met de mogelijkheid dat onderdelen van deze verklaringen in de loop der tijd een eigen leven zijn gaan leiden. Door het hof zullen verklaringen van La Serpe alleen voor het bewijs worden gebruikt waarvan het hof de betrouwbaarheid kan vaststellen, bijvoorbeeld aan de hand van de steun die daarvoor is te vinden in van die verklaringen onafhankelijke bron.
In het Passageproces heeft de verdediging alle ruimte gekregen om verweer te voeren. Deze verweren zijn door de rechtbank en het hof in dat proces beoordeeld en inhoudelijk gemotiveerd beantwoord. Van dat voorwerk hebben de procespartijen in de onderhavige zaak kunnen profiteren.
Ook in de onderhavige zaak heeft de verdediging alles tegen de verklaringen van de kroongetuigen in kunnen brengen wat aan de betrouwbaarheid daarvan twijfel zou kunnen wekken.
Dit alles heeft tot resultaat dat in deze zaak de verklaringen van de kroongetuigen konden worden onderzocht in verband met hun eigen eerdere verklaringen, verklaringen van anderen en andere onderzoeksresultaten en dat, waar dit onderzoek vragen opriep, de kroongetuigen daarover – ook door de verdediging – konden worden bevraagd. Het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de kroongetuigen is niet beperkt gebleven tot de onderdelen van hun verklaringen die voor verdachte belastend zijn, maar heeft een veel ruimer terrein bestreken. Het onderzoek door dit hof heeft zich bijvoorbeeld ook uitgestrekt over de onderwerpen die in het Passageproces aan de orde zijn geweest en waar de verdediging alleen in algemene zin naar heeft verwezen. Ook de motieven van La Serpe en Ros om te gaan verklaren zijn op deze manier uitvoerig onderwerp van onderzoek geweest. Dat La Serpe bij zijn verhoor door de rechtbank in oktober 2018 sommige dingen niet meer wist en hij in hoger beroep niet opnieuw kon worden gehoord, ontneemt aan dit onderzoek niet zijn waarde. Het al met al uiterst omvangrijke en intensieve onderzoek biedt een toereikende basis om de betrouwbaarheid van de kroongetuigen en hun verklaringen te kunnen beoordelen.
Bekende risico’s en ook in Passage besproken thema’s
Het hof is zich bewust van de risico’s die verbonden zijn aan het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van kroongetuigen, zoals deze door het EHRM ook onder woorden zijn gebracht. Dergelijke verklaringen zijn vatbaar voor manipulatie en uiteenlopende motieven kunnen afbreuk doen aan het waarheidsgehalte van verklaringen van kroongetuigen. In het algemeen kan daarbij worden gedacht aan persoonlijke wraakmotieven of aan het beperkt houden van de eigen rol bij gepleegde strafbare feiten door in strijd met de waarheid een ander een zwaardere rol in de schoenen te schuiven. Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden dat een van deze potentiële redenen voor kroongetuigen om vals over verdachte te verklaren, aan de orde is. De kroongetuigen hebben zich niet in een positie bevonden waarin hun eigen rol kleiner kon worden gemaakt, door juist de rol van verdachte zwaarder voor te spiegelen. Van persoonlijke wraakmotieven tegenover verdachte is evenmin iets gebleken.
Opvallend in dit verband is dat La Serpe juist heeft willen voorkomen dat hetgeen hij over verdachte kon verklaren, op enige wijze naar buiten zou komen. La Serpe wilde juist niet dat zijn verklaringen over verdachte bekend werden. Om die reden heeft hij een afspraak met het openbaar ministerie gemaakt over de ‘Holleeder-weglatingen’. De gedeelten over verdachte werden niet opgenomen in de verklaringen die aanvankelijk openbaar werden gemaakt in het Passageproces. Die afspraak en de wens om niet belastend over verdachte te hoeven verklaren, wijzen er juist op dat La Serpe niet als strategie voerde dat hij zijn eigen rol kleiner maakte door de rol van verdachte groter te maken. Ook wijst deze afspraak er op dat hij niet is gaan verklaren om wraak op verdachte te nemen.
Dat betekent dat als meest reële risico’s, waarmee het hof bij de beoordeling rekening moet houden, overblijven dat de kroongetuigen: - zich vergissen;- belangrijke zaken vergeten of onzorgvuldig zijn, of- belastend over verdachte verklaren om zich zo te verzekeren van de voordelen van de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsmaatregelen.
Voor de kluisverklaringen die La Serpe heeft afgelegd en waarvoor de Holleeder-weglatingenafspraak gold, lijkt ook dat laatste risico nauwelijks aanwezig. La Serpe hoefde immers juist níet te verklaren over Holleeder om zich toch verzekerd te weten van de kroongetuigenovereenkomst.
De stelling van de verdediging dat La Serpe in een later stadium extra belastend en leugenachtig over verdachte is gaan verklaren om de onderhandelingen over zijn getuigenbeschermingsafspraken vlot te trekken zal hierna aan de orde komen in paragraaf 2.5.3.3 bij de bespreking van de ‘Osdorp-eerst’-verklaring.
Voor de verklaringen van Ros lijkt het risico ook beperkt dat door hem manipulatief leugenachtig belastend over verdachte is verklaard om zo in aanmerking te kunnen komen voor een kroongetuigenovereenkomst en getuigenbescherming. De verklaringen van Ros gaan niet in de kern over beschuldigingen aan het adres van verdachte. De verklaringen van Ros zijn veel directer en in sterkere mate belastend voor onder anderen Soerel en Remmers. Dat zegt niet alles, maar het hof beschouwt dit wel als een aanwijzing dat Ros zijn verklaring over verdachte niet als troef heeft ingezet om daarmee de voordelen te krijgen van een kroongetuigeovereenkomst. Zou Ros het valselijk verklaren over verdachte als troef hebben willen gebruiken, dan had het voor de hand gelegen dat Ros verdachte veel directer en in sterkere mate in zijn verklaringen had beschuldigd.
Het hof heeft onderzoek gedaan naar de thema’s die ook in het Passageonderzoek zijn besproken en die raken aan de betrouwbaarheid van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen. Het hof is gekomen tot eigen oordelen. Deze oordelen komen overeen met de oordelen van het hof in het Passageproces, zoals hiervoor in paragraaf 2.5.3.1 bedoeld. Het is niet zinvol om deze oordelen en overwegingen opnieuw in detail in dit arrest in eigen bewoordingen op te schrijven. Om die reden verwijst het hof naar de overwegingen in dat arrest zoals opgenomen in bijlage 3. Die overwegingen worden hier herhaald en ingelast.
Het hof is dus van oordeel, kort samengevat, dat in die kwesties geen aanleiding wordt gevonden om de verklaringen van La Serpe of Ros integraal, wegens de onbetrouwbaarheid van de getuigen als persoon of wat betreft hun verklaringen in het algemeen, als onbruikbaar ter zijde te schuiven. Meer in het bijzonder betreft dit de kwesties die in paragraaf 2.5.2.3 kort zijn omschreven (moordopdrachten Baja Beach Club, zaaksdossier Oma, zaaksdossier Nicht, zaaksdossier Perugia en motorbestuurder Viool).
Uit dit oordeel van het hof vloeit ook voort dat de basis voor het (deels gezonde) wantrouwen waarmee de verklaringen van de kroongetuigen door dit hof tegemoet worden getreden, aanmerkelijk minder breed is dan waarvan de verdediging wenst uit te gaan. Dat is van belang bij de hiernavolgende nadere beoordeling van verklaringen van La Serpe en Ros die in het bijzonder relevant zijn met het oog op de tenlastelegging in de onderhavige zaak. Er zou bij het hof nog veel meer aarzeling hebben bestaan om die verklaringen betrouwbaar te oordelen, als de verdediging gelijk zou hebben gehad in haar opvatting over de eerder genoemde kwesties.
De verdediging legt de lat voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen te hoog als zij eist dat elke spanning tussen verklaringen van de kroongetuigen onderling en de kroongetuigen en anderen uiteindelijk zou moeten verdwijnen. Getuigen kunnen de betreffende gebeurtenissen immers verschillend hebben beleefd en ook kan de accuraatheid van de herinnering daaraan vele jaren daarna verschillen. Daarnaast kunnen eigen belangen, die bij alle betrokken getuigen een rol kunnen spelen, eraan bijdragen dat zij niet overeenstemmend verklaren, maar kiezen voor een reproductie van de feitelijke gebeurtenissen die henzelf in het minst kwade daglicht plaatst. Mede daarom vertrouwt het hof ook niet blindelings op wat de kroongetuigen verklaren. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat de kwesties waar deze spanning niet is opgeheven, los staan van de beschuldigingen tegen verdachte, afgezien van de controverse tussen La Serpe en De Vries over de ontmoeting te Naarden-Vesting. Er bestaat voor het overige geen verband tussen de verklaringen die de kroongetuigen over deze kwesties hebben afgelegd en hun verklaringen over de betrokkenheid van verdachte bij de feiten die aan hem ten laste zijn gelegd. Ook daarom brengt de spanning tussen de verklaringen van de kroongetuigen onderling en die van Ros met Saro en Habes en Alex de Boer, op zichzelf niet mee dat de verklaringen van de kroongetuigen over de betrokkenheid van verdachte bij strafbare feiten niet bruikbaar zijn. Die verklaringen zullen op hun eigen kwaliteit en waarde worden beoordeeld, met de behoedzaamheid en het voorbehoud dat er steunbewijs is, zoals die door het hof al zijn genoemd. Met het voorgaande en de hiervoor herhaalde overwegingen van het hof in het Passageproces over deze kwesties is ook antwoord gegeven op de vraag van de verdediging hoe het kan dat La Serpe aan de ene kant een betrouwbare getuige zou kunnen worden gevonden, terwijl hij aan de andere kant Ros compleet verkeerd zou hebben begrepen waar het om moordopdrachten zou gaan (zaaksdossier Oma). Een van hen heeft in dat zaaksdossier niet volledig naar waarheid verklaard, maar die kwestie staat los van de feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd en het doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om hun verklaringen over die feiten op betrouwbaarheid te toetsen.
Hierna zal het hof dus beoordelen welke betekenis aan de verklaringen van de kroongetuigen moet worden toegekend waar zij belastend over verdachte verklaren. Bij elk van de beide kroongetuigen zal aandacht worden besteed aan een aantal kwesties die verband houden met de beschuldigingen waartegen verdachte zich moet verweren.
2.5.3.3 La Serpe over verdachte
‘Dezelfde info een andere inhoud geven’
De overstap van La Serpe van een misdadiger die betrokken was bij het voorbereiden en uitvoeren van moorden, naar een kroongetuige die tegenover politie en justitie volledige openheid van zaken moest geven over zijn eigen handelen en dat van anderen, is een proces geweest waarin bij hem het vertrouwen in politie en justitie heeft moeten groeien, zoals La Serpe zelf heeft verklaard. In deze beginfase, tijdens het afleggen van zijn kluisverklaringen van 11 september 2006 tot en met 2 november 2006, heeft de aarzeling bij La Serpe hem ertoe gebracht om te proberen niet alle schepen achter zich te verbranden. La Serpe heeft aanvankelijk geprobeerd om tactisch om te gaan met zijn verklaringen en had daarvoor zogenoemde ‘zekerheidjes’ ingebouwd, een variant van gebeurtenissen die hij eventueel zou kunnen gebruiken om zichzelf vrij te pleiten. Daarnaast had hij de afspraak gemaakt over de ‘Holleeder-weglatingen’ die hiervoor al aan de orde zijn gekomen. Aanvankelijk heeft La Serpe in zijn kluisverklaringen ook niet verklaard over zijn eigen rol bij de moord op Houtman. Dat deed hij voor het eerst op 2 november 2006. Veel van de vragen over de wijze waarop La Serpe heeft verklaard, zijn opgehelderd of niet van belang voor de belastende verklaringen van La Serpe over verdachte. Een uitzondering daarop vormt het volgende.
Op 22 november 2006 heeft La Serpe in een gesprek met officier van justitie mr. De Haas iets recht willen zetten uit zijn verklaring van 12 september 2006. Op 12 september 2006 had La Serpe verklaard over zijn wetenschap van de betrokkenheid van verdachte bij de moord op Van Hout. La Serpe zei tegen mr. De Haas dat hij in zijn verklaring van 12 september 2006 in dit verband op een bepaald punt ‘dezelfde informatie een andere vorm heeft gegeven’. Dat klinkt uiterst dubieus. Tegelijkertijd moet die mededeling worden gezien in verband met de twijfel en onzekerheid waarin La Serpe zich bevond bij het afleggen van zijn eerste kluisverklaringen. Die twijfel en onzekerheid zijn begrijpelijk. En nog belangrijker, op 22 november 2006 heeft La Serpe recht willen zetten wat hij eerder niet correct heeft verklaard. In dit verband is van belang om precies vast te stellen wát La Serpe recht wilde zetten; op welk punt heeft hij dezelfde informatie een andere vorm gegeven? Dat is niet meteen helder geworden.
Nadat in het Passageproces de afspraak over de Holleeder-weglatingen bekend was geworden en La Serpe daaraan niet langer vasthield, is door mr. De Haas op 10 oktober 2011 een proces-verbaal opgemaakt over het gesprek van 22 november 2006 met La Serpe.[_80d90feb-ae09-4946-8aaa-924a57fd3757] Dat proces-verbaal van mr. De Haas houdt onder meer in:
“In het overleg op 22 november 2006 vertelde La Serpe dat hij tijdens het oriënterend gesprek op 12 september 2006 in strijd met de waarheid had aangegeven dat hij wetenschap zou hebben over de betrokkenheid van Holleeder bij de liquidatie van Cor van Hout.
Op 12 september 2006 had La Serpe tegenover de CIE rechercheurs aangegeven dat hij van Jesse had gehoord dat Jesse van Holleeder een aanbod had gekregen om Cor van Hout te liquideren voor 500.000. La Serpe vertelde verder dat hij gehoord had dat Jesse van iemand een aanbod had gekregen om Holleeder te liquideren voor 1 miljoen, maar dat Jesse daarop naar Holleeder toe zou zijn gegaan en aldus het contact tussen Jesse en Holleeder zou zijn ontstaan. Voorts vertelde La Serpe op 12 september 2006 dat Jesse van Ali had gehoord dat Willem Holleeder op enig moment zou hebben aangegeven dat Van der Bijl prioriteit had.
In het overleg op 22 november 2006 vertelde La Serpe dat hij in september 2006 in strijd met de waarheid de liquidatie Cor van Hout had benoemd in relatie tot Holleeder omdat hij volgens eigen zeggen toen nog niet in staat was om over de liquidatie van Houtman te verklaren. La Serpe verklaarde dat datgene wat hij over Willem Holleeder had verklaard in relatie tot de liquidatie op Van der Bijl en Houtman volledig naar waarheid was.”
Dit proces-verbaal kan zo worden gelezen dat La Serpe alles heeft willen intrekken wat hij op 12 september 2006 heeft verklaard over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op Van Hout. Maar die lezing is moeilijk te rijmen met de latere verklaringen van La Serpe, waarin hij consequent is gebleven bij de meeste elementen van zijn verklaring over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op Van Hout, waaronder ook zijn verklaring over hetgeen hij bij een ontmoeting op Schiphol van Remmers heeft gehoord.[_e6d926ab-bb8c-4bf2-89f0-38851e1616e2]
In dit verband is van betekenis het verhoor van La Serpe ter terechtzitting van 25 oktober 2011 in het Passageproces bij de rechtbank, met daarin kort opeenvolgend de onderstaande passages:[_7e69cdb0-987d-4f0f-ab95-bba3e2ba7550]
(1) “Aan de hand van de volgende feiten heb ik de volledige overtuiging gekregen dat Willem Holleeder achter de moord op Cor van Hout zit. Aan de hand van het aanbod van 500.000 dat Jesse heeft gekregen om Cor van Hout dood te schieten, aan ‘de power van Holleeder achter mij’, het feit dat hij refereerde aan de helmen toen wij in de auto zaten met Fred Ros, het feit dat [betrokkene 20]tegen mij zei: ‘Ze hadden toch helmen op’, en waarbij zij in ieder geval over Jesse sprak, aan het feit dat ik met Jesse wegreed van Holleeder en dat Holleeder tegen mij had gezegd: ‘Je kan het beter niet met Peter R. de Vries over Cor hebben’, en dat ik zei tegen Jesse: ‘Wat een rat dat hij zijn eigen vriend dood heeft laten schieten’, en dat Jessie toen zei: ‘Het waren allang geen vrienden meer.’ Aan de hand van die voorbeelden heb ik de overtuiging gekregen dat Willem Holleeder achter de moord van Cor van Hout zit.
Dat neemt niet weg dat ik in het begin, toen ik de CIE amper kende, veel heb afgetast. Praten met de politie is voor mij iets heel vreemds. Ik vroeg mij af of ik wel iets kon verklaren zonder dat het tegen mij gebruikt zou worden. Ik heb daar in het begin van mijn verklaringen veel over gesproken, over de ‘zekerheidjes’. Het vertrouwen in mijn gesprekspartners is heel langzaam gegroeid. Met dat in mijn achterhoofd heb ik mijn CIE-ers getest. Ik weet niet meer precies met wat, maar in ieder geval niet met die 500.000 want dat is absoluut gebeurd op Schiphol.
Ik weet niet meer precies op welke manier ik dat heb gedaan. Ik heb dat in ieder geval gedaan om te kijken of zij te goeder trouw waren, of zij iets van mij wilden en op welke wijze wij met elkaar zouden gaan communiceren. In die context is dat verteld. En daarom heb ik later, op 22 november geloof ik, toen ik wel aan het praten ben gegaan en mijn verklaringen heb afgelegd, verteld dat ik iets over Holleeder had verteld wat niet klopte.”
