Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Amsterdam, 29 juni 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:2497Zaaknummer 23-000672-13
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 juni 2017
- Publicatiedatum
- 29 juni 2017
- Zaaknummer
- 23-000672-13
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Liquidatieproces Passage 1. Beoordeling toepassing kroongetuigenregeling: beoordelingskader; getuigenbescherming; opportuniteitsbeginselbeginsel; 2. Manco kluisverklaringen: wél verklaard, niet gerelateerd in proces-verbaal kluisverklaringen; 3. Uitleveringsdetentie en art. 3 EVRM; 4. Bewijs: betrouwbaarheid verklaringen kroongetuigen; Anonieme bedreigde getuige; 5. Levenslange gevangenisstraf en art. 3 EVRM; 6. Straftoemeting;
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder zaak A, feit 1 primair en feit 4 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder zaak A, feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, feit 4 subsidiair en onder zaak B, feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, genummerd 2 en 3 op de beslaglijst.
Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, genummerd 6 en 15 tot en met 33 op de beslaglijst.
Verklaart de beledigde partijen [beledigde partij 1] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij deze uitsluitend bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot het bedrag van € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent) waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is met de andere mededaders van het strafbare feit.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij 2], € 1.576,32 (duizend vijfhonderd zesenzeventig euro en tweeëndertig cent, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 25 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van de beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt dat, indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot het bedrag van € 5.028,59 (zegge: vijfduizend achtentwintig euro en negenenvijftig cent), waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is met de andere mededaders van het strafbare feit. te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.
Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3], € 5.028,59 (zegge: vijfduizend achtentwintig euro en negenenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2009, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 50 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van de beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt dat, indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij hun vorderingen slechts kunnen aanbrengen bij de burgerlijk rechter.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze betrekking heeft op materiële schade en bepaalt dat zij de vordering slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van feit 1 tot een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is met de andere mededaders van het strafbare feit.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) te betalen voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van de beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt dat, indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R. Veldhuisen, R.P.P. Hoekstra en R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mrs. M. Rasterhoff en A. Binken, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juni 2017.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
parketnummer: 23-000672-13
datum uitspraak: 29 juni 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13/529144-06 (zaak A) + 13/529035-07 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) tegen
[Jesse R.]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], gedetineerd in [geboortedatum].
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave 2
1 Inleiding 9
1.1 Het onderzoek van de zaak 9
1.2 Opbouw arrest 9
1.3 De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard 10
1.4 Het vonnis waarvan beroep 11
1.5 Algemene inleiding 11
1.6 De kroongetuigen 13
1.6.1 Inleidend 13
1.6.2 De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter 13
1.6.3 De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs 16
Korte samenvatting Hoofdstuk 1.6 17
2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 18
2.1 De overeenkomsten met (kroon)getuigen en de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid 18
2.1.1 Het gevoerde verweer, ingedeeld in rubrieken 18
2.1.2 De eerste rubriek: de wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen 18
2.1.2.1 Wat is aangevoerd 18
2.1.2.2 Beoordeling door het hof 23
2.1.2.2.1 Inleidend 23
2.1.2.2.2 De toepasselijke regelgeving 23
2.1.2.2.3 Is de met de kroongetuige [Fred R.] gemaakte afspraak proportioneel? 27
2.1.2.2.4 Getuigenbescherming 28
2.1.2.2.5 Ongeoorloofde toezeggingen? 30
2.1.2.2.6 De kroongetuige [Peter La S.]: de verhouding tussen de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken en het opportuniteitsbeginsel 38
2.1.3 De tweede rubriek: de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding 53
2.1.4 De derde rubriek: de deplorabele detentieomstandigheden van [Jesse R.] in Marokko en het aldaar verstoken zijn en blijven van toegang tot een Nederlandse raadsman 55
2.1.4.1 Wat is aangevoerd 55
2.1.4.2 Beoordeling door het hof 55
2.1.4.2.1 Juridisch kader 56
2.1.4.2.2 Feitelijke gang van zaken 57
2.1.4.2.3 Beoordeling door het hof 58
2.1.5 Eindconclusie 59
2.2 Geheimhoudersgesprekken 60
Korte samenvatting Hoofdstuk 2 61
3 Het bewijs 62
3.1 Algemeen: verkenning van het bewijs in de zaak Passage 62
3.2 Algemeen: betrouwbaarheid Q5 69
3.2.1 Inleidend 69
3.2.2 Gevoerde verweren 70
3.2.3 De totstandkoming van de statusverlening en van het oordeel van de rechters-commissarissen 72
3.2.4 Aard en betekenis van het betrouwbaarheidsoordeel 73
3.2.5 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige 73
3.2.6 Conclusie 79
Korte samenvatting Hoofdstuk 3.2 79
3.3 [Peter La S.]: betrouwbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen 79
3.3.1 Inleiding 79
3.3.2 Enkele relevante bijzonderheden 82
3.3.3 “Zekerheidjes” 86
3.3.4 [Willem H.] -weglatingen 87
3.3.5 [Dino S.] ten onrechte belast? 90
3.3.6 De moord op Houtman en de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] 96
3.3.7 De moord op [slachtoffer 13] 97
3.3.8 De moord op Houtman 101
3.3.8.1 Invloed vanuit mediaberichtgeving? 102
3.3.8.2 Gelogen over de Fiat? 102
3.3.8.3 Kernpunten betreffende de plaats delict Houtman: de hulzen en de looproute 103
3.3.8.4 De looproute 104
3.3.8.5 Conclusie ten aanzien van de hulzen en de looproute in samenhang 108
3.3.8.6 Vluchtroute 108
3.3.8.7 De gebruikte Kalashnikov 108
3.3.8.8 Verankering PD Houtman 112
3.3.9 De documenten op de laptop van [Peter La S.] 114
Korte samenvatting Hoofdstuk 3.3 115
3.4 Algemeen: betrouwbaarheid [Fred R.] 116
3.4.1 Het bewijs: het verweer 116
3.4.2 Het bewijs: ambtshalve beschouwing 117
3.4.3 Tussenconclusie dossieronderzoek verankering verklaringen [Fred R.] 131
3.4.4 Het bewijs nader beschouwd: verzoek tot bewijsuitsluiting verklaringen kroongetuige [Fred R.] 132
3.4.4.1 Inleidend 132
3.4.4.2 De persoon van [Fred R.] 133
3.4.4.3 De contacten van [Fred R.] 133
3.4.4.4 De voorgenomen moord op [slachtoffer 10] en de moorden op [Cor van H.] en [slachtoffer 12] 134
3.4.4.5 De voorgenomen moord op [slachtoffer 10]: periode 2002/2003 135
3.4.4.6 De moorden op [Cor van H.] en [slachtoffer 12] 136
3.4.4.7 De periode 2005-2006: verklaringen [Fred R.] in relatie tot onderzoeksbevindingen 138
3.4.4.7.1 [slachtoffer 9] 138
3.4.4.7.2 [slachtoffer 8], Van der Bijl en Van Dijk 139
3.4.4.7.3 [betrokkene 2] en [betrokkene 3] 142
3.4.4.7.4 [Fred R.] ter plaatse ten tijde van de moord op Van der Bijl? 142
3.4.4.8 Contacten van [Fred R.] met [Dino S.]: bevestiging voor de verklaringen van [Fred R.] ? 143
3.4.4.9 De moorden op Houtman en Van der Bijl: het ontbreken van motieven 151
3.4.4.10 Verkrijgen wetenschap daderschap [Jesse R.] inzake Houtman 152
3.4.4.11 Betalingen aan [Fred R.] in detentie? 152
3.5 Tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van [Peter La S.] en [Fred R.] 153
3.5.1 De verklaringen over [slachtoffer 9] 154
3.5.2 De verklaringen over het zaaksdossier Oma 154
3.6 Tussenconclusie bewijs 157
Korte samenvatting Hoofdstuk 3.4 tot en met 3.6 157
3.7 Ten aanzien van het bewijs: de tenlastelegging 158
3.7.1 Juridische kaders 158
3.7.1.1 Medeplegen 158
3.7.1.2 Voorbedachte raad 158
3.7.2 Zaaksdossiers Tanta, Opa en Cobra: algemene beschouwing en tussenconclusie 159
3.7.2.1 Algemene vaststellingen 160
3.7.2.2 Verklaringen getuigen in jaren ‘90 162
3.7.2.3 Verklaringen getuigen [Peter La S.] en [getuige 1] 163
3.7.2.4 Telecomgegevens 164
3.7.2.5 Tussenconclusie 167
3.7.3 Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting i.v.m. gebrekkig telecomonderzoek 167
3.7.4 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Tanta 170
3.7.4.1 Bewijsoverwegingen 170
3.7.4.2 Bewijsverweren 171
3.7.4.3 Conclusies 172
3.7.4.3.1 De feitelijke gang van zaken 172
3.7.4.3.2 Medeplegen 173
3.7.4.3.3 Voorbedachte raad 173
Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.4 173
3.7.5 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Opa 174
3.7.5.1 Bewijsoverwegingen 174
3.7.5.2 Bewijsverweren 175
3.7.5.3 Conclusies 179
3.7.5.3.1 De feitelijke gang van zaken 179
3.7.5.3.2 Medeplegen 179
3.7.5.3.3 Voorbedachte raad 179
Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.5 180
3.7.6 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Cobra 181
3.7.6.1 Bewijsoverwegingen 181
3.7.6.2 Bewijsverweren 182
3.7.6.3 Conclusies 184
3.7.6.3.1 De feitelijke gang van zaken 184
3.7.6.3.2 Medeplegen 185
3.7.6.3.3 Medeplichtigheid 185
Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.6 186
3.7.7 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaak Indiana 187
3.7.7.1 Bewijsoverwegingen 187
3.7.7.2 Bewijsverweren 188
3.7.7.2.1 Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 6] 188
3.7.7.2.2 Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [Peter La S.] 189
3.7.7.2.3 Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [Indiana-getuige-1] 191
3.7.7.2.4 Met betrekking tot de telecomgegevens 193
3.7.7.3 Conclusies 197
3.7.7.3.1 De feitelijke gang van zaken 197
3.7.7.3.2 Medeplegen 198
3.7.7.3.3 Voorbedachte raad 199
Korte samenvatting hoofdstuk 3.7.7 199
3.7.8 Ten aanzien van het bewijs in het bijzonder in de zaken Agenda en Perugia 200
3.7.8.1 Inleiding 200
3.7.8.1.1 Met betrekking tot de moord op Houtman 200
3.7.8.1.2 Met betrekking tot de moord op Van der Bijl 201
3.7.8.1.3 [Ali A.] en [Willem H.] 202
3.7.8.1.4 De kroongetuigen 202
3.7.8.1.5 De samenhang 203
3.7.8.2 De achtergrond 203
3.7.8.2.1 Met betrekking tot Houtman 203
3.7.8.2.2 Met betrekking tot Van der Bijl 205
3.7.8.3 Voor het bewijs relevante ontmoetingen en verbanden tussen personen 206
3.7.8.3.1 Klussen voor [Ali A.] in 2004 en de verhouding met [Dino S.] 207
3.7.8.3.2 Een ontmoeting in Naarden-Vesting in november 2004 209
3.7.8.3.3 Een ontmoeting van [Jesse R.] met [Dino S.] in 2004 211
3.7.8.3.4 Tussenconclusie 212
3.7.8.4 De opdracht voor de moorden op Houtman en Van der Bijl 212
3.7.8.4.1 Ontmoetingen in Baja, BED en Diemen in oktober 2005 212
3.7.8.4.2 Een ontmoeting op het Amsterdamse Gelderlandplein 218
3.7.8.4.3 Aanwijzen van een slachtoffer 219
3.7.8.4.4 De rondjes met [Fred R.] en de prioriteit 219
3.7.8.4.5 Tussenconclusie 221
3.7.8.5 De communicatie 222
3.7.8.5.1 Contacten met [Ali A.] 222
3.7.8.5.2 Contacten met [Sjaak B.] 226
3.7.8.5.3 Contacten met [Dino S.] 226
3.7.8.5.4 Tussenconclusie 228
3.7.8.6 De moord op Houtman 229
3.7.8.6.1 De voorbereiding: wapens 229
3.7.8.6.2 De uitvoering 229
3.7.8.6.3 Bespreking van bewijsverweren met betrekking tot de moord op Houtman 231
3.7.8.6.4 Overwegingen met betrekking tot het daderschap en de deelnemingsvorm 238
3.7.8.6.5 Conclusie 240
3.7.8.7 De moord op Van der Bijl 240
3.7.8.7.1 De “pogingen” 240
3.7.8.7.2 De uitlokking van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] 244
3.7.8.7.3 Conclusie 246
Korte samenvatting Hoofdstuk 3.7.8 246
3.7.9 Ten aanzien van het bewijs, in het bijzonder de deelneming aan een criminele organisatie 248
3.8 [Dino S.], [Willem H.], [Fred R.] en [Jesse R.]: elkaars mededaders 249
4 Bewezenverklaring 251
4.1 Bewezenverklaring feiten A1 subsidiair, A2, A3, A4 meer subsidiair, B1, B2 primair, B3 en B4 primair 251
4.2 Redengeving bewijsgebruik kroongetuigen 253
5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 253
6 Strafbaarheid van de verdachte 254
7 Oplegging van straf 255
7.1 De motivering van de op te leggen straf 255
7.2 De levenslange gevangenisstraf in het licht van de mensenrechten 257
7.2.1 De eisen voortvloeiend uit het EVRM 258
7.2.2 Het oordeel van de Hoge Raad 259
7.2.3 Ontwikkelingen in de Nederlandse praktijk 259
7.2.4 Waardering van het Besluit 261
7.2.5 Conclusie en slotopmerkingen 268
Korte samenvatting Hoofdstuk 7.2 269
7.3 Levenslange gevangenisstraf en de strafrechtelijke regels van samenloop 269
7.4 De redelijke termijn 270
7.5 Eindconclusie strafoplegging 272
8 Beledigde en benadeelde partijen, 272
8.1 Ten aanzien van de beledigde partijen [beledigde partij 1] 272
8.2 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] 273
8.2.1 De vordering 273
8.2.2 De schadevergoedingsmaatregel 274
8.3 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] 274
8.3.1 De vordering 274
8.3.2 De schadevergoedingsmaatregel 275
8.4 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] 275
8.4.1 De vordering 275
8.4.2 De schadevergoedingsmaatregel 276
8.5 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] 276
8.5.1 De vordering 276
8.5.2 De schadevergoedingsmaatregel 277
8.6 Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] 277
8.6.1 De vordering 277
8.6.2 De schadevergoedingsmaatregel 278
8.7 Ten aanzien van de benadeelde partijen G.L.L. en [benadeelde partij 7] 278
8.8 De benadeelde partij [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] 279
8.9 Schadevergoedingsmaatregel in relatie tot de levenslange gevangenisstraf 280
9 Beslag 280
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften 281
11 BESLISSING 281
1 Inleiding
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op de data zoals vermeld op het als bijlage I aan dit arrest gehechte overzicht, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Opbouw arrest
In dit arrest zijn de overwegingen en beslissingen van het hof opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. Het hof wijst heden ook arrest in de zaken van negen medeverdachten, die gelijktijdig in hoger beroep terecht hebben gestaan. De gelijktijdige behandeling van deze strafzaken, in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het hof is bekend geworden onder de noemer van het Liquidatieproces Passage.
Omdat de aan het hof ter beoordeling en beslissing voorliggende vorderingen, verweren en uitdrukkelijke onderbouwde standpunten in die formeel op zichzelf staande zaken onmiskenbaar onderlinge verwevenheid vertonen, heeft dat gevolgen voor de wijze waarop het hof zijn overwegingen en beslissingen heeft ingericht.
Vanzelfsprekend gaat het in dit arrest om de beslissingen die in de zaak van de verdachte door het hof gegeven dienen te worden. Die verwevenheid van zaken brengt voor de lezer van dit arrest echter mee dat de beschouwingen van het hof op onderdelen soms breder zullen zijn dan wat door hem op grond van wat in de zaak is aangevoerd strikt genomen wordt verwacht.
Omwille van de leesbaarheid zal het hof de als verdachten en getuigen figurerende personen zoveel mogelijk met hun naam in plaats van met hun status van verdachte/getuige aanduiden.
In het belang van de lezer volgt op de meer substantiële overwegingen en beslissingen van het hof een korte samenvatting daarvan, steeds weergegeven in cursief. Met die korte samenvattingen beoogt het hof het belang van de lezer bij snelle kennisneming zoveel mogelijk te dienen en de drempel hiervoor te verlagen. Gelet op het met die samenvattingen nagestreefde doel behoeft geen nadere uitleg dat deze nimmer dragend kunnen zijn voor de daaraan voorafgaand weergegeven overweging en beslissing.
In het hoofdstuk 3. is steeds de essentie van de tot bewezenverklaring of vrijspraak strekkende redenering en beslissing opgenomen. Waar nodig of gewenst is in bewijsoverwegingen door middel van voetnoten verwezen naar de vindplaatsen van de bewijsmiddelen in het (papieren en digitale) dossier. Voor zover wordt verwezen naar processen-verbaal, betreft het telkens processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Indien een proces-verbaal van politie voor fotokopie conform is getekend dan staat dit proces-verbaal op gelijke voet met een origineel proces-verbaal en is de aanduiding ervan identiek. Voor zover het bewijsmiddel een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, is het telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
De gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlagen III e.v.
De feiten waarvoor de verdachte is gedagvaard
Voor de tenlastelegging wordt verwezen naar bijlage II.
Kort gezegd wordt aan de verdachte verweten:
Zaak A:
1. zaaksdossier Perugia Het medeplegen van de moord op Thomas van der Bijl op 20 april 2006 te Amsterdam, althans opzettelijke uitlokking van of medeplichtigheid aan of bij die moord;
2. zaaksdossier Agenda Het medeplegen van de moord op Kees Houtman op 2 november 2005 te Amsterdam;
3. zaaksdossier Tanta Het medeplegen van de moorden op [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] en Djordje [slachtoffer 1] op 1 april 1993 te Ouderkerk aan de Amstel;
4. zaaksdossier Cobra
Het medeplegen van de moorden op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de nacht van 8 op 9 mei 1993 te Antwerpen, althans medeplichtigheid aan die moorden.
Zaak B:
1. zaaksdossier Opa
Het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] op 19 april 1993 te Amsterdam;
2. zaaksdossier Indiana
Het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 26 oktober 2000 te Amsterdam;
3. criminele organisatie
De deelneming aan een criminele organisatie gericht op het plegen van moorden en vuurwapendelicten van 1 januari 2004 tot en met 3 augustus 2006 te Nederland.
4. zaaksdossier Perugia
Het medeplegen van pogingen tot moord op Thomas van der Bijl in de periode van 1 september 2005 tot en met 20 april 2006, althans het medeplegen van voorbereidingshandelingen met het oog op die moord.
De zaaksdossier Tanta, Cobra en Opa worden in het dossier en hierna in het arrest gezamenlijk ook wel aangeduid als “de 93-zaken”.
Het vonnis waarvan beroep
Vanzelfsprekend heeft het hof het wettelijke concept van het voortbouwend hoger beroep onder ogen gezien, in het bijzonder de mogelijkheid van (gedeeltelijke) bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Echter, reeds gelet op het aantal zaken dat onder de noemer van dat Liquidatieproces Passage gelijktijdig door het hof is behandeld, de overlap tussen onderdelen van die zaken, en gelet op het feit dat in het onderzoek van de zaak in hoger beroep aan de hand van een almaar verder uitdijend dossier een nader uitgebreid feitenonderzoek is verricht, zal het hof het vonnis waarvan beroep reeds op praktische gronden vernietigen en opnieuw recht doen.
Algemene inleiding
Moord en doodslag zijn van alle tijden. Wordt de samenleving tegenwoordig regelmatig in beroering gebracht door moorden, vaak op klaarlichte dag gepleegd volgens het stramien van excessief vuurwapengeweld, wegvluchtende lieden en een achtergelaten brandende vluchtauto, dit patroon heeft zich ook in het verleden voltrokken. Voor zowel heden als verleden is in dit verband bovendien kenmerkend dat deze moorden zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Dit blijkt niet alleen uit de wijze waarop deze moorden worden gepleegd, maar ook uit de verbinding die naar dat milieu kan worden gelegd. Over de band van de personen van de slachtoffers en/of de kring van personen die door politie en justitie voor die moorden verantwoordelijk wordt gehouden. Voor deze buitencategorie van ernstige misdrijven – in de volksmond: liquidaties – is kenmerkend dat de opsporing en strafvervolging sterk worden bemoeilijkt door het zeer geringe aantal personen dat in staat en bereid blijkt om hun wetenschap over het een en ander onvoorwaardelijk prijs te geven.
En als de officier van justitie er al in slaagt om op grond van onderzoeksresultaten een verdachte aan te wijzen en te vervolgen, dan is het zelden vertoond dat die verdachte bereid is om opening van zaken te geven. In de regel wordt door hem volstaan ofwel met een beroep op het zwijgrecht, ofwel met een meer of minder onderbouwde ontkenning van iedere betrokkenheid. En ook dat aspect is van alle tijden.
En zo getuigt ook het zeer omvangrijke samenstel van, deels, relatief gedateerde strafzaken daarvan. Het is in al deze zaken waarin het hof heden arrest wijst.
In dat Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar 7 moorden en de berechting van (aanvankelijk) 12 verdachten. Tijdens de loop van het proces zijn twee van hen overleden; [Raymond V.] aan een natuurlijke dood en [Ali A.] is het slachtoffer geworden van een moordaanslag. De verdachte [Sjaak B.] heeft een op hem gepleegde moordaanslag ternauwernood overleefd.
Voorts is een aantal van de in de loop van het onderzoek door de politie en het hof gehoorde getuigen met vuurwapengeweld geconfronteerd. Een enkeling heeft dat geweld overleefd, de meerderheid van hen heeft daarbij het leven gelaten.
De inhoudelijke behandeling van de zaken in eerste aanleg heeft bijna 4 jaren gevergd, de eerste verkennende zitting in hoger beroep vond plaats in de maand september van 2013.
In dat samenstel van strafzaken – de onderhavige strafzaak maakt daarvan deel uit – ligt de betrokkenheid van de verdachten bij een aantal moorden ter berechting voor. En van elk van die moorden (poging en voorbereiding daartoe daaronder mede begrepen) kan zonder overdrijving worden gesteld dat de opsporing en vervolging uiterst moeizaam zijn verlopen. De verdachten hebben zich op hun zwijgrecht beroepen en/of hebben hun door het Openbaar Ministerie veronderstelde betrokkenheid bij moorden ontkend. In zoverre past die gang van zaken in het zojuist beschreven algemene beeld. Eerst nadat één van hen van het predicaat kroongetuige[_25592a7b-4eea-45e9-a9d0-0c8a06e6caec] kon worden voorzien – de verdachte [Peter La S.] – is het onderzoek naar een aantal van die moorden in een stroomversnelling geraakt. Door hem is veelvuldig en uitvoerig verklaard, niet alleen over zijn eigen aandeel bij één van de moorden maar ook over wat hij gedurende een aanzienlijke periode zou hebben waargenomen en ondervonden met betrekking tot anderen, in het bijzonder de verdachten die in het Liquidatieproces Passage terecht staan. Dat de stroomversnelling door alles wat zich rondom die kroongetuige heeft voltrokken, vooral tijdens de gedingfase in eerste aanleg, het verloop van het onderzoek soms ook trekken heeft gegeven van een kolkende rivier zal uit het navolgende nader blijken.
De gedingfase van het hoger beroep is vooral gekenmerkt door het opstaan van een tweede kroongetuige – de verdachte [Fred R.] – die aan het verloop van de behandeling van de zaken een eigen dynamiek heeft toegevoegd. Ook voor deze tweede kroongetuige geldt dat hij zowel over eigen betrokkenheid bij een moord heeft verklaard als over betrokkenheid van anderen. De aanzienlijke duur van de behandeling van de zaken in hoger beroep wordt in overwegende mate verklaard door de bonte stoet van getuigen die, in het kader van verificatie c.q. falsificatie van de door [Fred R.] als tweede kroongetuige bij de politie afgelegde verklaringen, aan het hof is voorbijgetrokken.
Een ander aan de gedingfase van het hoger beroep verbonden aspect wordt gevormd door de aanhouding en strafvervolging van een andere verdachte, [Willem H.], ter zake van misdrijven die ook en simultaan in hoger beroep aan het hof ter berechting voorliggen. Dit gegeven van parallelle berechting in twee instanties – [Willem H.] in eerste aanleg en Passage-verdachten in hoger beroep – is in de strafvorderlijke werkelijkheid weliswaar niet uniek, maar dit heeft de behandeling in hoger beroep op momenten wel enigszins gecompliceerd.
Het debat dat in de onderhavige zaken is gevoerd is toegespitst geweest op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, het bewijs en de straftoemeting:
- de rechtmatigheid van de toepassing door het Openbaar Ministerie van de strafvorderlijke regeling van de kroongetuigen;
- de rechtmatigheid van door de Staat aan de kroongetuigen gedane toezeggingen;
- de door de Staat aan de kroongetuigen (aan)geboden bescherming, de ontbrekende transparantie daaromtrent, mede in het licht van het strafvorderlijke beloningsverbod;
- de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de kroongetuigen gemaakte afspraken;
- de totstandkoming van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen;
- de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen: de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan;
- tal van kwesties met betrekking tot strafrechtelijk bewijs, en
- de straftoemeting, mede in het licht van de toelaatbaarheid van oplegging van de levenslange gevangenisstraf.
De kroongetuigen
Inleidend
Het Openbaar Ministerie heeft in deze zaak de verklaringen van twee kroongetuigen ingezet. Dit heeft de feitelijke en juridische gemoederen bezig gehouden.
In eerste aanleg is het [Peter La S.] geweest, die op verscheidene momenten de aandacht sterk op zichzelf – als verdachte en als getuige – gericht heeft geweten. Op deze plaats wordt volstaan met het benoemen van twee aspecten daarvan: zijn conflict met het Openbaar Ministerie, belast met getuigenbescherming, en zijn onthulling dat hij in een vroeg stadium van zijn verklaren bij de politie ook over [Willem H.] heeft verklaard, doch dat die onderdelen van zijn verklaringen niet zijn opgenomen in de van zijn verhoren opgemaakte en door de officier van justitie overgelegde processen-verbaal.
Tijdens de behandeling van het hoger beroep is een tweede kroongetuige “opgestaan”, namelijk [Fred R.]. De door hem afgelegde verklaringen zijn in het bijzonder in de strafzaken tegen [Dino S.] en [Jesse R.] voorwerp van onderzoek geweest.
Aan de inzet van deze twee kroongetuigen heeft de verdediging van vrijwel alle verdachten een breed scala van verweren verbonden, strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting of strafmatiging.
Het hof merkt op voorhand op dat de verdediging in enkele zaken de eigen appreciatie van de figuur van de kroongetuige in strafzaken niet onder stoelen of banken heeft gestoken. Het hoeft geen nader betoog dat die appreciatie voor het hof slechts betekenis heeft wanneer daaraan in strafvorderlijke zin handen en voeten is gegeven.
De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter
Aan de bespreking van aan de kroongetuigen te relateren verweren gaat een korte beschouwing over de rol van de zittingsrechter in relatie tot de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv vooraf. Die is van belang voor de inkadering van de beoordeling van de formele verweren die over de afspraken met de kroongetuigen zijn gevoerd.
De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken voorziet in de bevoegdheid van de officier van justitie om een afspraak te maken met een criminele getuige. Aan deze getuige mag een vermindering van de strafeis worden toegezegd die maximaal de helft bedraagt van de straf die in een situatie zonder de medewerking van de getuige zou worden geëist. In ruil daarvoor gaat de getuige jegens de officier van justitie de verplichting aan om volledig en naar waarheid te verklaren over de in de afspraak te vermelden personen en strafbare feiten.
Het is aan de rechter-commissaris om de voorgenomen afspraak op vordering van de officier van justitie op rechtmatigheid te beoordelen. Daarbij zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijk richtsnoer. Door een toewijzende beslissing van de rechter-commissaris komt de afspraak tot stand. Hiermee is de kern van de wettelijke regeling weergegeven.
