Verdrag inzake de rechten van het kind

IVRK

Huidige tekst

Artikel 20 IVRK

Geldt sinds 18 november 2002

  1. 1

    Een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort, moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te blijven, heeft recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege.

  2. 2

    De Staten die partij zijn, waarborgen, in overeenstemming met hun nationale recht, een andere vorm van zorg voor dat kind.

  3. 3

    Deze zorg kan, onder andere, plaatsing in een pleeggezin omvatten, kafalah volgens het Islamitische recht, adoptie, of, indien noodzakelijk, plaatsing in geschikte instellingen voor kinderzorg. Bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2026:995Parket bij de Hoge Raad, 16 oktober 2026 (personen- en familierecht)

    Jeugdrecht. Machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265b BW). Bevoegdheid rechter om een machtiging uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin te verlenen als de GI heeft verzocht om een machtiging…

  • ECLI:NL:HR:2025:1948Hoge Raad, 19 december 2025 (personen- en familierecht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Vragen over plaatsing van kind in pleeggezin als screening van pleeggezin niet of niet met positief resultaat heeft…

  • ECLI:NL:PHR:2025:825Parket bij de Hoge Raad, 25 juli 2025 (civiel recht)

    Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Jeugdrecht. Plaatsing in een pleeggezin mogelijk als pleegzorgaanbieder niet achter de plaatsing staat? Formele pleegzorg (art. 5.1 Jeugdwet) en informele…

  • ECLI:NL:PHR:2025:728Parket bij de Hoge Raad, 27 juni 2025 (civiel recht)

    Huurrecht. Prejudiciële vragen Rb. Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2024:10288). Invulling ‘belang van het kind’ uit art. 3 lid 1 IVRK bij ontruimingszaken van huurwoningen waar minderjarige kinderen bij…

  • ECLI:NL:GHAMS:2026:2958Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026 (personen- en familierecht)

    Voorlopige voogdij. Moeder is overleden en vader is gedetineerd. Zijn grootouders en/of tante moederszijde belanghebbende in deze procedure? Artikel: 798 lid 1 Rv, 1:241 lid 2 BW, 6 en 8 EVRM, 3 en…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:23455Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026 (personen- en familierecht)

    Beëindiging voogdij nav informele rechtsingang. Strijd met EVRM en IVRK en analoge toepassing van 1:251a lid 4 BW

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:22235Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026 (personen- en familierecht)

    Beschikking van de meervoudige kamer. Beeindiging gezag van de vader; afwijzing verzoek tot beeindiging van gezag van de moeder. 8 EVRM; 3 en 20 IVRK.

  • ECLI:NL:GHARL:2026:3244Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 mei 2026 (personen- en familierecht)

    Artikel 1:266 BW, De beëindiging van het gezag van de ouders is noodzakelijk zodat duidelijk is waar de kinderen zullen opgroeien. Een minder ingrijpend alternatief ontbreekt.

276 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.