(2) “U houdt mij voor dat ik op 12 september 2006 zou hebben verklaard tegenover de CIE dat Jesse van Holleeder het aanbod had gekregen om Cor van Hout te liquideren.
Dat klopt absoluut niet. Ik weet niet hoe dat bij De Haas tot stand is gekomen. Ik heb niet tegen De Haas gezegd dat ik heb gehoord van Jesse dat hij 500.000 voor Cor van Hout kreeg, maar dat is niet waar. Dat heb ik niet gezegd. Als dat zo begrepen is, dan is dat verkeerd begrepen.”
(3) “Inhoudelijk weet ik niet meer wat ik op 12 september tegen de CIE heb gezegd. Ik kan mij wel herinneren dat ik later iets heb teruggetrokken, ik weet niet of dat op 22 november was. Toen heb ik gezegd van: ‘Hé luister, dat klopte niet.’ De reden die heb ik net proberen uit te leggen. (…) U leest de een na laatste alinea voor van pagina 2 van het proces-verbaal van De Haas tot en met de zin: ‘Voorts vertelde La Serpe op 12 september 2006 dat Jesse van Ali had gehoord dat Willem Holleeder op enig moment zou hebben aangegeven dat Van der Bijl prioriteit had.’ (…)
Alles wat hier staat klopt als een bus. Hetgeen ik heb teruggetrokken staat hier niet bij. Ik weet alleen niet meer wat ik heb teruggetrokken.
Ik hoor u zeggen dat ik heb teruggetrokken wat u zojuist heeft voorgelezen.
Dat is absoluut niet waar. Alles wat ik heb verklaard, ook deze drie zaken, zijn absoluut gebeurd.
U vraagt mij of het aanbodverhaal van 500.000 is gebeurd. Ja, dat klopt, dat was het Schipholverhaal. Het verhaal van ‘de power van Holleeder achter mij’ klopt ook.”
(4) “U vraagt mij of ik er ook achter sta dat het aanbod van Holleeder kwam.
Dat heb ik nooit verteld in mijn verklaring. Dat is mijn indruk.
U houdt mij voor dat dat in het proces-verbaal van De Haas staat.
Ik weet niet wat hij geïnterpreteerd heeft. Ik heb op zitting uitgebreid over Schiphol verklaard en toen heb ik ook gezegd: ‘Ik ben er niet bij geweest dat Holleeder die opdracht gaf, ik had alleen de indruk en de overtuiging dat dat van Holleeder kwam.’
U houdt mij voor dat het erom gaat dat in het proces-verbaal van De Haas staat dat ik zou hebben gezegd dat het aanbod van Holleeder kwam.
Ik kan mij dat niet herinneren dat ik dat op deze manier heb verteld, wellicht ben ik te stellig geweest.”
(5) “U houdt mij voor dat is terug te lezen in het proces-verbaal van De Haas dat ik dat heb gezegd op 12 september 2006 en dat ik dat heb teruggenomen op 22 november 2006. Ik denk dat er een verwarring is ontstaan, want alles wat hier staat is absoluut gebeurd. Ik weet dat ik iets heb teruggenomen, ik weet alleen niet meer wat dat was.”
De verdediging heeft in het pleidooi bij de rechtbank gewezen op passage (2) en (4) om de inconsistentie van La Serpe aan te tonen. Een precieze duiding van deze passages blijft lastig: mogelijk is in het zakelijk weergeven van de verklaring van La Serpe iets relevants weggevallen, mogelijk reageert La Serpe op de suggestie van de letterlijke bewoordingen waarin iets zou zijn gezegd, mogelijk hebben de betrokkenen ter terechtzitting elkaar niet direct goed begrepen. Wat daar verder ook de reden van is, gelet op hetgeen aan deze passages voorafgaat en hetgeen erop volgt, is wel duidelijk dat La Serpe niet alles heeft willen intrekken wat hij op 12 september 2006 heeft verklaard over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op Van Hout. La Serpe blijft ook in dit verhoor bij de kern van wat hij op 12 september 2006 al heeft verklaard, maakt duidelijk dat mr. De Haas hem verkeerd heeft begrepen, maar verklaart ook dat mr. De Haas in zijn proces-verbaal van 11 oktober 2011 niet heeft genoemd wát La Serpe op 22 november 2006 heeft willen intrekken.
Inmiddels is wel te reconstrueren wat La Serpe op 22 november 2006 heeft willen corrigeren uit zijn verklaring van 12 september 2006. Het gaat om de onderstreepte zinnen uit de hiernavolgende onderdelen van de verklaring van La Serpe. Het zijn onderdelen uit de woordelijke uitwerking van zijn verklaring van 12 september 2006:[_f39d604b-7dca-4ab3-a668-d5b3e6d8fee0]
“G: Met een balkje voor mijn ogen. Dus ik zeg zo tegen Jesse: ‘Luister eens ... dat ga ik niet doen. Hoe kun je het in je hoofd halen.’ Snap je ? ...Je gaat toch niet verwachten dat ik met mijn kop op de camera ga? ... Dus hij heb heleboel dingen gezegd om te kijken, om mij over te halen zeg maar weetje wel en Willem heb ook nog wel wat gezegd dus ehh ... maar voor mij was dat not done. Laat ik het zo zeggen. Dus wat heb ik gedaan .... Ik maakte een opmerking, maar ze willen over Cor praten. Omdat ik wist dat Willem achter Cor zat. Dat wist ik van Jes.
G: Ze willen over Cor praten. En toen maakte Willem eerst de opmerking: ‘Luister je moet niet over Cor praten met Peter’ want als ehh ... Peter. .. ik zal het letterlijk terughalen. ‘ Als Peter weet dat dat van mij afkomt zijn wij geen vrienden meer ’ en toen kwam Jes ertussen en die zei: ‘Je weet toch dat Peter en Cor vrienden waren?’ Toen zei ik: ‘Ja, ja, ja’. En toen kwam Peter er aan rijden en toen vroeg Willem aan mij of ik Peter op wilde halen.”
Verderop in dit verhoor van 12 september 2006 heeft La Serpe nog eens herhaald:
“Volgens mij zei ie: ‘Als die weet dat dat van mij afkomt’.”[_b60f8789-9468-4c43-b4ec-280ef47a7b5e]
Volgens deze onderstreepte zinnen zou La Serpe rechtstreeks uit de mond van verdachte hebben gehoord dat verdachte achter de moord op Van Hout zat. Dat hij dat uit de mond van verdachte heeft gehoord, heeft La Serpe in latere verklaringen niet herhaald. Dit specifieke aspect is wat La Serpe op 22 november 2006 in het gesprek met De Haas recht heeft willen zetten. Nadat mr. De Haas daarover op 10 oktober 2011 een proces-verbaal had opgemaakt en nadat La Serpe daarover op 25 oktober 2011 kritische vragen waren gesteld, is het bewuste gesprek van 22 november 2006 alsnog woordelijk uitgewerkt.[_65b6293b-0b09-45f9-b398-140457e23cc2] Dit brengt met zich dat het hof in deze woordelijke uitwerking kan nagaan wat La Serpe precies heeft gezegd. De relevante passage uit dit gesprek zijn hieronder weergegeven. Dit gespreksverslag houdt (hier met onderstrepingen door het hof) onder meer in:
“G: Nee, das niet waar he... Cor van Hout klopt niet, kijk ...In het begin, in de beginfase toen ik bij jullie aan tafel zat of met eh je collega’s toen ehh .... Ik voel jullie af en eh ik gooi die lijnen niet kapot, snap je, in het praten met... dat heb ik tegen Carel en Henk gezegd en ook verteld trouwens, het praten met Carel en Henk kijk het verhaal Holleeder dat dat had ik achter me, maar ik denk eh ik wil eh hun reactie zien op het moment dat ik, snap je wat ik bedoel, omdat Holleeder de man is. Alleen heb ik Cor van Hout genoemd als zijnde dat Holleeder die genoemd heeft want das nie waar, dat was om hun reactie te peilen, toen zat ik nog in de begin, in de beginfase van, dat was voor mezelf om af te voelen voor hoever kan ik gaan met eh over Holleeder te verklaren, snap je wat ik bedoel, dus ik heb de informatie die ik heb die heb ik achtergehouden en ehh dan heb ik eh dezelfde informatie een andere vorm gegeven om een reactie te krijgen. Begrijp je wat ik bedoel. Kijk over van Hout kan ik wel verklaren maar of ik dat eh eh dat eh d de helmen, eh waar ze die gekocht, Jes, weetje wel ehh ..en Francis en dergelijke dus, maar toen ehh duh in het gesprek met eh ... met Holleeder in eh in Naarden in Naardenvesting en wat is dat in restaurant, toen vroeg Jes om een klus, dat dat dat is het enige wat er gebeurt is Jes vroeg om een klus. En Holleeder zei neem contact op met Dino, hij had er genoeg neem contact op met Dino, en dat is wat Holleeder zei. (…)
A: ... Dat hele Naardenvestingverhaal dat is toch wel op papier gekomen.
G: Ja dat Naardenvestingverhaal wel, maar kijk, wat er in Naardenvesting gebeurt is, is dit, dat Jes vroeg om een klus, ik wist dat ie een klus zou vragen, Jes vroeg om een klus en Willem zei eh .. geloof morgen wel, ga morgen maar naar Dino, weet je wel, ga maar naar Dino, weet je wel ik heb er genoeg. Dat is het enige wat daar gebeurt is eh strafbaar van hem naar mij of Jes, op dat moment. ”
De getuige heeft in het gesprek van 22 november 2006 dus gezegd: ‘alleen heb ik Cor van Hout genoemd als zijnde dat Holleeder die genoemd heeft want das nie waar’, ‘ik zat nog in de beginfase’, en ‘dus heb ik de informatie die ik heb achtergehouden en dezelfde informatie een andere vorm gegeven’. La Serpe zegt hier dat het niet klopt dat hij uit de mond van verdachte heeft gehoord over zijn betrokkenheid bij de moord op Van Hout. Deze uitlatingen kunnen inmiddels worden beoordeeld tegen de achtergrond dat La Serpe op 12 september 2006 nog niet zover was om te verklaren over zijn betrokkenheid bij de moord op Houtman. Op 2 november 2006 heeft La Serpe voor het eerst verklaard over de ontmoeting van hem en Remmers met verdachte op het Gelderlandplein, toen Remmers en La Serpe bezig waren met de voorbereiding van de moord op Houtman, waarbij La Serpe uit de mond van verdachte hoorde: ‘als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie’.[_b001b2d4-e7a0-44bb-9d66-8708811a822a] Deze verklaring van 2 november 2006 bevat de informatie dat La Serpe zelf rechtstreeks uit de mond van verdachte hoorde dat hij betrokken was bij een moordopdracht aan Remmers. Dat is naar het oordeel van het hof de informatie die La Serpe op 12 september 2006 nog had achtergehouden en destijds nog een andere vorm had gegeven door te beweren dat hij uit de mond van verdachte had gehoord over zijn betrokkenheid bij de moord op Van Hout. Dat La Serpe uit de mond van verdachte had gehoord over zijn betrokkenheid bij de moord op Van Hout klopt dus niet, dat heeft La Serpe op 22 november 2006 rechtgezet. In het woordelijk uitgewerkte verslag van het gesprek op 22 november 2006 is niet te lezen dat La Serpe voor het overige iets heeft ingetrokken wat hij heeft gezien en gehoord over de betrokkenheid van Remmers bij de moord op Van Hout en over de rol van verdachte.
Het hof stelt vast dat deze reconstructie van het gesprek van 22 november 2006 niet eerder is besproken in het Passageproces of in de zaak tegen verdachte. Het hof heeft deze lezing aan de procespartijen voorgelegd op de zitting van 29 maart 2021 om hen de gelegenheid te geven daarover hun standpunt kenbaar te maken.
Power van Holleeder
De rechtbank heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van verklaringen van La Serpe met als strekking dat hij van Remmers heeft gehoord dat hij van verdachte de opdracht had gekregen om tegen betaling Van Hout te vermoorden. De verdediging en het openbaar ministerie verschillen van opvatting over de bruikbaarheid van deze verklaring van La Serpe. Zij waarderen de consistentie van deze verklaringen en de verificatie- en toetsmogelijkheden anders en verschillen van mening over de vraag of Ros steun kan bieden aan de verklaring van La Serpe.
De veronderstelling van de verdediging dat La Serpe zijn verklaring dat Remmers zei de power van Holleeder achter zich te hebben, heeft ingetrokken, behoeft geen bespreking meer. Uit het voorgaande volgt al dat het hof de verdediging daarin niet volgt.
In zijn kluisverklaring van 12 september 2006 heeft La Serpe kort samengevat verklaard dat hem bekend is dat Remmers voor verdachte werkt. De eerste keer dat hij dit van Remmers hoorde, was destijds ‘ongeveer drieënhalf jaar geleden’ tijdens een ontmoeting op Schiphol waar Greg Remmers, die destijds in een open kamp zat, zijn dochters uit Spanje kwam ophalen. Daar hoorde La Serpe van Remmers dat Remmers van verdachte ‘een aanbod kreeg om Cor te doen’. Volgens La Serpe is hij toen met Remmers een stuk gaan lopen en vertelde Remmers hem ‘dat hij Cor aangeboden had gekregen van Willem Holleeder’ en ‘dat hij contact had met Willem, daar ging hij helemaal prat op’. Volgens La Serpe vertelde Remmers hem ‘dat hij aangeboden had gekregen om Cor te liquideren voor vijfhonderdduizend Eurotjes. ...En dat dat goed voor zijn carrière zou zijn’. Bij navraag of Remmers daarbij vertelde dat de opdracht van Willem Holleeder kwam, antwoordde La Serpe ‘Ja, want daar ging hij juist prat op, zijn carrière schoot omhoog’.[_d5b1f450-eed3-4b23-9623-3ecf9e811f09] Remmers heeft bevestigd dat hij in de periode voor de moord op Van Hout met zijn vader, die toen op verlof was vanuit detentie, diens dochters op Schiphol heeft opgehaald.[_ae23ad5e-4ca5-48ad-b943-86b981cae2d4]
Op 31 oktober 2006 verklaarde La Serpe dat hij denkt dat de ontmoeting op Schiphol in 2002 heeft plaatsgevonden, vóór de moord op Van Hout in 2003 en dat Greg Remmers in elk geval in een open kamp zat ten tijde van de ontmoeting.[_700bb0ef-dcbd-4dee-9e7c-139c84d576c9] Ook in latere verklaringen heeft La Serpe nog meermalen over dit gesprek met Remmers op Schiphol verklaard en over de opdracht van verdachte aan Remmers om tegen betaling Van Hout te vermoorden en over de mededeling van Remmers in dit verband dat hij ‘de power van Holleeder’ achter zich had.[_0b0b48a6-1f5f-4ff1-b30f-a44faf9c6653]
Overigens heeft La Serpe verklaard dat Remmers ook na die keer tijdens het gesprek op Schiphol meermalen heeft gezegd dat hij de power van Holleeder achter zich had.[_8dd4b34e-1c86-4c05-98c7-92eb19211d6f] De verdediging gaat aan die verklaring voorbij als zij zou menen dat La Serpe daarover niet consistent verklaart wanneer La Serpe deze opmerking in andere verklaringen in een andere context plaatst.
Het hof acht de verklaring van La Serpe voldoende consistent. Dat La Serpe in de loop van 12 jaar niet tot in elk detail steeds volkomen identiek verklaart, doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Het hof is van oordeel dat de verklaring van La Serpe betrouwbaar is en dat tot het bewijs kan bijdragen dat Remmers in dat gesprek heeft verklaard over het aanbod van verdachte om Van Hout tegen betaling te vermoorden, in verband waarmee Remmers zei dat hij de power van Holleeder achter zich had. Aan dat oordeel dragen alle overige bewijsmiddelen bij waarin naar voren komt dat Remmers zich voor verdachte bezighield met het uitvoeren van moorden. In onderlinge samenhang met die bewijsmiddelen, biedt aan de verklaring van La Serpe ook steun de verklaring van Ros dat ook hij Remmers heeft horen zeggen dat hij de power van Holleeder achter zich had bij het uitvoeren van moorden, een verklaring die hierna in paragraaf 2.5.3.4 nog zal worden besproken. Die verklaring van Ros staat voldoende op zichzelf, zodat niet aannemelijk is dat Ros hierover napraat wat hij gedurende het Passageproces uit de mond van La Serpe heeft gehoord. Immers, Ros verklaart anders dan La Serpe, er ook over dat hij een dergelijke uitlating van Remmers heeft gehoord met een meer algemene strekking. Ros heeft verklaard dat Remmers, toen Ros hem net leerde kennen, liet doorschemeren dat hij ‘de power van grote mensen in de onderwereld achter zich had’ en later ook tegen hem zei dat ‘hij blij was dat hij de power van Soerel en Holleeder achter zich had’.[_7a3b1236-67b9-40e5-94c4-554c86c03164] Deze verklaringen van Ros wijken wat af van wat La Serpe heeft verklaard. Het hof ziet dat als een aanwijzing dat Remmers zich in deze termen uitsprak en dat zowel La Serpe als Ros hebben verklaard over wat zij zelf met Remmers hebben meegemaakt.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en is van oordeel dat voor het bewijs gebruik kan worden gemaakt van de verklaring van La Serpe over wat Remmers hem heeft verteld over de betrokkenheid van verdachte als opdrachtgever van de moord op Van Hout.
Ontmoeting in Naarden-Vesting en hulp bij autohuur
La Serpe heeft verklaard over ontmoetingen met verdachte op 8 november 2004. Die dag heeft volgens La Serpe eerst in Het Arsenaal te Naarden-Vesting een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte, Remmers, La Serpe en De Vries. Deze ontmoeting is later op die dag gevolgd door een ontmoeting tussen verdachte en La Serpe in Amsterdam.