De wet regelt geen specifieke rol voor de zittingsrechter. Weliswaar wordt in de parlementaire stukken veelvuldig vermeld dat het de zittingsrechter is die de overeenkomst uiteindelijk toetst, maar dit is niet in enige bepaling vastgelegd. Men zal eveneens vergeefs zoeken naar een schematische of systematische voorstelling van de bevoegdheidsverdeling, een materieel kader of een kader voor sanctionering. Dat wil niet zeggen dat de wetgever aan de positie van de zittingsrechter geen aandacht heeft besteed. Integendeel. In tal van beschouwingen, veelal naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer wordt hierop door de minister ingegaan.
De toetsing die de rechter-commissaris uitvoert is tijdens de parlementaire behandeling gekenmerkt als een min of meer marginale. Deze spitst zich geheel toe op de rechtmatigheid van de afspraak. “De rechter-commissaris toetst op een afstandelijker wijze of het door de officier van justitie gepresenteerde voornemen op basis van de aan hem verstrekte informatie verantwoord en rechtmatig kan worden geacht.” En hij treedt niet in de beoordeling of “het maken van een afspraak het enige en juiste middel is, dan wel een andere opsporingsstrategie is aangewezen”. [_7b9490df-a709-4fbd-82dc-d6ba4c641d9b] Bovendien is overwogen dat een afspraak vooral tot stand zal komen in een vroege fase van de opsporing waarin nog niet veel onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn noch ter beschikking kunnen worden gesteld. Het oordeel van de rechter-commissaris is gebaseerd op de dan bekende feiten en omstandigheden. Daardoor is het voorlopig van aard.
Niettemin is dit oordeel van de rechter-commissaris van groot belang. Op diverse plaatsen in de parlementaire stukken blijkt dat door de minister is gezegd dat, met de invoering van een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak, uitvoering is gegeven aan een unaniem door de Tweede Kamer uitgesproken wens bij de aanvaarding van de motie-Kalsbeek.[_4216580c-73bf-4f2c-9baa-5cd5b9dc903d] Het zou aldus één van de vele vormen zijn waarin controle en transparantie in het proces van opsporing en vervolging tot uitdrukking moesten komen.
Waaruit bestaat dan de toetsende rol van de zittingsrechter die niet van een wettelijke basis is voorzien maar die, zoals soms in de wetsgeschiedenis is gesuggereerd, wel “vol” van karakter is? Wat dit laatste punt betreft zijn de accenten tijdens de parlementaire behandeling nog wel eens verschillend gelegd. Op sommige momenten is aan het finale karakter van het oordeel van de zittingsrechter verbonden dat hierin alle later aan het licht gekomen feiten en omstandigheden kunnen worden betrokken. Daarmee wordt dit van groter en doorslaggevend gewicht. Deze visie is onder meer te vinden in paragraaf 8 van de Memorie van toelichting. Elders is dit, mogelijk als resultaat van de gedachtewisseling, stringenter geformuleerd, zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag. Daarin zegt de minister: “Weliswaar blijft de zittingsrechter eveneens bevoegd de totstandgekomen afspraak alsnog af te keuren, maar een dergelijke situatie zal zich redelijkerwijs pas voordoen indien er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de gemaakte afspraak in het fundament aantasten en die de rechter-commissaris ten tijde van zijn toetsing niet bekend waren (zoals bedrog van de zijde van de criminele getuige of bewuste misleiding door openbaar ministerie of politie).
Evenmin is geheel uitgesloten dat de zittingsrechter bij gelijk gebleven omstandigheden wel tot een ander oordeel over de door de rechter-commissaris rechtmatig geoordeelde afspraak komt.” [_cd012053-41dc-4eef-b9c8-346bba2b7c65]
Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige als de kerntaak voor de zittingsrechter beschouwt. In het beslismodel dat de zittingsrechter hanteert kunnen daaraan vragen voorafgaan die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de verklaringen in juridisch opzicht. In dat verband kan ook de vraag aan de orde zijn of het gaat om bewijs dat rechtmatig is verkregen. Meer fundamenteel kan in debat zijn of de afspraak met de kroongetuige de eerlijkheid van het proces van de verdachte, ten laste van wie verklaringen zijn afgelegd, zodanig aantast dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging in het geding komt. Het gaat hierbij telkens om kwesties waarvoor artikel 359a Sv een regeling biedt.
De afspraak komt immers tot stand in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv in de strafzaak van de verdachte ten laste van wie is verklaard. De afspraak is ook onderdeel van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak van de kroongetuige maar dat kan hier vanwege ontbreken van relevantie onbesproken blijven.
Gelet op de in de rechtspraak aanvaarde rol van de zittingsrechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van opsporingsmethoden vindt de bedoelde beoordeling primair plaats op geleide van gevoerde verweren. Met een toereikende onderbouwing moet worden aangetoond dat rechtsregels zijn geschonden bij de totstandkoming of door de inhoud van de afspraak, waardoor de verdachte in een door de strafrechter relevant te achten belang is getroffen. In zo’n geval kan de rechter overwegen om toepassing te geven aan het sanctie-instrumentarium van artikel 359a Sv.
Ook kan de eerlijkheid van het strafproces in het geding zijn. Ten eerste doordat het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces een rol speelt bij de beoordeling van verweren gevoerd op de voet van artikel 359a Sv. Maar mogelijk ook als zelfstandige toetssteen, namelijk in het geval dat wordt geklaagd over gevolgen die de inhoud van de afspraak beweerdelijk heeft gehad op de volledigheid of kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting.
Een rol van de zittingsrechter, zoals hiervoor omschreven, past in de rol zoals die lijkt te zijn verondersteld in de hiervoor aangehaalde passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag.
Waar het gaat om de beoordeling van de betrouwbaarheid als zodanig geldt voorts de instructie aan de zittingsrechter die is neergelegd in de verzwaarde motiveringseis van artikel 360, tweede lid, Sv. In het geval namens de verdachte wordt aangevoerd dat (juridische) gebreken in de totstandkoming of inhoud van de afspraak de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige afgelegde verklaringen aantasten, worden deze betrokken in de in die bepaling bedoelde uitgebreide motivering. Indien en voor zover daarbij aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in artikel 359, tweede lid, Sv wordt voorbijgegaan dienen daarvoor in die motivering in het bijzonder de reden te worden opgegeven.
Tot slot verdient, in verband met enkele hierna te bespreken verweren, nog het volgende vermelding. De wetgever heeft onder ogen gezien dat op enig moment kan blijken dat de kroongetuige verklaringen heeft afgelegd die in strijd zijn met de waarheid of gebaseerd zijn op misleiding. Er is dan, zo blijkt uit de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 maart 2000, niet aan de voorwaarden van de afspraak voldaan. In een dergelijk geval zal de toegezegde tegenprestatie, bestaand uit de lagere strafeis van de officier van justitie, niet of slechts ten dele behoeven te volgen.[_728f431b-2f7e-4cb7-892c-f817d78b4302]
Nadat de afspraak tot stand is gekomen heeft de rechter geen taak ten aanzien van de voortduring ervan. In de strafzaak van de kroongetuige heeft de zittingsrechter de bevoegdheid om de straf op te leggen die hij passend acht, waarbij hij op vordering van het Openbaar Ministerie laat meewegen de bijdrage die de getuige heeft geleverd aan de opsporing en vervolging van misdrijven. Daarbij zal hij zich, gezien de aard van deze in artikel 44a Sr neergelegde maatstaf, in aanzienlijke mate laten leiden door het in de onderbouwing van die vordering besloten liggende advies van het Openbaar Ministerie.
De verklaringen van kroongetuigen en het bewijs
Zodra de formele verweren niet slagen komt de vraag naar het bewijsgebruik aan de orde. Al op deze plaats in het arrest staat het hof in algemene zin stil bij het eventueel bewijsgebruik van de verklaringen van kroongetuigen.
De betrouwbaarheid van hun verklaringen is een randvoorwaarde voor dat bewijsgebruik.
Kroongetuigen zijn ook reguliere getuigen. Gelet op (het zicht op) het voordeel dat ieder van hen op grond van de afspraak toevalt zal de rechter die de verklaringen voor het bewijs gebruikt, dat gebruik op de voet van artikel 360, tweede lid, Sv op straffe van nietigheid in het bijzonder hebben te motiveren. En daarmee is het verschil met reguliere getuigen aangegeven.
Het hof zal – zijnde de rechter die staat voor de vraag of het bewijs mede kan worden aangenomen op grond van verklaringen van die kroongetuige(n) – die verklaringen op hun betrouwbaarheid onderzoeken, ambtshalve en in de sleutel van de gevoerde verweren.
Daarbij is het volgende van belang.
De kroongetuigen [Fred R.] en [Peter La S.] hebben op grond van de door ieder van hen met de officier van justitie gemaakte schriftelijke afspraken zowel rechten als verplichtingen. Zo zijn zij beiden verplicht om zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid te verklaren over in de afspraak genoemde strafbare feiten, de eventuele eigen betrokkenheid daaronder mede begrepen.
De aandacht van het hof richt zich eerst en vooral op de verklaringen die rechtstreeks van betekenis kunnen zijn voor de aan de verdachte verweten strafbare feiten. Daarnaast kan het voor de vraag naar het bewijsgebruik van belang zijn te onderzoeken of de kroongetuige ook overigens zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid heeft verklaard. Daarbij gaat het om zijn eigen betrokkenheid bij die aan de verdachte verweten gedragingen, maar ook bij feiten die niet aan de verdachte zijn tenlastegelegd, doch wél in de afspraak met de kroongetuigen zijn opgenomen. Het is immers denkbaar dat indien ernstige twijfel rijst of de kroongetuige volledig en naar waarheid heeft verklaard over die laatstbedoelde categorie van feiten, die twijfel raakt aan het door het hof te vormen oordeel over de betrouwbaarheid van wat door hem is verklaard over de feiten die wél voorliggen in de strafzaak van de verdachte.
In zoverre heeft ook de verdachte in het algemeen een belang om bij zijn bewijsverweren ook de inhoud van verklaringen van de kroongetuigen te betrekken die door de kroongetuige zijn afgelegd over andere dan aan de verdachte verweten strafbare feiten. En in die sleutel ligt tevens een relativering besloten. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van een door een kroongetuige afgelegde verklaring in het bestek van de strafzaak waarin zijn verklaringen door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht kan uit de aard van dat bestek en gelet op het doel van dat onderzoek niet ook zijn gericht op het in rechte vaststellen van veronderstelde strafrechtelijke betrokkenheid van die kroongetuige bij strafbare feiten.
In de aan het hof ter berechting voorliggende zaak geldt die beperking ten aanzien van [Peter La S.] voor zover het bijvoorbeeld gaat om zijn vermeende betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13]. Ten aanzien van de kroongetuige [Fred R.] geldt die beperking voor zover het gaat om zijn vermeende betrokkenheid bij het misdrijf, waarbij [Cor van H.] en [slachtoffer 12] in 2003 als slachtoffers om het leven zijn gekomen.
Wel is het in het algemeen denkbaar dat er sterke aanwijzingen voor die betrokkenheid kunnen ontstaan. Daardoor kan de officier van justitie overgaan tot het instellen van een (opsporings)onderzoek waarin hij de kroongetuige (alsnog) als verdachte aanwijst. En ook is het in het algemeen denkbaar dat de Staat de met de kroongetuige gemaakte afspraak tussen partijen ter discussie stelt. Beide gevolgen als zodanig hebben echter geen effect in de strafzaak van de verdachte. Wel kan het zijn dat dit een en ander de betrouwbaarheid van door de kroongetuige afgelegde verklaringen zodanig aantast dat die verklaringen daardoor niet meer voor bewijsgebruik in aanmerking komen.
Het hof zal in het navolgende eerst de formele verweren en vervolgens de bruikbaarheid van de door deze twee getuigen afgelegde verklaringen voor het bewijs beoordelen, ambtshalve en naar aanleiding van gevoerde verweren.
Korte samenvatting Hoofdstuk 1.6
- De beoordeling van de afspraken die de officier van justitie met kroongetuigen heeft gemaakt geschiedt primair door de rechter-commissaris. Dit is in de wet met zoveel woorden geregeld. De beoordeling van die afspraken door de zittingsrechter vindt plaats naar aanleiding van gevoerde verweren, geplaatst in de sleutel van vormverzuimen in de betekenis van artikel 359a Sv en artikel 6 EVRM.
2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Door de verdediging zijn verweren gevoerd die primair zien op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Deze zullen hier worden besproken. Voor zover deze verweren subsidiair of meer subsidiair strekken tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, zullen die bepleite gevolgen hier eveneens worden besproken.
De overeenkomsten met (kroon)getuigen en de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid
Het gevoerde verweer, ingedeeld in rubrieken
De raadsman heeft een breed en samenhangend samenstel van handelen en nalaten door dan wel toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie beschreven. Dat handelen en nalaten laat zich als volgt rubriceren.
- De wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen.
- De mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding.
- De deplorabele detentie-omstandigheden van [Jesse R.] in Marokko en het aldaar verstoken zijn en blijven van toegang tot een Nederlandse raadsman.
Aan dat hierna nader in essentie weer te geven palet zijn grieven en verweren verbonden die zowel op zichzelf beschouwd als in samenhang uitmonden in het primaire verzoek het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren; subsidiair is bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [Peter La S.], [Fred R.], [getuige 32] en [getuige 1] bepleit, meer subsidiair de toepassing van strafvermindering.
Het hof zal, de hiervoor aangebrachte rubricering volgend, de onderdelen van het verweer weergeven en aansluitend beoordelen of die klachten hout snijden. Indien en voor zover de beoordeling door het hof uitmondt in gegrondverklaring van onderdelen van het verweer komen daarna de vragen naar het te hanteren toetsingskader en de sanctionering aan de orde.
De eerste rubriek: de wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen
2.1.2.1 Wat is aangevoerd
De raadsman heeft de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Wetboek van Strafvordering, Boek II, Titel III, Afd. 4B) aan een brede en diepgaande beschouwing onderworpen. De aanleiding voor deze beschouwing is gelegen in de toepassing die (leden van) het Openbaar Ministerie aan die wettelijke regeling heeft gegeven. Sterk samengevat en voor zover voor het navolgende van belang houdt het betoog van de raadsman het volgende in.
De wetgever heeft met deze regeling een gesloten systeem in het Wetboek van Strafvordering willen opnemen waarin slechts de toezegging van vermindering van de strafeis is toegestaan. Daarnaast regelt het vierde lid van artikel 226 g Sv de restcategorie van de zogeheten kleine gunsten: toezeggingen die niet raken aan de (beantwoording van) de vragen van artikel 348-350 Sv. Zodra het Openbaar Ministerie zich buiten deze kaders beweegt bevindt het zich op uitdrukkelijk verboden terrein, zo volgt uit de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan.
In weerwil van wat de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken heeft geregeld en beoogd is het Openbaar Ministerie willens en wetens en stelselmatig buiten de oevers van die regeling getreden. Dat het Openbaar Ministerie daartoe bereid en in staat is blijkt in het algemeen al uit de op die regeling gegronde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, en in de onderhavige zaak uit de inhoud van de met de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gemaakte afspraken en de overigens aan ieder van hen gedane toezeggingen.
Het zich onrechtmatig bewegen buiten die kaders kan door het Openbaar Ministerie niet met succes worden gepareerd door het het opportuniteitsbeginsel in stelling te brengen. De wetgever heeft met de regeling van toezeggingen aan getuigen in strafzaken nadrukkelijk ervoor gekozen de algemene handelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie bij het doen van dergelijke toezeggingen aan banden te leggen en te normeren. Daarmee is het opportuniteitsbeginsel in zijn meest zuivere vorm – door de wetgever – beperkt in het geval waarin afzien van vervolging of van voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan getuigen zou worden toegepast.
Het onder de vlag van getuigenbescherming doen van toezeggingen die aan ieder zicht – ook dat van de rechter-commissaris – zijn onttrokken is derhalve evenzeer in strijd met de (bedoeling van de) wet.
Toegespitst op de kroongetuige [Peter La S.] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.
- De strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten had hoger kunnen zijn, temeer nu hij voor zijn betrokkenheid bij een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken (verdachten [betrokkene 2], [betrokkene 3], [Ali A.], [Dino S.], [Fred R.] en [Jesse R.]) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter La S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden.
- Anders dan in de zaken van zijn medeverdachten is [Peter La S.] niet vervolgd voor het deelnemen aan een criminele organisatie en evenmin voor zijn strafbare betrokkenheid bij in een aantal deeldossiers beschreven feiten. De tegenwerping van het Openbaar Ministerie dat ook die strafbare gedragingen van [Peter La S.] bij de bepaling van de strafeis van 16 jaren zijn meegenomen is moeilijk te volgen. Daarbij komt, dat de inhoud van de dossiers, waarin de resultaten van het onderzoek naar de gewelddadige dood van Betlehem en een aanslag op [slachtoffer 15] zijn beschreven, voldoende aanknopingspunten biedt voor een succesvolle vervolging van [Peter La S.]. Voor die feiten is echter evenmin vervolging ingesteld. Al met al moet worden geconcludeerd dat hierdoor sprake is geweest van verkapte immuniteitstoezeggingen aan [Peter La S.]. Deze toezeggingen zijn in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.
- Aan [Peter La S.] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat het door hem als criminele beloning voor zijn aandeel in de moord op Houtman ontvangen geldbedrag (65.000 Euro) niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan hem wordt ontnomen. Deze toezegging is in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.
- Aan [Peter La S.] is heimelijk toegezegd dat hij niet ook over een specifieke verdachte, namelijk [Willem H.], nader hoefde te verklaren. Deze toezegging heeft te gelden als een tussen [Peter La S.] en de Staat gemaakte afspraak, die bij [Peter La S.] verwachtingen heeft gewekt over wat van hem in de context van de gemaakte kroongetuigenafspraak kon worden verlangd. Ook deze toezegging is onrechtmatig gedaan.
- Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [Peter La S.] is gebleken van ernstig onrechtmatig handelen aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Die onrechtmatige gang van zaken met betrekking tot zijn getuigenbescherming laat zich in de volgende onderdelen onderscheiden.
- De wetgever heeft tot uitgangspunt genomen dat getuigenbescherming zich niet leent voor onderhandelingen met de getuige in kwestie; elke vorm van financiële genoegdoening is door de wetgever uit den boze geacht. Het Openbaar Ministerie heeft aan [Peter La S.] veel verdergaande toezeggingen gedaan dan die in het kader van getuigenbescherming geëigend, noodzakelijk of gerechtvaardigd waren. De wet ontbeert iedere grondslag voor het doen van financiële toezeggingen aan getuigen. Deze toezeggingen kunnen niet rechtmatig worden gedaan, ook niet onder de vlag van getuigenbescherming. Door zich jegens [Peter La S.] te verplichten in de vorm van een extreem riante financiële constructie handelt het Openbaar Ministerie in strijd met de wet althans met de expliciete en kenbare bedoelingen van de wetgever. Daarbij komt, dat het magistratelijk Openbaar Ministerie heeft nagelaten om de met uitoefening van met beveiliging gepaard gaande bevoegdheden aan kenbare regels te onderwerpen.
- Door in afwijking van – naar het hof de raadsman begrijpt – de Aanwijzing beveiliging van personen, objecten en diensten aan [Peter La S.] als kroongetuige wél inspraak te geven in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsheeft, schendt het Openbaar Ministerie zowel diens magistratelijke verantwoordelijkheden als de eigen Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken.
- Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Het Openbaar Ministerie is er zelfs niet voor teruggedeinsd om aan [Peter La S.] voor te houden dat de overeenkomst zal worden ontbonden als hij op vragen over zijn bescherming antwoord geeft, ook als hij dit doet in antwoord op door de rechter aan hem gestelde vragen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter waar het met betrekking tot de ontnemingstoezegging al plaatsnam op de stoel van de wetgever.
- Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en overigens daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [Peter La S.] over zijn bescherming gemaakte afspraken, terwijl het Openbaar Ministerie wist dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [Peter La S.] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van zijn verklaringen. Dat de rechter-commissaris tijdens de gedingfase in hoger beroep alsnog heeft kunnen kennisnemen van met [Peter La S.] gesloten overeenkomsten neemt deze onrechtmatigheid niet weg, nu dat kennisnemen geen (proportionaliteits)toetsing inhield doch uitsluitend zag op de vraag naar het bestaan van inhoudelijke samenhang tussen de zgn. overeenkomst op hoofdlijnen uit 2009 en de zgn. intentieverklaring financiële bepalingen uit 2007.
- De informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie over de met [Peter La S.] gemaakte beschermingsafspraken is misleidend geweest. Steeds is de indruk gewekt dat het samenstel van voorwaarden dat in die “intentieverklaring financiële bepalingen” uit 2007 was opgenomen in die “overeenkomst op hoofdlijnen” uit 2009 was overgenomen, terwijl genoegzaam is gebleken dat [Peter La S.] te kennen had gegeven zelf in zijn door de Staat te financieren bescherming te willen voorzien.
- Onduidelijkheid is blijven bestaan over welke geledingen binnen de organisatie van het Openbaar Ministerie betrokken zijn geweest bij de door de verdediging gewraakte informatievoorziening.
Het gevolg van dit een en ander is geweest dat de verdachte [Jesse R.] zich heeft te verdedigen tegen een kroongetuige die voor een groot aantal zeer ernstige feiten dragend althans zwaarwegend bewijs heeft aangeleverd. Dit, terwijl aan de kroongetuige [Peter La S.] in strijd met de (bedoeling van de) wet toezeggingen zijn gedaan die hem een financieel motief geven om in strijd met de waarheid te verklaren. Over die toezeggingen is geen, althans onvoldoende, juiste informatie verstrekt als gevolg waarvan de betrouwbaarheid van die verklaringen niet, althans onvoldoende, kan worden vastgesteld.
Toegespitst op de kroongetuige [Fred R.] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.
a. De met de getuige [Fred R.] gemaakte afspraak kan de proportionaliteitstoetsing niet doorstaan. Het Openbaar Ministerie heeft in de strafzaak tegen [Fred R.] in eerste aanleg fors stelling genomen, zoals blijkt uit de vordering van de officier van justitie tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf en de onderbouwing daarvan. Het is in het licht van de proportionaliteitsvraag moeilijk te begrijpen dat het Openbaar Ministerie, bij gelegenheid van de vordering tot toetsing van de voorgenomen afspraak bij de rechter-commissaris, in het geheel geen melding heeft gemaakt van dat eerder ingenomen standpunt en van die gemaakte ommezwaai. Kennelijk in dat door het Openbaar Ministerie ingezette spoor heeft de rechter-commissaris evenmin een overweging gewijd aan dit aspect, terwijl juist de proportionaliteitstoets een zeer belangrijk onderdeel vormt van de (voorlopige) rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris. Daarbij komt, dat [Fred R.] eerder in een andere zaak is vervolgd ter zake van betrokkenheid bij een levensdelict, terwijl in de zaak tegen [Jesse R.] al een kroongetuige figureerde, namelijk [Peter La S.]. Ook deze twee aspecten raken aan de vraag naar de proportionaliteit van de met [Fred R.] gemaakte afspraak. Voorts roept de
– na een eis tot levenslange gevangenisstraf in eerste aanleg – aan [Fred R.] toegezegde maximale strafvermindering in dit verband verbazing op. Deze is zonder meer een contra-indicatie voor het aannemen van de proportionaliteit van de met [Fred R.] gemaakte afspraak
Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter.
Het Openbaar Ministerie heeft, in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [Fred R.] gemaakte afspraken over zijn bescherming, terwijl het Openbaar Ministerie wist – want daarvoor moet het worden gehouden – dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [Fred R.] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van verklaringen.
Aan [Fred R.] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat wordt afgezien van het ontnemen van zijn door criminele activiteiten verkregen voordeel. De daarvoor door het Openbaar Ministerie aangedragen argumenten zijn niet alleen niet overtuigend, maar ook en vooral is deze ontnemingstoezegging in strijd met de (bedoeling van de) wet en dus onrechtmatig gedaan.
Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [Fred R.] is gebleken van onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie. Op grond van de inhoud van een door drie officieren van justitie opgemaakt proces-verbaal, bezien in samenhang met de verklaringen van nadien door het hof als getuigen gehoorde officieren van justitie, bestaan sterke aanwijzingen dat met [Fred R.] is overeengekomen dat hij met financiële ondersteuning van de Staat zelf in zijn bescherming mag voorzien. Waar dit in het geval van [Peter La S.] voldoende is komen vast te staan bestaan ten aanzien van [Fred R.] sterke aanwijzingen dat ook aan hem als kroongetuige toezeggingen zijn gedaan die in strijd zijn met de (bedoeling van de) wet. Het gevolg daarvan is dat aan hem een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onvoldoende juiste informatie is verstrekt.
Daardoor kan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Fred R.] niet althans onvoldoende kan worden vastgesteld.
Toegespitst op de getuigen [getuige 32] en [getuige 1] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken.
De door het Openbaar Ministerie ten aanzien van de getuigen [getuige 32] en [getuige 1] gevolgde werkwijze getuigt van het ongeclausuleerd en ongecontroleerd doen van verregaande (financiële) beloften, terwijl die getuigen hun medewerking aan het afleggen van verklaringen afhankelijk hebben gemaakt van dergelijke beloften. Aan de verdachte tegen wie dergelijke verklaringen worden ingebracht wordt de mogelijkheid ontnomen om die belangen ter toetsing aan de strafrechter voor te leggen. Dit raakt rechtstreeks aan de mogelijkheden van [Jesse R.] om een eerlijk proces te krijgen.
2.1.2.2 Beoordeling door het hof
2.1.2.2 Inleidend
Het hof zal aan de beoordeling van de eerste rubriek van het verweer de weergave van de toepasselijke regelgeving vooraf laten gaan. Daarna komen achtereenvolgens de onderwerpen getuigenbescherming, de met de kroongetuige [Peter La S.] gemaakte afspraak, en de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen aan de orde.
Het onderwerp getuigenbescherming is een van de pijlers waarop dit onderdeel van het verweer rust. Het hof zal hierna samengevat weergeven wat door de verdediging hierover ter onderbouwing is aangevoerd en het op bescherming van de (kroon)getuigen [Peter La S.], [Fred R.], [getuige 32] en [getuige 1] toegespitste verweer bespreken.
Vervolgens zal het hof in dit hoofdstuk een andere pijler van het verweer bespreken, waarbij de afspraak van de officier justitie met de kroongetuige [Peter La S.] centraal staat. Diverse aspecten passeren in dat verband de revue: de plaats van het opportuniteitsbeginsel naast de kroongetuigeregeling, de rol van de zittingsrechter, de beoordeling van concrete gevallen van het afzien van vervolging van en voordeelsontneming onder [Peter La S.], en de hoogte van de basis-strafeis. Ook ten aanzien van [Fred R.] komt het afzien van voordeelsontneming aan de orde.
Tot slot wordt beoordeeld of het gegeven van de zogenoemde [Willem H.] -weglatingen voor de kroongetuige [Peter La S.] ook een ongeoorloofde beloningscomponent inhoudt.
2.1.2.2.2 De toepasselijke regelgeving
In het Wetboek van Strafvordering (Boek II, Titel III) is de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken opgenomen. In afdeling 4b van die titel van dat boek is die regeling toegespitst op toezeggingen aan de getuige die tevens verdachte is. Deze regeling houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Vierde afdeling B
Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn
Artikel 226g
1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. (…)
De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid.
2. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van:
a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen;
b. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft;
c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan hij bereid is te voldoen;
d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie.
(…)
Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
Artikel 226h
- (…)
- (…)
- De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
- (…)
Artikel 226j
- (…)
- (…)
3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het tot stand komen van de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen mededeling wordt gedaan van de maatregelen van artikel 226l.
Vierde afdeling D
Maatregelen tot bescherming van getuigen
Artikel 226l
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de artikelen (…) 226g (…).
Het College van procureurs-generaal heeft in aansluiting op deze wettelijke regeling op de voet van artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie aanwijzingen gegeven die zijn neergelegd in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken.
Deze Aanwijzing houdt, voor zover van belang, het volgende in.
1. Bereik van de aanwijzing
De aanwijzing heeft betrekking op de getuige die tevens verdachte (…) is en aan wie door het openbaar ministerie een toezegging tot strafvermindering wordt gedaan in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring.
