Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Wrra

Huidige tekst

Artikel 42 Wrra

Geldt sinds 7 mei 2021

  1. 1

    Voor schade die een rechterlijk ambtenaar bij de vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk.

  2. 2

    Voor schade als bedoeld in het eerste lid en voor schade die hij bij de vervulling van zijn ambt aan de Staat toebrengt, is een rechterlijk ambtenaar jegens de Staat niet aansprakelijk, behalve voor zover de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

  3. 3

    Voor schade die een gevolg is van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijk ambtenaar niet aansprakelijk.

  4. 4

    Onze Minister kan de betrokken rechterlijk ambtenaar bij besluit verplichten om ter zake van schade waarvoor deze op grond van het tweede lid aansprakelijk is, aan de Staat ter finale kwijting een vergoeding te betalen.

  5. 5

    In het besluit wordt het bedrag van de vergoeding vermeld. Indien het bedrag nog niet kan worden vastgesteld, worden de reden daarvan en zo mogelijk een voorlopige raming van het bedrag in het besluit vermeld, waarna Onze Minister zo spoedig mogelijk bij afzonderlijk besluit het bedrag vaststelt.

  6. 6

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als artikel 113, derde lid, van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283) van toepassing is.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2016:472Parket bij de Hoge Raad, 3 juni 2016 (civiel recht)

    Arbitrage. Aansprakelijkheid voorzitter scheidsgerecht voor niet-ondertekening vonnis door mede-arbiters (art. 1057 Rv). Maatstaf van HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7834, NJ 2011/131…

  • ECLI:NL:PHR:2012:BX4029Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2012 (belastingrecht)

    Art. 8:73 Awb. Vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen.

  • ECLI:NL:PHR:2012:BX0942Parket bij de Hoge Raad, 15 juni 2012 (belastingrecht)

    Art. 8:73 Awb. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen bij het Hof kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan.

  • ECLI:NL:HR:2009:BJ7834Hoge Raad, 4 december 2009 (civiel recht)

    Procesrecht. Hebben arbiters onrechtmatig gehandeld door zich, ondanks beroep op ontbreken arbitrageovereenkomst, ten onrechte bevoegd te achten? Als na instelling van een rechtsmiddel een uitspraak…

  • ECLI:NL:RBROT:2026:2526Rechtbank Rotterdam, 10 februari 2026 (civiel recht)

    Verzoek voorlopig getuigenverhoor toegewezen.

  • ECLI:NL:GHSHE:2025:2809Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 oktober 2025 (burgerlijk procesrecht)

    De door verzoeker aangevoerde stellingen geven geen grond te vrezen dat het de raadsheren of de voorzitter aan onpartijdigheid ontbreekt of dat de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid…

  • ECLI:NL:RBOBR:2025:5569Rechtbank Oost-Brabant, 4 september 2025 (civiel recht)

    Kort geding. De vorderingen van de Staat strekken ertoe om onrechtmatig handelen van gedaagde in de toekomst te voorkomen. Dat onrechtmatig handelen bestaat volgens de Staat uit het aanhangig maken…

  • ECLI:NL:GHDHA:2024:2302Gerechtshof Den Haag, 27 november 2024 (burgerlijk procesrecht)

    afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor

20 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.