La Serpe heeft verklaard dat Remmers hem op die dag heeft meegenomen naar restaurant Het Arsenaal in Naarden-Vesting. Zij reden toen in een auto van het autoverhuurbedrijf [bedrijf 2]. In Het Arsenaal hebben zij verdachte ontmoet. Volgens La Serpe heeft De Vries zich later bij hen gevoegd. La Serpe is niet de hele tijd bij het gesprek tussen verdachte en Remmers geweest omdat hij Remmers eerst alleen heeft gelaten met verdachte en hij later De Vries buiten het restaurant tegemoet is gelopen.[_549063b9-27cb-4764-bfa5-ccac06e5c692]
Het hof heeft kennisgenomen van de verklaringen van La Serpe en van de getuigen [betrokkene 22][_3574b65c-fd7a-4b0f-8f2b-bf68ed31e745] en [betrokkene 23].[_8bfaea87-c392-49b3-af5f-ab41ef640374] [betrokkene 22] en [betrokkene 23] zijn personeelsleden van Het Arsenaal zonder enig belang om iets anders te verklaren dan wat zij zich daarvan herinneren. [betrokkene 22] heeft verklaard dat hij verdachte kent uit Barbizon Palace waar verdachte regelmatig kwam. [betrokkene 22] heeft verklaard dat hij in de periode dat hij in Het Arsenaal werkte verdachte alleen die dag heeft gezien. De Vries voegde zich volgens [betrokkene 22] later bij hen, zoals ook La Serpe heeft verklaard. In het dossier bevindt zich ook een bericht dat is aangetroffen in de laptop van Remmers en dat kennelijk is gericht aan De Vries, waarin ‘Willem’ als aanwezige bij het gesprek wordt genoemd.[_b9742fd5-ebf1-4488-8a09-617a8c664573] Het hof leidt uit deze verklaringen en dit bericht af dat, anders dan Remmers en verdachte hier over hebben verklaard, verdachte inderdaad bij deze ontmoeting aanwezig is geweest. De verklaring van La Serpe wordt ook ondersteund door de verklaring van Remmers voor zover hij heeft verklaard dat hij toen een ontmoeting wilde regelen waarbij verdachte, De Vries, La Serpe en hijzelf aanwezig zouden zijn, met als doel dat La Serpe zou worden opgenomen.[_77040a27-d10f-463f-a8a1-f185afee5b89] Remmers heeft daarbij ook verklaard dat uiteindelijk niet verdachte maar Hans Nijman in Het Arsenaal aanwezig was. Het hof vindt dat deel van de verklaring van Remmers ongeloofwaardig. Ten eerste omdat Remmers in zijn mail aan De Vries niet spreekt over de aanwezigheid van ene Hans, maar over Willem, en ten tweede omdat dit onderwerp vele malen aan de orde is geweest in meerdere strafzaken, terwijl niemand ooit Nijman heeft genoemd als degene die daar toen aanwezig was. Remmers heeft de naam van Nijman in dit verband pas uitdrukkelijk genoemd op de zitting in hoger beroep in de zaak tegen verdachte, op een moment waarop verificatie onmogelijk is omdat Nijman toen reeds was doodgeschoten.
Dat verdachte met La Serpe en Remmers in Het Arsenaal was, wordt ook ondersteund door de huur van een auto bij Auto [betrokkene 17]. La Serpe en Remmers hebben namelijk beiden verklaard dat zij zich verplaatsten in een ‘oud barrel’. Dat was onveilig, omdat Remmers voortvluchtig was en deze auto aandacht van de politie zou kunnen trekken. Volgens La Serpe wilde verdachte niet dat Remmers in die auto bleef rijden en heeft hij in Naarden-Vesting gezegd ‘Kom ‘s avonds naar de Bijlmer, dan krijg je een nieuw autootje van me’.[_8f8b15e0-9f75-47e7-823f-d956ecd9c784] Dit betekent dat de uitkomst van het onderzoek naar de autohuur bij Auto [betrokkene 17], de ontmoeting van verdachte met eerst Remmers en daarna La Serpe later die dag in Amsterdam op de H.J.E. Wenckebachweg, ondersteuning biedt aan de verklaring van La Serpe over de ontmoeting met verdachte in Naarden-Vesting.
De Vries is over die ontmoeting tweeëneenhalf jaar later voor het eerst gehoord[_da1b2d7e-60ac-4b02-abf7-885f8f5dd5cf] en heeft verklaard dat hij geen herinneringen heeft aan een ontmoeting in het betreffende restaurant met deze drie personen. Hij heeft verklaard dat hij een dergelijke ontmoeting onwaarschijnlijk acht en heeft ook uitgelegd waarom. Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van De Vries niet kunnen afdoen aan de inhoud van de hiervoor genoemde stukken en verklaringen. Overigens kan De Vries zich wel herinneren dat hij een ontmoeting met La Serpe en Remmers in Naarden-Vesting heeft gehad[_018d7f0b-ada0-4721-8b65-91a2e70a8191] en in zijn agenda is op 8 november 2004 een afspraak in Het Arsenaal vermeld.[_076aa484-d477-4ebb-8ac5-123ff4b28cc1]
De verklaring van La Serpe over de ontmoeting met verdachte in Het Arsenaal is om de volgende redenen van belang voor het bewijs.
La Serpe heeft verklaard dat de reden voor de ontmoeting met dit gezelschap te Naarden-Vesting was, dat Remmers en verdachte wilden dat La Serpe in een tv-programma van De Vries de CIE zwart zou maken. La Serpe wilde daaraan niet meewerken. Om daar onderuit te komen, en omdat La Serpe wist dat verdachte achter de moord op Van Hout zat, heeft La Serpe gezegd dat ‘ze (de CIE) over Cor willen praten’. Daarop zei verdachte dat La Serpe ‘niet over Cor moest praten met De Vries’.[_0b79e19a-806a-4d3e-86c2-c014ad1406a6] Na die ontmoeting heeft La Serpe tegen Remmers iets gezegd met de strekking dat verdachte ‘een schoft/hond was omdat hij zijn goede vriend Cor/jeugdvriend had laten doodschieten’. Remmers had daarop geantwoord dat zij ‘al een tijdje/allang geen vrienden meer waren’.[_ca99fc24-f95e-4283-b9ba-3a3db1a7d1a3]
La Serpe heeft dit opgevat als een bevestiging voor het idee dat Remmers in opdracht van verdachte Van Hout heeft vermoord; een idee dat bij hem was ontstaan naar aanleiding van hiervoor genoemde gebeurtenissen, de ontmoeting Schiphol en de opmerking van Remmers over de aankoop van helmen die – zo begreep La Serpe – door de motorrijders bij de moord op Van Hout waren gebruikt.[_0c8c2854-dc84-48f5-880b-d9ea15e61352]Ook over die andere gebeurtenissen heeft La Serpe naar het oordeel van het hof voldoende consistent verklaard.[_8eb7b207-5488-4053-ab27-b3c3404a3e34]
Ook is de verklaring van La Serpe over deze ontmoeting in Naarden-Vesting van belang, omdat La Serpe daarover op 22 november 2006 heeft verklaard dat hij van Remmers heeft gehoord dat hij, buiten aanwezigheid van La Serpe,[_a94d7594-f7fe-4747-ae9f-6f60e736b1aa] verdachte had gevraagd om een liquidatieklus. Daarop heeft verdachte tegen Remmers gezegd dat hij de volgende dag naar Soerel kon gaan: “Jes vroeg om een klus. En Holleeder zei neem contact op met Dino, hij had er genoeg neem contact op met Dino, en dat is wat Holleeder zei’ (…) Jes vroeg om een klus en Willem zei (…) ga morgen maar naar Dino, weet je wel, ga maar naar Dino, weet je wel ik heb er genoeg”.[_61951203-59e0-4d63-bee9-2a85db1a0543] Toen La Serpe ter terechtzitting op 25 oktober 2011 hiernaar werd gevraagd, had hij daaraan geen herinnering; ook in latere verhoren herinnerde hij zich dat niet.[_ada34a57-24b6-4f28-be5b-bbc7251644a8] Dit wordt naar het oordeel van het hof afdoende verklaard door het tijdsverloop van bijna vijf jaar nadat La Serpe hierover had verklaard en bijna zeven jaar na de gebeurtenis. Dat La Serpe zich dat veel later niet meer kon herinneren, doet niet af aan de bruikbaarheid van zijn verklaring die hij op dit punt op 22 november 2006 heeft afgelegd.
De verdediging heeft er in dit verband nog op gewezen dat deze verklaring is afgelegd in de fase waarin La Serpe tactisch bezig was, zodat niet meer is na te gaan of dit een tactisch moment was dat buiten beschouwing moet blijven, of juist een moment waarop hij naar waarheid heeft verklaard. Het hof volgt de verdediging hierin niet. Deze verklaring kan niet tactisch zijn op de manier waarop La Serpe dat deed, omdat deze verklaring over wat verdachte tegen Remmers heeft gezegd niets te maken heeft met de mate waarin er tegen La Serpe belastend bewijs bestaat en dit ook geen ‘zekerheidje’ zal zijn geweest. La Serpe heeft verteld dat hij ‘zekerheidjes’ had ingebouwd voor het geval hij alsnog onder de misdrijven uit zou willen komen waarover hij aan het verklaren was. Hij wilde dan kunnen aantonen dat het niet klopte wat hij had verklaard. Het gaat hier echter niet om feiten waarbij hij later aan de hand van ander objectief bewijs zou kunnen aantonen dat die feiten onjuist waren en waarmee hij zou kunnen onderbouwen dat hij in zijn kluisverklaring maar wat zou hebben gezegd.
Ook is niet aannemelijk dat dit deel van de verklaring van La Serpe valt onder het deel waarin hij ‘dezelfde informatie een andere inhoud’ heeft gegeven en waar La Serpe later op terug is gekomen. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld waarop dat betrekking had. La Serpe heeft ter terechtzitting van 11 oktober 2018 in Vandros verklaard dat hij zeker weet dat hij in zijn verklaringen geen rol voor verdachte heeft verzonnen om zijn waarde als kroongetuige te vergroten.[_84bbeb1b-ec75-4f44-a615-8840cfe4706a] Die stelling wordt ondersteund door de gang van zaken rond de weglatingsafspraak. La Serpe wilde juist niet dat zijn verklaringen over verdachte naar buiten zouden komen en een rol zouden spelen in een strafzaak.
De verdediging vindt het een groot verschil maken of verdachte in Naarden-Vesting bij het verwijzen naar Soerel zou hebben gezegd: ‘ga maar naar Dino, hij heeft er genoeg’, of ‘ga maar naar Dino, ik heb er genoeg’. De verdediging stelt zich op het standpunt dat onduidelijk en niet toetsbaar is wat La Serpe heeft verklaard. Het hof volgt de verdediging daarin niet. Het hof begrijpt de letterlijke weergave van de mededeling van verdachte aan Remmers zo, dat verdachte daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat hij, verdachte, genoeg liquidatieklussen had en dat Remmers zich daarvoor op de volgende dag maar bij Soerel moest melden. Het woord ‘hij’ in dat citaat kan inderdaad worden begrepen als Soerel, maar ook als verdachte. Iets later herhaalt La Serpe deze uitlating van verdachte. Willem zei ‘ga maar naar Dino, weet je wel ik heb er genoeg’. Uit die herhaling wordt duidelijk dat La Serpe heeft verklaard dat verdachte had gezegd dat hijzelf er genoeg had. Het hof ziet dan ook geen verschil in de betekenis van deze verklaringen. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, ook als verdachte tegen Remmers zou hebben gezegd dat hij maar naar Soerel moest gaan omdat Soerel genoeg liquidatieklussen had, dit belastend voor verdachte is. Uit die uitspraak van verdachte blijkt ook dan immers dat Soerel en verdachte samenwerkten bij het geven van moordopdrachten aan Remmers. Remmers kiest verdachte uit om te vragen naar een moordopdracht, terwijl verdachte daar niet afwijzend op reageerde, maar Remmers adviseerde dat aan Soerel te vragen van wie verdachte wist dat hij er nog genoeg had. La Serpe had bij zijn nadere verhoren geen herinnering meer aan deze precieze gebeurtenis. Dit neemt niet weg dat er wel nader onderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar de context waarin deze uitlating is gedaan, ook aan de hand van nadere vragen aan La Serpe.
Ten slotte is de verklaring van La Serpe over de gebeurtenissen op 8 november 2004 van belang voor het bewijs waar hij heeft verklaard over de hulp van verdachte aan de destijds voortvluchtige Remmers en aan La Serpe bij het huren van een minder opvallende auto. Volgens La Serpe heeft verdachte in Naarden-Vesting de abominabele huurauto van [bedrijf 2] gezien waarin Remmers en La Serpe toen reden. Verdachte heeft hen aangeboden een andere auto te regelen want, zo heeft La Serpe bij de rechtbank verklaard, verdachte ‘wilde niet dat Remmers in die auto bleef rijden vanwege veiligheid’. Daarmee werd bedoeld, zo begrijpt het hof, dat Remmers gevaar liep om op de radar van de politie te komen.[_aba24524-63b6-45e6-b5c0-e63b44eadb72] Later diezelfde dag is La Serpe op aanwijzing van verdachte met hem meegegaan naar een autoverhuurbedrijf op de H.J.E. Wenckebachweg te Amsterdam, Auto [betrokkene 17], en heeft verdachte geholpen bij het huren van een andere auto. Volgens La Serpe heeft verdachte bij het afscheid tegen La Serpe gezegd dat als zij een nieuwe auto wilden, zij naar ‘Dino’ (Soerel) moesten gaan.[_80bca4d4-2224-4137-b143-87511c618d28]
Volgens verdachte volgde de afspraak met La Serpe op de Wenckebachweg na een spontane ontmoeting met Remmers eerder op die dag in dezelfde omgeving, waarbij Remmers verdachte zou hebben gevraagd om hulp bij het huren van een auto zonder creditcard. Volgens verdachte klopt het niet dat hij La Serpe naar Soerel zou hebben verwezen voor als Remmers en La Serpe een andere auto wilden hebben. De verdediging ziet steun voor de lezing van verdachte op dat laatste punt in de verklaring van getuige [betrokkene 17] bij de raadsheer-commissaris.
De verklaring van verdachte over een spontane ontmoeting met Remmers op de H.J.E. Wenckebachweg als aanleiding voor de afspraak met La Serpe acht het hof niet geloofwaardig. De verklaringen van verdachte en Remmers over de gang van zaken bij die spontane ontmoeting wijken zo veel en zo opvallend van elkaar af, dat het hof tot de conclusie komt dat zij beiden niet de waarheid spreken. Hetgeen verdachte en Remmers in dit verband hebben verklaard, is kennelijk een poging tot het schetsen van een alternatief scenario voor de totstandkoming van de ontmoeting tussen La Serpe en verdachte op 8 november 2004 te Amsterdam.
Verdachte verklaart immers over een spontane ontmoeting met Remmers, die hij niet tot nauwelijks kende ‘alleen van gedag zeggen’, en die hem wenkte en vroeg waar hij een auto kon huren met contant geld, waarop verdachte zijn hulp zou hebben aangeboden, gewoon ‘omdat hij vaak dingen doet voor mensen zonder er iets voor terug te vragen’. Verdachte zat daarbij volgens zijn verklaring op een scooter en Remmers zat volgens verdachte in een auto. Verdachte heeft gezien dat er iemand naast Remmers in de auto zat, maar heeft niet gezien wie dat was. Hij kende Hans Nijman destijds goed. Verdachte zou hebben gezegd dat hij een auto voor ze kon regelen, maar dat hij dan wel een rijbewijs nodig had. Volgens verdachte zou Remmers terugkomen, maar kwam vervolgens La Serpe. Verdachte heeft La Serpe naar Auto [betrokkene 17] gebracht en [betrokkene 17] heeft het daar verder afgehandeld.[_a37f6d11-d4ce-493b-bd70-0a10f42a861d]
Remmers heeft hierover verklaard dat Hans Nijman zijn gesprekspartner in Naarden-Vesting was. Volgens Remmers had Nijman hem en La Serpe daar zien komen aanrijden en was erover begonnen dat Remmers niet in een roestbak moest rijden omdat hij dan kon worden aangehouden, terwijl hij voortvluchtig was. Remmers reed in een auto van [bedrijf 2], omdat hij voor het huren daarvan geen creditcard nodig had. Volgens Remmers zou Nijman gaan kijken of hij een huurauto kon regelen zonder dat daarvoor een creditcard nodig was. Onderweg van Naarden-Vesting naar Amsterdam had Remmers hierover contact met Nijman. Nijman heeft Remmers in de Van Woustraat opgehaald en is met Remmers naar de Wenckebachweg gereden. Nijman ging iets proberen te regelen en ging buiten de auto druk bellen met iemand. Op dat moment zag Remmers dat verdachte aan kwam rijden op zijn scooter. ‘Verdachte liep naar Nijman toe’, althans ‘Nijman liep naar verdachte toe’ en Remmers liep ook naar hen toe. Toen vroeg Nijman aan verdachte of verdachte iets kon regelen zonder een creditcard. La Serpe was er toen niet bij, die zat Italiaans te eten in de Van Woustraat. Verdachte zei dat hij dat wel kon regelen. Nijman wilde de auto niet op zijn naam huren en Remmers had geen legitimatie bij zich. Toen heeft Nijman Remmers weer naar de Van Woustraat gebracht en daar zei Remmers tegen La Serpe dat hij naar die plek moest gaan en dat verdachte dat voor hem kon regelen. La Serpe is daar naar toe gegaan en even later zag Remmers La Serpe met die auto, aldus Remmers.[_e1817c95-13bc-4e02-9338-33e7346d8988]
Opvallend aan de verklaring van Remmers is dat deze op een aantal belangrijke punten overeenkomt met de verklaring van La Serpe, zij het dat Remmers in zijn lezing de rol die verdachte volgens La Serpe had, aan Hans Nijman toebedeelt. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op het initiatief dat ook volgens Remmers uitging van zijn gesprekspartner te Naarden-Vesting, waarbij deze gesprekspartner vond dat Remmers niet in een roestbak moest rijden, om te voorkomen dat Remmers zou worden opgepakt. Ook in de verklaring van Remmers staan de ontmoeting te Naarden-Vesting en de hulp bij de autohuur op de Wenckebachweg nauw met elkaar in verband.
Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, geen reden om te twijfelen aan de verklaring van La Serpe over de verwijzing door verdachte naar Soerel. Aan de authenticiteit en daarmee aan de overtuigingskracht van de verklaring van La Serpe draagt bij de wijze waarop deze is ingebed en verankerd in zijn overige verklaringen. La Serpe heeft verklaard dat hij aanvankelijk niet wist met wie Remmers contact had in verband met de uitvoering van moordopdrachten en die door Remmers ‘Rex’ werd genoemd. Ook wist La Serpe niet wie verdachte bedoelde toen verdachte tegen hem zei dat zij maar naar ‘Dino’ moesten gaan als ze een andere auto wilden. Toen hij deze mededeling aan Remmers overbracht, begreep La Serpe van Remmers dat Dino en Rex dezelfde waren.[_f1f43640-7722-4a39-aa39-2e5223c6f0d8] Deze verwijzing door verdachte naar Soerel past ook in de rolverdeling tussen verdachte en Soerel zoals deze uit de andere bewijsmiddelen blijkt, waarbij verdachte ten aanzien van de praktische bijstand aan Remmers bij de uitvoering van zijn moordopdrachten meer op de achtergrond bleef en Soerel in dit verband als aanspreekpunt voor Remmers, en later ook Ros, meer op de voorgrond trad.
De verklaring van [betrokkene 17] bij de raadsheer-commissaris van 7 januari 2021 heeft geen betekenis voor de beoordeling van de verklaring van La Serpe over wat verdachte tegen La Serpe heeft gezegd. [betrokkene 17] heeft verklaard zich niet te herinneren dat La Serpe en verdachte bij hem op kantoor zijn geweest om een auto te huren.[_c6037c97-0385-4f6a-ba3c-3e7a3794163e] De verdediging heeft gesteld dat de verklaring van verdachte dat hij al weg was op het moment waarop volgens La Serpe door verdachte de mededeling over het ‘naar Dino gaan’ zou zijn gedaan, aannemelijker lijkt. [betrokkene 17] heeft immers verklaard dat auto’s niet klaarstonden, tenzij ze van tevoren waren besteld. Als die auto niet klaarstond, ligt het niet voor de hand dat verdachte dat had afgewacht, zijn aanwezigheid was immers verder niet meer nodig. Dat de auto niet van te voren was besteld, is volgens de verdediging niet aannemelijk omdat de naam van La Serpe ontbreekt. Anders dan de verdediging kennelijk meent, bestaan er wel degelijk aanwijzingen dat de auto van tevoren is besteld en klaargezet. Er is immers een eerste huurcontract opgemaakt met de opmerking ‘naam volgt nog’ bij het vakje waar op een tweede huurcontact de naam en adresgegevens van La Serpe zijn ingevuld.[_942efcbd-09d8-49cf-b10f-ca59ccf06b0b]
Aan de verklaringen van La Serpe over de gang van zaken bij de ontmoetingen in Naarden-Vesting en in Amsterdam en de daarbij door de betrokkenen gedane mededelingen valt op dat kennis nodig is van de achtergronden van deze gebeurtenissen en de onderlinge verhoudingen om te kunnen begrijpen welke betekenis die voorvallen en mededelingen hebben en om ze te kunnen gebruiken in de context van het bewijs in deze strafzaak. Dat sterkt het hof in de overtuiging dat het om betrouwbare authentieke verklaringen van La Serpe gaat. Zou hij valselijk belastend over verdachte hebben willen verklaren, dan zou hij daarover veel eenduidiger en directer verklaringen hebben kunnen afleggen.
Bij nadere analyse van de betekenis van hetgeen La Serpe heeft verklaard over de ontmoetingen te Naarden-Vesting en te Amsterdam op 8 november 2004, leidt het hof daaruit het volgende af.
Remmers wendde zich destijds voor moordopdrachten tot verdachte. Verdachte zei genoeg van dergelijke opdrachten te hebben en verwees Remmers daarvoor door naar Soerel, met wie verdachte klaarblijkelijk op dit gebied samenwerkte. De samenwerking tussen verdachte en Remmers, Remmers en Soerel en Soerel en Holleeder op het gebied van moorden komt hierin op een prangende wijze naar voren. Daarbij valt ook op dat die samenwerking op dit moment in 2004 kennelijk al een zodanig geconsolideerde vorm had gekregen dat Remmers en verdachte elkaar op dat gebied vertrouwden en aan weinig woorden genoeg hadden om elkaar te begrijpen.
Aanwijzen slachtoffer in De Hallen
Op 15 augustus 2007, in de periode waarin de Holleeder-weglatingen nog niet naar buiten waren gekomen en ontkracht, heeft La Serpe in een verhoor bij de politie verklaard dat Remmers bij hem kwam in Wilnis en vroeg of hij mee wilde gaan, om even het café van Van der Bijl in te gaan om te kijken hoe Houtman eruit zag. La Serpe ging niet mee, omdat hij geblowd had en dan geen beslissingen neemt.[_a09710f9-e6be-4da3-b2c6-12632e7f66e0] Ter terechtzitting van de rechtbank in het Passageproces van 30 september 2011[_507808f3-ab6b-4dee-b366-9ee4e906bf3a] en 3 oktober 2011 herhaalde La Serpe dat Remmers bij hem in Wilnis kwam. Hij plaatste dit toen in de periode waarin hij en Remmers bezig waren met de moord op Van der Bijl en verklaarde daar verder over dat Remmers hem heeft uitgelegd dat verdachte in een café zat. La Serpe heeft later de conclusie getrokken dat dat café De Hallen was, waar door verdachte de persoon aangewezen zou worden die vermoord moest worden. Remmers was te bekend, terwijl dat niet gold voor La Serpe. Volgens Remmers zat verdachte in dat café te wachten. La Serpe is op dat moment niet met Remmers meegegaan, maar heeft verklaard dat hij enkele dagen later wel in café De Hallen een pakje sigaretten is gaan kopen om te kunnen zien hoe Van der Bijl eruit zag.
Ter terechtzitting van 3 oktober 2011, waarop naar aanleiding van deze verklaring ook de afspraak over de Holleeder-weglatingen aan het licht is gekomen, is La Serpe ermee geconfronteerd dat hij op 30 september 2011 sprak over het aanwijzen van Van der Bijl en op 15 augustus 2007 over het aanwijzen van Kees Houtman. La Serpe denkt dan dat hij zich op 15 augustus 2007 heeft vergist, twijfelt daar ook wat over, maar blijft er bij dat het een van de twee is geweest: Houtman of Van der Bijl.[_f96e6263-7010-4339-9cf4-dc08487f903f] Op die zitting zijn vragen gesteld om te toetsen of La Serpe de naam van verdachte er in zijn verklaringen van 2011 bij heeft verzonnen, of dat hij die naam eerder (dus ook) in zijn verklaring van 2007 achter heeft gehouden. Het antwoord van La Serpe is duidelijk: ‘Het klopt zeker dat ik dingen in beschuldigende zin heb achtergehouden over Holleeder. Dat geldt dus ook voor het aanwijsverhaal’.[_65c52229-33ce-4013-9811-b5ed82c659d9] Ook ter terechtzitting van de rechtbank van 9 oktober 2018 is La Serpe bij zijn verklaring gebleven over het aanwijzen van een slachtoffer door verdachte in het café van Van der Bijl en denkt hij dat het om Van der Bijl ging.[_bf1662c5-1a88-41a6-ae1b-0169535577d5] Die gedachte wordt overigens ondersteund door de verklaring van La Serpe dat hij enkele dagen na het verzoek van Remmers in De Hallen sigaretten heeft gekocht om het uiterlijk van Van der Bijl te bekijken. Dit gebeurde in de fase waarin La Serpe met Remmers bezig was met de moord op Van der Bijl en waarin Houtman al was vermoord.
Het hof acht de verklaring van La Serpe voldoende consistent en betrouwbaar; de kern is dat La Serpe van Remmers naar een café moest gaan waar verdachte een slachtoffer zou aanwijzen. Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat het aanwijzen van een slachtoffer in een café ook kan gebeuren op een manier die niet voor anderen te zien of te merken is. La Serpe heeft toegelicht waarom hij in 2007 de naam van verdachte niet had genoemd, zoals hiervoor bij de bespreking van de Holleeder-weglatingen aan de orde is geweest. Waarom het onderwerp ‘aanwijzen door Holleeder’ in de verklaring uit 2007 niet voorkomt, is daarmee afdoende opgehelderd. De verklaring van 2007 is ook goed te verenigen met de latere verklaringen als wordt bedacht dat alleen is weggelaten dat er iemand in het café zou zijn om het slachtoffer aan te wijzen, omdat Remmers te bekend was om mee naar binnen te kunnen. Aan de betrouwbaarheid doet niet af dat La Serpe jaren na dato bij ondervraging over deze gebeurtenis niet meer exact weet wanneer dit was. In de verklaringen van La Serpe is duidelijk dat het moet zijn gebeurd in de periode waarin La Serpe samen met Remmers bezig was met de uitvoering van de moordopdrachten betreffende Houtman en Van der Bijl. Die opdrachten stonden tegelijkertijd uit en de bezigheden die La Serpe en Remmers in verband daarmee hebben ontplooid, volgden elkaar snel op. Ook doet aan de betrouwbaarheid niet af dat La Serpe er niet helemaal zeker meer van is welk slachtoffer in het café zou moeten worden aangewezen. De bezigheden met betrekking tot beide moorden vonden immers voor een deel plaats in dezelfde periode. Ook kan een rol hebben gespeeld dat La Serpe niet op het verzoek van Remmers is ingegaan en dat hij destijds geen namen van slachtoffers wist, maar over Houtman en Van der Bijl sprak in termen als ‘Osdorp’ (de woonplaats van Houtman), en ‘Dominee’ (naar het woonadres van Van der Bijl).[_7b701038-3924-4e5e-ac77-7151836d189f]
De verklaring van La Serpe wordt ook ondersteund door andere bewijsmiddelen, omdat daaruit blijkt dat zowel verdachte[_60b17443-8c21-42f4-bb65-f93694e29f04] als Houtman[_49ec5cb6-6a6e-4f1a-872f-09846a5520af] bezoekers waren van het café van Van der Bijl. Ook sluit de verklaring aan op hetgeen uit andere bewijsmiddelen blijkt over de betrokkenheid van verdachte en Remmers bij de moorden op Houtman en Van der Bijl.
Deze verklaring van La Serpe draagt bij aan het bewijs van de samenwerking tussen verdachte en Remmers. Uit die verklaring blijkt dat verdachte nadere informatie aan Remmers heeft verstrekt die nodig is om de opdracht ten uitvoer te brengen die eerder aan Remmers was verstrekt. Om van waarde te zijn voor het bewijs, maakt het niet uit of La Serpe Houtman of Van der Bijl moest aanwijzen.
Ontmoeting op Gelderlandplein
Op 2 november 2006 heeft La Serpe verklaard dat toen Remmers en hij bezig waren met de voorbereidingen van de moord op Houtman, zij verdachte tegenkwamen op het Gelderlandplein. Remmers stapte uit de auto en sprak met verdachte, terwijl La Serpe aanvankelijk in de auto bleef zitten. Op een gegeven moment zag La Serpe dat Remmers op hem wees. Toen La Serpe Remmers daar later naar vroeg, zei Remmers dat verdachte had gevraagd met wie hij de moord op Houtman zou gaan uitvoeren en Remmers toen naar La Serpe had gewezen. Toen Remmers op La Serpe wees, werd hij door hem gewenkt en is hij ook de auto uitgegaan. La Serpe heeft verdachte toen de hand geschud en zij hebben kort met elkaar gesproken. Verdachte zei toen tegen Remmers en La Serpe: ‘Als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie’.[_2b6ab155-6406-4f02-b77a-b4a0db8692fc]
Ter terechtzitting van 3 oktober 2011 heeft La Serpe opnieuw over deze ontmoeting verklaard op een wijze die nauw aansluit op die eerdere verklaring, met dien verstande dat La Serpe toen heeft verklaard dat verdachte tegen Remmers zei: ‘eerst Osdorp’. Hij bedoelde daarmee Kees Houtman, want daar waren wij mee bezig’.[_14ec48ce-f1cd-4d68-9392-cd056981462b] Ter terechtzitting van 28 november 2011 heeft La Serpe opnieuw over deze ontmoeting verklaard. Die verklaring houdt in dat verdachte tegen Remmers heeft gezegd: ‘Ik hoorde hem zeggen: ‘Osdorp eerst.’ (…) U vraagt mij naar de zin: ‘Als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie.’ Daar heb ik geen herinnering aan’.[_2aa97485-8aa7-48ba-bdc2-890ffb5ece90] Ook later is La Serpe gebleven bij zijn verklaring over de ontmoeting op het Gelderlandplein en heeft hij ook eraan vastgehouden dat door verdachte daarbij is gezegd: ‘Osdorp eerst’.[_cfa6d1c0-7b53-4131-ab10-6ff586e80142]
Het hof stelt vast dat La Serpe hierover uitvoerig is bevraagd zonder terug te komen op de essentie van zijn verklaring, te weten dát dit gesprek heeft plaatsgevonden waarbij de strekking van de uitspraak van verdachte dezelfde is: eerst moet de ene moord plaatsvinden voordat een ander slachtoffer aan de beurt is. Het hof acht van zwaarwegend belang dat La Serpe uit eigen waarneming verklaart over de betrokkenheid van verdachte bij de opdracht om Houtman te vermoorden. Die eigen waarneming sluit aan op hetgeen La Serpe heeft verklaard van Remmers te hebben gehoord over de betrokkenheid van verdachte.
De verdediging heeft de gedachte geopperd dat La Serpe in 2011, en dus zes jaar na dato, uit strategisch eigen belang is gekomen met het verhaal over de ontmoeting op het Gelderlandplein, om zo zijn onderhandelingen met het Team Getuigenbescherming vlot te trekken. Die gedachte klopt niet met de feiten uit het dossier. La Serpe heeft immers deze verklaring, voor zover die voor het bewijs het meest relevant is, ook al in 2006 afgelegd. Voor de strekking van die verklaring maakt het geen verschil of verdachte op het Gelderlandplein zou hebben gezegd ‘Osdorp eerst’, dan wel ‘als deze goed gaat heb ik er nog een voor jullie’. In beide gevallen kan uit de mededeling die La Serpe rechtstreeks uit de mond van verdachte heeft gehoord, worden afgeleid dat verdachte weet waar Remmers en La Serpe op dat moment mee bezig zijn, namelijk de moord op Houtman en dat er nog meer moordopdrachten uit de koker van verdachte klaarliggen. De verklaring van La Serpe over de betrokkenheid van verdachte als opdrachtgever van de moord op Houtman en Van der Bijl wordt ook ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het hof is dan ook van oordeel dat ook deze verklaring van La Serpe bruikbaar is voor het bewijs.
De stelling van de verdediging dat dit een oncontroleerbare verklaring van La Serpe vormt, is slechts ten dele juist, namelijk alleen in die zin dat er van Remmers en verdachte geen steun is gekregen voor de verklaring van La Serpe over deze ontmoeting en wat daarbij is gezegd. Dat kan van ontkennende verdachten ook niet worden verwacht. Wel kunnen andere bewijsmiddelen steun bieden aan hetgeen uit de verklaring van La Serpe volgt, namelijk dat verdachte Houtman en Van der Bijl om het leven wilde laten brengen en dat Remmers die opdracht van hem had aangenomen. Die steun is er in ruime mate in bewijsmiddelen die onafhankelijk staan van deze verklaring van La Serpe. Daaruit blijkt bijvoorbeeld ook dat de mededeling van verdachte in overeenstemming was met hetgeen Remmers aan La Serpe had teruggekoppeld over de ontmoeting met Soerel, waaruit volgde dat Houtman eerst zou worden vermoord,[_ce54b2a5-8afe-430c-ad45-0d7301f973c7] wat feitelijk ook is gebeurd.
2.5.3.4 Ros over verdachte
Ros heeft er pas na zijn veroordeling door de rechtbank in het Passageproces voor gekozen om alsnog kroongetuige te worden. Met de verdediging en het openbaar ministerie moet worden vastgesteld dat eigen belang bij deze keuze van Ros een prominente rol heeft gespeeld. Hij was door de rechtbank in het Passageproces tot een gevangenisstraf van 30 jaren veroordeeld en betalingen uit criminele hoek als tegenprestatie voor zijn zwijgen bij politie en justitie stokten. Ros heeft, zoals het hof dat in het Passageproces heeft verwoord, ‘gedurende de veeljarige loop van het Passageproces zijn kansen aangezien, gewogen en uiteindelijk ook benut’. Fraai is dat niet, maar het betekent niet dat de verklaringen van Ros daarom onbetrouwbaar zijn. Op de meeste kwesties die door de verdediging zijn aangeroerd die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van Ros, is hiervoor al ingegaan. Genoemd kunnen worden de in paragraaf 2.5.2.3 kort omschreven kwesties betreffende zaaksdossier Oma, zaaksdossier Nicht, zaaksdossier Perugia en zaaksdossier Viool. Die kwesties brengen niet mee dat de verklaringen van Ros wegens onbetrouwbaarheid, integraal niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Er bestaat geen direct verband tussen de verklaringen die Ros over deze kwesties heeft afgelegd en zijn verklaringen over de betrokkenheid van verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten. De verklaringen van Ros die voor verdachte belastend zijn zullen op hun eigen kwaliteit en waarde worden beoordeeld, met de behoedzaamheid zoals hiervoor al beschreven is. Zij zullen alleen tot het bewijs worden gebruikt als het oordeel over de betrouwbaarheid voldoende steun vindt in van die verklaringen onafhankelijke bron.