De aanwijzing heeft voorts betrekking op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die op enigerlei wijze een begunstigende invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering (beslissingen over regiem e.d.).
Toepassing van dergelijke bevoegdheden behoort tot de reguliere taken van het OM en is van relatief geringe impact en raakt niet rechtstreeks aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering.
Indien er sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen toepassing van dergelijke bevoegdheden en de door de getuige af te leggen verklaring, dan dient deze toepassing te worden vastgelegd bij proces-verbaal en aan het strafdossier van de getuige en de verdachte te worden toegevoegd (artikel 226g, vierde lid). (…).
De aanwijzing is van toepassing op de strafvordering in eerste aanleg en in hoger beroep.
2. Uitgangspunten
Getuigen hebben in beginsel de plicht om een getuigenverklaring voor de rechter af te leggen, indien zij daartoe een wettelijke oproeping ontvangen, zonder dat zij aanspraak kunnen maken op enige toezegging of tegemoetkoming van het openbaar ministerie. Slechts bij uitzondering (indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert) kan het doen van een toezegging worden overwogen.
Bij het doen van de toezegging door de officier van justitie houdt hij rekening met de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en interne openbaarheid.
Aan een getuige aan wie een toezegging wordt gedaan, moet een reëel voordeel in het vooruitzicht worden gesteld. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten (bij voorbeeld sepot gering feit), is geen toezegging in de zin van deze aanwijzing.
Maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming zullen veelal als onderdeel van de toezegging door de getuige worden verlangd, maar dienen los te worden gezien van de onderhandelingen en totstandkoming van de toezegging. De maatregelen ter fysieke beveiliging kunnen worden getroffen indien daartoe noodzaak en mogelijkheid bestaat, ook als geen overeenstemming wordt bereikt over de toezegging. Wel is mogelijk dat in de overeenkomst met de getuige wordt opgenomen dat de officier van justitie het treffen van de nodige maatregelen op grond van het Besluit getuigenbescherming zal bevorderen.
Toezeggingen tot strafvermindering worden ter toetsing voorgelegd aan de rechter-commissaris in het kader van een opsporingsonderzoek naar bepaalde ernstige misdrijven (artikel 226g, eerste lid, jo. artikel 226h, derde lid Sv). Overige toezeggingen van beperkte aard worden geverbaliseerd en in het dossier gevoegd van de verdachte ten laste van wie wordt verklaard (artikel 226g, vierde lid Sv).
Ter uitvoering van de in artikel 226l Sv aan de Minister van Justitie toegekende bevoegdheid is het Besluit getuigenbescherming vastgesteld.
De in dit Besluit neergelegde regeling bevat het algemene kader voor de uitvoering van getuigenbescherming. De kern van de regeling komt op het volgende neer. Het College van procureurs-generaal is bevoegd te beslissen omtrent het al dan niet treffen van beschermingsmaatregelen. In bijzondere gevallen wordt een voorgenomen beslissing voorgelegd aan de Minister van Justitie. Het team getuigenbescherming is belast met het opstellen van dreigingsanalyses, de advisering over en uitvoering van beschermingsmaatregelen. Het feit dat het College bevoegd is besluiten te nemen ter zake van het treffen van beschermingsmaatregelen heeft tot gevolg dat noch de politie, noch de officier van justitie zonder onderliggend besluit van het College definitieve toezeggingen aan getuigen kan doen omtrent te treffen beschermingsmaatregelen. De hoofdofficier van justitie die verantwoordelijk is voor de vervolging in het kader waarvan een persoon bescherming behoeft dient een schriftelijk verzoek in tot het doen treffen van beschermingsmaatregelen. De officier van justitie bij het landelijk parket, belast met getuigenbescherming, treedt op als intermediair tussen het College van procureurs-generaal en het team getuigenbescherming. Het besluit ziet niet op de bescherming van personen en instellingen die buiten een strafvorderlijke context behoefte hebben aan beschermingsmaatregelen, zoals hoogwaardigheidsbekleders of andere personen die in verband met hun functie worden bedreigd. Hun bescherming is geregeld in het kader van het Stelsel bewaken en beveiligen. Voorafgaand aan de uitvoering van de maatregelen wordt namens de Staat door de officier van justitie, belast met getuigenbescherming, een schriftelijke overeenkomst gesloten met de te beschermen persoon. Met de ondertekening van deze overeenkomst verbinden partijen zich tot het nakomen van de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien en die verband houden met de uitvoering van de beschermingsmaatregelen. [_422b59fa-aa96-48cb-b67a-019e3bacfc33]
Tot slot verdient nog het bestaan van de Instructie getuigenbescherming vermelding.
Deze Instructie is vastgesteld door het College van procureurs-generaal en bevat een nadere precisering van de procedures die bij de toepassing van getuigenbescherming moeten worden gevolgd. Vanwege het interne karakter ervan is deze Instructie niet gepubliceerd.
Het hof zal het in artikel 226g Sv e.v. gebezigde begrip afspraak in het navolgende ook aanduiden met: de verklaringsafspraak. De in artikel 4 van het Besluit getuigenbescherming genoemde overeenkomst wordt in het navolgende ook aangeduid met: de beschermingsafspraak.
2.1.2.2.3 Is de met de kroongetuige [Fred R.] gemaakte afspraak proportioneel?
De raadsman heeft de proportionaliteit van de met de kroongetuige [Fred R.] gemaakte afspraak betwist. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat het Openbaar Ministerie in eerste aanleg een levenslange gevangenisstraf voor [Fred R.] had geëist en de ommezwaai naar een maximale strafvermindering voor diezelfde [Fred R.] niet bij de toetsing van de voorgenomen afspraak heeft betrokken. [Fred R.] was bovendien al eens vervolgd voor betrokkenheid bij een levensdelict. Ook was er in de zaak tegen [Jesse R.] al een kroongetuige.
Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop wat het eerder in dit arrest heeft overwogen over de rol van de zittingsrechter bij de beoordeling van de verklaringsafspraak als bedoeld in artikel 226g Sv. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis heeft het hof vastgesteld dat het zwaartepunt van die rol ligt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. In het beslismodel dat de zittingsrechter hanteert kunnen daaraan vragen voorafgaan die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de verklaringen in juridisch opzicht. In dat verband kan ook de vraag aan de orde zijn of het gaat om bewijs dat rechtmatig is verkregen. Dat geschiedt aan de hand van verweren op de voet van artikel 359a Sv.
Voorts acht het hof het bij de bespreking van dit onderdeel van het verweer van belang het onderscheid tussen enerzijds de rechtmatigheid en anderzijds de doelmatigheid van de toepassing van opsporingsbevoegdheden te accentueren. De beoordeling welke werkwijze in het kader van opsporing en vervolging doelmatig is, is voorbehouden aan de officier van justitie. Het is bij uitstek deze functionaris die strategie en tactiek in de opsporing, waaronder begrepen de inzet van opsporingsmethoden, bepaalt. De rechter heeft daarin in beginsel geen rol. Ook in die gevallen waarin een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist, is dit het uitgangspunt.
De raadsman heeft zijn standpunt onderbouwd aan de hand van handelingen van de officier van justitie die primair verband houden met keuzes die deze heeft gemaakt op basis van een inschatting van de bewijspositie en de gerechtvaardigdheid van een strafeis in de zaak van de kroongetuige. Niet valt in te zien dat de zittingsrechter in de beoordeling hiervan in de strafzaak van de verdachte een taak heeft. Het gaat immers niet om vormverzuimen die binnen het toetsingskader van artikel 359a Sv aan de zittingsrechter kunnen worden voorgelegd. Dit moge ook blijken uit het gegeven dat het nadeel voor de verdachte door de raadsman niet is geconcretiseerd.
Zoals het hof ook eerder in dit arrest heeft overwogen kan artikel 6 EVRM een zelfstandige toetssteen vormen bij de beoordeling van verweren als hiervoor bedoeld. Er moet immers altijd een mogelijkheid zijn om vormen van aperte beknotting van verdedigingsrechten aan de zittingsrechter voor te leggen. Echter niet valt in te zien dat de klachten van de raadsman tot het oordeel moeten leiden dat door de afspraak met [Fred R.] een eerlijke procesvoering in gevaar is gekomen. Het verweer wordt verworpen.
2.1.2.2.4 Getuigenbescherming
De uitleg van de regeling
De wettelijke regeling beperkt zowel het onderwerp waarover de officier van justitie met de criminele getuige een afspraak kan maken – het afleggen van een getuigenverklaring – als wat door hem in ruil voor die verklaring aan de criminele getuige mag worden toegezegd: een vordering tot strafvermindering in de strafzaak van die criminele getuige. Het is deze, naar inhoud en reikwijdte begrensde, voorgenomen afspraak die door de rechter-commissaris op de voet van art. 226h, derde lid, Sv op rechtmatigheid wordt beoordeeld.
Naast deze toezegging is de officier van justitie bevoegd ook nog andere toezeggingen aan die criminele getuige te doen. De Aanwijzing, waarover later meer, omschrijft deze laatstbedoelde categorie van toezeggingen als “het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe betekenis hebben en niet rechtstreeks aan de beantwoording van art. 348 en 350 Sv raken, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring.“
Met betrekking tot deze categorie van toezeggingen schrijft de wet in artikel 226g, vierde lid, Sv voor dat daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt met het oog op voeging daarvan bij de processtukken.
Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt, dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context, aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. Niet op vordering van de officier van justitie, en ook overigens niet.
Naar het oordeel van het hof laat dit zich begrijpen tegen de achtergrond van hetgeen met getuigenbescherming wordt beoogd. Het gaat om adequate bescherming van een persoon bij wie daaraan, door diens optreden in een strafvorderlijke context, behoefte is ontstaan. Het bieden van die bescherming vloeit rechtstreeks voort uit de op de Staat rustende zorgplicht jegens de getuigen, voor zover daartoe de dringende noodzaak bestaat als gevolg van door hen verleende medewerking aan de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten. Gelet op die taak- en doelstelling valt te begrijpen dat en waarom de wetgever geen bijzondere grondslag heeft gecreëerd op grond waarvan de rechter in de strafvorderlijke kolom is aangewezen als de tot toetsing van recht- en doelmatigheid van beschermingsmaatregelen bevoegde autoriteit. Dat de noodzaak tot het bieden van bescherming voortspruit uit de medewerking die de getuigen in een strafvorderlijke context hebben verleend maakt dat vanuit deze systematiek bezien niet anders.
Met het voorgaande is tevens verklaard dat een materieel (toetsings-)kader voor de wijze waarop de Staat uit hoofde van zijn zorgplicht aan getuigenbescherming vorm en inhoud geeft in de hierboven aangehaalde regelingen ontbreekt en dat de wet niet meer inhoudt dan dat de minister specifieke beschermingsmaatregelen kan treffen. Wel volgt uit de inhoud van en toelichting op het Besluit dat de beschermingsmaatregelen in directe relatie staan tot de duur van een dreiging. De maatregelen hebben derhalve geen permanent karakter en hebben in beginsel niet tot doel volledig in het levensonderhoud van de betrokken persoon te voorzien.
In het licht van deze heldere begrenzing en afbakening van de verklaringsafspraak roept de in het derde lid van art. 226j Sv aangebrachte beperking op de notificatieplicht van de rechter-commissaris op het eerste gezicht mogelijk verbazing op. Immers, op welke grond bestaat er noodzaak tot het aanbrengen van die beperking als de wettelijke regeling (in het bijzonder artikel 226g Sv) in de kern inhoudt dat beschermingsmaatregelen geen voorwerp van toezegging en afspraak mogen zijn en reeds daarom niet ter kennis kunnen zijn gekomen van de rechter-commissaris?
De verdediging ziet in de laatstbedoelde bepaling, mede in het licht van wat de wet beoogt te waarborgen en van de wetsgeschiedenis, bevestiging voor de juistheid van de door haar betrokken stelling dat de wetgever ook de toetsing van beschermingsafspraken aan de rechter-commissaris heeft toevertrouwd. Bij dupliek is dit nader gepreciseerd in die zin dat het in elk geval om een marginale toetsing dient te gaan. In deze visie gaat de toetsing van beschermingsafspraken op in de toetsing van de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de criminele getuige gemaakte afspraak, die in het geval van een positieve beslissing van de rechter-commissaris in strafvorderlijke zin tot stand komt.
Het hof volgt de verdediging in deze lezing en bepleite uitkomst niet.
De wetsgeschiedenis levert –zoals door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] in den brede is uiteengezet - het beeld op van een veeljarig proces dat in twee fasen uiteen valt. Daarbij is sprake geweest van in de loop der tijd wisselende inzichten, zowel aan de zijde van de betrokken ministers als binnen de volksvertegenwoordiging. In het debat over de contouren van een verklaringsafspraak met een criminele getuige is langdurig en indringend stilgestaan bij het verbod tot het doen van financiële toezeggingen aan die getuige. Zo is in de Memorie van Toelichting met verwijzing naar de tekst van artikel 226j, derde lid, Sv het – in de context van de regeling als geheel al moeilijk denkbare – geval beschreven, waarin met de getuige ook afspraken zijn gemaakt over bescherming, die als zodanig deel uitmaken van de voorwaarden die in de verklaringsafspraak worden opgenomen. Het is in het daar bedoelde geval dat strafvorderlijke relevantie ontstaat. Dan zou ook dat onderdeel van de afspraak met het oog op toetsing van de rechtmatigheid van de verklaringsafspraak ter kennis van de rechter-commissaris gebracht dienen te worden[_62767b6c-ef8c-4d21-ab0f-5eaadab501d4].
Maar noch de bewoordingen van genoemde bepaling, noch de geschiedenis van totstandkoming ervan bieden grond voor het oordeel dat die regeling voorschrijft c.q. meebrengt dat ook beschermingsafspraken de verklaringsafspraak hebben te volgen in het strafvorderlijke traject van rechtmatigheidstoetsing.
Grammaticale beoordeling van de bepaling kan niet tot de conclusie leiden dat aan de rechter-commissaris een toetsende rol is opgedragen. Aangenomen moet worden dat de wetgever een bepaling waarin een bevoegdheid aan een rechterlijke autoriteit wordt toegekend op heldere en toegankelijke wijze redigeert. Op geen enkele wijze kan artikel 226j, derde lid, Sv zo worden gelezen dat daarin een toetsende rol aan de rechter-commissaris wordt gegeven. Reeds daarom kan de conclusie worden getrokken dat de rechter-commissaris deze bevoegdheid niet heeft. Daarbij komt, dat de wetssytematische benadering die de verdediging toepast in het algemeen een te smalle basis vormt om het bestaan van een strafvorderlijke bevoegdheid aan te nemen. In dit concrete geval vergt het standpunt van de verdediging bovendien teveel speculatieve redeneerstappen. In de kern houdt dit immers in dat de instructie om de inhoud van getuigenbeschermingsmaatregelen niet ter kennis te brengen van de verdachte de bevoegdheid c.q. opdracht impliceert om deze maatregelen (steeds) te toetsen. Het enkele feit dat uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat is gedebatteerd over de plaats van getuigenbescherming in de wettelijke regeling en dat daarbij de vraag aan de orde is geweest of hierbij een rol van de rechter gewenst is, kan het gat in deze redenering niet dichten.
Kortom, voor het mogelijk ontstaan van de hierboven bedoelde verbazing bij lezing van artikel 226j, derde lid, Sv bestaat welbeschouwd geen grond.
Zo bezien sluit de inhoud van de met de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gesloten verklaringsovereenkomsten aan op het in paragraaf 2.4. van de Aanwijzing verwoorde en aan de wet ontleende uitgangspunt: maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming dienen los te worden gezien van de onderhandelingen over en totstandkoming van de toezegging, ook al wordt met zoveel woorden onderkend dat dergelijke maatregelen veelal door de getuige als onderdeel van de toezegging worden beschouwd.
In het licht van het voorgaande treedt het hof niet in de beoordeling van de wijze waarop de getuigenbescherming vorm en inhoud heeft gekregen. Dat geldt ook voor de gestelde onrechtmatigheid van de omstandigheden dat de kroongetuige inspraak heeft gekregen in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsvindt en dat hem ten aanzien van die bescherming een geheimhoudingsverplichting is opgelegd. Het komt het hof overigens voor dat zowel het een als het ander aan het aangaan van een beschermingsovereenkomst niet als wezensvreemd kunnen worden beschouwd.
2.1.2.2.5 Ongeoorloofde toezeggingen?
2.1.2.2.5 Het verweer
Door de verdediging is betoogd dat het Openbaar Ministerie, in afwijking van de met de getuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gemaakte verklaringsafspraken en van hetgeen overigens door vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie dienaangaande is gerelateerd en verklaard, aan deze kroongetuigen toezeggingen heeft gedaan die het karakter hebben van (financiële) beloning voor het afleggen van hun getuigenverklaringen. Dit geldt ook voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 32].
Aldus zijn in strijd met de (bedoeling van de) wet aan ieder van hen meer of minder verkapte financiële beloningen toegezegd die achter het door het Openbaar Ministerie gelegde rookgordijn van getuigenbescherming aan het zicht van het hof en de verdediging zijn onttrokken. Het gevolg daarvan is dat aan ieder van hen een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onjuiste informatie is verstrekt. Daardoor is het niet althans onvoldoende mogelijk om de betrouwbaarheid van de door ieder van hen afgelegde verklaringen te beoordelen, aldus de verdediging. In deze sleutel geplaatst heeft de verdediging dit verweer in onderdelen doen uiteenvallen, zoals hiervoor weergegeven.
De verdediging leidt uit wat wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm of inhoud van ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen af, dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot louter bescherming. Zij dienen te worden gekenmerkt als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. Daarbij heeft de verdediging dit standpunt enigszins gedifferentieerd per getuige. In het bijzonder ten aanzien van de kroongetuige [Peter La S.] is meer informatie beschikbaar gekomen over de volgens de verdediging extreem riante financiële contouren van de ten aanzien van zijn persoon getroffen beschermingsmaatregelen. Voor zover dergelijke aanknopingspunten ontbreken houdt het verweer in dat aan het Openbaar Ministerie niet de vrijheid toekomt te volharden in de hardnekkige weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen.
2.1.2.2.5.2 Bespreking van het verweer
Het verweer beoogt een verbinding te leggen tussen, enerzijds, het strafvorderlijk optreden van het Openbaar Ministerie en de daarmee in het geding zijnde belangen, en, anderzijds, wat dit onder het gezag van het College van procureurs-generaal doet en nalaat in de sleutel van bescherming van (kroon)getuigen, wier verklaringen in de strafvervolging van de verdachte door het Openbaar Ministerie zijn ingebracht.
Met het verweer worden twee vragen opgeworpen.
De eerste vraag is of hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen reeds de conclusie rechtvaardigt dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet (kunnen) strekken tot bescherming doch (mede) moeten worden beschouwd als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen. In dat geval is mogelijk een situatie ontstaan die niet overeenstemt met de wettelijke regeling en die de wetgever uitdrukkelijk heeft willen voorkomen.
De tweede vraag is of aan het Openbaar Ministerie de vrijheid toekomt te volharden in de weigering om verdergaande informatie te verstrekken over de (financiële) contouren van de ten aanzien van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen en de interne besluitvorming daarover. In dat verband dient zich de rechtsvraag aan of op het Openbaar Ministerie de gehoudenheid rust om op grond van de (bedoeling van) de wettelijke regeling de (financiële) contouren van de beschermingsmaatregelen ter toetsing aan het hof, althans aan de rechter, voor te leggen.
Het hof zal eerst de laatste als de meest verstrekkende vraag nader bespreken.
Voldoende is komen vast te staan dat zowel ten aanzien van de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.], als ten aanzien van de getuigen [getuige 1] en [getuige 32] beschermingsmaatregelen zijn getroffen. In aard en inhoud van die maatregelen is door het Openbaar Ministerie (vrijwel) geen inzicht geboden. De gang van zaken met betrekking tot de bescherming van de kroongetuige [Peter La S.] is in beide feitelijke instanties voorwerp van enig onderzoek geweest. Wat het onderzoek in hoger beroep betreft kan dit blijken uit hetgeen hierna nader uiteen wordt gezet in de gecursiveerd weergegeven overwegingen.
De gehoudenheid van het Openbaar Ministerie om steeds de (financiële) contouren van getroffen beschermingsmaatregelen aan het hof ter toetsing op rechtmatigheid of doelmatigheid voor te leggen kan niet worden gegrond op de hierboven weergegeven bepalingen. Uit de wettelijke regeling blijkt immers – zoals het hof hierboven heeft overwogen – dat daarin geen toetsing aan de (straf)rechter is opgedragen van de rechtmatigheid (doelmatigheid daarvan in dit verband mede begrepen) van maatregelen die zijn getroffen voor de feitelijke bescherming van de getuige.
Die gehoudenheid volgt evenmin uit de ratio van dat samenstel van bepalingen. De duiding die de verdediging heeft gegeven aan de wet en hetgeen daarmee is beoogd te waarborgen vormt daarvoor geen toereikend aanknopingspunt. Daarbij komt, dat de aard van het onderwerp zich al snel verzet tegen openbaarmaking. Dat getuigen – in de woorden van de verdediging – hun medewerking aan het afleggen van hun verklaringen afhankelijk maken van zicht op hun bescherming doet – wat daarvan overigens zij – die gehoudenheid niet alsnog ontstaan.
Niet in de laatste plaats is nog het volgende van belang. Het enkele feit dat de resultaten van de voor ieder van de (kroon)getuigen [Peter La S.], [Fred R.], [getuige 32] en [getuige 1] uitgevoerde dreigingsanalyses de Staat hebben genoodzaakt tot het treffen van passende beschermingsmaatregelen maakt niet dat daardoor het onderzoek naar de betrouwbaarheid van hun verklaringen wordt belemmerd. Zij zijn allen als getuigen gehoord, ook ter terechtzitting, waarbij ook aan de verdediging de gelegenheid is geboden aan ieder van hen vragen te stellen. De door de getuigen afgelegde verklaringen zijn, mede tegen de achtergrond van de stukken in het dossier, toetsbaar op de betrouwbaarheid daarvan. Daaraan doet niet af dat de beantwoording van vragen is belet in de gevallen waarin dit afbreuk kan doen aan de effectiviteit van de ten aanzien van ieder van hen getroffen beschermingsmaatregelen. Evenmin valt in te zien dat en op welke grond de verdediging in enig belang is geschaad doordat het Openbaar Ministerie met de getuigen is overeengekomen – wat daarvan ook zij – dat het hen niet is toegestaan om vragen te beantwoorden die raken aan de getroffen beschermingsmaatregelen.
Dit een en ander voert tot de slotsom dat er ook niet in de voorliggende gevallen op grond van de wet een gehoudenheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie bestaat om de (financiële) contouren van de getroffen beschermingsmaatregelen bekend te maken. Niet valt in te zien dat en op welke grond de door de verdediging naar voren gebrachte argumenten die verplichting alsnog doen ontstaan. Evenmin is het Openbaar Ministerie ertoe gehouden aan het hof inzicht te geven in (het verloop van) de in het Besluit en de Instructie neergelegde procedure. Dit staat ter beoordeling aan de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie die ter terechtzitting aan de rechter verantwoording aflegt over wat door dat Openbaar Ministerie, in het voorkomende geval ook als organisatie, is gedaan en nagelaten.
Vervolgens ligt de eerste vraag ter beantwoording voor: rechtvaardigt hetgeen wél is gebleken over de feitelijke aard, vorm, inrichting of inhoud van ten aanzien van een of meer van de (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen de conclusie dat die maatregelen zodanig ondoelmatig en excessief zijn dat deze in redelijkheid niet strekken tot bescherming, doch (mede) hebben te gelden als een financiële beloning voor het afleggen van getuigenverklaringen?
De verdediging heeft uit de resultaten van het gehouden onderzoek, in het bijzonder waar dat betrekking heeft gehad op getuigenbescherming als bron van conflict tussen de kroongetuige [Peter La S.] en de Staat, afgeleid dat aan hem ontoelaatbare, te weten financiële, toezeggingen zijn gedaan, die bovendien op zichzelf beschouwd als extreem riant zijn aan te merken.
Door de verdediging is in het bijzonder aandacht gevraagd voor het gegeven dat aan [Peter La S.] is toegestaan dat hij zelf in zijn bescherming heeft mogen voorzien, waarmee zeer aanzienlijke, door de Staat gefourneerde geldbedragen zouden zijn gemoeid. De verdediging houdt het ervoor dat de Staat in het geval van de kroongetuige [Fred R.] een vergelijkbare weg heeft bewandeld.
Ter terechtzitting van 21 september 2015 heeft het hof overwegingen gewijd aan en beslissingen gegeven op verzoeken van de verdediging. Deze verzoeken strekten tot het verkrijgen van meer zicht op hetgeen door het Openbaar Ministerie in de sleutel van bescherming aan de kroongetuige [Peter La S.] is toegezegd en verstrekt. Omdat die verzoeken, overwegingen en beslissingen sterk samenhangen met dit onderdeel van het gevoerde verweer en de beoordeling daarvan wordt het een en ander hierna, voor zover van belang in dit verband, in cursief weergegeven.
Het hof stelt voorop dat in artikel 226l Sv weliswaar is neergelegd dat de Minister van Justitie de bevoegdheid toekomt om op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen te treffen voor feitelijke bescherming van zekere getuigen en personen, doch een bijzondere, op dergelijke maatregelen betrekkelijke wettelijke regeling, waarin aan de zittingsrechter (al dan niet na een daartoe gevoerd verweer) enige toetsende rol van dergelijke getroffen maatregelen is opgedragen, ontbreekt.
Derhalve zal het hof als zittingsrechter bij de beoordeling van verweren die zien op het aan de verzoeken onderliggende speelveld zich hebben te richten op de in artikel 359a Sv neergelegde regeling van sanctionering van vormverzuimen, vanzelfsprekend naast het aan artikel 6 van het EVRM te ontlenen toetsingskader.
Thans ligt evenwel niét aan het hof de beoordeling en beslissing van verweren, doch wél van aan de hand van de even genoemde maatstaf te beoordelen verzoeken voor. Voor de beoordeling of de noodzaak tot toewijzing van verzoeken zich voordoet geldt steeds als voorwaarde dat hetgeen is verzocht van belang is voor enige, door het hof te nemen beslissing.
De beoordeling en beslissing
Het onderwerp van het treffen van specifieke maatregelen voor de feitelijke bescherming van de in art. 226l, eerste lid, Sv bedoelde getuigen ( [Peter La S.] en [Fred R.]) als ook van de in het tweede lid van die bepaling bedoelde personen ( [getuige 32] ), brengt naar zijn aard mee dat de inhoud van (het samenstel van) die maatregelen zich in beginsel niet leent voor openbaarmaking. Immers, aangenomen moet worden dat openbaarmaking van die inhoud afbreuk doet aan het realiseren van het met het treffen van die maatregelen nagestreefde doel: het bieden van een effectieve feitelijke bescherming van personen in meest ruime zin.
Het hof neemt aan dat de door de raadslieden gewenste openbaarmaking van de in de verzoeken bedoelde onderdelen en aspecten van de inhoud van het samenstel van maatregelen (al dan niet zijnde de vrucht van door de Staat met die getuigen/persoon gemaakte afspraken) per definitie slechts een gefragmenteerd en lacuneus beeld kan opleveren van al hetgeen in de sleutel van bescherming als geheel door de Staat wordt geboden en verricht. Daarbij komt, dat aard, omvang en inhoud van het samenstel van die maatregelen in hoge mate zullen zijn toegesneden op de specifieke situatie waarin ieder van de te beschermen personen (in casu: [Peter La S.], [Fred R.] en [getuige 32]) verkeert. Voorts mag worden aangenomen dat deze maatregelen rechtstreeks zullen samenhangen met en voortvloeien uit hetgeen de Staat op basis van de op ieder van die personen toegesneden dreigingsanalyse heeft vastgesteld. Wat die dreigingsanalyse betreft neemt het hof in aanmerking dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Bovendien komt in dit verband betekenis toe aan de vaststelling dat deze dreigingsanalyse zich naar haar aard niet voor enige vorm van openbaarmaking in enigerlei mate leent.