Hierna wordt aandacht besteed aan een punt dat direct betrekking heeft op de betrokkenheid van verdachte bij hem verweten strafbare feiten en op een punt dat in de loop van het Vandrosproces in hoger beroep is opgekomen.
Beperkte kennis?
De verdediging heeft aangevoerd dat Ros geen contact had met verdachte en niets uit eigen wetenschap over hem kan verklaren. Die stelling miskent dat Ros wel kan verklaren wat hij van anderen heeft gehoord. Het hof kan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van die informatie voor het bewijs beoordelen, waarbij rekening kan worden gehouden met de bron waaruit deze informatie afkomstig is, ook in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Remmers en Soerel waren de belangrijkste bronnen van informatie voor Ros als hij verklaart over zijn wetenschap van de rol en betrokkenheid van verdachte. Het hof moet bij de waardering van de verklaring van Ros ook uitgaan van de mogelijkheid dat verdachte bij de moorden op Van Hout, Houtman en Van der Bijl heeft samengewerkt met Remmers en Soerel. Dat betekent dat de verklaringen van Ros, ook wanneer hij verklaart over informatie die hij van Remmers en Soerel heeft gekregen, van grote betekenis kunnen zijn.
Ros is in het Passageproces onherroepelijk veroordeeld voor onder meer het medeplegen van het uitlokken van de moord op Van der Bijl, die is uitgevoerd door Saro en Habes, en de deelname aan een criminele organisatie bestaande uit hemzelf, Soerel, Remmers, La Serpe en Akgün, gericht op het plegen van moorden.[_47cdf96f-414b-4d4c-8fb9-6941dd7abb4c] Dat betekent dat er weliswaar rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het moeilijk is om vast te stellen wat Ros weet uit het Passageproces en wat hij zelf heeft meegemaakt; tegelijkertijd staat wel vast dat Ros met Remmers en Soerel veel zelf heeft meegemaakt. Ros kan dus verklaren over wat hij met Remmers en Soerel heeft meegemaakt en ook over wat hij van hen heeft gehoord, bijvoorbeeld over de rol van verdachte. Dit neemt overigens niet weg dat het hof oog houdt voor de mogelijkheid dat Ros bewust of onbewust kennis naar voren heeft gebracht alsof hij het zelf heeft meegemaakt, terwijl hij die kennis gedurende het Passageproces heeft opgedaan.
Ontboezeming mr. Plasman
De verdediging heeft betoogd dat er inmiddels een aanvullende aanwijzing bestaat dat Ros heeft gelogen dat hij niet de bestuurder is geweest van de motor bij de moord op Van Hout. Daartoe heeft de verdediging gewezen op een ontboezeming van mr. Plasman in het televisieprogramma Op1 op 25 november 2021. Mr. Plasman was aanvankelijk de raadsman van Ros toen Ros naar voren trad als kroongetuige in het Passageproces. Volgens de interpretatie van de verdediging zegt mr. Plasman in dat televisieprogramma dat Ros als kroongetuige heeft gelogen over de motor die is gebruikt bij de moord op Van Hout. In de pleitnota is een uitwerking opgenomen van de mededelingen van mr. Plasman en die van zijn gesprekspartners. Deze luidt als volgt:
“Plasman: Is niet toetsbaar, ik heb zelf bij gezeten, ik heb er zelf bij gezeten, ik heb een beroepsgeheim dat is jammer, maar ik heb er bijgezeten en ik kan ik ken verklaringen waarvan ik kan zeggen die zijn niet betrouwbaar.
Kelder: Maar Peter Plasman u bent advocaat u verdedigt criminelen die alles bij elkaar jokken brokken om een lagere straf te krijgen dus u weet hoe het werkt met jokken.
Plasman: Dat is precies het probleem, ik weet hoe het werkt en de kroongetuigen zijn ook zware criminelen dus ik weet hoe het werkt en ik weet hoe goed ze kunnen jokken en hoe goed ze de boel in de maling kunnen nemen en dat is wat ze doen, en dat zeg ik niet alleen, dat zegt bijvoorbeeld Nabil B zelf, die zit in …..
Kelder: Maar als de rechter wettig en overtuigend bewijs accepteert is het daarmee toch afgehamerd en klaar vonnis dat bedoel ergens moeten we dat toch akkoord gaan met dit is het?
Plasman: Ja maar dan…
Kelder: En anders had Holleeder niet gezeten
Plasman: Ja maar je kan toch niet zeggen als dat Holleeder niet gezeten dus moet je maar geloven wat de kroongetuige zegt?
Lucas: Nee Holleeder zit omdat we geloven wat de kroongetuige zegt
Plasman: Ja maar dat zit precies het probleem.”
Het hof is van oordeel dat deze uitwisseling niet de conclusies kan dragen die de verdediging heeft verbonden aan de uitspraak van mr. Plasman. Zelfs als wordt aangenomen dat mr. Plasman, waar hij het heeft over zijn eigen ervaring met kroongetuigen, het hier heeft over zijn ervaring als raadsman van Ros in het Passageproces, dwingen zijn hiervoor weergegeven mededelingen niet tot de conclusie dat Ros heeft gelogen over het punt wie de bestuurder was van de motor tijdens de aanslag op Van Hout en Ter Haak. Dit betekent ook dat op basis van dit gesprek niet kan worden vastgesteld dat het niet klopt wat Astrid Holleeder heeft verklaard toen zij vertelde dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat Ros niet op de motor heeft gezeten ten tijde van de moord op Van Hout en dat daaruit blijkt dat hij maar weinig weet over de gang van zaken bij die moord.
Belastende verklaringen
Uit de verklaringen van Ros blijkt dat hij tamelijk intensief optrok met Remmers, eerst in de periode waarin Remmers bezig was met de voorbereiding van de moord op Van Hout en later, toen Remmers met La Serpe bezig was met de voorbereiding van de moord op Van der Bijl. In die periode kreeg Ros ook steeds intensiever contact met Soerel. Ros is op deze manier als vertrouweling van Remmers en Soerel in een positie geweest waarin hij betrouwbare informatie heeft kunnen krijgen, ook over de rol en betrokkenheid van verdachte. Bij de verschillende zaaksdossiers zal het hof nader aandacht besteden aan de verklaringen van Ros die voor verdachte belastend zijn.
Conclusie hof
Het hof gebruikt de verklaringen van La Serpe en Ros alleen als daarvoor voldoende steun is te vinden in bewijsmiddelen die van die verklaringen losstaan, zodat een toereikend fundament bestaat om die verklaringen betrouwbaar te oordelen. Dat betekent – anders dan de verdediging lijkt te willen – dat er niet pas voldoende steun is indien een bepaald onderdeel van een verklaring van La Serpe en Ros ook uit andere bewijsmiddelen rechtstreeks volgt. Anders gezegd; het is niet vereist dat ieder onderdeel uit de verklaringen van Ros en La Serpe wordt ondersteund door ander bewijs, voordat het kan worden gebruikt voor het bewijs. Zo is bijvoorbeeld niet vereist dat uit andere bewijsmiddelen ook volgt wat La Serpe zegt van verdachte te hebben gehoord. De voldoende mate van steun in andere bewijsmiddelen, kan ook worden gevonden in bewijsmiddelen die gaan over de feitelijke situatie en de context waarin de betreffende mededelingen zijn gedaan, waaronder bijvoorbeeld ook verklaringen van anderen over activiteiten die verdachte met zijn mededaders ontplooide.
De anonieme bedreigde getuigen D en Q5
Bij de stukken van het dossier bevinden zich de verklaringen van twee anoniem gebleven personen die in overeenstemming met de regeling van artikel 226c tot en met 226f Sv door de rechter-commissaris als bedreigde getuigen zijn gehoord. Dit betreft de personen die worden aangeduid als getuige D en getuige Q5. Voor de leesbaarheid zullen zij hierna ook met hij/hem worden aangeduid.
Getuige D
In 2004 is het onderzoek Kolbak gestart tegen onder anderen verdachte. Dat onderzoek had aanvankelijk ook betrekking op de verdenking van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van levensdelicten. In dat onderzoek heeft de rechter-commissaris aan getuige D op 20 juli 2006 de status verleend van anonieme bedreigde getuige zoals bedoeld in artikel 226a Sv. Op 5 oktober 2006 heeft getuige D bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Daarbij zijn ook de vragen van de toenmalige raadsman van verdachte door getuige D beantwoord. In deze verklaring spreekt getuige D over wat hij vanaf eind november, begin december 2000 op clubavonden van de Amsterdamse chapter van de Hells Angels zou hebben vernomen over betrokkenheid van verdachte als opdrachtgever bij de aanslag op het leven van Mieremet op 26 februari 2002. In de zaak Kolbak is verdachte uiteindelijk niet vervolgd voor betrokkenheid bij (een organisatie gericht op het plegen van) levensdelicten. De verdenking tegen verdachte van betrokkenheid bij levensdelicten, waaronder de aanslag op het leven van Mieremet op 26 februari 2002 te Amsterdam, is nu in de zaak Vandros wel aan de orde. Een nader verhoor door de raadsheer-commissaris van getuige D is in deze zaak niet tot stand gekomen, omdat de getuige daaraan uit een oogpunt van veiligheid en het waarborgen van anonimiteit niet wilde meewerken. De raadsheer-commissaris is, op basis van de feiten en omstandigheden die door officier van justitie mr. Wind naar voren zijn gebracht in een uitvoerige mondelinge toelichting tegenover de raadsheer-commissaris, tot het oordeel gekomen dat een verhoor van getuige D in welke vorm dan ook, zijn anonimiteit in gevaar zou brengen en onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van deze getuige mee zou brengen. Om die reden is van een nader verhoor van getuige D afgezien.[_bc1e9f12-9cd1-428b-befc-06d01d59825c]
2.6.1.1 Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van getuige D niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, omdat de verdediging het ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuige niet heeft kunnen uitoefenen, door de weigering van de getuige om aan een verhoor mee te werken. Daar komt bij dat er volgens de verdediging een groot aantal inhoudelijke kanttekeningen is te plaatsen bij de verklaringen van getuige D.
2.6.1.2 Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft het standpunt ingenomen dat de verklaring van getuige D van 5 oktober 2006 voor het bewijs kan worden gebruikt ten aanzien van de aanslag en de moord op Mieremet en ook als steun voor de verklaring van getuige Q5 over de ‘aanwezige manier’ waarop verdachte zich in groepsverband in een horeca-setting kan gedragen. Het openbaar ministerie heeft erop gewezen dat (i) de verdenking in het onderzoek Kolbak, waarin deze verklaring is afgelegd, ook zag op de betrokkenheid van verdachte bij een concreet levensdelict, (ii) de toetsing door de rechter-commissaris van de betrouwbaarheid van getuige D ook in dat kader heeft plaatsgevonden en (iii) verdachte en zijn verdediging in die zaak het ondervragingsrecht ten volle hebben kunnen uitoefenen. Verdachte en zijn advocaat zijn bij dat verhoor aanwezig geweest en hebben vragen aan de getuige gesteld, ook over de kern van de verklaring, namelijk wat getuige D heeft gehoord over de betrokkenheid van verdachte bij de opdracht om Mieremet te vermoorden. Dat verdachte niet in de zaak Kolbak, maar veel later in de zaak Vandros is vervolgd voor de poging tot moord op Mieremet en dat het niet is gelukt getuige D in deze zaak opnieuw te horen, doet aan de bruikbaarheid voor het bewijs niet af. In repliek heeft het openbaar ministerie laten weten een andere opvatting te hebben over de inhoudelijke kanttekeningen van de verdediging bij de verklaring van getuige D.
2.6.1.3. Oordeel hof
Het hof zal voor het bewijs geen gebruik maken van de verklaringen van getuige D. De verklaringen van deze getuige zijn daarnaast ook niet nodig als steun voor de verklaring van getuige Q5 over de manier waarop verdachte zich in groepsverband in een horeca-setting kan manifesteren. De standpunten van de verdediging en het openbaar ministerie over getuige D hoeven om deze reden dan ook niet te worden besproken.
Getuige Q5
Aan getuige Q5 is aanvankelijk in het Passageproces op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris de status verleend van bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv.[_20c68f9e-3e0c-4636-a482-ca0313cf0451] De getuige heeft een verklaring afgelegd bij enkele opsporingsambtenaren. De samengevatte inhoud daarvan is vastgelegd in een proces-verbaal van de officier van justitie.[_d975da76-a306-4f7f-9c69-0ea49e12b192] Na de statusverlening door de rechter-commissaris is de getuige in twee rondes gehoord door de rechter-commissaris aan de hand van schriftelijke vragen van de officier van justitie en van de verdediging. Bij deze verhoren zijn in de loop der tijd twee rechters-commissarissen betrokken geweest. Zij hebben ieder voor zich op basis van hun ervaring met het verhoor van getuige Q5 geoordeeld dat de getuige betrouwbaar is. Nadat in het Passageproces in de zaak tegen Soerel een afzonderlijke beslissing tot statusverlening is genomen door de rechter-commissaris, heeft getuige Q5 in een aanvullend verhoor geantwoord te blijven bij de eerder afgelegde verklaringen.[_83877b3d-4e37-4f5e-8963-a694fc540971] Ook in de zaak tegen verdachte heeft de rechter-commissaris beslist dat de identiteit van getuige Q5 verborgen zal worden gehouden om de redenen die eerder ten grondslag hebben gelegen aan het verlenen van de status van bedreigde getuige.[_a8621c0f-5c75-45fe-82ed-04199c97db5a] De rechter-commissaris heeft getuige Q5 begin 2016 nogmaals gehoord en is ook tot het oordeel gekomen dat getuige Q5 betrouwbaar is.[_d4520e46-5465-47aa-b344-c26ead042a05]
Getuige Q5 heeft, kort gezegd, verklaard dat hij in een uitgaansgelegenheid in Rotterdam, de Baja Beach Club, meermalen heeft gezien dat daar verdachte, Soerel, en Akgün aanwezig waren in gezelschap van anderen. Hij heeft in de periode van midden 2005 tot en met oktober 2005 enkele malen van hen opmerkingen opgevangen die volgens hem duidelijk gingen over aanstaande moorden, die kort daarop ook gepleegd zijn. Getuige Q5 heeft van een persoon die in rechtstreeks contact stond met Soerel bevestiging gekregen van wat hij had begrepen uit wat hij in de Baja Beach Club had opgevangen. Deze persoon heeft hem verteld dat verdachte en Soerel problemen hadden met Houtman, Van der Bijl, Hingst en Mieremet en dat zij besloten hadden hen om het leven te brengen.[_0cc956d8-8dbd-4f25-abd1-2daa5050f6f7]
2.6.2.1 Standpunt verdediging
De verdediging heeft de aandacht gevestigd op de prominente rol die getuige Q5 speelt in de bewijsvoering van de rechtbank als schakel tussen enerzijds verdachte en Soerel en anderzijds de moorden op Mieremet, Houtman en Van der Bijl en heeft verzocht de verklaringen van getuige Q5 met meer dan gemiddelde behoedzaamheid te beschouwen. Daarbij heeft de verdediging onderstreept dat er geen overlap is tussen de verklaringen van La Serpe over moordopdrachten die in de oude Baja Beach Club (de BED) zijn verstrekt en de verklaring van getuige Q5 over de nieuwe Baja Beach Club. Verder zijn de verklaringen van getuige Q5 volgens de verdediging zodanig onaannemelijk, dat ze geen rol moeten spelen bij bewijsvoering. Soerel zou met naam en toenaam hebben geschreeuwd over mensen die vermoord zouden worden. Dit staat zo ver af van de voorzichtigheid die op dit niveau van het criminele milieu in acht wordt genomen, dat het geen juiste weergave van de werkelijkheid kán zijn. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de verklaringen van de getuigen Holleeder over de grote voorzichtigheid en alertheid van verdachte om niet te worden afgeluisterd (fluisteren, rondje lopen, telefoon wegleggen). Getuige Den Hartog heeft weliswaar verklaard over loslippigheid van verdachte na drankgebruik en in een boze toestand, gelet op de verklaringen van de getuigen Holleeder kan die verklaring van Den Hartog echter geen steun bieden aan de verklaringen van getuige Q5.
Volgens de analyse van de verdediging legt getuige Q5 het zwaartepunt bij Soerel, wat betreft betrokkenheid bij en beslissingen over liquidaties. Daaraan verbindt zij de conclusie dat, als er in de Baja Beach Club al is gesproken over mensen die ‘eraan gaan’, het ondenkbaar is dat dat was in het kader van een testosteron-gestuurde schreeuwpartij. Dan moet het in een informatieve context zijn geweest waarin verdachte door Soerel op de hoogte werd gesteld.
Verdachte stelt zich op het standpunt dat nooit is gebeurd waarover getuige Q5 verklaart. Gecombineerd met de zeer beperkte mogelijkheden de verklaringen van getuige Q5 te verifiëren of te falsificeren, maakt dit dat de verdediging stelt dat de verklaringen van getuige Q5 niet tot het bewijs moeten worden toegelaten.