Het hof neemt in aanmerking hetgeen hiervoor is overwogen en betrekt daarbij wat hiervoor met betrekking tot het processuele kader is overwogen. Dit leidt tot de slotsom dat een door de raadslieden beoogde toetsing door de zittingsrechter van de opportuniteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van het samenstel van voor zekere personen getroffen beveiligingsmaatregelen, aan de hand van kennisneming van de inhoud van slechts één of meer onderdelen van dat samenstel van maatregelen, per definitie gemankeerd zal zijn. Immers, niet valt in te zien hoe het resultaat van deze beoordeling van getroffen en mogelijk nog te treffen maatregelen in hun onderlinge verband en samenhang betekenisvol kan zijn als ten aanzien daarvan wél van de inhoud van het één en tegelijkertijd niet ook van het ánder kan worden kennisgenomen.
Daar komt nog bij dat, anders dan bij andere aan de zittingsrechter opgedragen beslissingen, noch een kader voor toetsing noch een maatstaf voor beoordeling bestaat. Dit heeft als achtergrond, zo mag worden aangenomen, de aard van de getuigenbescherming en de onmogelijkheid om daarover, anders dan op zeer beperkte wijze, te rapporteren.
Zo bezien heeft te gelden dat toewijzing van de verzoeken – gelet op het per definitie gefragmenteerde en lacuneuze karakter van de mogelijk daaruit naar voren komende informatie – niet verder zal kunnen bijdragen aan een door de raadslieden beoogde toetsing door het hof zodat daarvoor geen noodzaak bestaat.
Ten aanzien van de getuige [Peter La S.] heeft nog in het bijzonder te gelden dat hetgeen tot dusver door het hof niettemin aan nader onderzoek is opgedragen en vervolgens is verricht rechtstreeks samenhangt met – zeer kort samengevat – het dynamisch verloop van al hetgeen door en over hem naar voren is gebracht c.q. verklaard c.q. was weggelaten, zoals daarvan blijkt uit al hetgeen door het hof is overwogen en beslist ter (regie)terechtzittingen van 13 december 2013, 10 juni 2014, en bekrachtigd op 23 januari 2015.
Het hof merkt in dit verband op dat het primaire object van aanvullend onderzoek en nadere verantwoording ten aanzien van getuigenbeschermingsmaatregelen het gestelde conflict tussen [Peter La S.] en de Staat was. Dit riep vragen op ten aanzien van de totstandkoming en de inhoud van zijn verklaringen waarna het hof binnen de grenzen van de in artikel 187d Sv bedoelde belangen onderzoekshandelingen heeft bevolen, die, na enige aanloopproblemen, zijn uitgevoerd.
Het is op grond van de inhoud van in eerste aanleg gevoerde verweren en de eerder in hoger beroep gedane en thans voorliggende verzoeken niet ondenkbaar dat door of namens de verdachten te zijner tijd verweren zullen worden gevoerd die inhoudelijk zullen samenhangen met de inhoud van de voorliggende verzoeken.
Zo bestaan aanknopingspunten om te veronderstellen dat zal worden betoogd dat aan het openbaar ministerie de ontvankelijkheid in de strafvervolging dient te worden ontzegd, of dat verklaringen die door de beschermde getuigen zijn afgelegd van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De onderbouwing daarvan zal mogelijk bestaan in de argumenten dat per definitie en/of op grond van hetgeen ter zake feitelijk wél en/of niét is gebleken over achtereenvolgens beschermingskaders, (toegezegde) prestaties door de Staat en de wijze van verantwoording daaromtrent door het openbaar ministerie, het aan toetsing door het hof als zittingsrechter onttrokken zijn van de totstandkoming en/of inhoud van beschermingsafspraken met [Peter La S.], [Fred R.] en [getuige 32] (als getuigen/persoon in de betekenis van art. 226l Sv) deze sanctionering dienen mee te brengen.
Daarmee is de noodzaak tot de opdracht aan de advocaat-generaal tot het ter tafel doen brengen van (meer) informatie over de totstandkoming of inhoud van de ten aanzien van de even genoemde personen getroffen maatregelen evenwel niet gegeven.
Aan het kunnen voeren van dergelijke verweren kan – gelijk hiervoor is uiteengezet – ontsluiting van slechts onderdelen van een op verschillende personen toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen in redelijkheid niet bijdragen. Daarom is - ook bezien in het perspectief van het verdedigingsbelang - de noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen mrs. [officier van justitie 1] en Brouwer (voor zover hun verhoor is verzocht met het oog op nadere informatieverstrekking over de inhoud van getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen) noch tot het geven van de door de verdediging verzochte opdrachten tot nadere informatieverstrekking aanwezig, zodat het hof deze verzoeken afwijst.
De raadsman van [Jesse R.] heeft, zoals hiervoor reeds beschreven, ook verzocht om de personen [officier van justitie 1] en Brouwer te doen oproepen met het oog op een verhoor tegen de achtergrond van de door de raadsman gesignaleerde verschillen tussen de zogeheten intentieverklaring financiële bepalingen 2007 en de overeenkomst op hoofdlijnen 2009 met betrekking tot de ten aanzien van [Peter La S.] te treffen getuigenbeschermingsmaatregelen. Kennelijk zijn, aldus de raadsman, andere kaders gehanteerd dan de in dit verband vigerende kaders voor besluitvorming. De raadsman wil weten of er andere kaders in de besluitvorming zijn betrokken en zo ja, welke inhoud deze hebben. Daarnaast gaat zijn interesse uit naar de betrokkenheid van hogere echelons binnen het openbaar ministerie bij de inhoud van de daarover opgemaakte processen-verbaal.
De raadsman heeft daarbij betrokken zijn observaties dat het openbaar ministerie over de inhoud van deze documenten niet telkens op dezelfde wijze en met dezelfde inhoud in de strafzaak van zijn cliënt [Jesse R.] heeft gecommuniceerd. Hij heeft in dat verband als zijn mening te kennen gegeven dat de ingebrachte informatie stelselmatig onjuist is geweest.
De advocaat-generaal heeft zich, op basis van een andere lezing van de relevante processen-verbaal en op grond van een waardering van de reeds over [Peter La S.] prijsgegeven informatie, tegen toewijzing van de verzoeken verzet.
Het hof overweegt in dit verband als volgt.
Gedurende de gedingfase in eerste aanleg zijn diverse processen-verbaal van officieren van justitie belast met getuigenbescherming of criminele inlichtingen ingebracht met als onderwerp de ten aanzien van [Peter La S.] te treffen beschermingsmaatregelen. Voorts is op bevel van het hof een officier van justitie (mr. [officier van justitie 1]) meermalen gehoord, waarbij deze functionaris als getuige tweemaal effectief door de raadsman van de verdachte [Jesse R.] kon worden ondervraagd.
Aldus is door het openbaar ministerie informatie verstrekt en verantwoording afgelegd, zij het op een naar de mening van de raadsman ontoereikende wijze.
Het hof stelt vast dat de voor de besluitvorming binnen het openbaar ministerie relevante regelgeving volledig bekend is. Het gaat hierbij in het bijzonder om artikel 226l Sv en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur en, in ruimere zin, de wettelijke kroongetuigenregeling en de toepasselijke, gepubliceerde, beleidsregels van het openbaar ministerie. De raadsman is blijkens de gegeven toelichting op zoek naar overige normerende kaders die, hoewel niet bekend gemaakt, zijn gehanteerd bij de interne besluitvorming en bij de verslaglegging daarover.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof voorop dat de loop van de interne besluitvorming binnen het openbaar ministerie (door de raadsman in zijn verzoek ook wel getypeerd als “hoe de hazen hebben gelopen”) zich in het algemeen niet leent voor enige uitleg of verantwoording in het kader van strafvordering. Het verzoek, in de kern inhoudend dat ook niet-kenbare “kaders” (met inbegrip van hun boven- en ondergrenzen) worden geopenbaard, staat op gespannen voet met dit uitgangspunt.
Het hof heeft reeds bij eerdere gelegenheden verstaan dat de raadsman verweren heeft gevoerd en opnieuw zal voeren die zijn gebaseerd op de stelling dat in strijd met toepasselijke rechtsregels de getuigenbescherming van [Peter La S.] is vormgegeven en dit bovendien in problematische verhouding staat tot de met hem gesloten zogenoemde kroongetuigendeal.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze verweren, die zien op de rechtmatigheid van het handelen van het openbaar ministerie in brede zin, op basis van hetgeen thans beschikbaar is, gevoerd worden. Dit kan ook blijken uit de door de raadsman op het verzoek gegeven toelichting, die klaarblijkelijk vertrekt vanuit de door het openbaar ministerie geproduceerde processtukken. De aanvullende informatie dient, zo begrijpt het hof, betrekking te hebben op de totstandkoming van besluiten binnen de gelederen van het openbaar ministerie.
Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien wat, in het licht van zowel de door hem aan de verzoeken verbonden toelichting als de, naar verwachting, te voeren verweren de toegevoegde waarde kan zijn van hetgeen de raadsman heeft verzocht.
Ook op deze gronden wordt het verzoek dat strekt tot nadere informatieverstrekking, primair in de vorm van een verhoor van mrs. [officier van justitie 1] en Brouwer als getuigen en subsidiair in de vorm van een bevel van het hof aan de advocaat-generaal tot toevoeging van nadere bescheiden, bij gebrek aan noodzaak afgewezen.
Het hof stelt voorop dat deze, hiervoor weergegeven, ter terechtzitting van 21 september 2015 gebezigde overwegingen evenzeer betekenis hebben voor de beantwoording van de vraag of wat omtrent beschermingsmaatregelen wél tijdens het strafgeding is gebleken de conclusie schraagt dat de Staat verboden financiële toezeggingen heeft gedaan.
Immers, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen de verdediging over de feitelijke aard en inhoud van de (financiële) contouren van de getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen heeft gesteld, is daarmee niet meer dan een gefragmenteerd en lacuneus beeld gevormd van al hetgeen in de sleutel van bescherming door de Staat wordt geboden en verricht. Anders gezegd: het op de te beschermen persoon toegesneden samenstel van beschermingsmaatregelen kan – nog daargelaten de beantwoording van de vraag naar het te hanteren beoordelingskader – op grond van één of meer daarvan geïsoleerde onderdelen strafvorderlijk niet betekenisvol worden geduid. Reeds daarom kan te minder worden aangenomen dat het niet anders kan zijn, dan dat de door de Staat onder de vlag van bescherming jegens [Peter La S.] verrichte inspanningen zich bewegen boven de grens van hetgeen in termen van bescherming als adequaat heeft te gelden en aangemerkt dient te worden als financiële tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. In het verlengde van het voorgaande onthoudt het hof zich voorts van het geven van een oordeel over het bieden van inspraak in en toestaan van zelfredzaamheid bij de vormgeving van de bescherming, met dien verstande dat die factoren niet meebrengen dat daarmee tekort wordt gedaan aan rechtens te respecteren belangen van de verdachte. Op basis van de resultaten van het door het hof aan de rechter-commissaris opgedragen onderzoek, waarover zij bij proces-verbaal van 31 maart 2015 heeft gerapporteerd valt voorts niet in te zien dat door het Openbaar Ministerie misleidende informatie is verstrekt.[_2458a569-4624-4a1c-9650-0d1a490d16a3]
De slotsom dient derhalve te luiden dat noch het enkele uitblijven van een rechterlijke toetsing van (toegezegde) prestaties in het kader van getuigenbescherming van de zijde van de Staat, noch de ontbrekende nadere verantwoording daaromtrent door het Openbaar Ministerie een strafvorderlijk verzuim of een schending van het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op een eerlijk proces oplevert. Het is denkbaar dat dit oordeel anders kan uitvallen. Gedacht kan worden aan het geval waarin blijkt van feiten en omstandigheden die zodanig sterke aanwijzingen opleveren voor onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie, dat geoordeeld moet worden dat dit onder het mom van bescherming van de getuige afspraken maakt met of toezeggingen doet die redelijkerwijs niet met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht doch wel strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren. Dat geval impliceert een onrechtmatige situatie, die ofwel het gevolg is van list en bedrog aan de zijde van de Staat althans van het volkomen falen van de in het Besluit getuigenbescherming geregelde bestuurlijke controle. Van aanknopingspunten voor het bestaan van dat hypothetische geval is niet gebleken, ook niet waar het gaat om hetgeen, naar is gebleken, in de sleutel van bescherming door het Openbaar Ministerie is ondernomen en verricht.
Het hof overweegt nog het volgende.
De verdediging maakt zich nadrukkelijk sterk voor rechterlijke toetsing, ook van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de (financiële) contouren van door het Openbaar Ministerie ten aanzien van (kroon)getuigen getroffen beschermingsmaatregelen. Hoewel wellicht voor het introduceren van een dergelijke toetsing argumenten denkbaar zijn, merkt het hof in de eerste plaats andermaal op dat, waar in het algemeen het fenomeen van (be)dreiging in de tijd bezien in aard, intensiteit en omvang kan variëren, aangenomen moet worden dat hetzelfde zal gelden voor de aard, omvang en inhoud van het samenstel van de door de Staat ten aanzien van ieder van die personen, en mogelijk ook anderen, getroffen of nog te treffen beschermingsmaatregelen. Zo bezien is het soortelijk gewicht van de uitkomst van die voorgestane door de rechter-commissaris te verrichten toetsing relatief gering, omdat die statische toetsing in het concrete geval slechts in (zeer) beperkte mate effectief zal kunnen zijn. Dat geldt ook voor een toets ten aanzien van het pakket aan maatregelen dat bij aanvang van het beschermingstraject wordt genomen, zoals door de raadsman als subsidiaire oplossing is bepleit. Voorts overweegt het hof, dat het pleidooi van de verdediging voor een rechterlijke toetsing kennelijk in belangrijke mate is ingegeven door een gebrek aan vertrouwen in de effectiviteit en waarachtigheid van de bestuurlijke controle die in het Besluit getuigenbescherming is neergelegd
2.1.2.2.6 De kroongetuige [Peter La S.]: de verhouding tussen de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken en het opportuniteitsbeginsel
2.1.2.2.6 Het gevoerde verweer
Dit onderdeel van het verweer stelt de onderliggende vraag aan de orde of, en zo ja op welke wijze de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken een beperking heeft aangebracht op de tot het opportuniteitsbeginsel te herleiden vrijheid van het Openbaar Ministerie om van strafvervolging af te zien. De verdediging heeft tot uitgangspunt genomen dat de wetgever met die wet een gesloten systeem voor toezeggingen aan criminele getuigen in het leven heeft willen roepen. Naast de in artikel 226g, lid 4, Sv bedoelde kleine gunsten vormt de in het eerste lid van die bepaling neergelegde bevoegdheid tot het doen van de toezegging aan de kroongetuige dat in zijn zaak strafvermindering zal worden gevorderd het exclusieve hart van de wettelijke regeling. Andere toezeggingen aan de kroongetuige zijn op grond van die regeling en gelet op wat de wetgever daarmee heeft beoogd te waarborgen niet toegelaten.
Het staat het Openbaar Ministerie daarom niet vrij om af te zien van strafvervolging of voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan een kroongetuige met een beroep op het opportuniteitsbeginsel, aldus de verdediging.
De advocaat-generaal heeft hier tegenover gesteld dat er geen sprake is van een gesloten systeem. In navolging van minister Donner, die tijdens de tweede fase van de parlementaire behandeling in 2004 en 2005 zijn opvattingen heeft geuit, heeft de advocaat-generaal gesteld dat de wetgever alleen een regeling heeft willen bieden voor toezeggingen ter zake van strafvermindering. De regeling is evenwel niet exclusief en is ook niet gegeven met de intentie deze exclusief te laten zijn. Daarom zouden overige toezeggingen op grond van het opportuniteitsbeginsel toelaatbaar zijn gebleven.
2.1.2.2.6.2 Bespreking van het verweer
2.1.2.2.6.2 Inleidend
De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken kent een lange wordingsgeschiedenis. Reeds ten tijde van de behandeling van de rapporten van de parlementaire enquêtecommissie onder voorzitterschap van Van Traa in 1996 werd het belang van een wettelijke regeling over dit onderwerp onderkend. Vervolgens heeft de behandeling van het wetsontwerp vanaf de indiening ervan bij de Tweede Kamer in 1998 tot aanvaarding in de Eerste Kamer ongeveer zeven jaar geduurd. Daarbij is gebleken dat binnen de Tweede Kamer opvattingen leefden die kort gezegd inhielden dat de bevoegdheid van de officier van justitie om afspraken te maken met criminele getuigen strikt beperkt diende te blijven tot het toezeggen van een neerwaarts bijgestelde strafeis. Dit heeft onder meer geleid tot aanvaarding van het amendement Rouvoet-Van der Staaij op 5 juli 2001, waarmee een laatste volzin werd toegevoegd aan het eerste lid van artikel 226g Sv. Hierin werd de beoogde beperking expliciet tot uitdrukking gebracht. De minister had dit amendement overigens als overbodig gekwalificeerd omdat hij het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt deelde.
Na aanvaarding van het wetsontwerp in de Tweede Kamer heeft het wetgevingsproces enkele jaren stilgelegen waarna het in 2004 weer op gang kwam. Tijdens het debat in de Tweede Kamer van 8 september 2004 werd de discussie over de exclusiviteit van de wettelijke regeling zoals die al was aanvaard, hernomen. De standpunten van de parlementariërs liepen sterk uiteen. Dat dit een problematische situatie opleverde werd door de minister in dat debat gesignaleerd. Hij wees op de complicatie dat het oorspronkelijk wetsontwerp nog door de Eerste Kamer moest worden behandeld terwijl tegelijkertijd over de wettelijke regeling een fundamenteel debat in de Tweede Kamer was ontstaan. Dit vormde mede de aanleiding om een brief toe te zeggen.
Meest in het oog springende gevolg van het heropende debat voor de wettekst is dat de maximaal toe te zeggen strafvermindering werd verruimd van een derde naar de helft van de zogeheten basisstrafeis. De discussie over de positie van het opportuniteitsbeginsel mondde niet uit in enige alternatieve vorm van redactie van de reeds door de Tweede Kamer aanvaarde wet.
In de brieven aan de voorzitters van de Eerste Kamer en van de Tweede Kamer van respectievelijk 18 maart 2005 en 12 april 2005 heeft de minister vervolgens zijn zienswijze neergelegd. Daarbij werd een driedeling gemaakt in typen toezeggingen:
1) toezeggingen waarvoor een wettelijke regeling nodig is; dit betreft uitsluitend afspraken over strafvermindering, want het Openbaar Ministerie maakt volgens de minister in zo’n geval afspraken met consequenties voor de beslissingsruimte van de rechter;
2) niet toelaatbare toezeggingen: toezeggingen van immuniteit (sepotverbod) en toezeggingen omtrent de omvang van de tenlastelegging;
3) toelaatbare toezeggingen waarvoor geen wettelijke regeling nodig is en waarvoor de ruimte moet worden geformuleerd waarbinnen deze kunnen worden gedaan. Dit moet in de aanwijzing geschieden waarin het Openbaar Ministerie zichzelf beperkingen oplegt. Dit betreft bevoegdheden die het Openbaar Ministerie reeds heeft en die behoren tot de beleids- en beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie. De basis hiervoor is gelegen in het reeds aanvaarde artikel 226g lid 4 Sv dat het zogeheten kleine gunstbetoon van een wettelijke basis voorziet. Ingeval van een uitdrukkelijk en causaal verband met de verklaringsbereidheid van de getuige dient hierover bij proces-verbaal verantwoording te worden afgelegd.
Ook in de Eerste Kamer vroegen diverse leden aandacht voor de reikwijdte van de bevoegdheid van de officier van justitie om toezeggingen te doen. Daarbij waren veel kritische geluiden te horen over het standpunt van de minister dat aanzienlijk anders luidde dan dat van zijn voorganger die het eerder aanvaarde wetsontwerp bij de Tweede Kamer had ingediend. De minister nam in lijn met de inhoud van de hiervoor bedoelde brieven het standpunt in dat het opportuniteitsbeginsel de ruimte biedt aan de officier van justitie om andere toezeggingen te doen dan alleen die van een aangepaste strafeis. Na een intensief debat, dat, voor zover het hof uit de parlementaire stukken kan opmaken, zonder duidelijke conclusies eindigde en waarbij noch de minister noch enige senator van standpunt veranderde, werd de wet ongewijzigd aangenomen met de aantekening dat diverse fracties werden geacht te hebben tegengestemd.
Wat de bedoelingen van de wetgever betreft kan worden vastgesteld dat de beide Kamers van de Staten-Generaal respectievelijk de betrokken ministers, elk in de hoedanigheid van medewetgever, hun accenten hebben gelegd die niet (zonder meer) met elkaar te verenigen zijn.
Bij de interpretatie van de wet kunnen, zo blijkt uit het ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gevoerde debat, ver uiteen liggende standpunten worden ingenomen. Aan het ene uiterste van het spectrum bevindt zich de uitleg dat geen andere afspraak mag worden gemaakt dan die strekkend tot strafvermindering. Aan de andere kant daarvan leeft de opvatting dat het enige type afspraak dat een wettelijke regeling behoefde en daarom heeft gekregen die van strafvermindering is.
Dat de praktijk van opsporing en vervolging voor deze complicaties zou kunnen worden geplaatst werd reeds door de Eerste Kamer op 8 maart 2005 en 10 mei 2005 voorzien. Maar de gedachte dat “het betere niet de vijand van het goede” mocht worden is mede leidend geweest bij de uiteindelijke aanvaarding van het wetsvoorstel.
Het diffuse parlementaire debat heeft zich in het kader van het Passageproces herhaald ten overstaan van de strafrechter in twee feitelijke instanties. In die zin is de verwachting die senator Rosenthal uitsprak tijdens de behandeling van het wetsontwerp op 10 mei 2005 bewaarheid.
De raadsman heeft een punt waar hij spanning signaleert tussen de Aanwijzing en de wettelijke regeling. Met name indien gekozen wordt voor een min of meer restrictieve uitleg van de bevoegdheden van de officier van justitie kan worden geconcludeerd dat de Aanwijzing minst genomen op gespannen voet staat met de wet. Dat de wetsgeschiedenis voor deze conclusie aanknopingspunten biedt kan uit het voorgaande voldoende blijken.
Aan de raadsman kan ook worden toegegeven dat aan het uitblijven van reacties uit het parlement op sleutelmomenten, zoals dat van toezending van de Aanwijzing kort voor de inwerkingtreding ervan, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de uitleg van de bedoelingen van de wetgever.
Minder voor de hand liggend acht het hof het standpunt van de raadsman dat voor de uitleg van de exclusiviteit van de wettelijke regeling uitsluitend, althans in beslissende mate, uitgegaan dient te worden van de in de eerste fase ingenomen standpunten. Het gaat dan om de opvattingen die door minister en Tweede Kamerleden zijn geuit ten tijde van de aanvaarding van het amendement waarin is beoogd deze exclusiviteit tot uitdrukking te brengen. Bij dupliek heeft de raadsman zijn standpunt enigszins genuanceerd maar daar niet de gevolgtrekking aan verbonden dat hij niet langer achter voornoemde conclusie staat.
Niet valt in te zien waarom aan de geheel andersluidende uitleg van de minister, die hij in overeenstemming achtte met de wettekst, geen betekenis toekomt. Datzelfde geldt voor de gedachtewisseling in de Tweede Kamer in 2004 waarin door enkele leden een geheel ander licht werd geworpen op de reeds door die Kamer aanvaarde wet. Dat de kwaliteit van hun inbreng niet het door de raadsman verlangde niveau had is niet relevant voor het relatieve gewicht ervan. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat het parlementaire debat in beide kamers van de Staten-Generaal weliswaar fel is geweest maar niet tot ondubbelzinnige conclusies, laat staan verduidelijking op het niveau van de wet zelf, heeft geleid. Integendeel, er bestonden niet alleen conflicterende opvattingen onder de actoren. Ook werd onder ogen gezien dat deze verschillen van inzicht tot uitvoeringsproblemen zouden kunnen gaan leiden. Dat was voor enkele in het wetgevingsproces betrokkenen tevens reden om te wijzen op het belang van nadere wet- en regelgeving.
Nog problematischer wordt het als de zeer uiteenlopende, uit de wetsgeschiedenis blijkende, opvattingen in verband worden gebracht met de uiteindelijk gepubliceerde tekst van artikel 226g Sv. Deze bevat enerzijds een eerste lid dat de basis biedt voor een afspraak met de criminele getuige die uitsluitend betrekking heeft op strafvermindering. Anderzijds is er sprake van een vierde lid waarin het kleine gunstbetoon is geregeld. Dit biedt de mogelijkheid voor het maken van afspraken die niet kunnen worden aangemerkt als afspraken over strafvermindering. Als de parlementaire geschiedenis van enige afstand wordt aanschouwd, biedt ook de reikwijdte van dit vierde lid ruimte voor debat.
Het hof wijst in aanvulling op het voorgaande erop dat de wetgever zich in juridische zin niet laat compartimenteren als de wil van de wetgever moet worden onderzocht om de met een wet nagestreefde doelen op te helderen. Daar komt in dit geval bij dat gedurende het wetgevingsproces door diverse actoren is onderkend dat het brede spectrum aan opvattingen de totstandkoming van de wet heeft gecompliceerd en ook de wetstoepassing zou kunnen gaan compliceren. De wetgever heeft ondanks deze omstandigheden niet willen verhinderen dat de wet in zijn huidige vorm toch tot stand kwam.
Tegen deze achtergrond dient de slotsom te zijn dat de feitenrechter terughoudendheid past bij de uitleg van de wet en bij beschouwingen over de bedoelingen van de wetgever. Het hof ziet geen ruimte voor de mate van stelligheid zoals de verdediging en de advocaat-generaal zich hebben veroorloofd.
Hoewel de door verdediging en advocaat-generaal ingenomen standpunten zich niet alle lenen voor een volledige beantwoording van de achterliggende rechtsvragen door het hof kan toch ervan worden uitgegaan dat de wetgever in elk geval enkele uitgangspunten heeft gehanteerd die leidend zijn gebleven bij de gehele parlementaire behandeling. Deze dienen dan ook het kader te vormen voor de door het hof aan te leggen maatstaven.
- De wetgever heeft allereerst tot uitdrukking willen brengen dat in geen geval volledige immuniteit mag worden toegezegd in ruil voor verklaringen.
- Er mogen voorts geen afspraken worden gemaakt over de inhoud en de omvang van de tenlastelegging.
- Daarnaast heeft de wetgever een beloningsverbod aan de wet ten grondslag willen leggen. Er mogen onder geen beding financiële toezeggingen worden gedaan die tot resultaat hebben dat de bereidheid tot verklaren bij de criminele getuige wordt beïnvloed. Anders gezegd, verklaringen mogen niet van die getuige worden gekocht.
Bij de bespreking van de betekenis van getuigenbeschermingsmaatregelen heeft dit laatste punt in het voorgaande al een rol in de beoordeling gespeeld. Bij de hierna nog te geven beoordeling van andere verweren zullen daarnaast de eerste twee genoemde uitgangspunten van belang zijn.
2.1.2.2.6.2.2 De omvang van de strafvervolging in relatie tot de verklaringsafspraak
Het hof ontleent aan de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken dat het Openbaar Ministerie bij toepassing van die regeling geen immuniteitstoezegging aan een kroongetuige mag doen. De omvang van de strafvervolging noch de inhoud van de tenlastelegging mogen in dat verband onderwerp van enige toezegging zijn. Dit betekent dat het, zoals in elke strafzaak, geheel aan de officier van justitie is om te bepalen voor welke feiten hij de getuige met wie hij een afspraak maakt, vervolgt. Hierop wordt hierna nader ingegaan.