2.6.2.2 Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft naar voren gebracht dat getuige Q5 intensief is verhoord en dat deze getuige al vaak door opeenvolgende rechters(-commissarissen) betrouwbaar is geoordeeld, eerst in het Passageproces en vervolgens in het onderhavige proces. Deze rechters hebben dit oordeel ook steeds gemotiveerd. Het openbaar ministerie sluit zich hierbij aan en meent dat een behoedzaam gebruik van de verklaringen van getuige Q5 meebrengt dat zijn verklaringen worden onderzocht op consistentie en op de vraag of zij op relevante punten steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat onderzoek brengt het openbaar ministerie tot de conclusie dat de verklaringen van getuige Q5 voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
Het openbaar ministerie is het niet eens met de inhoudelijke kanttekeningen van de verdediging bij de verklaringen van getuige Q5. Volgens het openbaar ministerie verklaart getuige Q5 duidelijk dat Soerel en verdachte zodanig hoogoplopende conflicten hadden met Hingst, Houtman, Mieremet en Van der Bijl, dat zij beiden hadden besloten hen te laten liquideren. De getuige heeft hen er met zijn drieën – verdachte, Soerel en Akgün – over zien praten in de Baja Beach Club. Dat Soerel naar de indruk van getuige Q5 bepaalde wat er zou gebeuren en dat Akgün een uitvoerende rol had, doet aan de betrokkenheid van verdachte niet af. Daar komt bij dat niet alleen Soerel, maar ook verdachte zich in de nabijheid van getuige Q5 heeft uitgelaten over één van de vier genoemde slachtoffers, in termen van ‘die pak ik, die maak ik af’.
2.6.2.3 Oordeel hof
Zoals hiervoor al is genoemd, hebben er eerdere betrouwbaarheidsoordelen plaatsgevonden door rechters-commissarissen. Die oordelen zijn gebaseerd op de volledige (bruto) antwoorden die de getuige heeft gegeven op alle vragen die door raadslieden en de officier van justitie zijn opgegeven, eerst in het Passageproces en vervolgens in deze zaak. Uit de processen-verbaal van verhoor van de rechters-commissarissen blijkt dat het antwoord van de getuige op vele vragen uitgebreider is geweest dan het (netto) antwoord dat is neergelegd in de processen-verbaal waar de procespartijen en het hof kennis van hebben genomen. Hierbij heeft de getuige onder meer, zoals valt af te leiden uit de gestelde vragen, zijn redenen van wetenschap toegelicht. In hun betrouwbaarheidsoordeel hebben de opeenvolgende rechters-commissarissen onder meer betrokken:
- ‘ ‘de getuige verklaarde telkens zonder aarzelen, direct en gedetailleerd, gaf inzicht in zijn redenen van wetenschap en de antwoorden gaven niet de indruk dat de getuige ook maar op enig punt loog, fantaseerde of zijn verklaringen mooier of interessanter maakte, of bij het afleggen van zijn verklaring een verborgen agenda of eigen belangen heeft laten meespelen.’[_86492a53-87ae-4209-989d-55bef9695e1f]
- ‘ ‘de getuige heeft alle vragen duidelijk en zonder aarzeling beantwoord en waar nodig inzicht gegeven in zijn redenen van wetenschap’ en ‘ik heb nergens het gevoel gekregen dat Q5 niet de waarheid sprak, in tegendeel. De wijze waarop antwoorden werden gegeven hebben mij gesterkt in mijn mening dat hij naar waarheid heeft verklaard.’[_e55848aa-494a-4d94-ade5-1a9bf9ef784c]
- ‘ ‘De getuige heeft mij inzicht gegeven in zijn motivatie om een verklaring af te leggen. De getuige heeft mij voorts kunnen overtuigen van het gevaar dat hij zou lopen als zijn identiteit bekend zou worden. De getuige is daarin volstrekt oprecht op mij overgekomen. De getuige heeft alle vragen gedetailleerd beantwoord en daarbij inzicht gegeven in zijn redenen van wetenschap. De getuige was rustig en kwam serieus op mij over. Mijn indruk is dat de getuige de vragen naar waarheid heeft beantwoord. Ik zie daarom geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuige.’[_49f4e23d-4618-456f-b044-86aa4b6cb433]
Bij het betrouwbaarheidsoordeel van het hof weegt het oordeel van deze rechters-commissarissen mee. Daarnaast kan het hof zelf de inhoud van de (netto) verklaringen beoordelen en daarbij ook betrekken of deze steun vinden in andere bewijsmiddelen of daarmee in strijd zijn.
Het hof volgt de verdediging niet in haar betoog dat de verklaringen van getuige Q5 onaannemelijk zijn. Belangrijk is daarbij dat uit de verklaringen van getuige Q5 een genuanceerd beeld naar voren komt van de omstandigheden waaronder de getuige in de Baja Beach Club mededelingen door verdachte en Soerel heeft kunnen opvangen. De getuige verklaart daarover genuanceerder dan het beeld dat de verdediging daarvan heeft. Volgens de getuige kwam je niet zomaar bij verdachte en Soerel in de buurt[_74663f4f-c542-46fd-9141-342e235e67df] en waren zij scherp op het niet afgeluisterd kunnen worden. Zij verloren alleen soms iets van die scherpte onder invloed van forse hoeveelheden alcohol. Ook dan nog verkeerde verdachte volgens de getuige in de veronderstelling dat voor anderen niet te verstaan zou zijn wat hij tegen Soerel zei,[_5cc04c41-63e2-4322-9347-7b0cc331f980] door in plaats van in zijn oor, op ongeveer een halve meter van zijn oor te praten.[_fcb14f5d-eed1-4c4e-8f05-0ea25b370b04] Als gevolg van de luide muziek en de daardoor vereiste stemverheffing waren sommige dingen die verdachte en Soerel zeiden voor personen in hun directe omgeving toch verstaanbaar.[_0dfdb239-00cf-4ca4-8a79-0ffeb243ac79]
Er was dus volgens de getuige geen sprake van ongecontroleerd schreeuwen. Ook was er, anders dan waarvan de verdediging uitgaat, geen sprake van het met ‘naam en toenaam schreeuwen’ van namen van beoogde slachtoffers. Volgens getuige Q5 heeft hij de precieze namen van de beoogde slachtoffers niet opgevangen, maar werd gesproken over ‘Hingst, Thomas en Kees’ en over ‘drie, vier man die er binnenkort aan gingen’ en wist hij pas na het bekend worden van de moorden, wie er precies waren bedoeld.[_7945cf22-9b1c-469b-aa0c-c0085adade04] Dat het over deze moorden ging wat getuige Q5 in de Baja Beach Club had opgevangen van verdachte, Soerel en Akgün, werd voor hem bevestigd door de informatie die hij kreeg van de persoon uit de omgeving Soerel die rechtstreeks met Soerel in contact stond. Deze informatie hield in dat verdachte en Soerel problemen hadden met Houtman, Van der Bijl, Mieremet en Hingst en dat de conflicten zo hoog waren opgelopen dat verdachte en Soerel besloten hadden om deze mensen om het leven te brengen.[_8712f5bb-4b9c-48f0-a24a-648f24b2637c]
Het hof moet dus vaststellen dat de getuige deze gebeurtenissen anders heeft beschreven dan waar de verdediging in pleidooi vanuit is gegaan. Daar komt bij dat aannemelijk is dat verdachte zich onder invloed van alcohol opgewonden, luidruchtig en minder gecontroleerd kon gedragen. Ten eerste vanwege de algemeen bekende ontremmende werking die alcoholconsumptie kan hebben. Ten tweede gelet op de verklaring van Den Hartog over haar ervaring met de ontremmende wijze waarop alcoholconsumptie bij verdachte uitwerkt.[_507b8c15-e35a-40df-b69f-e467771f61a4] Dat verdachte in nuchtere toestand veel alerter is, zoals naar voren komt in onder meer de verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder, doet daaraan niet af. Het gaat er juist om hoe verdachte spreekt en zich gedraagt als hij onder invloed is van alcohol. Getuige Q5 heeft immers verklaard over wat hij van verdachte heeft gehoord terwijl verdachte onder invloed van alcohol was.
Door de verdediging is erop gewezen dat er qua plaats van handeling geen overlap bestaat tussen de verklaringen van getuige Q5 over uitwisselingen in de Baja Beach Club en de verklaringen van La Serpe over de opdrachten die in de uitgaansgelegenheid BED zijn gegeven voor de moorden op Houtman en Van der Bijl. Dat klopt. La Serpe heeft verklaard over gebeurtenissen in de BED, terwijl getuige Q5 heeft verklaard over de Baja Beach Club. Dat waren andere gebeurtenissen op verschillende locaties. Getuige Q5 heeft niet verklaard over de verstrekking van opdrachten en Remmers heeft hij nooit gezien. In zoverre is er geen overlap tussen de verklaringen. Dat neemt echter niet weg dat deze verklaringen elkaar op onderdelen wel ondersteunen.
In de verklaringen van beide getuigen komen immers aspecten naar voren die overeenstemmen, zoals de betrokkenen, te weten onder anderen verdachte en Soerel, hun rol als opdrachtgevers van moorden op Houtman en Van der Bijl, het Rotterdamse uitgaansleven als plaats van handeling en wat betreft de periode waarin de gebeurtenissen zich afspeelden.
Ook in de verklaringen van Astrid Holleeder is steun te vinden voor de verklaringen van getuige Q5. Astrid Holleeder heeft verklaard ‘Eerst kwam Houtman en de dag erna Mieremet. Die kwamen kort na elkaar. Kort daarvoor was er al iemand geliquideerd (het hof begrijpt: Hingst). Na die liquidatie heeft Willem gezegd dat er nu heel snel achter elkaar meer zouden gaan.’[_7c65aa70-d381-44a1-8e11-a1c89afb1a97]
Ook de verklaring van verdachte zelf biedt steun voor zijn aanwezigheid in de Baja Beach Club en sluiten niet uit dat hij daar gezegd heeft wat getuige Q5 verklaart te hebben opgevangen. Verdachte heeft over die uitlatingen gezegd: ‘als ik een leuk meissie zie en ik denk dat wordt wat vanavond, dan zeg ik “die gaat eraan, die pak ik”. Misschien is Q5 een leuk meissie tegen wie ik dat gezegd heb’.[_ec248dc9-39f5-4ef8-a393-b761b7196ef4]
Het hof hecht aan die uitleg van verdachte geen geloof. Voor die uitleg ontbreken solide aanknopingspunten, nog daargelaten dat het uiten van de woorden ‘die maak ik af’ in zijn versie van de gebeurtenissen niet wordt verklaard. De lezing van verdachte is onverenigbaar met de consistente en gedetailleerde verklaringen van getuige Q5 waarvoor er wel in aanzienlijke mate steun kan worden gevonden in andere bronnen die onafhankelijk bestaan van zijn verklaringen.
De suggestie van de verdediging dat Soerel degene was die bepaalde dat er gemoord zou worden en dat slechts sprake zou zijn geweest van het informeren van verdachte door Soerel acht het hof niet aannemelijk. Die suggestie stuit af op de inhoud van de bewoordingen waarin ook verdachte zich volgens de verklaringen van getuige Q5 heeft uitgedrukt (‘die pak ik’ en ‘die maak ik af’) en op zijn verklaring over de achtergrond van de moorden in de conflicten die verdachte en Soerel met de slachtoffers hadden en het besluit dat verdachte en Soerel daarom hadden genomen. Dat verdachte als opdrachtgever een rol heeft gespeeld bij de moorden op Houtman, Van der Bijl en Mieremet blijkt ook uit van de verklaringen van getuige Q5 onafhankelijke bewijsmiddelen. Het hof zal dat nog bespreken in de hoofdstukken die op die strafbare feiten betrekking hebben.
Het hof ziet geen aanknopingspunten voor de gedachte dat getuige Q5 verdachte valselijk heeft willen belasten, zich vergist of heeft gefantaseerd of dat om een andere reden geen sprake is van betrouwbare mededelingen op basis van eigen waarneming en ondervinding. Zo is er ook geen reden om te denken dat getuige Q5 La Serpe heeft willen napraten. Getuige Q5 heeft zijn verklaringen immers afgelegd ruimschoots voordat in oktober 2011 de zogenoemde Holleeder-weglatingen van La Serpe bekend werden. Het ligt dan ook bepaald niet voor de hand dat getuige Q5 die verklaringen van La Serpe kende. Voor de verklaringen van getuige Q5 kan in voldoende mate steun worden gevonden in het dossier om deze in de bewijsvoering te betrekken van de moorden op Houtman, Van der Bijl en Mieremet. Uit de verklaringen van getuige Q5 blijkt dat verdachte samen met Soerel heeft besloten om Houtman, Van der Bijl en Mieremet te laten ombrengen en dat zij daarin Akgün betrokken. De getuige heeft dit kort voor de moorden op Houtman en Mieremet gehoord uit de mond van verdachte en Soerel zelf en beschikte daarnaast over een informatiebron uit de directe omgeving van Soerel.
Voldaan is aan de voorwaarde van art. 344a, tweede lid, Sv met betrekking tot de ernst van het feit waarvoor de verklaring van de anonieme bedreigde getuige wordt gebruikt. Het bewijs van de feiten die in de hiervoor genoemde zaken ten laste zijn gelegd, berust niet in beslissende mate op de verklaringen van getuige Q5. Deze verklaringen bieden slechts steun aan het andere bewijs dat afkomstig is uit andere bronnen die onafhankelijk bestaan van getuige Q5.
3 Opnamen
Astrid Holleeder heeft op eigen initiatief in het geheim een aantal gesprekken opgenomen die zij met verdachte heeft gevoerd in de periode van 2013 tot en met 2015. Ook Sonja Holleeder heeft enkele opnamen gemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de gesprekken niet heeft geweten dat hij werd opgenomen en heeft erkend dat hij op de opnamen te horen is als gesprekspartner van Astrid en Sonja Holleeder.[_ae7d9617-d5c8-4a66-b8a0-29f411e0bbbb] Het hof heeft een overzicht gemaakt van de opnamen en dat aan de verdediging en het openbaar ministerie verstrekt. In dat overzicht is ook vermeld of de verdediging en het openbaar ministerie correcties hebben voorgesteld op de schriftelijke uitwerkingen van de opnames door de politie. De nummering van de opnamen die hierna wordt gebruikt, komt overeen met de nummering in dat overzicht.[_d8ef8f43-f7de-462d-9824-06ec43f621e8] De terechtzitting van 28 juni 2021 stond geheel in het teken van de opnamen: wat daarin te horen is, de vragen die dat oproept en wat verdachte daarover kon verklaren. Ook bij de verhoren van Astrid en Sonja Holleeder ter terechtzitting in hoger beroep en bij de bespreking van de zaaksdossiers zijn enkele opnamen aan de orde gekomen.
Astrid Holleeder heeft verklaard dat zij met het maken van de opnamen heeft willen voorkomen dat het haar woord tegen het woord van verdachte zou zijn.[_99c62470-6d5f-4ffd-b091-ea1b359e7dfb] De meeste opnamen zijn gemaakt nadat Astrid en Sonja Holleeder op 20 en 21 april 2013 hun kluisverklaringen hadden afgelegd. Die verklaringen konden dus niet op de opnamen worden afgestemd. Wel hebben Astrid en Sonja Holleeder geprobeerd de opgenomen gesprekken met verdachte te sturen in de richting van de onderwerpen die ook in de kluisverklaringen naar voren komen. Daarbij moesten zij volgens Astrid Holleeder subtiel te werk gaan om bij verdachte geen argwaan te wekken. De verdediging heeft erop gewezen dat er desondanks geen bekennende uitlatingen van verdachte zijn opgenomen en dat dit veelzeggend is. Het hof vindt diverse uitlatingen van verdachte in de opnamen wel degelijk belastend voor verdachte, zoals nog zal blijken uit wat hierna zal worden toegelicht.
Verdachte heeft niet gesteld dat hem onjuiste uitlatingen zijn ontlokt. Verdachte heeft steeds zelf bepaald wat hij in deze gesprekken zei. Bij de rechtbank is naar voren gebracht dat Astrid Holleeder niet al het opnamemateriaal in een keer aan de autoriteiten ter beschikking heeft gesteld. De verdediging heeft om die reden de rechtbank verzocht om de opnamen niet voor het bewijs te gebruiken. In hoger beroep is dat verzoek niet herhaald. Verdachte heeft ter zitting van 28 juni 2021 wel gesteld dat Astrid Holleeder ‘om de boel te manipuleren’ de opnamen niet in één keer heeft verstrekt en deze niet van een precieze datering heeft voorzien. Ook heeft verdachte gesteld dat Astrid Holleeder haar rol als intermediair tussen Sonja Holleeder en verdachte heeft misbruikt om verdachte boos te maken, waardoor hij is gaan dreigen. Aan deze stellingen zijn geen conclusies verbonden met betrekking tot de authenticiteit of betrouwbaarheid van hetgeen op de opnamen te horen is. Verdachte kan worden toegegeven dat in opname 15 niet te horen is dat Astrid Holleeder zijn dreigementen doorgeeft aan Sonja Holleeder, zoals hij Astrid Holleeder had opgedragen. Ook is niet te horen dat Sonja Holleeder in antwoord op die dreigementen gezegd zou hebben wat Astrid Holleeder vervolgens aan verdachte als het antwoord van Sonja Holleeder heeft doorgegeven. Ter terechtzitting van 28 juni 2021 is dit aan de orde geweest.[_aa7638a4-6605-4908-be5e-c120f58e53aa] Ook hiervoor geldt echter dat verdachte de controle had over wat hijzelf vervolgens zei, terwijl wat hij heeft gezegd niet wezenlijk afwijkt van de rest van deze opname. In de fase van het pleidooi is op deze stellingen van verdachte niet teruggekomen.
Het hof ziet geen reden om over de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de opnamen in het algemeen anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en verwoord in haar vonnis in paragraaf II.2.6 en neemt die motivering hier over. Het hof ziet in de totstandkoming, de inhoud en in de gang van zaken bij het ter beschikking stellen van de opnamen geen reden om deze buiten beschouwing te laten. Dat betekent dat per opname, voor zover van belang, zal worden beoordeeld wat daarop te horen is en welke betekenis daaraan moet worden toegekend. Daarbij is ook van belang wat de deelnemers aan het gesprek daarover zelf verklaren en, als hun uitleg niet overeenstemt, welke verklaring aannemelijk is. Bij die beoordeling betrekt het hof ook wat er bekend is over de achtergronden en de context van de onderwerpen die in de opnamen worden besproken. Ook kan het gespreksverloop een aanknopingspunt bieden om vast te stellen wat er wordt bedoeld.