Dit betekent ook dat deze regeling geen beperking heeft aangebracht op de in het tweede lid van artikel 167 Sv aan het Openbaar Ministerie toegekende vrijheid om van vervolging af te zien. Dit is nogmaals tot uitdrukking gebracht in de beleidsregels van het Openbaar Ministerie. Paragraaf 5 van de Aanwijzing biedt een opsomming van de gevallen waarin en de onderwerpen waarover de officier van justitie aan een kroongetuige geen toezeggingen mag doen. Voor zover hier van belang is in die paragraaf onder 2. vermeld dat de officier van justitie geen toezegging mag doen met betrekking tot het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. [_8d097a84-5c4b-4aed-888c-be1d35af8579]
Reikwijdte en strekking van de in de Aanwijzing neergelegde beleidsregels laten zich goed begrijpen, zowel vanuit de betekenis van het opportuniteitsbeginsel als vanuit de ratio van de wettelijke begrenzing van de ruimte waarbinnen de officier van justitie rechtmatig toezeggingen kan doen. Het ligt immers niet in de rede dat het enkele feit dat de officier van justitie met een criminele getuige tot een verklaringsafspraak probeert te komen, impliceert dat de officier van justitie verplicht is tegen die getuige een vervolging in te stellen ter zake van strafbare feiten, waarvan hij buiten de context van zo’n afspraak, op gronden aan het algemeen belang ontleend, zou hebben afgezien. Anders gezegd: (het toezeggen van) een beloning aan de criminele getuige in de vorm van een neerwaarts bijgestelde strafeis roept voor de officier van justitie geen opdracht tot vervolging in het leven ter zake van feiten waarvan hij bij geïsoleerde beoordeling op bewijstechnische dan wel beleidsmatige gronden van vervolging zou afzien. Voor de juistheid van deze interpretatie is ondubbelzinnige steun te vinden in de parlementaire geschiedenis van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken.[_66e480e2-5b72-4e74-bbc2-a9bcb7a886bb]
In de Memorie van toelichting valt onder meer te lezen:
Ik ga ervan uit dat het opportuniteitsbeginsel door het openbaar ministerie
op de thans gebruikelijke wijze wordt toegepast en dat de bestaande
normering van de vervolgingsbeslissing in stand blijft. Dit betekent voor
de onderhavige materie dat de aard en de ernst van de aan het openbaar
ministerie ter kennis gekomen feiten bepalend zijn voor de vervolgingsbeslissing.
De gebruikelijke toetsing of het te vervolgen feit bewijsbaar en
strafbaar is, en of vervolging van de geconstateerde feiten opportuun is,
dient onverkort plaats te vinden. Terzake van feiten die normaal gesproken
geseponeerd zouden worden, dient sepot te volgen; voor feiten waarin
het aanbieden van transactie gebruikelijk is, dient een transactievoorstel
te worden gedaan. Dergelijke feiten dienen in het kader van een te maken
afspraak buiten beschouwing te blijven. Anders zou immers aan de
getuige een voordeel in het vooruitzicht worden gesteld, dat geen reëel
voordeel is, doch de uitkomst van het normale afwegingsproces dat aan
de vervolgingsbeslissing vooraf gaat.
In zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 6 april 2001 heeft de minister het volgende geschreven:
Bij het opstellen van het wetsvoorstel is steeds uitgangspunt geweest dat
ten aanzien van een verdachte eerst de gebruikelijke vervolgingsbeslissing
op basis van het bestaande vervolgingsbeleid wordt genomen en dat
onaanvaardbaar is dat een verdachte in het geheel aan vervolging zou
kunnen ontkomen door het afleggen van een belastende verklaring. Er
moet uiteraard wel sprake zijn van een verdachte met een vervolgbare
zaak. Indien er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling heeft de
officier van justitie geen onderhandelingsbasis; er is dan geen reële tegenprestatie
van de zijde van het openbaar ministerie. [_c8c393aa-9063-43c7-a447-5317e08b6960]
Over dit uitgangspunt van de minister is gedurende de parlementaire behandeling geen discussie geweest. Wel is meermalen uitgebreid stilgestaan bij de consequentie van dit uitgangspunt, namelijk dat de officier van justitie niet mag onderhandelen over de inhoud en omvang van de tenlastelegging, noch daarover toezeggingen mag doen.
Op dit zogeheten immuniteitsverbod heeft de verdediging onder meer bij pleidooi gewezen. Het opportuniteitsbeginsel zou hiermee aan banden zijn gelegd. Daarbij wordt evenwel over het hoofd gezien dat deze normering of begrenzing van de discretionaire ruimte van de officier van justitie uitsluitend betrekking heeft op vervolgingsbeslissingen die zijn genomen bij wijze van toezegging. Dit heeft de wetgever ook voor ogen gestaan bij zijn beschouwingen over de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel en het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.
In geen van de stadia van de behandeling van het wetsontwerp heeft de wetgever enige begrenzing van het opportuniteitsbeginsel als zodanig voor ogen gestaan.
Nu de verdediging heeft gewezen op bepaalde, tegen de kroongetuige [Peter La S.] gerezen verdenkingen die telkens het instellen van strafvervolging zouden hebben gerechtvaardigd zal het hof hebben na te gaan of de beslissingen van het Openbaar Ministerie om van vervolging af te zien in strijd zijn geweest met de (bedoeling van) de wettelijke regeling. Immers, wanneer komt vast te staan dat de stelling van de verdediging hout snijdt, ligt vervolgens ter beantwoording voor de vraag of de wijze waarop ten aanzien van die kroongetuige telkens invulling is gegeven aan het vervolgingsbeleid op één lijn moet worden gesteld met ongeoorloofde toezeggingen tot het verlenen van immuniteit (door de raadsman aangeduid als “verkapte immuniteitstoezeggingen”).
Waar het gaat om de door het hof aan te leggen maatstaf voor de beoordeling van de vervolgingsbeslissing in de sleutel van het gevoerde verweer knoopt het hof aan bij door de Hoge Raad ontwikkelde rechtspraak met betrekking tot de beoordeling van de beslissingen waarbij de vervolging wél is ingesteld of wordt voortgezet. Volgens die vaste rechtspraak leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.
Toegespitst op het zich hier voordoende spiegelbeeldige geval, waarin het Openbaar Ministerie afziet van het instellen van vervolging zal het hof met inachtneming van de bij zijn beoordeling in het algemeen te betrachten terughoudendheid een toets hebben uit te voeren. De daarbij te hanteren maatstaf luidt of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien, waarbij dat lid wordt geacht de door strafrechtelijke handhaving te beschermen belangen in zijn afweging betrokken te hebben.
Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert, terwijl de vigerende beleidskaders die de beslissingen in het kader van opsporing en vervolging nader normeren, ook in het geval van de criminele getuige op overeenkomstige wijze de beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie normeren en beperken.
2.1.2.2.6.2.3 [slachtoffer 11], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10]
Wat betreft de beslissingen om [Peter La S.] niet separaat te vervolgen voor de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 11], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] acht het hof de toelichting die is gegeven door de advocaat-generaal bij repliek toereikend in het licht van de hiervoor gegeven beoordelingsmaatstaf. Onder verwijzing naar de toelichting van de officier van justitie heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat ten aanzien van [slachtoffer 11] alleen de eigen verklaring van [Peter La S.] belastend was. Bij [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] zou het stadium van strafbare voorbereidingshandelingen niet zijn bereikt.
Voorts is meegedeeld dat het Openbaar Ministerie [Peter La S.] wel als strafbare deelnemer aan een criminele organisatie heeft beschouwd. Echter, zowel de strafbare als de niet strafbare doch wel laakbare handelingen waren al verdisconteerd in de basisstrafeis waardoor aparte
vervolging vanwege deelneming aan een criminele organisatie van weinig toegevoegde waarde werd geoordeeld. Ook deze beslissing kan de uit te voeren marginale toetsing doorstaan.
Het hof merkt voorts op dat waar het de voorgenomen moord op [slachtoffer 11] betreft zelfs met zoveel woorden aan [Peter La S.] kenbaar is gemaakt dat er op grond van een zelfstandige afweging geen vervolging zal plaatsvinden wegens gebrek aan bewijs. Dit blijkt uit het verslag van het gesprek dat officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] hebben gehad op 22 november 2006. Tijdens dat gesprek, waarvan delen verbatim zijn uitgewerkt, heeft mr. [officier van justitie 2] meegedeeld dat [Peter La S.] niet zal worden vervolgd wegens “gewoon onvoldoende bewijs” en dat vervolging daarom niet mogelijk is “ook al zouden we dat willen”. Mr. [officier van justitie 2] laat in dat verband de term “immuniteitsverbod” ook vallen.[_a1f5ce45-f8d3-4ef8-999b-e3c540c2f8d7] Hierin is een sterke aanwijzing gelegen dat de officier van justitie bij het aangaan van de afspraak dit wettelijke uitgangspunt heeft gehanteerd, ook buiten de beoordeling van de zaak- [slachtoffer 11].
2.1.2.2.6.2.4 [Peter La S.] en de aanslag op [slachtoffer 15]
Het hof stelt voorop, dat op het moment van het maken van de verklaringsafspraak de verbinding tussen [Peter La S.] en dit feit door de officier van justitie in het geheel nog niet kon worden gelegd, met gevolg dat dit feit reeds om die reden geen onderwerp van bespreking of aanspraak kon zijn. Daarbij komt het volgende.
In de loop van de tijd die op de aanslag (gepleegd in 2000) is gevolgd zijn door meer personen inhoudelijk wisselende verklaringen afgelegd. In essentie is het door verscheidene personen vertelde verhaal dat [Peter La S.] degene is geweest die anderen ertoe heeft gebracht om op [slachtoffer 15] een aanslag te plegen. De ontwikkeling van die verklaringen over opdrachtgever(s) levert als het resultaat van onderzoek niet meer dan – in de woorden van de officier van justitie – een brij van onduidelijkheden op.[_68f5cd84-ae49-4966-932c-5d8593b31e75] Die uiteenzetting volgend en de duiding ervan begrijpend kan worden geoordeeld dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie in redelijkheid van het instellen van vervolging heeft kunnen afzien.
2.1.2.2.6.2.5 [Peter La S.] en de gewelddadige dood van G. [slachtoffer 13]
Met betrekking tot de door de verdediging veronderstelde strafbare betrokkenheid van [Peter La S.] bij de gewelddadige dood van G. [slachtoffer 13] overweegt het hof het volgende.
Uit de schriftelijke verklaringsafspraak (paragraaf 1.5) van 20 februari 2007 met [Peter La S.] volgt, dat hij voor zijn rekening neemt dat de inhoud van zijn eerder afgelegde verklaringen, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal die als bijlagen zijn gevoegd, volledig op waarheid berust. In het proces-verbaal van 31 oktober 2006 heeft [Peter La S.] als getuige verklaard over o.m. hetgeen hij heeft meegemaakt en ondervonden met betrekking tot gedragingen van o.a. Jesse [Jesse R.] in relatie tot de dood van die [slachtoffer 13]. De onderbouwing van dit onderdeel van het verweer houdt niet in dat ook ten tijde van de totstandkoming van de verklaringsafspraak er voor het Openbaar Ministerie aanknopingspunten bestonden voor het richten van het vervolgingsvizier op [Peter La S.]. Dit onderdeel van het verweer houdt wel het verwijt aan de officier van justitie in dat hij tegen beter weten in is blijven afzien van strafvervolging tegen [Peter La S.] terwijl feiten en omstandigheden aan het licht waren gekomen die (in weerwil van de verklaringen van [Peter La S.]) wezen op diens strafbare betrokkenheid bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 13].
Het hof begrijpt dit onderdeel van het verweer aldus dat het Openbaar Ministerie onwaarachtig is blijven vasthouden aan de afspraak met [Peter La S.] terwijl de ontbinding daarvan (paragraaf 3.1) in de rede lag. Zodoende is het Openbaar Ministerie [Peter La S.] ten onrechte blijven begunstigen.
Het hof stelt voorop, dat in het licht van de gegeven toelichting de verdediging er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat het hof de vraag beantwoordt of er voor de officier van justitie termen aanwezig (kunnen) zijn voor het ontbinden dan wel niet of onvolledig nakomen van de met [Peter La S.] gemaakte verklaringsafspraak. Voor zover met het verweer is beoogd dat het hof zich hierover zal uitlaten, leent dit onderdeel ervan zich niet voor bespreking.
Het hof overweegt ten overvloede dat het Openbaar Ministerie in een overweging in het vonnis waarvan beroep aanleiding heeft gezien voor het instellen van een review-onderzoek in het dossier [slachtoffer 13]. De resultaten daarvan zijn toegevoegd aan het strafdossier in de vorm van het onderzoeksdossier Dalhart. Het Openbaar Ministerie heeft bij monde van de advocaat-generaal als standpunt kenbaar gemaakt dat ook de resultaten van dat review-onderzoek geen feiten en omstandigheden hebben blootgelegd die de vervolging van [Peter La S.] kunnen rechtvaardigen, onder (herhaalde) mededeling dat als op enig moment mocht blijken van leugens van [Peter La S.] hij alsnog die vervolging tegemoet kan zien.
Het hof verwerpt dit onderdeel van het verweer zodat dit niet kan bijdragen aan de bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie die, zo begrijpt het hof, het resultaat dient te zijn van alle door de raadsman gesignaleerde (vorm)verzuimen.
Het hof acht immers geen grond aanwezig voor het oordeel dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie niet tot het door de advocaat-generaal gehuldigde standpunt had kunnen komen. Daarbij kent het hof gewicht toe aan hetgeen door de advocaat-generaal ter toelichting in het bijzonder is aangeduid. Dit houdt het volgende in. Waar het gaat om de kerngetuige [Opa-getuige-2] is gebleken van wezenlijke discrepanties in zijn verklaringen. Volgens zijn mededeling aan [slachtoffer 15] en Korterink blijkt niet van betrokkenheid van [Peter La S.], wel van [Jesse R.] en Ebeli, terwijl hij als getuige ter terechtzitting van de rechtbank spreekt over betrokkenheid van [Peter La S.] en Ebeli, en vermoedelijk ook van [Jesse R.]. Voorts heeft de advocaat-generaal beredeneerd betoogd dat de wordingsgeschiedenis van de verklaring van de getuige F3 voor de betrouwbaarheid van die verklaring vragen oproept die niet bevredigend zijn beantwoord. Naar aanleiding van de verklaringen van de getuige [getuige 6] is op grond van de inconsistenties daarvan aanzienlijke twijfel over de betrouwbaarheid gerezen.
Het gevoerde verweer kan niettemin betekenis hebben in de sleutel van de waardering van de betrouwbaarheid van door [Peter La S.] als getuige afgelegde verklaringen. Dit onderwerp wordt op een andere plaats in dit arrest besproken.
2.1.2.2.6.2.6 Het afzien van voordeelsontneming in relatie tot de verklaringsafspraak
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.
Op grond van de Aanwijzing mag het openbaar ministerie in ruil voor verklaringen aan een potentiële criminele getuige toezeggen een vordering tot ontneming tot ten hoogste de helft van het wederrechtelijk verkregen bedrag achterwege te laten. Deze toezegging kan de vorm aannemen van een schikking ex artikel 511 Sv. Een dergelijke toezegging komt aan de orde op het moment dat het openbaar ministerie normaal gesproken, dus als er geen overeenkomst tot het afleggen van verklaringen was, tot ontneming van het volledige bedrag zou overgaan.
Dit wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie ten aanzien van de getuige met wie het een overeenkomst zou willen sluiten, altijd gehouden is om ten minste de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel te vorderen. Voor zover het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.
Blijkens de considerans bij de OM-deal heeft het openbaar ministerie besloten in de zaak Houtman om redenen van opportuniteit geen ontnemingsmaatregel te vorderen aangezien [Peter La S.] ten tijde van het sluiten van de deal geen verhaal bood, er naar verwachting financiële maatregelen in het kader van getuigenbescherming zouden worden genomen en [Peter La S.] bij de overeenkomst afstand deed van enige beloning als bedoeld in de RBO. Tevens werd bepaald dat op die beslissing zou kunnen worden teruggekomen als na het sluiten van de overeenkomst zou blijken dat er substantiële verhaalsmogelijkheden waren.
De rechtbank slaat geen acht op de stelling van het openbaar ministerie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.000 kan worden weggestreept tegen tip- en toondergeld, nu onvoldoende is komen vast te staan dat [Peter La S.] hierop zonder overeenkomst ex art. 226g Sv daadwerkelijk recht zou hebben gehad. Evenwel heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [Peter La S.] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij is van belang dat [Peter La S.] na ommekomst van een langdurige vrijheidsstraf door middel van getuigenbeschermingsmaatregelen vanaf de grond een zelfstandig bestaan zou moeten gaan opbouwen, waardoor een ontnemingsmaatregel in feite een vestzak-broekzak-kwestie zou worden. Bovendien is een voorbehoud gemaakt voor het geval alsnog verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan.
Nu voorts niet is gebleken dat het openbaar ministerie met [Peter La S.] heeft onderhandeld over het al dan niet achterwege laten van een ontnemingsvordering, is er geen sprake van een toezegging in ruil voor af te leggen verklaringen. De stelling dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzing mist dan ook feitelijke grondslag.
Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging van de rechtbank en neemt deze over. Het hof bezigt dezelfde overwegingen waar het gaat om de beoordeling van het verweer dat het afzien van voordeelsontneming onder de criminele getuige [Fred R.] in strijd is met de (bedoeling van de) Wet toezeggingen aan getuigen. Het hof voegt daaraan nog toe dat de officier van justitie de in artikel 311, eerste lid, derde volzin, Sv bedoelde mededeling niet heeft gedaan, hetgeen de drempel voor indiening van een ontvankelijke ontnemingsvordering vrijwel onneembaar heeft gemaakt. Daarnaast overweegt het hof dat de in de schriftelijke afspraak (blz. 6, laatste gedachtestreep) weergegeven feiten en omstandigheden in redelijkheid tot de beslissing tot afzien van een ontnemingsvordering hebben kunnen leiden. De beslissingen van de officier van justitie om tegen [Peter La S.] noch tegen [Fred R.] een vordering tot voordeelsontneming te doen zijn derhalve niet in strijd met de door de verdediging aangehaalde regels, die voortvloeien uit het beloningsverbod, genomen.
2.1.2.2.6.2.7 De hoogte van de basis-strafeis in relatie tot de omvang van de toezegde vordering tot vermindering
De verdediging heeft in hoger beroep andermaal betoogd dat de strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten hoger had kunnen zijn, te meer nu hij voor een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet voor zijn betrokkenheid daarbij is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken ( [betrokkene 2], [betrokkene 3], [Ali A.], [Dino S.], [Fred R.] en [Jesse R.]) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter La S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden.
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.
De basisstrafeis
Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft welke de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.
De verdediging stelt dat de tegen [Peter La S.] geformuleerde basisstrafeis van 16 jaren verhoudingsgewijs zo laag is dat kennelijk sprake is van een verkapte toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.
Bij de vaststelling van de basisstrafeis heeft het openbaar ministerie in de eerste plaats de ernst van de feiten ingewogen. Het openbaar ministerie betrok daarbij dat voor de aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten, die alle dateren van voor 1 februari 2006, als tijdelijke vrijheidsstraf ten hoogste een gevangenisstraf van 20 jaren zou kunnen worden opgelegd. Daarnaast is ingewogen dat er, voordat [Peter La S.] ging verklaren, geen enkele reden was om hem in verband te brengen met de feiten waarover hij verklaarde, en dat hij uit het criminele milieu wilde stappen.
De verdediging heeft gesteld dat de hoedanigheid van zelfmelder al is verwerkt in de halvering van de strafeis en niet ook nog mag meetellen bij de vaststelling van de basisstrafeis. De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen. De regel dat de strafeis voor een kroongetuige met ten hoogste de helft mag worden verminderd heeft ook betrekking op de verdachte die, nadat hij is aangehouden, probeert zijn procespositie te verbeteren door een overeenkomst te sluiten tot het afleggen van verklaringen tegen andere personen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom in het voordeel van een kroongetuige die nog geen verdachte was, niet zou mogen meewegen dat hij zichzelf heeft gemeld. Dit is immers een omstandigheid die bij de bepaling van de strafeis jegens andere verdachten ook pleegt te worden meegewogen. Dat [Peter La S.] mogelijk ook is gaan verklaren uit angst dat hij op enig moment toch verdacht zou worden van betrokkenheid bij de moord op Van der Bijl maakt niet dat het openbaar ministerie aan het feit dat [Peter La S.] zichzelf heeft gemeld terwijl hij nog geen verdachte was, geen betekenis had mogen hechten.
De verdediging heeft voorts vraagtekens geplaatst bij de ernst van de wens van [Peter La S.] om het criminele milieu te verlaten. De rechtbank zal dit punt in het midden laten, nu er in ieder geval geen aanleiding is om te veronderstellen dat het openbaar ministerie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zoveel twijfels moest hebben bij deze wens dat deze voor de basisstrafeis geen wegingsfactor had mogen zijn.
De rechtbank slaat ten slotte geen acht op de stellingen van partijen omtrent de invloed van gedragingen die wel verwerpelijk zijn maar waarvoor [Peter La S.] niet wordt vervolgd op de basisstrafeis. De rechtbank kan de rechtmatigheid van die eis immers slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [Peter La S.] ten laste zijn gelegd.
Alles overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van zestien jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen.
Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging en conclusie van de rechtbank en neemt deze over. Het hof verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de hoogte van de basis-strafeis niet kan worden geduid als een toezegging van de officier van justitie.
2.1.2.2.6.2.8 De “ [Willem H.] -weglatingen” als onrechtmatige toezegging van het Openbaar Ministerie aan de kroongetuige [Peter La S.]
Tijdens de gedingfase in eerste aanleg (2011) is gebleken dat door [Peter La S.] in zijn kluisverklaringen ook is verklaard over hetgeen door hem is waargenomen en ondervonden met betrekking tot betrokkenheid van W.F. [Willem H.] bij strafbare feiten. [Peter La S.] heeft naar zijn zeggen om redenen van vrees voor bedreiging door [Willem H.] aan de officier van justitie gevraagd de onderdelen van zijn bij de politie afgelegde verklaringen die betrekking hebben op die [Willem H.] niet in de van zijn verklaringen opgemaakte processen-verbaal op te nemen. Het Openbaar Ministerie heeft met dat verzoek ingestemd en de verklaringen in even bedoelde zin “geschoond” gevoegd bij de afspraak die aan de rechter-commissaris ter rechtmatigheidstoetsing is voorgelegd. In het vervolg vanaf het beschikbaar komen van die processen-verbaal in 2007 heeft het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris, de rechtbank en de verdachten in wier zaken (de processen-verbaal, houdende de kluisverklaringen van) [Peter La S.] als getuige is ingezet onwetend gehouden van deze, wat is gaan heten, weglatingsafspraak. Het onrechtmatige karakter van deze toezegging en de schade voor de waarheidsvinding, toegebracht door deze afspraak en de lange duur van het onbekend blijven daarvan, en de aldus door het Openbaar Ministerie bij [Peter La S.] gewekte verwachtingen dat hij als getuige met de waarheid een loopje mocht nemen, dienen als onderdeel van onrechtmatig gedane toezeggingen bij te dragen aan de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Aldus de verdediging.
Het verweer valt uiteen in enkele onderdelen. Het eerste houdt in dat het beloningsverbod is overtreden. De verklaringsbereidheid van de getuige is beïnvloed door de toezegging dat hij niet hoefde te verklaren over [Willem H.].
Het tweede onderdeel bevat de klacht dat door de weglatingsafspraak belangrijke delen van de verklaringen van de getuige lange tijd buiten de processtukken zijn gehouden.
Een afzonderlijke, daarmee samenhangende, derde deelklacht luidt dat de getuige gedurende zeer lange tijd verklaringen is blijven afleggen op basis van deze weglatingsafspraak waardoor hij niet steeds naar waarheid althans onvolledig op vragen heeft geantwoord.
Tot slot wordt geklaagd dat de weglatingsafspraak tot gevolg heeft gehad dat de verklaringen van de getuige mogelijk zijn beïnvloed doordat alternatieve herinneringen zich hebben vastgezet in zijn geheugen.
De gestelde overtreding van het beloningsverbod is een zelfstandig vormverzuim. Daarnaast houden alle in de vier onderdelen bedoelde punten in dat er onherstelbare schade is toegebracht aan de waarheidsvinding.
Het verweer wordt voor een deel opgevat als een verweer als bedoeld in artikel 359a Sv. Een ander deel, in het bijzonder het derde, heeft direct betrekking op het recht op een eerlijk proces. De onderdelen worden hierna in hun samenhang besproken.
De CIE-officier van justitie die met [Peter La S.] heeft onderhandeld over de afspraak heeft er mee ingestemd dat deze zijn wetenschap over de rol van [Willem H.] buiten de van zijn af te leggen verklaringen op te maken processen-verbaal zou houden.[_ff02105c-8253-4809-9487-e76992236886] De tussen mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] bestaande overeenstemming hierover is niet opgenomen in de afspraak op de voet van artikel 226g Sv. Het ging dus om een “geheime afspraak” die niet kenbaar was, niet voor de officier van justitie die ter terechtzitting het Openbaar Ministerie vertegenwoordigde, noch voor de verdachte en de verdediging. En ook niet voor de rechter. De advocaat-generaal en de verdediging zijn het erover eens dat het hier om een vormverzuim gaat. De vraag of het herstelbaar is houdt hen echter verdeeld.
Allereerst is aan de orde de vraag of het hier is gegaan om een beloning voor de bereidheid tot verklaren. Indien dat het geval is, heeft die beloning van meet af aan bestaan. Als dan bovendien causaal verband tussen de veronderstelde beloning en verklaringsbereidheid wordt aangenomen, kan redelijkerwijs van herstelbaarheid geen sprake meer zijn. De vraag is echter of het hier gaat om een toezegging waarop het verbod om te belonen betrekking heeft.
De basis van de kroongetuigenregeling is dat overheid en verdachte afspreken elk een prestatie te leveren. De afspraak die tot stand komt heeft aldus een “do ut des”-karakter. Tegenover de door de overheid toegezegde prestatie staat de bereidheid van de kroongetuige om met het prijsgeven van zijn verschoningsrecht verklaringen over nader bepaalde personen en delicten af te leggen. Die prestatie van de overheid bestaat in een aangepaste strafeis, die lager zal liggen dan in het geval er geen medewerking van de getuige is. Met de toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen is ontegenzeggelijk een context geschapen waarbinnen de bereidheid van [Peter La S.] tot zijn voortgaan op het pad van het afleggen van zijn verklaringen, in positieve zin werd beïnvloed. Deze is evenwel niet ontstaan doordat de overheid hier een prestatie tegenover heeft geplaatst. Dit kan ook blijken uit de wijze waarop die context permanent door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] is bewaakt. Hij heeft de verhoren van de getuige voortdurend “gemonitord”. Het doel hiervan was om te volgen of de getuige niet toch over [Willem H.] zou gaan verklaren waarvoor, wat mr. [officier van justitie 2] betreft, geen enkele belemmering bestond. [_2efe40e3-182c-4984-bbdc-54a1fbf32a00]
In dit licht bezien kan de gegeven toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk als een vorm van beloning worden aangemerkt. Reeds daarom mist dit onderdeel van het verweer doel.
Het staat vast dat delen van de kluisverklaringen van [Peter La S.], afgelegd in de periode van 11 september tot en met 2 november 2006, niet bij de processtukken zijn gevoegd. Dat er delen waren weggelaten is wel van meet aan bekend geweest. Maar over het feit dat het hier deels om belastende mededelingen over [Willem H.] ging en over de omstandigheid dat angst van [Peter La S.] voor [Willem H.] aan de verhulling ten grondslag lag, waren procespartijen en rechter onwetend gehouden. Deze situatie heeft voortgeduurd tot oktober 2011. Deze gang van zaken houdt in dat er van inhoudelijke onderdelen van de afgelegde verklaringen niet ten spoedigste proces-verbaal is opgemaakt. Voor zover dit wel is geschied (bijvoorbeeld het proces-verbaal van 7 november 2006 over op 2 november 2006 door [Peter La S.] gemaakte opmerkingen) zijn deze stukken aan de verdachte onthouden.
Daarmee zijn kernvoorschriften van strafvordering, die mede strekken tot het waarborgen van het recht op een eerlijk proces, te weten artikel 152 Sv en artikel 33 Sv, zoals dat luidde ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding, in zeer aanzienlijke mate geschonden.
Na de totstandkoming van de afspraak tussen [Peter La S.] en de Staat zijn de gebeurtenissen als volgt geweest. Op 3 oktober 2011 heeft [Peter La S.], ter terechtzitting van de rechtbank als getuige gehoord, het bestaan van de [Willem H.] -weglatingen onthuld. Dit is in een proces-verbaal van 10 oktober 2011 door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] bevestigd. Vervolgens zijn deze [Willem H.] -weglatingen, gespreid over enkele tranches, aan het dossier toegevoegd. Daaraan zijn toegevoegd enkele processen-verbaal van de CIE-officier van justitie en het hiervoor genoemde proces-verbaal van 7 november 2006 van enkele CIE-ambtenaren. In deze documenten is de gang van zaken rondom de totstandkoming van de weglatingen gerelateerd en verantwoord.