De opnamen geven een blik op verdachte in communicatie met zijn zussen die door hem als vertrouwelijk werd ervaren. De opnamen dragen op verschillende manieren bij aan de bewijsvoering. Voor een deel zijn de opgenomen uitlatingen van verdachte bruikbaar als bewijsmiddelen voor concrete ten laste gelegde misdrijven. Bijvoorbeeld de opnamen waarin verdachte uitlatingen doet over Van Hout, Endstra en Van der Bijl. Deze opnamen worden besproken bij de bewijsmotivering van die zaaksdossiers. Voor een ander deel gaat het om opnamen met een betekenis die de individuele zaaksdossiers overstijgt. Die opnamen worden in dit hoofdstuk besproken. Dat betreft opnamen:(1) die aantonen hoezeer verdachte enerzijds zijn zussen in vertrouwen nam en anderzijds vreesde dat met name Sonja Holleeder dit vertrouwen zou beschamen, waarbij verdachte ook laat weten dat de dood volgt als iemand met de politie praat; (2) die indringend de realiteit aantonen van het motief dat Astrid en Sonja Holleeder hebben genoemd om belastend over verdachte te gaan verklaren, namelijk zijn doodsbedreigingen, en (3) waarin verdachte zich profileert als iemand die verantwoordelijk is voor gepleegde moorden, dreigt met nieuwe moorden met het oog op zijn eigen (financiële) belangen en suggereert deze moorden vlot te kunnen regelen.
Wetenschap van Astrid en Sonja Holleeder en omertà (geheimhoudingsplicht)
Astrid Holleeder: zus en strafrechtadvocaat De gesprekken van verdachte met Astrid Holleeder werden beïnvloed door het feit dat zij niet alleen zijn zus, maar ook strafrechtadvocaat was. Dat kan ervoor hebben gezorgd dat verdachte erop vertrouwde dat de gesprekken vertrouwelijk zouden blijven, maar in elk geval is duidelijk geworden dat hij haar betrok bij het beoordelen van zijn strafrechtelijke positie. In de opnamen is te horen dat verdachte sprak met Astrid Holleeder over zijn strafrechtelijke positie in verband met de aangifte van bedreiging door De Vries[_617658b1-1c7f-43d0-a5ea-e7e4ea191511] en in verband met ontwikkelingen in het Passageproces.[_2d17371f-529e-42ee-8fa1-339087ebe3d4] Door verdachte en Astrid Holleeder wordt gezamenlijk geanalyseerd wat bijvoorbeeld de strategie van Soerel zal zijn in reactie op het naar buiten komen van de verklaringen van Ros als kroongetuige.[_f9c31367-6441-4e95-a7f6-502e2e5f9730] Als verdachte vreest vanwege die verklaringen te worden aangehouden, bespreekt hij met Astrid Holleeder hoe zij die kans inschat en waar hij het beste de nacht kan doorbrengen.[_04b02c78-27cf-4b01-b373-4d826981f2d1]
Ook is te horen dat verdachte (manuscripten van) boeken en andere publicaties met Astrid Holleeder bespreekt, waarbij de inhoud gezamenlijk wordt geanalyseerd, in het bijzonder met het oog op onderwerpen die voor verdachte nadelig zijn.[_0e69a8e2-d4b7-4000-8a7a-649660b2d279] De inhoud van de opnamen biedt ook steun voor de verklaring van Astrid Holleeder over het archief van publicaties dat zij voor verdachte moest bijhouden,[_ffb0201a-e424-428f-857d-736641901d51] waarbij zij al rekening hielden met een te voeren verweer dat getuigen alles uit de media hebben, voor het geval verdachte vervolgd zou gaan worden voor moorden rondom het onderzoek Kolbak.[_c224cd85-aef7-474e-9fcc-eab78dffbd28]
Verdachte betrok Astrid Holleeder bij het analyseren van zijn strafrechtelijke positie en bij het scannen en archiveren van (aankomende) publicaties. Om dat goed te kunnen doen, moest Astrid Holleeder weten op welke punten strafrechtelijke kansen en risico’s voor verdachte bestonden. Dat Astrid Holleeder over zulke kennis beschikte, blijkt uit de opnamen. Een voorbeeld daarvan biedt opname 20 waarin zij en verdachte spraken over Sonja Holleeder. Verdachte zegt in dat gesprek: ‘Als ik haar vanavond tegen kom, dan sla ik haar echt het ziekenhuis in’, gevolgd door ‘Endstra heb me ook willen pikken’, waarop Astrid Holleeder zei: ‘Ja weet ik, precies hetzelfde’.[_07780249-fd09-412f-afdf-bb6c9f4898ca] Deze woorden die Astrid Holleeder uitspreekt ‘ja weet ik, precies hetzelfde’ veroorzaken vervolgens geen enkele rimpeling in het gesprek. Dit wijst erop dat sprake is van gedeelde kennis over het verleden van verdachte. Anders gezegd: zij weten allebei wat er is gebeurd waardoor het niet nodig is iets verder uit te leggen. In dit geval gaat het om kennis die verdachte en Astrid Holleeder delen dat verdachte met het toebrengen van fysiek leed reageert als hij meent financieel te zijn benadeeld. Dat verdachte en Astrid Holleeder beschikken over gedeelde kennis, blijkt ook uit het feit dat in verschillende gesprekken door verdachte wordt verwezen naar gepleegde moorden, en uit de beknopte en indirecte manier waarop hij dat doet.[_48917b82-201f-40a5-a2fc-6607789c7537]
Verdachte vertrouwde klaarblijkelijk erop dat Astrid Holleeder nooit iets belastend over hem naar buiten zou brengen. Dat wordt bevestigd door de hierna gedeeltelijk geciteerde gesprekken over Sonja Holleeder en De Vries. De mededelingen van verdachte aan Astrid Holleeder en ook aan Sonja Holleeder staan stijf van de doodsbedreigingen.
Bijzondere kenmerken van gesprekken: telefoons weg, fluisteren en afkappen Uit de opnamen blijkt dat verdachte erop alert was dat hij door de politie zou kunnen worden afgeluisterd, bijvoorbeeld via zijn horloge,[_93e76d88-1e0a-4de5-80b8-b16f7507754d] een telefoon in een auto of op straat. Hij attendeert Astrid en Sonja Holleeder daarop of zegt hen bijvoorbeeld hun telefoon uit te zetten of weg te leggen, voordat hij met hen in gesprek gaat.[_0daff849-0edd-45ad-9a59-5979a81f7a51] Het hof leidt daaruit ook af dat verdachte tegen Astrid Holleeder dingen wél zei die wat hem betreft absoluut níet naar buiten mochten komen.
Een sterke aanwijzing daarvoor vormt ook het fluisteren door verdachte dat in vele opnamen te horen is, waaronder de hierna geciteerde opnamen. Opvallend is namelijk dat verdachte fluistert op momenten in het gesprek waarop verwacht kan worden dat hij de mededelingen doet die voor hemzelf het meest belastend zijn.[_22a8d5fa-53bc-4708-a6a6-d48b069516d2] Klaarblijkelijk vertrouwde verdachte erop dat Astrid en Sonja Holleeder die tijdens dat fluisteren verschafte (of bevestigde) kennis nimmer met de buitenwereld zouden delen. Dat kan ook de extreme reactie van verdachte verklaren toen hij aan de loyaliteit van Sonja Holleeder begon te twijfelen, zoals deze in de geciteerde opnamen in de volgende paragraaf naar voren komt.
Zoals verdachte op veelzeggende momenten fluistert, zo is in de opnamen ook te horen dat hij Astrid en Sonja Holleeder rigoureus afkapt of tot zwijgen of fluisteren maant, precies op die momenten in het gesprek waarop zij dingen lijken te gaan zeggen die voor verdachte belastend zijn in relatie tot gepleegde moorden waarvoor verdachte nu terechtstaat.
Opname 32 bevat onder meer de volgende uitwisseling tussen verdachte (W) en Sonja Holleeder (S):
“S: Wim, hij had het daarvoor al verkocht. En waarom? Hij (het hof begrijpt: Van Hout) had ruzie met jou, hij wist dat, wat er aan de hand was.
W: Ik ga er over ophouden nou Boxer...
S: Nee, want het is zo...
W: (verheft stem) Over dat ophouden nou!! Over dat gaan ik ophouden nou!! Ik heb het alleen over die film.” [_a5663659-214c-4cc6-bd44-38ba4b4d40d0]
In dit gespreksfragment probeert Sonja Holleeder verdachte ervan te overtuigen dat De Achterdam door Van Hout bij leven al is verkocht. Van Hout heeft na de tweede aanslag op zijn leven tegen de politie uitlatingen gedaan met de strekking dat verdachte daar achter zat.[_abf3d5b8-64a8-479f-8174-807186bfb690] Gelet op die achtergrond begrijpt het hof dat Sonja Holleeder verdachte daarmee – de wetenschap bij Van Hout dat verdachte hem probeerde te vermoorden – confronteert als ze zegt ‘hij had ruzie met jou, hij wist wat er aan de hand was’. En dat dát is waarover Sonja Holleeder van de met stemverheffing sprekende verdachte direct moet ophouden. Verdachte heeft verklaard dat Sonja Holleeder hier van hem moest ophouden met liegen. ‘Ze ging weer liegen over de verkoop van De Achterdam. Het was ook een leugen, dat Van Hout wist wat er gebeurde’, maar ‘hier doel ik niet op de ruzie met Van Hout, maar op dat gezeik met De Achterdam’.[_fe5dc8e9-3954-4a4b-ba4e-45b2e94dcb3b] Die verklaring acht het hof niet aannemelijk, ook omdat later in dit opgenomen gesprek verdachte terugkomt op de gang van zaken rond de verkoop van De Achterdam;[_d48cc11d-99bc-4aeb-b043-699eecf37068] dat was dus geen onderwerp dat verdachte met klem wilde vermijden. Ook in opname 15B komt naar voren dat de gedachte dat Sonja Holleeder met de politie praat over Van Hout op verdachte uitwerkt als een rode lap op een stier. Dit gesprek zal hierna nog worden geciteerd. Als zij over Van Hout praat met de politie ‘moet’ verdachte ‘dat gewoon oplossen, meteen!’, daarmee bedoelde hij: haar laten doodmaken, zoals bij de bespreking van opname 15B is toegelicht.
Opname 3 bevat de volgende uitwisseling tussen verdachte en Astrid Holleeder (A) in een gesprek waarin zij gezamenlijk analyseren hoe Soerel zal reageren op de verklaringen van Ros als kroongetuige:
“A: Dat snap ik wel, maar daar ga je het niet mee redden. Dus wat hij nu doet, is eigenlijk zeggen: ja, maar hij vertelt niet de hele waarheid. De hele waarheid is dit.
W: Ja, maar je moet oppassen om niet te herhalen, om te zeggen, zeg het in je oor.”[_5add52f7-a7d9-489b-832a-6c5e15bdbc74]
Astrid Holleeder zegt hier dat Soerel in reactie op de verklaring van Ros dus gaat zeggen dat Ros niet de hele waarheid vertelt, waarbij Astrid Holleeder aanstalten maakt om die hele waarheid samen te vatten. Verdachte dringt erop aan die waarheid niet hardop uit te spreken, maar in het oor te fluisteren. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij die laatste zin ‘niet snapt’, ‘niet kan plaatsen’ en ‘echt niet zou weten’ waar dat over gaat.[_b4c7248f-ce96-48c1-b8ad-fbbaac42ad56] Omdat verdachte geen andere logische uitleg heeft kunnen geven en een andere uitleg ook niet voor de hand ligt, gaat het hof er vanuit, gelet op de context en het gespreksverloop, dat verdachte Astrid Holleeder hier onderbrak om te voorkomen dat zij door hardop te spreken informatie zou prijsgeven die voor verdachte belastend is.
Opname 29A bevat onder meer de volgende uitwisseling tussen verdachte en Astrid Holleeder:
“W: Als ik die 3 jaar niet meer huh ja dan...
A: Ja maar je moet hun wel op een gegeven... kijk zij is heel bang.
W: Ja
A: Dat zeg maar (fluistert) ((NTV) minuut 17.44) hoe heet ie.
W: Je hoeft het niet te vertellen, ik weet wat je bedoelt.” [_4513c69c-5ef1-4e08-b620-fa03f6f7d415]
En verderop in ditzelfde gesprek:
A: Ja maar ik denk dat dat het punt niet is hoor. Ik denk dat zij dat heel goed begrijpt. Zij is heel...(fluistert) hij is ook bang. Want ik heb hem ook nog nooit zo gezien.
W: Hij schijt in zijn broek.
A: Hij is echt bang hoor
W: Hij schijt in zijn broek
A: Hij is bang dat (fluistert) van te voren zo’n ntv (minuut 24.28).... voor zo’n verhaal.
(p. 417) W: Ja tuurlijk.
A: Daar is hij echt bang voor...want hij, toen dat gebeurd was, was hij de eerste die mij belde, ik dacht waarom belt hij mij, maar hij was helemaal toen in de stress weet je...
W: Wanneer was dat
A: Toen (fluistert) het met Thomas gebeurde.
W: Jajajajaja.
A: Toen belde hij mij.
W: Jajaja.
A: Ik dacht waarom belt hij mij nou, met die mededeling door de telefoon. Ik denk, wat is dat voor onzin.
W: Ja
A: Weet je
W: Ja laten we er maar over ophouden. Daar hoeven we niet over te praten.
Ook in deze fragmenten kapt verdachte Astrid Holleeder af. Dat gebeurt op het moment waarop zij hardop wil zeggen waar de echtgenote van De Vries bang voor is, naar aanleiding van de bedreiging van De Vries door verdachte en de daarop gevolgde aangifte door De Vries. Astrid Holleeder heeft hierover verklaard dat zij in dit deel van opname 29A voorzichtig tegen verdachte probeerde te zeggen dat de echtgenote van De Vries bang was dat het net zo zou gaan als bij de moord op Van der Bijl, namelijk dat verdachte de moord zou regelen voordat hij gedetineerd zou raken. Astrid Holleeder wilde daarbij niet aan verdachte laten merken dat zij De Vries had verteld over de gang van zaken bij de moord op Van der Bijl. Zij had dat aan De Vries verteld om hem te doordringen van de ernst van de situatie.[_0fdc742a-759d-422b-9cf0-2d70c445fc37] Astrid Holleeder heeft aantekeningen gemaakt van gesprekken die zij met verdachte had. Deze aantekeningen bieden steun aan haar verklaring[_cf9ce114-0b0b-4903-855a-a3179391fcdc] dat verdachte in het kader van zijn conflict met De Vries de vergelijking heeft gemaakt met de gang van zaken bij de moord op Thomas van der Bijl en dat hij heeft gezegd dat hij de moord op De Vries zou regelen voordat hij vast zou komen te zitten, net zoals hij dat bij de moord op Van der Bijl had geregeld. Deze aantekeningen van Astrid Holleeder houden onder meer in:
“Donderdagavond incident
Vrijdagochtend Sonja gesproken verteld Wim-Peter
Vrijdagochtend 26e april: Wim gezien Muiden. Vertelde over incident met Sonja en Peter. Was woest wil niet in film. Anderen mogen geen geld aan hem verdienen. Wanchandalig. Komt allemaal door Sonja. Weet nog niet van aangifte. Schiet hem dood “die kan er ook nog wel bij.”(…)
Vrijdagmiddag
Weet dat hij aangifte heeft gedaan. Probleem met V.I. Als ik moet zitten “Dan regel ik het van
tevoren” Dan gaat hij als ik het net als met Thomas.” [_48d6c4d6-6fa2-4eb0-a57a-8496cae2a030]
Verdachte heeft geen andere uitleg kunnen geven voor deze passage in opname 29A, terwijl een andere uitleg ook niet voor de hand ligt. Op de vraag wat Astrid Holleeder niet hoefde te vertellen omdat hij wist wat ze bedoelde, heeft hij gezegd dat hij dat ‘niet zou weten waar dat over gaat’.[_059ba671-a659-488f-ba43-d9c8b0b28931] Het hof heeft mede daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring van Astrid Holleeder. Daarbij speelt ook een rol dat, zoals hierna nog zal worden toegelicht, de juistheid vast is komen te staan van de aantekening die behoort bij dezelfde notities, dat verdachte heeft gezegd dat hij De Vries zou ‘doodschieten’ waarbij hij gezegd zou hebben ‘die kan er ook nog wel bij’.
Verdachte heeft gesteld dat Astrid Holleeder bewust een strategie zou hebben gehanteerd om op bepaalde momenten in de gesprekken te gaan fluisteren, met als doel om dat achteraf in haar verklaringen daarover voor verdachte belastend in te kunnen vullen. Deze stelling is moeilijk te rijmen met de manier waarop verdachte zijn gesprekspartner afkapt. In deze fragmenten is het juist verdachte die Astrid Holleeder expliciet verhindert iets hardop te zeggen. Ook voor het overige zijn er geen aanknopingspunten voor dat Astrid Holleeder een strategie zoals door verdachte bedoeld zou hebben gebruikt. Het is verdachte die in de opnamen meestal het initiatief neemt om plots te gaan fluisteren.
Kennispositie Astrid en Sonja Holleeder Deze even opvallende als verdachte gesprekskenmerken (pas praten nadat telefoons zijn weggelegd, het fluisteren en het afkappen) dragen bij aan het oordeel dat verdachte de getuigen in vertrouwen nam en hen vertelde over zaken die niemand anders mocht horen. Ook blijkt daaruit dat de getuigen beschikten over kennis die voor hem belastend was, kennis die op geen enkele wijze naar buiten mocht komen, ook niet doordat de getuigen het hardop zouden zeggen en dit zou kunnen worden opgevangen door derden.