Op deze wijze heeft volledig herstel plaatsgehad in die zin dat al hetgeen [Peter La S.] heeft gezegd over [Willem H.] in de verhoren die hebben geleid tot de vijftien kluisverklaringen in het procesdossier is ingebracht.
Dat ligt anders voor de verklaringen die [Peter La S.] vanaf 15 maart 2007 heeft afgelegd. De weglatingsafspraak heeft erin geresulteerd dat [Peter La S.] onvolledig is geweest in de beantwoording van vragen die hem op en na die datum zijn gesteld tijdens verhoren door politieambtenaren en door en ten overstaan van rechter-commissaris en zittingsrechter. Hij heeft voortgezet verklaard in lijn met de niet-kenbare weglatingsafspraak. Daarom is deze gang van zaken naar zijn aard onherstelbaar.
Nu hieraan de instemming van het Openbaar Ministerie ten grondslag heeft gelegen, leent dit zich in elk geval voor de constatering dat op de kwaliteit en de volledigheid van de waarheidsvinding een inbreuk is gemaakt, waardoor het Openbaar Ministerie is tekort geschoten in zijn bijdrage aan de eerlijkheid van het proces, zoals dat is gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Indien en voor zover de politieverhoren van [Peter La S.] als parallel opsporingsonderzoek worden aangemerkt, is op diezelfde grond tevens sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. In elk geval is de ongeschreven rechtsregel dat het opsporingsonderzoek in alle opzichten aan eisen van integriteit dient te voldoen, niet volledig nageleefd. Deze verzuimen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
[Peter La S.] heeft in de periode 15 maart 2007 tot 3 oktober 2011 informatie over [Willem H.] buiten zijn verklaringen gehouden. Bij vragen waar een vollediger beeld zou zijn ontstaan als [Willem H.] wel in het antwoord zou zijn betrokken, is deze toch niet door hem genoemd. Bij de bespreking van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] zal hierop uitgebreider worden ingegaan. Het kernpunt waar het hier in het bijzonder om gaat is dat [Peter La S.] een drietal personen heeft genoemd die allen een rol zouden hebben gehad in de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit zijn [Ali A.], [Willem H.] en [Dino S.]. Sprekend over diverse moorden heeft [Peter La S.] er melding van gemaakt dat zij alle drie een rol van betekenis hebben gespeeld.
Met betrekking tot het ontstane nadeel voor de verdachte overweegt het hof nader als volgt.
[Peter La S.] heeft vanaf 3 oktober 2011 zijn voorbehoud ten aanzien van [Willem H.] laten vallen. Sindsdien heeft hij over diens rol naar eigen zeggen niet langer gemankeerde antwoorden op vragen gegeven. [Peter La S.] is ter terechtzitting van de rechtbank diverse malen bevraagd over de rol van [Willem H.] bij de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit is aanvankelijk gebeurd zonder dat de weggelaten passages van de kluisverklaringen beschikbaar waren, direct volgend op de onthulling van de weglatingsafspraak. Nadat de weglatingen in de processen-verbaal van verhoor waren teruggeplaatst is hij daarover nog meermalen gehoord. Bovendien is als gevolg van de onthulling door de rechtbank bepaald dat de eerste twee kluisverklaringen, die tot dan toe als oriënterend en vertrouwelijk van karakter waren beschouwd, woordelijk dienden te worden uitgewerkt en aan de processtukken moesten worden toegevoegd. Ook zijn in opdracht van de rechtbank de relevante onderdelen van het gesprek tussen officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] van 22 november 2006 in woordelijk uitgewerkte vorm aan de processtukken toegevoegd. Hiermee is hetgeen [Peter La S.] in het prille begin aan de CIE had toevertrouwd vollediger dan tot dan toe het geval was ter kennis gekomen van procespartijen en van de rechter. De betrokken CIE-officier van justitie en de CIE-medewerkers die met [Peter La S.] in de beginperiode hadden gesproken (de zogeheten Z-verbalisanten) zijn ter terechtzitting van de rechtbank of door de rechter-commissaris gehoord.
In hoger beroep zijn op last van het hof de processtukken nader aangevuld. De journaals van de CIE over de contacten met [Peter La S.] vanaf 10 augustus 2006 en processen-verbaal met daarin de woordelijke uitwerking van opnames van gesprekken met [Peter La S.] in de oriënterende fase, voor zover nog niet ingebracht, zijn aan het dossier toegevoegd. Alleen enkele onderdelen die in verband met veiligheidsbelangen vertrouwelijk dienden te blijven zijn na een toets door de rechter-commissaris buiten de toegevoegde stukken gebleven. [Peter La S.], CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en de verbalisant Z-038 van de CIE zijn in de appelfase bovendien opnieuw als getuigen gehoord.
Het hof stelt voorts vast dat de politieambtenaren die belast waren met het opsporingsonderzoek in de zaak van de verdachte geen van allen kennis droegen van de weglatingsafspraak. Hetzelfde geldt voor de officieren van justitie die aan dit onderzoek leiding hebben gegeven en het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van de rechtbank hebben vertegenwoordigd. Dit betekent dat noch in het opsporingsonderzoek noch bij de ondervraging van getuigen en van de verdachte ten overstaan van de rechter de weglatingsafspraak strategisch is ingezet door het Openbaar Ministerie.
Deze omstandigheden brengen geen verandering in de hiervoor geconstateerde gebreken maar relativeren wel de mate waarin deze aan het Openbaar Ministerie kunnen worden verweten.
Al het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat er sprake is van een vormverzuim dat niet kon worden gerepareerd maar dat wel toereikend is gecompenseerd. Als gevolg van het in eerste en tweede aanleg uitgevoerde aanvullende onderzoek is in ruime mate compensatie geboden voor het nadeel dat voor de verdachte is ontstaan. Daarom kan worden volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden en hoeft hieraan naar het oordeel van het hof geen rechtsgevolg te worden verbonden.
Hiermee resteert de vraag of [Peter La S.] niet alleen onvolledig maar daarnaast ook niet naar waarheid heeft verklaard. Het hof heeft het verweer bij de weergave van de onderdelen ervan zo opgevat dat dit twee aspecten heeft. [Peter La S.] zou in zijn pogingen om niet over [Willem H.] te spreken onjuiste antwoorden kunnen hebben gegeven, onder meer over andere betrokken personen. Daarnaast zouden zijn telkens gegeven onjuiste antwoorden hebben geleid tot blijvende verandering van zijn herinneringen hetgeen ook in niet met de werkelijkheid overeenkomende antwoorden kan hebben geresulteerd.
Het hof merkt op dat deze vragen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.]. Deze zullen in een hiernavolgend onderdeel van dit arrest worden besproken.
De tweede rubriek: de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding
De raadsman heeft verwezen naar een samenstel van in eerste aanleg gevoerde verweren. Deze betreffen in de woorden van de raadsman “de wijze waarop het Openbaar Ministerie in dit onderzoek Passage en in de zaak van de verdachte heeft geacteerd”. Het gaat blijkens de gegeven toelichting niet om de afzonderlijke vormverzuimen of de in een specifiek geval vastgestelde wijze van opereren van het Openbaar Ministerie, “maar om het beeld dat daar als geheel opstijgt”. Al deze verweren hebben als kenmerk dat geklaagd wordt over niet-magistratelijk optreden van de vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie.
Deze verweren zijn door de raadsman aangevuld met verweren die betrekking hebben op de gang van zaken in hoger beroep. Zij luiden samengevat als volgt.
- Het Openbaar Ministerie is op grond van de bij zijn handelen te betrachten magistratelijkheid gehouden om aan gewijzigde inzichten metterdaad vorm en inhoud te geven. Echter, de totale draai die door het Openbaar Ministerie in hoger beroep is gemaakt op het punt van de inhoudelijke waardering van door [Fred R.] als getuige afgelegde verklaringen kan niet anders worden verklaard dan dat het Openbaar Ministerie die [Fred R.] tegen beter weten thans wél wenst te geloven, louter omdat dat in de bewijskraam van de zaken waarin [Fred R.] als kroongetuige is ingezet goed van pas komt. Deze wijze van opereren dient te worden betrokken bij de toetsing van de behoorlijkheid van het proces, in het bijzonder de beginselen van een redelijke en billijke belangenafweging en de zuiverheid van oogmerk.
- Het Openbaar Ministerie heeft zonder redelijke grond ten aanzien van de in de zaak figurerende anonieme bedreigde getuigen a charge (getuige Q5) en a decharge (de F-getuigen) met twee maten gemeten, in het algemeen met het aan de dag leggen van een kritische blik en in het bijzonder waar het gaat om de behartiging van de belangen die met die anonimiteit worden nagestreefd.
- En waar door één van die F-getuigen en door de getuige [slachtoffer 15] voor de kroongetuige [Peter La S.] belastend en daardoor voor het Openbaar Ministerie onwelgevallig is verklaard heeft het Openbaar Ministerie in plaats van het vizier open te houden door (pro)actief aan waarheidsvinding bij te dragen stilgezeten, weggekeken of zelfs waarheidsvinding bemoeilijkt. Dit alles kennelijk met het oog op het overeind houden van die kroongetuige.
- Deze niet-magistratelijke houding van het Openbaar Ministerie is eveneens gebleken bij de gang van zaken met betrekking tot de getuige [getuige 1]. Kennelijk gedreven door de wens de bewijsvoering in de verschillende zaken rond te krijgen is deze getuige gestimuleerd om belastende verklaringen af te leggen, en is daarmee zijn belang om in aanmerking te komen voor getuigenbeschermingsmaatregelen in zekere zin gecreëerd. Op die manier is er tevens een belang voor [getuige 1] gecreëerd om voor de verdachte belastend te (blijven) verklaren, opdat hij kon blijven profiteren van die maatregelen. Vervolgens is ook nog eens zonder grond voorbij gegaan aan de verplichting om zijn verhoren op te nemen en op een gegevensdrager vast te leggen. Dit nalaten levert niet alleen op zichzelf beschouwd een onherstelbaar vormverzuim op, maar illustreert bovendien de hierboven bedoelde houding van het Openbaar Ministerie.
- Klachten van dezelfde aard en strekking heeft de raadsman geuit over de gang van zaken rondom de getuige [getuige 32] ten aanzien van wie eveneens beschermingsmaatregelen zijn getroffen.
Telkens is het standpunt van de verdediging dat het Openbaar Ministerie onvoldoende afstand heeft genomen van de wens om de bewijsvoering rond te krijgen. Het heeft niet de vereiste kritische benadering gehad die verwacht mag worden en bovendien het gedrag van getuigen beïnvloed. Dit dient te worden beoordeeld in de context van de beginselen van een behoorlijk proces, in het bijzonder de redelijke en billijke belangenafweging en de zuiverheid van oogmerk.
Het hof begrijpt uit de toelichting dat de raadsman deze beschouwingen deels heeft gegeven ter aanvulling op dan wel ter nadere onderbouwing van zijn standpunten over concrete door hem aangeduide vormverzuimen. In zoverre heeft het hof de eerlijkheid van het proces betrokken bij de beoordeling van verweren over die gestelde vormverzuimen, in overeenstemming met de daarbij aan te leggen maatstaven.
Voor zover met dit samenstel van verweren is beoogd te betogen dat de genoemde feiten en omstandigheden eraan hebben bijgedragen dat het proces als geheel oneerlijk is geweest, kan het hof niet meegaan in de gedachtegang van de raadsman. Daartoe verwijst het hof allereerst naar het oordeel dat het telkens bij de bespreking van verweren over gestelde vormverzuimen heeft gegeven en nog zal geven. Deze verweren worden of zullen worden verworpen, in elk geval waar het om enige vorm van verzochte sanctionering van verzuimen gaat.
Voor het overige geldt dat de verdediging elk standpunt van het Openbaar Ministerie ten overstaan van de rechter heeft kunnen betwisten. Reeds daarom valt niet in te zien dat de verweren, die overigens een zeer hoog niveau van algemeenheid hebben, doel kunnen treffen.
De derde rubriek: de deplorabele detentieomstandigheden van [Jesse R.] in Marokko en het aldaar verstoken zijn en blijven van toegang tot een Nederlandse raadsman
2.1.4.1 Wat is aangevoerd
In deze rubriek heeft de raadsman van [Jesse R.] samengevat het volgende aangevoerd.
- Hetgeen in het bijzonder tijdens de gedingfase in hoger beroep is komen vast te staan wettigt de vaststelling dat de wijze van tenuitvoerlegging van de detentie van [Jesse R.] in Marokko deplorabel is geweest. Zo heeft hij gedurende 10 maanden van zijn aldaar ondergane detentie in isolatie verbleven en is hij verstoken gebleven van de mogelijkheid tot contact met familieleden, terwijl hij overigens met anderen niet of nauwelijks heeft kunnen spreken. Bovendien is hij afgesneden geweest van de ondersteuning en voedselvoorziening die in het Marokkaanse gevangenissysteem noodzakelijk is voor de vervulling van de eerste dagelijkse behoeften. Dit alles is gebeurd met wetenschap en onder verantwoordelijkheid van de Staat der Nederlanden. In het licht van de extraterritoriale werking die in de jurisprudentie van het EHRM aan de bescherming van de in artikel 3 EHRM beschermde belangen wordt gegeven komt aan [Jesse R.] een beroep op schending van die bepaling toe.
- [Jesse R.] is tijdens zijn detentie in Marokko als verdachte gehoord, terwijl zowel voor de met het verhoor belaste ambtenaren van politie als voor het Openbaar Ministerie duidelijk was dat [Jesse R.] was verstoken van ieder contact met zijn (Nederlandse) raadsman, terwijl hij dat contact wél wenste te hebben. Het Openbaar Ministerie was verantwoordelijk voor het waarborgen van de rechten van [Jesse R.]. Deze gang van zaken levert een schending op van artikel 6 EVRM (en dient in elk geval te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de processen-verbaal waarin zijn met die schending verkregen verklaringen zijn vervat).
2.1.4.2 Beoordeling door het hof
Het hof zal eerst het toepasselijke wettelijke kader schetsen, vervolgens de relevante feiten in kaart brengen en ten slotte overwegingen en een beslissing geven.
2.1.4.2.1 Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat een uitleveringsverzoek niet tot het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv kan worden gerekend. Niettemin kan de strafrechter onder omstandigheden ook buiten het kader van art. 359a Sv. consequenties verbinden aan de vaststelling van een schending van een fundamenteel recht zoals art. 3 of 6 EVRM.[_f33b0932-e60b-48a4-a19d-9eb8e5fdef6f]
Een verhoor afgenomen door politieambtenaren dat plaatsvindt tijdens uitleveringsdetentie behoort, indien dat verhoor plaatsvindt in het kader van het onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde feit, tot het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv.
Met betrekking tot het beroep op de in het EVRM gewaarborgde rechten geldt het volgende. Uit artikel 1 van het EVRM volgt dat een verdragspartij een ieder die ressorteert onder haar rechtsmacht de rechten en vrijheden die zijn vastgesteld in de Eerste Titel van het EVRM moet verzekeren. Niet ter discussie staat dat Nederland partij is bij het EVRM, maar Marokko is dat niet. De aanwezigheid van rechtsmacht is een noodzakelijke voorwaarde om aan een verdragspartij een gedraging of nalatigheid als zijnde een verdragsschending te kunnen toerekenen. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM volgt dat de genoemde rechtsmacht van partijen primair territoriaal van aard is. Dat betekent dat de verantwoordelijkheid van een verdragspartij is beperkt tot personen die zich op het grondgebied van die verdragspartij bevinden. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen gedragingen van een verdragspartij die zijn verricht c.q. hun effect hebben buiten haar grondgebied als extraterritoriale uitoefening van rechtsmacht worden aangemerkt. Zo’n uitzonderlijk geval kan zich onder meer voordoen als sprake is van zogenoemde ‘state agent authority and control”, te weten als de Staat (al dan niet door tussenkomst van consulair medewerkers) in een ander land een deel van de publieke taken uitvoert en bevoegdheden van dat land toepast of fysieke macht over een persoon uitoefent.[_13f38ee0-c5df-4488-905a-368c536f4420] Het aannemen van een dergelijke uitzonderlijke situatie vereist een bijzondere rechtvaardiging.[_1337ca4e-38c0-453c-bde2-1c70693fe16a] Het verdrag strekt er immers niet toe partijen te verplichten verdragsrechtelijke standaarden aan andere staten, die geen partij zijn bij het verdrag, op te leggen. Ten slotte komt, aldus het EHRM, gewicht toe aan het nuttig effect van uitlevering bij het beëindigen van situaties waarin verdachten van strafbare feiten hun berechting dreigen te ontlopen.[_a10a7848-436b-4112-88cc-c984832a653d]
Uit vaste jurisprudentie van het EHRM volgt dat de uitlevering van een persoon vanaf het grondgebied van een verdragspartij naar een ander land onder omstandigheden schending van artikel 2 of 3 kan opleveren.[_443b4599-2bfe-446e-98a4-114e91f43fda] Deze jurisprudentie ziet echter op een fundamenteel andere situatie, te weten die waarin een persoon zich binnen de rechtsmacht van een verdragspartij bevindt en door de uitlevering buiten die rechtsmacht terecht dreigt te komen. In de onderhavige zaak doet zich juist het spiegelbeeldige geval voor, zodat de in die rechtspraak ontwikkelde waarborgen niet zonder meer kunnen worden ingeroepen.
Uit de jurisprudentie van het EHRM kan niet worden afgeleid dat een verzoek van een verdragspartij aan een niet-verdragspartij, strekkende tot internationale rechtshulp zoals de uitlevering van een persoon, rechtsmacht van de verzoekende staat vestigt. De door de verdediging aangehaalde zaak Stojkovic[_b9bebe07-41c9-47ee-8f3b-a8ee33af279f] dwingt niet tot een andere conclusie, reeds omdat, anders dan in de onderhavige strafzaak, in die zaak zowel de verzoekende (Frankrijk) als de aangezochte staat (België) verdragspartij bij het EVRM was.
2.1.4.2.2 Feitelijke gang van zaken
Uit berichtenwisselingen tussen [Jesse R.] enerzijds en [Peter La S.] en [Peter R.] anderzijds blijkt dat [Jesse R.] in het najaar van 2006 wist dat [Peter La S.] op het punt stond hem belastende verklaringen af te leggen.[_c7010e8f-9ee8-45c2-94bc-dab10069ed7b] Met de rechtbank constateert het hof dat de getuige F3 heeft gezegd dat [Jesse R.] deze getuige heeft verteld dat hij in Marokko is ondergedoken om strafvervolging in Nederland te ontlopen.[_cddffee8-af69-40be-8987-c8bf5635b9ce] Dat zijn verhouding met politie en justitie een rol speelde bij de beslissing om naar Marokko af te reizen blijkt ook uit de verklaring van [Jesse R.] ter terechtzitting van het hof van 18 april 2016. Uit die verklaring volgt ook dat [Jesse R.] zich in Marokko bovendien bezig hield met de handel in verdovende middelen.[_92a8d0af-aaed-4363-b235-93171180ba02]
Op 18 januari 2007 is [Jesse R.] internationaal gesignaleerd in de politiesystemen en is zijn aanhouding door de officier van justitie bevolen. Op 12 februari 2007 is [Jesse R.] in Marokko aangehouden en in detentie genomen. Op 14 februari 2007 heeft de officier van justitie de Marokkaanse autoriteiten om de uitlevering van [Jesse R.] verzocht. Uit de stukken blijkt dat [Jesse R.] zich door het aanwenden van rechtsmiddelen heeft verzet tegen zijn uitlevering.
Uit de verklaring van [Jesse R.] volgt dat hij zich tijdens zijn detentie in Marokko in strijd met de interne regels van de gevangenis bediende van telefoons.[_63c61b1f-2450-45e6-9290-ca3e7c1d6834] In het voorjaar van 2007 is [Jesse R.] in de gevangenis in Marokko in een individuele cel geplaatst naar aanleiding van signalen dat hij bezig was binnen de gevangenis een machtsbasis te verwerven, interne en externe contacten had gelegd om een uitbraak/ontsnapping voor te bereiden en door bezoekers werd voorzien van mobiele telefoons. Het dossier bevat in dat verband een reeks processen-verbaal uit 2007 van de Utrechtse en Amsterdamse CIE met de strekking dat door en namens [Jesse R.] ontsnappingsplannen in de steigers werden gezet.[_b5771e24-ccab-4373-8538-ed526d0f844e] Onder meer betreft het een proces-verbaal van 13 september 2007 inhoudende de als betrouwbaar aangemerkte informatie dat de vader van [Jesse R.] koste wat het kost [Jesse R.] vrij wil krijgen, daartoe diverse personen heeft benaderd en grof geweld niet zal schuwen. Uit de diverse mutaties van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (de zogenoemde case note reports),[_1a41ddcf-1278-4e13-823a-b6fd97bad7f9] maakt het hof op dat door Nederland verstrekte informatie en met Nederland gevoerd overleg in elk geval mede ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van de Marokkaanse gevangenisdirectie om [Jesse R.] in afzondering te plaatsen. Overigens staat niet vast dat uitsluitend door Nederland verstrekte informatie hieraan ten grondslag heeft gelegen. Evenmin staat vast dat de door Nederland verstrekte informatie een doorslaggevende rol heeft gespeeld.
Uit de case note reports blijkt dat [Jesse R.] gedurende de uitleveringsdetentie regelmatig door een consulair medewerker is bezocht, bij welke gelegenheden hij zich een aantal keren (doch niet telkens en zeker niet telkens indringend) heeft beklaagd over het op hem toegepaste detentieregime, de voedselvoorziening en zijn toegang tot rechtskundige bijstand. Het hof constateert dat de consulair medewerker hierop activiteiten heeft ontplooid, door navraag te doen bij de gevangenisdirectie of de klachten van [Jesse R.] op waarheid berustten, door zich bereid te verklaren te bemiddelen bij het bestellen van boodschappen en door etenswaren mee te nemen. Het hof constateert voorts dat de klachten met betrekking tot de voedselvoorziening bij navraag door de gevangenisdirectie overigens zijn weersproken. Het hof constateert ten slotte dat de consulair medewerkers contacten hebben onderhouden met de Marokkaanse en de Nederlandse raadslieden van [Jesse R.] en hebben geadviseerd over de te volgen procedures.
Met betrekking tot het beroep op het geschonden consultatierecht stelt het hof vast dat [Jesse R.] op 3 augustus 2007 en 30 november 2007 door Nederlandse politiefunctionarissen als verdachte is verhoord. Niet kan worden vastgesteld dat, voorafgaand aan die verhoren, aan hem de gelegenheid tot consultatie van een Nederlandse raadsman is geboden, noch dat hij contact met een Nederlandse raadsman heeft gehad. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit is niet gebeurd.
Na een rechtsgang in Marokko is [Jesse R.] op 22 januari 2008 door de Marokkaanse autoriteiten aan Nederland uitgeleverd en is hij op de luchthaven Schiphol door de politie als verdachte aangehouden en overgebracht naar het politiebureau en aldaar ingesloten.
2.1.4.2.3 Beoordeling door het hof
Schending van art. 3 EVRM?
Het verzoek tot uitlevering komt als zodanig niet in strijd met art. 3 EVRM. Uit het voorgaande blijkt dat [Jesse R.] zich vrijwillig onder de rechtsmacht heeft geplaatst van een vreemde staat die de inachtneming van de in het EVRM voorziene rechten en vrijheden niet garandeert. [Jesse R.] wist dat [Peter La S.] met justitie sprak. Er zijn aanwijzingen dat [Jesse R.] zich naar Marokko heeft begeven in een poging strafvervolging in Nederland te ontlopen, terwijl hij zich aldaar bovendien heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Naar het oordeel van het hof heeft [Jesse R.] daarmee het risico op vrijheidsbeneming in de vorm van een langdurig verblijf in een Marokkaanse penitentiaire inrichting op de koop toe genomen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat art. 3 EVRM de verdragsstaten niet verbiedt de uitlevering te verzoeken van een persoon die zich op het grondgebied en binnen de rechtsmacht bevindt van een staat die geen partij is bij het EVRM en waar de detentieomstandigheden niet noodzakelijkerwijs voldoen aan de eisen die daaraan in Nederland mede op grond van art. 3 EVRM worden gesteld. Een dergelijke uitleg van het verdrag zou, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, immers tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat een persoon zich middels verblijf in een dergelijk land voor onbepaalde tijd van straffeloosheid kan verzekeren. Het hof neemt in aanmerking het belang dat met de uitlevering van [Jesse R.] was gediend, nu [Jesse R.] werd verdacht van een veelheid aan levensdelicten.
Het verweer strekt voorts ten betoge dat de door de Staat gespeelde rol impliceert dat sprake is geweest van extraterritoriale rechtsmacht. Echter ook in zoverre faalt het verweer. Gesteld noch gebleken is dat Nederlandse functionarissen in Marokko fysieke macht of controle over [Jesse R.] hebben uitgeoefend of dat beslissingen aangaande het detentieregiem van [Jesse R.] door Nederlandse functionarissen zijn genomen. Dat [Jesse R.] op basis van een uitleveringsverzoek en mede op grond van door Nederland gevoerd overleg en verstrekte informatie is onderworpen aan een bepaald detentieregime, is voor het aannemen van rechtsmacht ontoereikend. Van feiten of omstandigheden die nopen tot een ander oordeel, is niet gebleken. Niet valt in te zien waarom Nederland niet gerechtigd zou zijn om in het kader van een lopende uitleveringsprocedure informatie te verstrekken over mogelijk ontsnappingsgevaar.
Gelet op het voorgaande bestaat voor een concrete toetsing van de detentieomstandigheden aan de maatstaf van art. 3 EVRM geen grond.
In de stelligheid waarmee de verdediging de Staat heeft beschuldigd van een laakbare, te weten volstrekt passieve opstelling, ziet het hof aanleiding om ten overvloede te overwegen dat die stelling feitelijke grondslag mist. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in feitelijke zin is vastgesteld. Dat leidt tot de conclusie dat de door [Jesse R.] geuite klachten serieus zijn genomen en meermalen tot inspanningen van de zijde van de Staat hebben geleid.
Een en ander leidt tot de slotsom dat het verweer wordt verworpen.
Schending van art. 6 EVRM?
Het hof zal de door [Jesse R.] in Marokko afgelegde verklaringen niet voor het bewijs bezigen, zodat dit onderdeel van het verweer, voor zover dat strekt tot bewijsuitsluiting dan wel beoogt bij te dragen aan het meeromvattende niet-ontvankelijkheidsverweer, bij gebrek aan belang van de zijde van de verdachte geen bespreking behoeft.
Eindconclusie
In dit hoofdstuk is het ontvankelijkheidsverweer in al zijn onderdelen besproken en beoordeeld. In de gang van zaken rondom de [Willem H.] -weglatingen heeft het hof een onherstelbaar vormverzuim vastgesteld, dat evenwel toereikend is gecompenseerd. Op die grond heeft het hof volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden.
Het door het hof verrichte onderzoek naar aanleiding van al hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd, gerubriceerd als bovenvermeld (paragraaf), heeft het hof niet gebracht tot de vaststelling van feiten of omstandigheden, die in de weg behoren te staan aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. Dit betekent dat het verweer in al zijn onderdelen wordt verworpen.
Het hiervoor overwogene brengt mee dat het hof ook geen aanleiding ziet voor honorering van de subsidiair en meer subsidiair bepleite gevolgen die door de verdediging aan de verweren zijn verbonden. Dit betekent dat, in ieder geval op de gronden die in het kader van deze verweren zijn aangevoerd, geen reden is voor bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [Peter La S.], [Fred R.], [getuige 32] en [getuige 1] en evenmin voor vermindering van een op te leggen straf.
Geheimhoudersgesprekken
Ter terechtzitting van 13 januari 2017 is door de verdediging, in mondelinge aanvulling op de schriftelijke pleitaantekeningen, nog een verweer gevoerd dat ziet op in 1994 afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, die door [Jesse R.] met zijn toenmalige raadsman zijn gevoerd. De verdediging heeft ter toelichting op dit verweer verwezen naar hetgeen bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg daaromtrent was aangevoerd. In aanvulling daarop heeft de verdediging gesteld dat dit afluisteren heeft plaatsgevonden in de zaak Cobra en niet, zoals de rechtbank had overwogen, in het onderzoek naar een overval. De verdediging heeft gesteld dat het hier een vormverzuim betreft dat als bouwsteen kan bijdragen aan de eindconclusie dat het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. Subsidiair zou het als bouwsteen moeten bijdragen aan de conclusie dat strafvermindering op zijn plaats is.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van dit verweer. Voor zover er al sprake zou zijn van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zaak Cobra, geldt dat er voor een sanctie daarop in de onderhavige zaak geen aanleiding is.
Het hof overweegt dat uit hetgeen door de advocaat-generaal bij repliek (p.38-40) uiteen is gezet, blijkt dat er telefoongesprekken tussen [Jesse R.] en zijn toenmalige raadsman zijn afgeluisterd. Dit is gebeurd toen hij zich in voorlopige hechtenis bevond voor een overval die [Jesse R.] in 1993 met Stevens had gepleegd. Eveneens blijkt dat de betreffende tapjournaals afkomstig zijn uit het toenmalige (1994) onderzoek Cobra.
De conclusie luidt dat sprake is van een vormverzuim, nu kennelijk de betreffende tapverbalen, in strijd met de destijds geldende regelgeving, niet onmiddellijk waren vernietigd. Vastgesteld kan verder worden dat de toenmalige raadsman zich in 1995 tegenover de rechter-commissaris heeft beklaagd dat die gesprekken waren afgeluisterd en dat de opnames en verslagen ervan vervolgens niet waren vernietigd.[_174e9689-df48-41f8-97d2-4f6a4e019b07] De advocaat-generaal heeft medegedeeld dat bij een ‘geheimhoudersactie’ in 2009, waarbij het gehele Passagedossier (en ook de dossiers betreffende de ‘oude’ onderzoeken Tanta, Opa en Cobra) is gecontroleerd op de aanwezigheid van geheimhoudersgesprekken, de betreffende gesprekken niet zijn aangetroffen. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat, naar aanleiding van de klacht van de toenmalige raadsman de opnames van die gesprekken alsnog zijn vernietigd, zulks voordat het onderzoek Cobra in 2007 werd heropend. In zoverre is het verzuim hersteld. Nu die vernietiging echter niet onmiddellijk is geweest, maar pas na verloop van tijd is geweest, bestaat echter in beginsel het risico dat in de tussenliggende periode, in strijd met de bedoeling van het voorschrift, de inhoud van de gesprekken in het onderzoek is gebruikt. Dit laatste is weliswaar door de verdediging gesuggereerd, maar niet onderbouwd. Het is ook niet aannemelijk geworden dat dit geval zich heeft voorgedaan.
Het hof is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zodat het verweer op die grond wordt verworpen. Bovendien is dit naar zijn aard herstelbare verzuim daadwerkelijk hersteld. Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover het verzuim wel als onherstelbaar en niet hersteld zou moeten worden aangemerkt, niet gebleken is welk nadeel de verdachte daarvan in de onderhavige zaak zou hebben ondervonden, zodat voor toepassing van sancties als door de verdediging primair en subsidiair bepleit geen aanleiding is.
Korte samenvatting Hoofdstuk 2
- Het hof heeft het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verworpen. Dit verweer is gegrond op een aantal pijlers. De belangrijkste pijlers zijn de volgende.
- De vraag of na een eis tot levenslang tegen [Fred R.] in eerste aanleg later in hoger beroep met hem een kroongetuige-afspraak kan worden gemaakt wordt in beginsel door de officier van justitie beantwoord. Want de vraag naar het inbrengen van verklaringen van een kroongetuige in een strafzaak is het resultaat van afweging van strategie en tactiek in de opsporing en de vervolging. De rechter heeft daarin in beginsel geen rol.
- Er is geen (wettelijke) verplichting voor de officier van justitie om de met kroongetuigen over hun bescherming gemaakte afspraken aan de rechter-commissaris ter toetsing voor te leggen;
- Op grond van wat in de loop van het proces wél over de bescherming bekend zou zijn geworden kan niet worden geoordeeld dat daarin sterke aanwijzingen zijn gelegen dat de bescherming van de kroongetuigen bovenmatig is en als financiële en dus verboden beloningen moeten worden aangemerkt;
- De beslissingen van de officier van justitie om [Peter La S.] niet ook voor een aantal andere zaken strafrechtelijk te vervolgen kunnen de toets doorstaan, en zijn om verschillende redenen niet aan te merken als verkapte en daarom verboden toezeggingen en beloningen. Hetzelfde geldt voor de beslissing om niet over te gaan tot ontneming van de door [Peter La S.] ontvangen beloning voor zijn aandeel in de moord op Houtman;
- De basisstrafeis tegen [Peter La S.] van 16 jaren is in het licht van het in zijn zaak te hanteren maximum voor de tijdelijk op te leggen gevangenisstraf (20 jaren) niet onbegrijpelijk en is niet aan te merken als een verkapte beloning;
- Het bewilligen in de [Willem H.] -weglatingen levert een vormverzuim op. Dit verzuim is ten dele hersteld en overigens heeft wat het onherstelbare deel betreft door gehouden onderzoek voldoende compensatie plaatsgevonden;
- De verdediging heeft als standpunt naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie in het streven het bewijs rond te krijgen uit de bocht is gevlogen. Waar het Openbaar Ministerie steeds magistratelijk dient te opereren heeft het dat nagelaten. Het hof acht deze opvatting ongegrond.
- In artikel 3 EVRM is geen grond gelegen voor toetsing door het hof van de detentieomstandigheden van [Jesse R.] in Marokko, na zijn aanhouding in 2007. Overigens mist het namens [Jesse R.] aan de Nederlandse Staat gemaakte verwijt van laakbaar, want volstrekt passief blijven feitelijke grondslag;
- De regels die gelden voor vernietiging van geheimhoudersgesprekken, gevoerd in 1994, zijn niet op de juiste wijze nageleefd. Die gesprekken zijn vernietigd, zij het laat. Van misbruik van mogelijk door kennisneming van de inhoud van die gesprekken verkregen informatie is niet gebleken.
3 Het bewijs
Algemeen: verkenning van het bewijs in de zaak Passage
Het hof heeft in het voorgaande de bezwaren onderzocht die door de verdediging zijn ingebracht tegen de wijze waarop door het Openbaar Ministerie vorm en inhoud is gegeven aan met (kroon)getuigen gesloten overeenkomsten, en de mate van de daarbij door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid. De vorenweergegeven eindconclusie leidt het hof tot een nadere verkenning van het voorhanden bewijs.
In het Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar zeven moorden en de berechting van (thans) tien verdachten.
Ook wanneer van dit zeer omvangrijke dossier slechts oppervlakkig wordt kennisgenomen springt – naast de ernst van de beschuldigingen – onmiddellijk de proceshouding van de verdachten in het oog. De onderlinge verschillen zijn niet groot. Met uitzondering van de twee verdachten die ook kroongetuigen zijn geworden, wijzen de andere acht verdachten met meer of minder woorden elke beschuldiging van betrokkenheid bij de aan ieder van hen ten laste gelegde moorden (inclusief pogingen en voorbereidingen daartoe) met klem van de hand.
Dat standpunt impliceert, dat het niet anders kan zijn dan dat de kroongetuigen niet naar waarheid hebben verklaard althans dat hun bronnen hen onjuist hebben geïnformeerd. Kortom, het is voor ieder van hen in feite zwart of wit, van grijstinten lijkt geen sprake te zijn. De verklaringen van verdachten en kroongetuigen sluiten elkaar over en weer uit.
Dit betekent dat het voor het hof bij het nemen van bewijsbeslissingen werkelijk aankomt op het doorhakken van knopen. De opdracht aan het hof is om te onderzoeken of het op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen – waaronder de verklaringen van die kroongetuigen – de overtuiging bekomt dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
In zoverre bestaat er geen verschil met andere strafzaken, waarin tegenover de meer of minder gemotiveerde ontkenning van de verdachte de belastende verklaringen van getuigen staan. Echter, gelet op de ernst van de tenlastegelegde feiten en de duur van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraffen, zijn de belangen in dit proces wel bijzonder groot.
De kennelijke context waarin de tenlastegelegde misdrijven zijn begaan compliceert de beantwoording van de voor het hof voorliggende bewijsvragen. Immers, veel wijst erop dat het hier gaat om moorden, op bestelling gepleegd en die zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Toegespitst op het bewijs betekent dit doorgaans voor het Openbaar Ministerie dat veel, zo niet alles, uit de strafvorderlijke en tactische kasten moet worden gehaald om een dossier te kunnen vormen waarvan de inhoud toereikend is voor het rekwireren tot bewezenverklaring.
Immers, in het bijzonder waar het gaat om de verdenking van het opdrachtgeven ontbreekt het in de regel aan direct bewijs. Opdrachten worden niet schriftelijk verstrekt en biologische sporen die leiden naar die opdrachtgevers of hun tussenpersonen zijn meestal niet voorhanden. En in de regel ontbreekt het in het dossier aan verslagen van afgeluisterde en opgenomen (telefoon)gesprekken waarin met opdrachtgevers wordt gesproken of waarin die opdrachtgevers met naam en toenaam ondubbelzinnig worden genoemd. En dat het afleggen van verklaringen met ernstige risico’s is omgeven blijkt uit het aantal getuigen ten aanzien van wie de noodzaak tot het treffen van beschermingsmaatregelen is aangenomen.
Dit betekent dat het bewijs vooral zal moeten worden ontleend – behoudens toevalstreffers – aan verklaringen van personen die om hun moverende redenen ervoor kiezen om te verklaren, over hun eigen gedragingen en die van (mede)verdachten. Maar ook dan is de bewijslevering niet zonder complicaties. In het algemeen is de veronderstelling niet gewaagd dat de verklaring (zowel het afleggen als de inhoud daarvan) kan zijn ingegeven door andere krachten en drijfveren dan alleen het verlangen om zonder aanzien des persoons frank en vrij te openbaren wat is gezien, gehoord en ondervonden. Daarbij komt, dat misdrijven van dit kaliber gepaard gaan met speculaties in het criminele milieu over de daders en hun achtermannen, met het gevolg dat die speculaties een eigen leven gaan leiden.
Kortom, het bewijs van daderschap van personen die belang hebben bij het op bestelling vermoorden van personen is voor het Openbaar Ministerie bepaald geen gemakkelijke opgave, ook niet nadat het kroongetuigen in stelling heeft gebracht.
Het licht dat door de verklaringen van die kroongetuigen op de zaken wordt geworpen heeft niet tot gevolg dat daarmee alle vragen die zich opdringen afdoende kunnen worden beantwoord. Uit het navolgende zal blijken dat de interactie in de lijn van opdrachtgevers, tussenpersonen en de feitelijke plegers van die moorden allerminst de vorm aanneemt van een gestructureerde, gedetailleerde en uitputtende uitwisseling van samenhangende informatie over de motieven, achtergronden en instructies. Dat laat zich goed verklaren door een ver doorgevoerd onderscheid tussen need to know en nice to know. Daarmee wordt onmiskenbaar ook en vooral het door opdrachtgevers nagestreefde belang om ongrijpbaar te blijven voor politie en justitie gediend. Zo bezien is het even voorstelbaar als voorspelbaar dat de inhoud van de verklaringen van de naar justitie overgelopen tussenpersoon in de hiervoor bedoelde zin gemankeerd zal zijn. Deze vaststelling strekt er niet toe dat het hof in de onderhavige zaak de bewijsdrempel verlaagt. Wel markeert het hof hiermee dat met betrekking tot de gepleegde moorden niet alle vragen naar context, achtergrond en motieven steeds voor bevredigende en ondubbelzinnige beantwoording gereed zullen liggen. En als die antwoorden uitblijven is daarmee de (intrinsieke) onbetrouwbaarheid van hetgeen is verklaard nog niet gegeven. Wel kan in die omstandigheid een relevante bevestiging worden gevonden van de juistheid van het hiervoor geschetste beeld.
Zijn kroongetuigen bijzondere getuigen, vooral het gegeven dat zij in de kern ook normale getuigen zijn mag niet uit het oog worden verloren: personen die mededeling doen over feiten en omstandigheden, die zij volgens hun verklaring hebben waargenomen of ondervonden (art. 342 Sv). Niet meer, maar ook niet minder. Met het door de verdediging van de medeverdachte [Dino S.] verwoorde uitgangspunt dat een “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” wordt een maatstaf geformuleerd die de wet niet kent. Voor zover de verdediging met die stelling de rechter attendeert op de door hem te betrachten behoedzaamheid bij bewijsgebruik heeft de verdediging wél een punt. De opdracht van de wetgever aan de rechter om bij bewijsgebruik van de verklaring van de kroongetuige daarvoor “de bijzondere reden” te geven is ingegeven door het aan de figuur van kroongetuigen verbonden risico. Immers, de voordelen die hen uit hoofde van de met hen gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuigen in meer of mindere mate een loopje nemen met hun verplichting om naar waarheid mededeling te doen van die even bedoelde feiten en omstandigheden.
In dat is ook het volgende van belang.
In het voorgaande is toegelicht dat en waarom kroongetuigen zowel bijzondere als gewone getuigen zijn. Zij zijn hoe dan ook en vooral criminele getuigen: getuigen die ook zelf verdachte zijn en die, door hun verklaren, bijdragen aan het (opsporings)onderzoek naar zeer ernstige misdrijven. De wetgever staat het bewijsgebruik van verklaringen van kroongetuigen slechts toe bij misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die in georganiseerd verband zijn gepleegd en die bovendien gezien hun aard, of samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De andere categorie van misdrijven waarbij de wetgever de inzet van kroongetuigen toestaat wordt gevormd door misdrijven, waarop ten minste acht jaren gevangenisstraf is gesteld.
Deze wettelijke begrenzing werpt ook een andere schaduw vooruit van wat de feitenrechter te wachten staat. Aangenomen mag worden dat de “verdachte getuige” die kan verklaren over die zeer ernstige misdrijven zich heeft opgehouden in een onderwereld, waar bepaald andere codes en gedragsregels gelden dan in de bovenwereld. Praten met politie en justitie is doorgaans om meer redenen een doodzonde. En als er wél een verklaring wordt afgelegd ligt het risico op de loer dat de getuige daarbij ook wordt gedreven door tot (drie)dubbele criminele agenda’s te herleiden belangen en motieven. En daarmee is er naast het risico van beloning voor de waarheidsvinding nog een ander risico verwoord.
Anders gezegd: deze getuigen zijn allesbehalve koorknapen en de rechter zal daarom extra alert dienen te zijn op het risico dat onware verklaringen worden afgelegd. Zo ligt het voor de hand dat verklaren over de criminele kompaan ook betekent dat over het eigen criminele gedrag moet worden verklaard. En het ligt evenzeer voor de hand dat de criminele getuige (mede) wordt gedreven door tot onderlinge criminele verhoudingen te herleiden motieven, die voor de rechter niet-kenbaar zijn. En als dat verklaren aanwijzingen oplevert dat door de criminele getuige de waarheid geweld wordt of is aangedaan, zal de rechter hebben na te gaan of reeds daarom alle door die criminele getuige afgelegde verklaringen terzijde dienen te worden geschoven, of dat er niettemin reden is om de betekenis van (de aanwijzing voor) die verklaarde onwaarheid voor de in de strafzaak te beantwoorden bewijsvragen te relativeren. In dat laatstbedoelde geval kan de uitkomst zijn dat een aanwijzing voor onwaarheid spreken toch geen betekenis heeft voor de in de voorliggende strafzaak te nemen bewijsbeslissingen.
Vanuit dit perspectief bezien lijkt de door de verdediging van [Dino S.] verwoorde maatstaf dat de “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” in zoverre van realiteitszin gespeend te zijn.
De wettelijke definitie van de getuigenverklaring in artikel 342 Sv blinkt uit door haar eenvoud. De praktijk wijst in het algemeen uit dat aan de rechterlijke waardering van getuigenverklaringen al naar gelang de houding van procespartijen en de daarmee nagestreefde belangen – de strafrechter bewegen tot vrijspraak of tot bewezenverklaring – een enigszins voorspelbare gang van zaken voorafgaat. De onderhavige zaak vormt op die ervaringsregel bepaald geen uitzondering. Integendeel, gelet op het gewicht van de op het spel staande belangen heeft het patroon dat voor de strafrechter doorgaans herkenbaar is in het Passageproces soms karikaturale trekken gekregen.
Zo is ten overstaan van het hof door de ene getuige in antwoord op vragen in ernst verklaard dat hij zich zelfs niet kan herinneren wat hij de voorgaande avond heeft gegeten. De andere getuige daarentegen heeft het haast bovenmenselijke vermogen getoond om een mededeling die de kroongetuige hem vele jaren tevoren heeft gedaan met indrukwekkende precisie stellig, samenhangend en in detail te reproduceren. Het hof is voorts geconfronteerd met een breed scala aan (medische) redenen om opmerkelijk geheugenverlies van getuigen te verklaren. Daarbij heeft het hof ook een aantal malen ondervonden dat het geheugen van de getuige weer snel kon terugkeren na één of meer onderbrekingen van het verhoor (al dan niet na confrontatie van de getuige met mogelijke of zich realiserende strafvorderlijke consequenties). Meer dan eens hebben getuigen de vrijheid genomen om ongevraagd, onverholen en ongeremd hun ongepolijste, en zelden relevante, mening met het hof te delen over de figuur van de kroongetuige in het algemeen, en over de personen van de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] in het bijzonder.
Veel getuigen zijn door het hof gehoord in de sleutel van het verifiëren en falsifiëren van de pas tijdens het geding in hoger beroep ingebrachte verklaringen van de kroongetuige (en terecht staande verdachte) [Fred R.]. Het zijn vooral getuigen van de laatstbedoelde categorie geweest die
– hoewel daartoe door het hof bepaald niet uitgenodigd – hun min of meer principieel getoonzette weerzin tegen de persoon van de “koopgetuige” [Fred R.] niet onder stoelen of banken hebben gestoken. Naast hetgeen door die groep van getuigen min of meer inhoudelijk is verklaard, kleeft ook dat aspect aan de indruk die het hof van hun verklaringen heeft bekomen. Het hof releveert dit een en ander op deze plaats, omdat de getuigen bij hun verhoren, door de inhoud van hun verklaringen en/of door de wijze waarop zij verklaarden, motieven hebben laten doorschemeren die aanzienlijk dominanter aanwezig leken dan hun drijfveer om op aan hen als getuigen gestelde vragen gortdroog antwoord te geven.
Anders gezegd: het heeft soms erop geleken dat ten overstaan van het hof getuigen in stelling zijn gebracht althans dat door de getuigen stelling is genomen, letterlijk en figuurlijk.
De getuigen zijn soms ook indringend verhoord. In dat verband is het verhoor van een getuige wel gekwalificeerd als grillen. Op deze plaats roept het hof de door een van de figurerende raadslieden ter terechtzitting gebezigde typering van “het uit de rails trekken” van een getuige in herinnering. Deze, kennelijk bij sommige verhoren nagestreefde, dynamiek hing onmiskenbaar ook samen met de op het spel staande partijbelangen.
Van de twee kroongetuigen is in het bijzonder [Peter La S.] door de jaren heen vele tientallen malen uitgebreid gehoord. Wanneer het potentiële soortelijk gewicht van zijn verklaringen in de context van de onderhavige strafzaken wordt bezien roept dat gegeven op zichzelf geen verbazing op. Echter, het gegeven dat ook deze getuige na verloop van jaren een minder scherp reproduceerbaar zicht heeft gekregen op zijn redenen van wetenschap of dat hij op inconsistenties kon worden betrapt hoeft op zichzelf genomen in redelijkheid evenmin verbazing te wekken, niet bij de vriend noch bij de vijand. De daarop gegronde diskwalificatie van deze getuige als een volstrekt onbetrouwbaar persoon althans als iemand die diep onbetrouwbaar verklaart lijkt dan een gevolgtrekking die – voorzichtig gezegd – daaruit niet dwingend volgt.
In vergelijking met [Peter La S.] is de kroongetuige [Fred R.] tot dusver aanzienlijk minder vaak gehoord, reeds omdat de processen-verbaal waarin zijn (kluis)verklaringen zijn gerelateerd pas in de fase van het hoger beroep door de advocaat-generaal zijn overgelegd. Dit verschil in aantallen van verhoren heeft voor een aantal verdachten niet in de weg hoeven staan aan het op grond daarvan krachtig diskwalificeren van ook zijn persoon en zijn verklaringen. In een enkel geval heeft zelfs de rechtsgeleerde verdediging ervoor gekozen het onderscheid tussen scherp diskwalificeren van de persoon van de getuige en de door hem afgelegde verklaringen geheel uit het oog te verliezen.
En dan is er nog het volgende.
Illustreert volgens de ene procesdeelnemer een gedetailleerde verklaring over een in een ver verleden gedane waarneming onmiskenbaar het vermogen tot oplichting door de getuige, de andere procesdeelnemer werpt de getuige die tot het aanbrengen van detaillering niet of minder in staat blijkt tegen dat hij slechts onware, ingestudeerde oneliners ten beste geeft. Wordt door de een de getuige om zijn geloofwaardigheid geprezen omdat hij ook na herhaald verhoren en verklaren door de jaren heen op het niveau van de inhoud van zijn verklaringen consistent blijft, de ander diskwalificeert diezelfde getuige omdat in die consistentie een belangrijke aanwijzing zou zijn gelegen voor een ingestudeerde inhoud en daarmee voor zijn leugenachtigheid. Waar verschillende getuigen over één en dezelfde gebeurtenis eensluidend verklaren, is dat voor dezelfde procesdeelnemer de ene keer een aanwijzing dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, terwijl de andere keer juist verschillen tussen de verklaringen leiden tot het standpunt dat die verklaringen onbruikbaar zijn. En als de feiten of omstandigheden waarover de getuige verklaart al eerder voor het publiek kenbaar waren door kennisneming van de inhoud van een ander strafdossier of van pennenvruchten van misdaadjournalisten, dan kan het daarom niet anders zijn dan dat de getuige zijn kennis niet aan eigen waarneming of ervaring ontleent, maar dat door hem slechts is nagepraat wat hij eerder moet hebben gelezen. Vindt de inhoud van de verklaringen van een getuige verankering in het dossier, dan is dit vervolgens een aanwijzing dat hij zijn verklaringen daarop heeft afgestemd; tegelijkertijd leidt het ontbreken van een dergelijke verankering tot de conclusie dat de getuige maar wat verzint.
Deze thematiek bij de waardering van getuigenverklaringen in strafzaken is niet nieuw maar het heeft in het Passageproces grote proporties gekregen. Bovendien heeft het geleid tot sterk gepolariseerde standpunten.
Het voorgaande illustreert ook de lastige taak waarvoor het hof zich na de vele terechtzittingen gesteld ziet. Tegelijkertijd dient niet uit het oog te worden verloren dat, anders dan voor de procespartijen, er vanzelfsprekend voor het hof geen belang op het spel staat. Het hof zal zoals in elke strafzaak het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijs op zijn bruikbaarheid hebben te beoordelen, niet meer en ook niet minder.
Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is het bij uitstek aan het hof als feitenrechter voorbehouden om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat het uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat het voor het bewijs van geen waarde acht.
Deze formule sluit in dat aan het hof op het terrein van bewijsbeslissingen een grote vrijheid toekomt, waarbij de verantwoording die ter zake door het hof wordt afgelegd door de Hoge Raad als cassatierechter doorgaans slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
Waar in de wet noch in de rechtspraak van de Hoge Raad expliciete maatstaven zijn geformuleerd die in het algemeen voor het hof bij de beoordeling van potentiële bewijsmiddelen op hun bruikbaarheid leidend zijn, dringt zich in de onderhavige zaak aan het hof de vraag op naar de opportuniteit van het formuleren van ijkpunten.
Immers, in iedere strafzaak waar de beantwoording van bewijsvragen voorligt zal de feitenrechter zijn bewijsoordeel dienen te motiveren, waarmee – het zij herhaald – in zoverre de onderhavige zaak zich niet van andere strafzaken onderscheidt. In het algemeen geldt, dat waar de bruikbaarheid van gepresenteerd bewijs min of meer indringend voorwerp van debat is geweest de rechterlijke verantwoording van het bewijsgebruik met een zekere diepgang zal plaatsvinden.
In de onderhavige zaak is de waardering van de betrouwbaarheid van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen een kernpunt. De pijlen van de verdediging zijn stelselmatig en bij voortduring gericht geweest op die betrouwbaarheid. In dat verband zijn soms ook grote woorden gebruikt. Maar het is niet louter om die reden dat de betrouwbaarheid en daarmee de bruikbaarheid voor het bewijs van die verklaringen centraal staat. Kroongetuigen zijn ook bijzondere getuigen, in zoverre dat op grond van de inhoud van de met ieder van hen gemaakte afspraken aan hen voordelen toevallen. Daarom heeft het hof ook ambtshalve de plicht zich ervan te vergewissen of hun verklaringen voor bewijsgebruik in aanmerking komen en is het in het voorkomende geval op grond van de wet (artikel 360, lid 2, Sv) gehouden in het bijzonder te verantwoorden op welke gronden het tot bewijsgebruik van door hen afgelegde verklaringen is overgegaan. Het hof heeft dit al eerder uiteengezet.
Met betrekking tot de door [Fred R.] als kroongetuige afgelegde verklaringen heeft nog in het bijzonder te gelden dat het hof als eerste en tevens laatste feitelijke instantie over de bruikbaarheid van zijn verklaren zal hebben te oordelen.
Het hof zal onderzoeken of de voor het bewijs relevante (onderdelen van) verklaringen van de kroongetuigen de door het hof te verrichten betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Dit geschiedt primair ambtshalve als ook naar aanleiding van de gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Opmerking verdient, dat de feitelijke breedte en detaillering waarvan de verdediging de onderbouwing van haar standpunten in het voorkomende geval heeft voorzien in het geval van niet-aanvaarding van dat standpunt niet meebrengt dat het hof zijn motivering op ieder onderdeel van die onderbouwing zal hebben toe te spitsen.
Meer in het bijzonder: de moorden op Houtman en Van der Bijl
De ervaring leert in het algemeen dat het nemen van afstand het oog voor detail doet verminderen, het krijgen van samenhangend zicht op het geheel wordt daarentegen gemakkelijker. Wanneer van de inhoud van het omvangrijke dossier in enige mate afstand wordt genomen kan het volgende worden waargenomen.
De slachtoffers Houtman en Van der Bijl hebben bij leven min of meer deel uitgemaakt van het Amsterdamse criminele milieu. In dat milieu hebben ook [Willem H.], [Dino S.], [Ali A.], [Jesse R.], [Peter La S.], [Fred R.] en [Sjaak B.] zich bewogen.
Zowel Houtman als Van der Bijl zijn in een tijdsbestek van ongeveer zes maanden vermoord op een wijze die het predicaat liquidatie rechtvaardigt. Ten aanzien van beide slachtoffers kan worden aangenomen dat zij in een, minst genomen, problematische verhouding stonden tot de eerder in dit arrest genoemde [Willem H.]; vanuit de onderscheiden kringen van familie en bekenden van deze twee slachtoffers is direct met de beschuldigende vinger gewezen naar [Willem H.].
Door degenen van wie kan worden aangenomen dat zij in feitelijke zin bij deze twee moorden betrokken zijn geweest zijn verklaringen afgelegd.
Door de kroongetuige [Peter La S.] is verklaard over degenen die hij als opdrachtgevers aanmerkt: [Willem H.], [Dino S.] en [Ali A.]. Hij wijst [Jesse R.] aan als zijn mededader bij de moord op Houtman en als betrokkene bij de aan de moord op Van der Bijl voorafgegane poging en voorbereiding. Hij wijst [Fred R.] aan als degene die bij de moord op Van der Bijl heeft gefungeerd als schakel tussen de twee feitelijke uitvoerders en de opdrachtgevers, onder wie [Dino S.].