De opnamen bevestigen de betrouwbaarheid én vergroten het gewicht van de verklaringen van Astrid Holleeder – ook ten aanzien van die onderdelen van haar verklaringen waarvoor geen directe bevestiging in de opnamen bestaat, omdat het onderwerp niet is besproken, of door het fluisteren van verdachte niet verstaanbaar is wat hij zegt. Het is niet haar woord tegen het zijne. De opnamen tonen aan dat verdachte met Astrid Holleeder informatie deelde, die geheim moest blijven, over de onderwerpen waarover zij heeft verklaard; ook informatie over betrokkenheid bij gepleegde moorden, zoals blijkt uit de opnamen die zijn gebruikt in de bewijsvoering van de zaaksdossiers.
De opnamen bieden ook steun aan de inhoud van de verklaringen van Sonja Holleeder over verdachte en voor het feit dat zij zich in een positie bevond waarin zij over deze belastende informatie kon beschikken. Onderwerpen waarover zij heeft verklaard, komen ook in de opnamen naar voren, die hierna deels nog geciteerd zullen worden. Daarbij blijkt dat verdachte en Sonja Holleeder beiden beschikten over gedeelde kennis uit een gezamenlijk verleden. Dat geldt in het bijzonder voor wat Sonja Holleeder met verdachte zegt te hebben meegemaakt in verband met de aanslagen op het leven van Van Hout, de wens van verdachte de beschikking te krijgen over diens vermogensbestanddelen en haar door verdachte in opname 15 gememoreerde vrees dat hij ‘langs zou komme’ / ‘er an zou komme’, zoals besproken in hoofdstuk 6 met de bewijsmotivering in het zaaksdossier Viool.
In de gesprekken met Sonja Holleeder komt naar voren dat een toenemende onrust zich van verdachte meester maakt als zijn vertrouwen in haar zwijgen begint te wankelen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij aanvoelde dat er iets aan de hand was, maar tegen zichzelf ter geruststelling zei: ‘jongen niet paranoia worden’.[_9c75f31c-f138-4df8-9b8d-8eb22566e00f] In de hierna in paragraaf 3.2 geciteerde opnamen, toont hij zich echter zo onzeker over Sonja Holleeders blijvende loyaliteit én is hij kennelijk zo bevreesd over wat zij de autoriteiten over hem kan vertellen, dat hij mede daarin aanleiding ziet zijn zus en haar kinderen op indringende wijze herhaaldelijk met de dood te bedreigen.
Geheimhoudingsplicht
Bij meerdere aan verdachte ten laste gelegde moorden is aannemelijk dat het motief mede bestond uit de wens de slachtoffers het zwijgen op te leggen. Endstra praatte bijvoorbeeld met de CIE, Van der Bijl praatte met de CIE. Deze slachtoffers beschikten over informatie over het criminele verleden van verdachte. Verdachte wijt in de hierna geciteerde opname 32 zijn veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf in de Kolbakzaak mede aan de verklaringen van Van der Bijl, die steunbewijs hebben gevormd. Voor Endstra en Houtman kwam daarbij dat zij door verdachte zijn afgeperst en voor hem een risico vormden, omdat zij daarover zouden kunnen gaan verklaren. Astrid[_936145fa-024e-432d-b4da-ba7b902e079c] en Sonja[_2ada9adf-d629-4e6a-ac13-911ba3052bb8] Holleeder hebben verklaard over de geheimhoudingsplicht in verband met hun kennis over verdachte en over hun angst dat verdachte hen of hun kinderen zou vermoorden als zij over hem zouden praten met de politie. Ook hun broer [betrokkene 3] noemde de vrees dat hij dat met de dood zou moeten bekopen, als reden om geen verklaring over verdachte af te leggen: ‘op praten met de politie staat de doodstraf’, zo verklaart hij bondig.[_181d1ab6-4441-4a8a-880a-16b27fafbcf3]
Tegen die achtergrond valt het op dat verdachte in de opnamen dit beeld van zijn zussen bevestigt. Hij is niet zuinig met het uiten van zijn bereidheid om mensen te vermoorden als zij voor hem een strafrechtelijk risico kunnen worden of anderszins niet doen wat hij wil. In de hierna geciteerde opname 29A zegt verdachte dat hij de kinderen van Sonja Holleeder als eerste doodschiet als zij naar de politie gaat: ‘als hij door haar één dag binnen zit. Die twee gaan het eerst!’. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij de kinderen van Sonja Holleeder bedoelde.[_3fc2c8e3-79e5-43b3-b523-2a9490448e4b] In de hierna ook geciteerde opname 15B zegt verdachte dat hij het ‘meteen gaat oplossen’ als hij zou merken dat ‘Sonja bij de politie over Cor praat’. Oplossen betekent ook hier: doodschieten. Kennelijk weet verdachte dat Sonja zeer belastend over hem kan verklaren.
Motieven Astrid en Sonja Holleeder om te verklaren
Verdachte heeft gesteld dat Astrid Holleeder een vals spel heeft bedacht om hem ‘erin te leggen’, waarin zij Sonja Holleeder en Den Hartog heeft meegekregen en waaraan diverse, ook financiële, belangen ten grondslag liggen. Door haar ervaring als advocaat is dat gemakkelijk voor haar. Hiervoor is in hoofdstuk 2 al uitgelegd dat die financiële motieven niet aannemelijk zijn geworden. Zelf hebben deze getuigen als een van de belangrijkste motieven om over verdachte te gaan verklaren gewezen op de toenemende dreiging die van verdachte uitging. Die dreiging was met name gericht tegen Sonja Holleeder en haar kinderen en tegen De Vries. Maar ook Den Hartog vreesde voor haar zoon. Zij wilden voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. Dit motief dat door de getuigen is genoemd wordt door verdachte in de opnamen letterlijk schreeuwend van steun voorzien. De dreiging die van verdachte uitging naar Sonja Holleeder, haar kinderen en De Vries, komt in de opnamen indringend naar voren. Delen van die opnamen worden hieronder weergegeven.
Voor het begrip van de inhoud van deze opnamen is zinvol iets te weten van de context. In de periode waarin deze opnamen zijn gemaakt, waren de volgende thema’s onderwerp van gesprek. Verdachte voelde zich door De Vries en Sonja Holleeder financieel tekort gedaan in verband met de mogelijke opbrengst van de verfilming van het boek over de Heinekenontvoering dat De Vries met hulp van Van Hout heeft geschreven. In verband daarmee heeft verdachte in de avond van 25 april 2013 De Vries bij zijn woning bedreigd,[_c4629d78-d708-4800-b182-f176f4bedd74] terwijl verdachte op dat moment voorwaardelijk in vrijheid was gesteld. In het kader van die (zogenoemde) voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: VI) hing er nog een strafdeel van bijna 1100 dagen gevangenisstraf boven het hoofd van verdachte. Dit nieuwe strafbare feit, waarvan De Vries aangifte deed, schiep voor verdachte het reële risico dat hij die gevangenisstraf alsnog zou moeten uitzitten. In verband met de filmrechten noemt verdachte in de opgenomen gesprekken af en toe ook zijn mededaders van de Heinekenontvoering, Meijer en Boellaard, die ook zouden willen delen in de opbrengst. Ook was verdachte er verbolgen over dat hij niet bij de dochter van Sonja Holleeder op kraamvisite had mogen komen en dat hij geen auto had mogen lenen. Voor verdachte zijn dat allemaal redenen om te gaan twijfelen aan de loyaliteit van zijn zus ten opzichte van hem.
Opname 1 is een opname van een gesprek van 26 april 2013, de dag nadat verdachte De Vries bij zijn woning heeft bedreigd en bevat onder meer de volgende uitwisseling tussen verdachte (W) en Astrid Holleeder (A):
“A: Heb je ruzie met Sonja?
W: Met Peter ook. Weet je dat niet? (…) Ik ben bij hem geweest (…) Gisteravond. (…) hij heeft overspannen thuis [advocaat 2] (het hof begrijpt: mr. [advocaat 2], de toenmalige raadsman van verdachte) gebeld (…) Want hij voelt zich bedreigd. (…) Ik ben gisteren naar hem toegegaan. (…) Om te zeggen, luister, jij gaat mijn personage niet gebruiken, jij gaat mijn naam niet noemen in die film, dat ga je der uit halen en als je dat niet doet, zal je zien wat ik met je doe. Ze wijf was der bij. Hij zegt: ik voel me bedreigd. Ik zeg: ja, ik dreig niet, ik doe gewoon wat ik zeg. Ik ben klaar met jou. Jij gaat mijn naam der uit halen, mijn personage. Ik ga die film verkankeren. Ik ben er helemaal klaar mee. Het hele spelletje van Sonja ben ik zo spuugzat.
W: (…) Ik voel me gewoon in de maling genomen. Weet je wat, ze hebben ook bij mijn kunnen komme praten, Wim, luister hoe gaan we het doen. Hun gaan er gewoon vanuit dat ik een imbeciel ben. Hoe kunnen hun nou, hoe ken Peter nou ineens van 30% naar 50% gaan. (…) Als Cor had geleefd, had ie ons ook allemaal geld moeten geven. Het gaat om ons.
A: Ja, maar, het is toch ook niet gezegd dat dat niet gebeurt? Daarom denk ik, kijk, je gaat nou een hoop ellende creëren voor niks, echt voor niks, terwijl je nog niet eens een ‘ja’ of een ‘nee’ heb en je weet nog niet eens precies hoe het zit van de mensen waar, die het betreft.
W: Gaat je dit zeggen. Ik heb het gewoon gedaan, want bij een ‘nee’, schiet ik hem gewoon hartstikke dood. (…) Als ik, luister, naar hem toe ga, en ik zeg: luister, hoe gaan we het oplossen. Hij zegt: ja, daar heb ik niks mee te maken, ik heb gewoon mijn geld. (…) Gaan ik niet met mijn staart tussen mijn benen weg. Schiet ik hem gewoon dood. (…) Ik ben er gewoon klaar mee, die ken d’r ook nog wel bij. Kijk, wegwezen. (…) Ik ben er klaar mee gewoon As en Astrid, die Sonja zit me zo hoog. (…) Ik ken der niet mee leven, ja? Dat ik iets gedaan heb in mijn leven waar een film van komt, die misschien wereldwijd wordt uitgezonden. (…) Dat ik dan daar niks van heb en Sonja en hij alles. (…) Daar kan ik niet mee leven. (…) Ik heb genoeg gedaan in mijn leven. (…) Ik zal je zeggen. (…) Ze gaan net zo makkelijk alle twee ook. Hoor je.
A: Nee joh.
W: Ja, tuurlijk. Assie.
A: Nee, man. Je moet niet van die rare dingen zeggen.
W: Maar Assie, ik ben in. Maar Assie, ik ben in alle staten. (…) Het gaat uit de hand lopen”
Deze uitlatingen ‘dan schiet ik hem gewoon dood, die ken d’r ook nog wel bij, ik heb genoeg gedaan in mijn leven, ze gaan net zo makkelijk alle twee ook’ roepen de vraag op of er dan ook anderen zijn doodgeschoten waar verdachte bij betrokken was. Op de vraag wat hij hiermee bedoelde, heeft verdachte geantwoord: ‘Dat zou ik niet weten, op dat moment zeg ik gewoon wat’, het is ‘instrumenteel dreigen’.[_5324dc36-cfc3-4a09-b25d-6661362b0a3a] Voor zover hij daarmee bedoelt dat hij dreigt met sterke verhalen, acht het hof dat niet aannemelijk. Met wat verdachte zegt om zijn bedreiging met het doodschieten van De Vries kracht bij te zetten, suggereert verdachte onmiskenbaar dat hij voor eerdere moorden verantwoordelijk is en dat de moorden op De Vries en Sonja Holleeder daar gemakkelijk bij kunnen. Daarbij valt ook op dat verdachte in dit verband opmerkt dat hij ‘er niet mee kan leven’ wat Sonja Holleeder en De Vries hem hebben aangedaan. Die ‘motivering’ door verdachte komt terug in meerdere opnamen waarin hij doodsbedreigingen uit, die hierna nog besproken zullen worden.
In paragraaf 3.3 gaat het hof in op de vraag of dat instrumenteel dreigen is met een sterk verhaal waarvan hij hoopte dat dat effect zou hebben, of dat het gaat om instrumenteel dreigen door te verwijzen naar reële eerdere gebeurtenissen.
Bijzonder aan deze opname is dat verdachte (pas) in hoger beroep heeft verklaard dat hij ook heeft gehoord dat hij de hierboven vetgedrukte zinnen uitspreekt.[_cbf50499-136f-49e9-8d07-eb40365a6e4b] In de schriftelijke uitwerking van de opname waren deze zinnen nog niet vermeld. Verdachte had bij de rechtbank echter naar voren gebracht dat dit een voorbeeld is van een belastende opmerking die Astrid Holleeder heeft bedacht en heeft ingevuld op een plek waar het gesprek niet goed te verstaan is. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 oktober 2018 houdt onder meer in als verklaring van verdachte op vragen over de (in de vorige paragraaf geciteerde) aantekeningen van Astrid Holleeder over de opgenomen gesprekken:
“U houdt mij voor dat Astrid op 15 april 2015 een verklaring heeft afgelegd bij de politie en daar toen ongedateerde aantekeningen heeft overgelegd, die als bijlage aan het proces-verbaal zijn gevoegd. U houdt mij voor dat in bijlage 3 onder meer staat: “Vrijdagochtend: (...) Schiet hem dood. Die kan er ook nog wel bij”. U houdt mij voor dat Astrid zegt dat ze dat op heeft geschreven omdat ik dat gezegd zou hebben.
Wanneer heeft ze dat opgeschreven?
U houdt mij voor dat Astrid zegt dat ze dit soort aantekeningen maakte kort na gesprekken met mij. U houdt mij voor dat ze zegt dat er zoveel werd gezegd dat ze dat op een of andere manier moest proberen vast te leggen.
Dat is natuurlijk onzin, want als je die opnames hebt, dan kan je dat toch gewoon terug luisteren? (…) wie zegt dat ze dat niet verzint? Zij zegt dat ze dat heeft gehoord, maar het is niet te horen. Dan schrijft ze het op papier en zegt ze dat ze dat heeft gehoord.
U houdt mij voor dat in de aantekeningen ‘Vrijdagochtend’ staat en dat ik gezegd zou hebben “Schiet hem dood. Die kan er ook nog wel bij”. Ja, maar dat is niet zo. (…) U houdt mij voor dat Astrid hierover heeft verklaard: “Ik weet wat hij bedoelt, want hij heeft al zoveel mensen dood laten schieten”.
Maar dat staat niet op de opname en dat schrijft ze dan gewoon op en dan zegt ze dat het een andere dag is geweest dat ik dat heb gezegd. Waarom heeft ze dat dan niet opgenomen?
U houdt mij voor dat er eveneens een aantekening is waarop staat: ‘Vrijdagmiddag: Weet dat hij aangifte heeft gedaan. Probleem met VI. Als ik moet zitten, dan gaat hij als ik vast zit net als met Thomas —> niet opgenomen’.
Ze probeert op die manier haar eigen bewijs te maken, maar het is allemaal onzin. Het is niet zo moeilijk. Ze heeft me erin willen leggen. Dat is wel duidelijk toch?”
In deze opname is dus wel degelijk te horen wat verdachte volgens de aantekeningen van Astrid Holleeder heeft gezegd over het ‘doodschieten’ en het ‘er ook nog wel bij kunnen’. Dit was voor verdachte een belangrijk voorbeeld voor zijn stelling van verdachte dat Astrid Holleeder hem veroordeeld probeert te krijgen door zelf vals bewijs te fabriceren. Inmiddels is gebleken dat het wel klopt wat Astrid Holleeder daarover heeft verteld.
In opname 27 van 29 april 2013 maakt verdachte duidelijk dat De Vries moet meewerken aan een oplossing om te voorkomen dat verdachte zijn VI moet uitzitten. De opname bevat onder meer de volgende uitwisseling tussen verdachte en Astrid Holleeder:
“W: Kijk, als ik door hem 3 jaar...kijk dan ken ie wel zeggen, het is je eigen schuld, dan had je het niet moeten doen. ..maar ik ga niet er vanuit dat jij naar de politie gaat. (…) Kijk wat hij wil allemaal, hij ken het krijgen zoals ie wil. Het is niet in mijn handen nu. Maar het kan niet zo zijn, dat ik gewoon....want kijk hij zegt wel sorry, en ik ga lekker door.. Dat is natuurlijk
geen manier. (…) Dat is geen manier van uitpraten. Wil je het dan wel uitpraten?
A: Ja ik ga dat met hem bespreken.
W: Wil je het dan wel uitpraten? Of niet. Of wil je alleen echt ruzie? (…) Want als hij echt ruzie wil, is goed, dan gaan ik gewoon gas geven, dan regel ik het even vanavond nog voor hem.
A: nee dat moet je niet doen.
W: Ja maar weet je wat het is. As, ik ben het zat.”
Deze uitspraak is erg lang; hier staat het eerste deel. De volledige tekst staat op uitspraken.rechtspraak.nl.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 404 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 47 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 342 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 344a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 67 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226c Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226f Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 360 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226g Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 359a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 44a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226l Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226j Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 339 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 344 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 457 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 140 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 45 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 57 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 63 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 287 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 289 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 302 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 3 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 4 Besluit Adviescollege levenslanggestraften meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 51f Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 361 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 334 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:98 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:96 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:95 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:106 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 149 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:97 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 592a Sv
- Artikel 6:105 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 241 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:108 BW meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2024:2 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2024:2 Hoge Raad, 9 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:776 Gerechtshof Amsterdam, 30 maart 2023 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.