De twee feitelijke uitvoerders van de moord op Van der Bijl hebben verklaard dat [Fred R.] het is geweest die hen heeft benaderd en geïnstrueerd om die moord te begaan. Zij verklaren bovendien over [Jesse R.] als iemand die naast [Fred R.] daarbij betrokken is geweest.
Daarnaast is er verklaard door [betrokkene 1], een man die enige tijd in de directe omgeving van [Fred R.] heeft geleefd. Volgens [betrokkene 1] heeft [Fred R.] hem benaderd om de moord op Van der Bijl te begaan, wat [betrokkene 1] volgens zijn verklaring ertoe heeft gebracht om in dat kader activiteiten te ondernemen. Naast [Fred R.] wijst deze [betrokkene 1] ook nog [Jesse R.] aan als iemand die bij de moord op Van der Bijl is betrokken. Voorts stelt [betrokkene 1] in de betreffende periode uit de mond van [Fred R.] te hebben gehoord dat een ander, bijgenaamd “de Commissaris” de grote man op de achtergrond is. Het hof volstaat op deze plaats met de vaststelling dat het de verdachte [Dino S.] is die achter deze bijnaam schuilgaat.
Door de kroongetuige [Fred R.] is verklaard dat hij met [Jesse R.] en [Peter La S.] betrokken is geweest bij de (voorbereiding van de) moord op Van der Bijl. [Fred R.] heeft uiteengezet dat hij [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij de voorbereiding en uitvoering van de moord op Van der Bijl heeft ingeschakeld. Door [Fred R.] is voorts verklaard dat hij op zijn beurt is ingeschakeld door [Dino S.], dat ook [Ali A.] daarin zijdelings een rol heeft gespeeld en dat naast [Dino S.] ook [Willem H.] als opdrachtgever van deze moord moet worden aangemerkt.
Dan is er de anonieme bedreigde getuige Q5.
Deze persoon heeft als getuige verklaard zelf uit de mond van een persoon uit de directe omgeving van [Dino S.] te hebben gehoord dat hij, [Dino S.], in verband met problemen met zowel Houtman als Van der Bijl, wilde dat zij zouden worden vermoord. Deze Q5 heeft op een ander moment [Dino S.], [Willem H.] en [Ali A.] in elkaars gezelschap in een club in het Rotterdamse nachtleven horen roepen dat zij personen gingen vermoorden.
Het dossier bevat voorts verklaringen van getuigen die melding maken van door [Willem H.] en [Dino S.] onderhouden contacten, terwijl het dossier ook overigens daarvoor aanknopingspunten bevat.
Tot slot kan op grond van de inhoud van het dossier worden vastgesteld dat er onderlinge contacten hebben bestaan tussen [Fred R.], [Jesse R.] en [Peter La S.], tussen [Fred R.] en [Dino S.], tussen [Jesse R.] en [Ali A.], tussen [Dino S.] en [Ali A.] en tussen [Willem H.] en [Dino S.].
Ten aanzien van [Jesse R.] valt in het bijzonder nog het volgende op. Waar op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat [Jesse R.] met tal van in het dossier figurerende personen contacten heeft onderhouden – onder wie [Peter La S.], [Fred R.], [Ali A.], [Willem H.], [betrokkene 6], [getuige 7], [getuige 9] – valt de uitdrukkelijke ontkenning van zijn met [Dino S.] onderhouden contacten onmiddellijk op. Dat die ontkenning op gespannen voet staat met de inhoud van dat dossier zal hierna nog blijken. Op deze plaats wijst het hof erop dat niet alleen door de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gewag wordt gemaakt van contact van [Jesse R.] met [Dino S.], maar dat daarvoor ook uit andere hoek bevestiging kan worden gevonden.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het op hoofdlijnen van de inhoud van het dossier verkregen beeld van het gepresenteerde bewijs tegen opdrachtgevers en tussenpersonen op het eerste gezicht meer belastende onderdelen bevat dan op grond van het eerder inleidend als algemene verwachting omschreven beeld werd aangenomen.
Algemeen: betrouwbaarheid Q5
Inleidend
Aan de getuige Q5 is op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris de status verleend van bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv.[_90abe4e5-e501-4a77-85bf-1f5f047706c0] De getuige heeft een verklaring afgelegd bij enkele opsporingsambtenaren. De samengevatte zakelijke inhoud daarvan, ook wel aangeduid als de rompverklaring, is vastgelegd in een proces-verbaal van de officier van justitie.[_928d3e9a-2193-41bb-92c2-d1f5392731ea] Na de statusverlening door de rechter-commissaris is de getuige in twee rondes gehoord door de rechter-commissaris aan de hand van schriftelijke vragen van de officier van justitie en van de verdediging. Bij deze verhoren zijn in de loop der tijd twee rechters-commissarissen betrokken geweest. Zij hebben ieder voor zich geoordeeld dat de getuige betrouwbaar is. Wat betreft de zaak van de verdachte [Dino S.] is een afzonderlijke beslissing tot statusverlening genomen door de rechter-commissaris, enkele maanden nadat de verdachte was gedagvaard in de zaak-Passage.[_eb7b18aa-7823-4bad-91a9-8a6ce6ed8de5] In een aanvullend verhoor in die zaak heeft de getuige geantwoord te blijven bij de eerder afgelegde verklaringen[_3c73396a-0de9-4408-bc9c-9d50267e3348]. In de periode 1 januari tot en met 17 maart 2016 is de getuige nogmaals gehoord door de rechter-commissaris in het kader van de strafzaak tegen [Willem H.]. Het proces-verbaal van het verhoor, gedateerd 17 maart 2016, is toegevoegd aan het dossier.
De getuige Q5 heeft verklaard dat hij in een uitgaansgelegenheid in Rotterdam, de Baja Beach Club (de BBC), meermalen heeft gezien dat daar [Dino S.], [Willem H.] en [Ali A.] aanwezig waren in gezelschap van anderen. Hij heeft in de periode van midden 2005 tot en met oktober 2005 enkele malen door hen gemaakte opmerkingen opgevangen waarvan het volgens hem duidelijk was dat het ging om aanstaande liquidaties. Daarvan heeft de getuige van een persoon die in rechtstreeks contact stond met [Dino S.] bevestiging gekregen. Deze persoon heeft hem verteld dat [Dino S.] en [Willem H.] problemen hadden met Houtman, Van der Bijl, Hingst en Mieremet.[_354a5e8b-4ec5-4c79-a4a8-189ad984f5ee]
Gevoerde verweren
Namens de verdachte is betoogd dat de verklaringen van Q5 onbetrouwbaar, onvoldoende toetsbaar en daarom niet bruikbaar voor het bewijs zijn. Daartoe is het volgende aangevoerd.
Q5 is een anonieme bedreigde getuige. De verdediging heeft deze getuige niet rechtstreeks kunnen ondervragen. Dat dient te leiden tot behoedzaamheid bij de beoordeling van de verklaringen van de getuige.
Weliswaar zijn drie rechters-commissarissen tot de slotsom gekomen dat de getuige betrouwbaar is maar aan dat oordeel komt geen bijzonder gewicht toe. Het is niet transparant, niet objectief en het ziet bovendien slechts op het optreden van de getuige bij diens verhoor.
Voor enkele inhoudelijke punten heeft de verdediging in het bijzonder de aandacht gevraagd.
Er zijn tegenstrijdigheden tussen de rompverklaring en de RC-verklaringen ten aanzien van hetgeen Q5 heeft horen roepen. In de rompverklaring zegt Q5 dat hij zich “precieze bewoordingen” niet kan herinneren maar in latere verklaringen weet hij wel uitspraken weer te geven in diverse varianten. Springend punt in dat verband is dat Q5 in de rompverklaring zegt dat hij zich één keer concreet kan herinneren dat [Willem H.], [Dino S.] en [Ali A.] er alle drie tegelijk waren. Zijn latere verklaringen houden in dat hij dat veel vaker heeft waargenomen. Q5 noemt voorts in de rompverklaring vier namen (van der Bijl, Houtman, Mieremet en Hingst) en bij de rechter-commissaris nog maar twee (Mieremet en Hingst). Over zijn bronnen van wetenschap is Q5 in de loop der tijd uiteenlopend gaan verklaren.
Daarnaast ontbreekt het aan precisie in de verklaringen van Q5. Over de uitlatingen die hij zegt zelf te hebben opgevangen, verklaart hij weinig nauwkeurig, zowel in de rompverklaring als in latere verklaringen. Q5 heeft voor een deel slechts gesproken over indrukken die hij heeft opgedaan m.b.t. de onderlinge rolverdeling tussen [Dino S.], [Willem H.] en [Ali A.].
Op onderdelen ontbreekt het aan geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. Zo is hetgeen Q5 zegt te hebben opgevangen, intrinsiek ongeloofwaardig. Er zou geschreeuwd zijn, er zouden namen zijn genoemd, Q5 heeft uitlatingen gehoord ondanks de harde muziek. Verder heeft Q5 mogelijk de media nagepraat. Hij is pas gaan verklaren eind 2009, nadat verklaringen van [Peter La S.], [getuige 17] en Teeven over de Baja Beach Club als ontmoetingsplaats al naar buiten waren gekomen. Hij heeft bovendien de inhoud van zijn verklaringen afgestemd op gerealiseerde liquidaties: op basis hiervan heeft hij een invulling gegeven aan hetgeen hij eerder van [Dino S.] en anderen had gehoord.
Voorts is door de verdediging gewezen op een gebrek aan bevestiging voor de verklaringen van Q5. Deze worden zelfs tegengesproken door diverse andere getuigen.
Zo hebben [Dino S.] en [Ali A.] elkaar pas in zomer 2004 leren kennen, wat is bevestigd door [Ali A.] en Vrij. Q5 plaatst in strijd daarmee de eerste momenten van samenzijn van [Dino S.] en [Ali A.] veel eerder in de tijd. Daarnaast is er een groot aantal getuigen (bijna allen werkzaam in de Baja Beach Club (hierna: BBC) en Bar Eten en Drinken (hierna: BED), gedurende de relevante periode) die geen van allen de verklaring van Q5 ondersteunen dat [Dino S.] en [Ali A.] elkaar veelvuldig in Rotterdamse horecagelegenheden ontmoetten. Ook de door Q5 genoemde aanwezigheid van [Willem H.] daarbij wordt door geen van hen bevestigd.
Een afzonderlijk punt van aandacht is dat Q5 niet expliciet heeft verklaard dat zijn bron, de persoon uit de omgeving van [Dino S.], de door hem gegeven informatie van [Dino S.] zelf heeft gekregen. Er heeft misschien zelfs nog een schakel gezeten tussen deze bron en [Dino S.]. Voorts valt niet te beoordelen wat de belangen en positie van deze bron zijn geweest en of deze persoon mogelijk dezelfde bron als die van andere getuigen is geweest.
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat Q5 heeft verklaard over de BBC en [Peter La S.] over de BED. Reeds hierom kunnen de verklaringen van Q5 niet als bevestiging van de verklaringen van [Peter La S.] dienen.
Tot zover de raadsman.
De advocaat-generaal heeft onder verwijzing naar het wettelijke stelsel gesteld dat het betrouwbaarheidsoordeel van de rechter-commissaris een toereikende basis biedt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, de verklaringen voor het bewijs te bezigen. Er bestaan volgens de advocaat-generaal ook geen inhoudelijke redenen om de verklaringen van de getuige Q5 onbetrouwbaar te achten.
De totstandkoming van de statusverlening en van het oordeel van de rechters-commissarissen
De getuige Q5 heeft op eigen initiatief de politie benaderd met als doel een verklaring af te leggen onder de garantie dat zijn identiteit niet zal worden onthuld. Hij is vervolgens in het najaar van 2009 enkele malen gehoord door opsporingsambtenaren. Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris op 28 december 2009 aan Q5 de status van bedreigde getuige verleend. Bij beschikking van 4 februari 2010 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Vervolgens is de samengevatte zakelijke weergave van de verklaringen van Q5, zoals neergelegd in het proces-verbaal van de officier van justitie van 4 februari 2010, aan de processtukken toegevoegd.
De eerste rechter-commissaris heeft zich een oordeel gevormd over de betrouwbaarheid van de getuige na twee rondes van verhoren. De eerste ronde heeft plaatsgehad in de periode 4 februari 2010 tot en met 27 april 2010; de eerste sessie van de tweede ronde tussen 27 april 2010 en 12 mei 2010. Het oordeel van deze rechter-commissaris luidt dat de getuige de gestelde vragen volledig heeft beantwoord. Hij verklaarde zonder aarzelen en gedetailleerd. Ook heeft de getuige inzicht geboden in diens redenen van wetenschap. Hierop kan de rechter-commissaris vrijwel geen toelichting geven gelet op het belang van afscherming van de identiteit van de getuige. Op diezelfde grond zijn de gegeven antwoorden die betrekking hebben op de redenen van wetenschap van de getuige buiten het proces-verbaal van verhoor gehouden. Van een verborgen agenda of van op de achtergrond meespelende eigen belangen van de getuige is volgens de rechter-commissaris niet gebleken. Evenmin heeft de getuige de indruk gewekt zijn verklaring mooier of interessanter te maken, dat hij loog of fantaseerde.[_1901525f-c198-417d-8ae2-c775c01c851d]
Tot een zelfde oordeel is een tweede rechter-commissaris gekomen op 21 mei 2010 op basis van de tweede ronde nadat zij de eerste sessie hiervan had bijgewoond en de tweede sessie had geleid.[_45e3d038-f0e7-4233-a80c-408e5549ef26]
Uit een proces-verbaal van de tweede, bij de verhoren betrokken, rechter-commissaris van 10 augustus 2010 kan worden opgemaakt dat beide rechters-commissarissen hebben beschikt over de inhoud van een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van Q5 maar dat zij overigens geen externe bronnen hebben geraadpleegd.[_06a14a72-7672-41c8-81bb-7a8192c3ac06]
Ook de derde, bij de verhoren van de getuige Q5 betrokken, rechter-commissaris heeft ongeveer zes jaar later, te weten op 17 maart 2016, na een ronde van ondervraging als haar oordeel uitgesproken dat de getuige betrouwbaar is. [_86cb1323-546d-45c1-91bf-2a5732fa0eef]
Aard en betekenis van het betrouwbaarheidsoordeel
Voorafgaand aan de inhoudelijke beschouwingen overweegt het hof het volgende over de context waarin het oordeel van respectievelijk de rechter-commissaris en de zittingsrechter over de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige tot stand komen het volgende.
De rechter-commissaris baseert zijn oordeel op de volledige antwoorden die de getuige heeft gegeven op alle vragen die door raadslieden en de officier van justitie zijn opgegeven (de zogeheten bruto-antwoorden). Uit de processen-verbaal van verhoor van de rechters-commissarissen valt op te maken dat in de beantwoording van tal van vragen sprake is geweest van nadere details die niet ter kennis van procespartijen kunnen komen in verband met het belang van afscherming van de identiteit van de getuige. Hierbij heeft de getuige onder meer, zo valt af te leiden uit de gestelde vragen, zijn redenen van wetenschap toegelicht. Dit betekent dat de rechter-commissaris, anders dan de verdediging heeft gesteld, telkens zijn oordeel over de betrouwbaarheid heeft gebaseerd op meer dan alleen indrukken. De rechter-commissaris beoordeelt de bruto-antwoorden op onderlinge consistentie en de wijze waarop zij door de getuige worden toegelicht en verantwoord.
De status van de getuige brengt met zich dat de rechter-commissaris de overwegingen niet heeft kunnen delen met procespartijen en ook niet met de zittingsrechter. Deze beperking, gevoegd bij de inbreuk op het ondervragingsrecht, vormt de grondslag voor de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering die nadere regels stellen voor het gebruik van verklaringen van een anonieme getuige voor het bewijs. Deze houden, kort gezegd, een instructie aan de zittingsrechter in om behoedzaam te zijn bij de waardering en het gebruik van een dergelijke verklaring in de bewijsvoering. In de rechtspraak wordt mede op grond hiervan aangenomen dat de zittingsrechter zich zelfstandig een oordeel over de betrouwbaarheid van de anonieme getuige dient te vormen.
Dit oordeel heeft de zogeheten netto-antwoorden van de getuige als object. De beperkte inhoudelijke verstrekking door de rechter-commissaris van de van zijn verhoren opgemaakte processen-verbaal vormt uit de aard van die beperking een intrinsiek smalle basis voor de mogelijkheid van een zelfstandig betrouwbaarheidsoordeel. Het is daarom, dat de zittingsrechter, naast dat zelfstandig door hem te vormen oordeel, bij zijn eigen oordeel ook het eerder door de rechter-commissaris gegeven betrouwbaarheidsoordeel zal hebben te betrekken.
De zittingsrechter beschikt over het volledige procesdossier. Het door hem te geven betrouwbaarheidsoordeel heeft betrekking op de samenhang tussen de verklaringen van de bedreigde getuige en de overige processtukken. Daarbij wordt de vraag beantwoord of voor de netto-verklaring steun kan worden gevonden in de inhoud van die stukken. Voorts kan hierbij worden betrokken de interne consistentie van de verklaringen zoals zij in netto-vorm ter kennis van procespartijen en de rechter zijn gebracht. Gezien de hiervoor bedoelde beperkte grondslag hiervan komt dit oordeel tot stand mede op geleide van het oordeel van de rechter-commissaris en de daarvoor, naar haar aard eveneens beperkte, gegeven motivering.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige
De rompverklaring van de officier van justitie heeft het inhoudelijke startpunt van de ondervraging van de getuige Q5 gevormd. Het bevat, zoals het proces-verbaal vermeldt, de “samengevatte zakelijke weergave” van wat Q5 “heeft aangegeven als anonieme bedreigde getuige te kunnen en willen verklaren.” [_311350dc-b141-4081-8b05-a6941cd315b6] Tijdens de tweede ronde, sessie 1, heeft de getuige aangegeven dat hij tegen de verbalisanten meer heeft gezegd dan is opgenomen in de rompklaring. Daarnaast heeft hij opgemerkt dat door de vele verdiepingsvragen die tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris zijn gesteld er nog dieper op de zaak is ingegaan hetgeen, zo begrijpt het hof, tot aanvullingen en preciseringen in de beantwoording heeft geleid. [_8b775449-47ed-497e-9f95-24990837f4cd]
Dit betekent dat de rompverklaring, die minder dan twee pagina’s A4 beslaat, niet uitputtend is en evenmin is opgesteld met de intentie deze een volledige weergave van de wetenschap van de getuige, voor zover van belang, te doen zijn. De inhoud van de rompverklaring leent zich er, gezien deze beperkte reikwijdte, niet voor om deze en detail te vergelijken met de inhoud van de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen met het oog op beoordeling van de consistentie.
De getuige heeft op een aantal punten opgemerkt dat hij aanvankelijk verkeerd is begrepen waarna hij het volgens hem juiste antwoord bij de rechter-commissaris heeft gegeven. Dit geldt ook voor elementen in de verklaringen waaruit volgens de verdediging de onbetrouwbaarheid van Q5 zou blijken. Het hof wijst op de passage in de rompverklaring dat de getuige zegt zich van één keer concreet te kunnen herinneren dat [Willem H.], [Dino S.] en [Ali A.] tegelijk in de BBC waren. Tijdens de eerste ronde heeft hij gezegd dat hij verkeerd is begrepen en dat de drie genoemde personen jarenlang een paar keer per week kwamen en dan bij elkaar waren[_5c8a14bc-2644-4e35-95a2-8d7a170981dc]. Op een herhaalde vraag hierover heeft de getuige in de eerste sessie van de tweede ronde opnieuw gezegd dat er een misverstand was doordat hij de vraag verkeerd had begrepen. Hij heeft hiervoor een, volgens de rechter-commissaris logische, verklaring gegeven. De getuige Q5 zegt dan, mede in antwoord op een andere vraag, dat [Willem H.], [Ali A.] en [Dino S.] een paar keer per maand in de Baja waren in de periode midden tot en met oktober 2005.[_7793cba1-8cfc-41fc-b1bb-7346c8e10750]
Een ander voorbeeld is de kwestie of de getuige heeft waargenomen dat [Willem H.], [Dino S.] en [Ali A.] zich afzonderden. In de rompverklaring is de passage opgenomen dat de getuige de indruk had “dat als er zakelijk werd gesproken zij afgezonderd met hun drieën spraken.” Tijdens de eerste verhoorronde bij de rechter-commissaris daarentegen heeft Q5 verklaard dat hij niet de indruk had dat ze zich afzonderden.[_8d4b7052-3424-4b66-8862-68bf96556573] Naar het oordeel van het hof manifesteert zich hier het beperkte karakter van zowel de rompverklaring als de verklaringen die bij de rechter-commissaris zijn afgelegd. Het gaat om formuleringen die elkaar niet uitsluiten.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over doel, reikwijdte en totstandkoming van de rompverklaring kan aan verschillen van deze aard dan ook geen bijzondere betekenis worden toegekend in de sleutel van een betrouwbaarheidsoordeel. Daarnaast kan worden vastgesteld dat de rompverklaring en de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen op relevante hoofdpunten inhoudelijk overeenstemmen.
Eén van de redenen van wetenschap voor Q5 vormen de mededelingen die aan hem zijn gedaan door een persoon uit de omgeving van [Dino S.], die rechtstreeks met laatstgenoemde in contact stond. Q5 heeft de naam van deze persoon aan de rechter-commissaris genoemd.[_0e0a440a-82f4-434b-b231-fd2f5efff3ae] Vanwege afschermingsbelangen kan de naam niet worden prijsgegeven. Anders dan de verdediging heeft gesteld heeft deze persoon zijn informatie volgens de getuige rechtstreeks van [Dino S.] verkregen.[_19fb5054-7370-4065-9cda-d9a30bcdd969]
Het antwoord op de vraag of deze bron al dan niet deel uitmaakte van het gezelschap van [Willem H.], [Dino S.], [Ali A.] en anderen heeft de rechter-commissaris niet opgenomen in een proces-verbaal.[_136d65af-cb51-4ff9-aa0d-5f8cb9f52e41] Maar Q5 heeft, zo blijkt uit de verklaringen, in elk geval bevestiging gekregen voor datgene wat hij op enige afstand van de groep in de Baja zegt te hebben gehoord over conflicten en voorgenomen moorden. Deze bron noemde [Dino S.] “Dino”.[_9d052708-6c9d-41c4-bfcc-2b66e4cd1efa]
Er is mogelijk nog een bron van Q5 geweest. De antwoorden op vragen die erop waren gericht dit nader te verkennen, zijn vanwege afschermingsbelangen niet in de processen-verbaal van de rechter-commissaris opgenomen. Deze persoon die mogelijk niet samenvalt met het hiervoor bedoelde rechtstreekse contact van [Dino S.] noch met een lid van het gezelschap in de Baja waarover Q5 heeft verklaard, is blijkens de rompverklaring voor Q5 een directe bron geweest van de informatie dat drie of vier personen er “snel aan zouden gaan”.[_4aec85cb-7b7c-453f-ba8b-90fdbd851ff6] Indien en voor zover moet worden uitgegaan van het bestaan van deze bron is het van belang dat ook deze persoon volgens Q5 een rechtstreekse bron van informatie voor hem is geweest.
De getuige Q5 heeft blijkens zijn verklaringen informatie uit verschillende bronnen gecombineerd. Namens de verdachte is hierop bij pleidooi gewezen. Het gaat op de eerste plaats om de opmerkingen die Q5 een paar keer heeft opgevangen vanuit het gezelschap [Willem H.], [Dino S.], [Ali A.] en andere personen die met hen in de Baja aanwezig waren (vrouwen, portiers, “lijfwachten” van [Ali A.] ). Deze opmerkingen gingen over personen die “eraan gaan” waarbij de getuige namen heeft opgevangen van onder anderen Houtman en Van der Bijl. Daarnaast is er de persoon die in rechtstreeks contact met [Dino S.] stond. Deze heeft aan Q5 onder meer verteld dat [Dino S.] en [Willem H.] problemen hadden met Van der Bijl, Houtman, Hingst en Mieremet en dat zij hen om het leven wilden brengen. Verder is de getuige “heel kort daarna”[_70d112f2-347b-41fc-8ffa-e6d73c8dcaf9], “hooguit een paar weken” later[_efe03a6f-3874-4398-b317-2852c4e42421] uit berichtgeving gebleken dat deze personen zijn vermoord. Hierna wist hij dat deze personen de beoogde slachtoffers van het gezelschap waren. Daarnaast heeft de getuige nog enkele punten gekenmerkt als zijnde van algemene bekendheid, zoals de achtergronden van het conflict tussen [Willem H.] en Mieremet.[_0728c179-a1b9-4cd3-aa82-86dadde264ea]
Het hof stelt vast dat de getuige deze gebeurtenissen heeft gepresenteerd als door hem gemaakte gevolgtrekkingen. Deze hebben evenwel ook het karakter van zelfstandige waarnemingen waarvan Q5 feitelijk mededeling heeft gedaan. Daarom hebben zijn verklaringen, ook als wordt afgezien van de door de getuige gelegde verbanden, betrekking op feiten en omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden als bedoeld in artikel 342, lid 1, Sv.
De verdediging heeft een beeld geschetst van het door de getuige omschreven gedrag van de betrokken personen in de Baja dat naar zijn verschijningsvorm ongeloofwaardig moet worden geacht. Dat beeld verdient nuancering. De getuige heeft gezegd dat [Willem H.] sprak “van mond tot oor”.[_d869c7b8-7c6f-474b-9796-af2374f4e3e1] Maar “zeker als er flink was gedronken werd die afstand ook wel groter, tot zeg maar een halve meter”.[_32379323-ceff-46b3-9941-3d0bf07a3d14] En: “je kon het horen als je erbij stond of langs kwam lopen”.[_7d634338-0735-4a03-99a6-0c428ca47d80] Meer mensen moeten opmerkingen hebben opgevangen volgens de getuige. Degene die zo schreeuwde had duidelijk niet door dat anderen in de directe omgeving dat konden verstaan.[_a05212a6-735f-4093-9a7d-a244620508bb]
Q5 weet zeker van [Dino S.] te hebben opgevangen: “drie, vier man gaan we pakken” [_e70312a2-baeb-49ea-8d25-04475c68b06b] en dat [Willem H.] vaker schreeuwde: “die pak ik, die maak ik af”.[_d3c5636b-5eea-409b-86b6-0126515b595e] Hij heeft een paar keer opmerkingen van deze aard opgevangen in een periode waarin de betrokkenen een paar keer per week in de Baja kwamen en dan bij elkaar waren.[_92e719bd-ef17-454d-8057-eeec2a54b648]
Het was dus zeker niet zo dat [Willem H.] en anderen onvoorzichtig waren in het algemeen. “Zij kwamen scherper op mij over als ze niet veel gedronken hadden”.[_c796abbe-e62d-4f0b-bf9f-80ed15523bee] Ook heeft de getuige onderlinge verschillen waargenomen waar het gaat om de mate van luidruchtigheid en de positie van elk van de betrokkenen in de groep.[_991cd916-932f-4b6d-8675-72b70ad59835] Dat laatste is, in de woorden van de verdediging, weliswaar een indruk maar de getuige heeft dit aan de hand van concrete, door hem waargenomen, gedragingen gesubstantieerd. Eén daarvan is dat hij heeft gezien dat [Dino S.] machtiger was dan [Willem H.]: “dat zag je ook aan de wijze waarop iedereen om Dino heen kwam staan (..) Dino bleef daar rustig bij”.[_56a1c19b-2fda-4cfa-a946-a8bb6da4d1a8] [Willem H.] was een opschepper, wilde het middelpunt zijn;[_38649aa5-1424-4a46-a4a4-d8b8d28d96b0] vooral hij vestigde de aandacht op zich.[_bc57cf9c-8ab9-4825-9d9f-d385212365a8]
Dit geheel overziend dient de conclusie te zijn dat de inhoud van de verklaringen zelf geen aanleiding vormt voor vragen die van zodanige betekenis zijn dat moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid ervan.
Bovendien bieden onderzoeksbevindingen bevestiging voor onderdelen van deze verklaring. De getuige [getuige 10], ex-vriendin van [Willem H.], heeft verklaard dat [Willem H.] kan schreeuwen, in het bijzonder na drankgebruik.[_682083ed-1bc4-48c2-ac08-c6b0e7af72f1] L. [getuige 5] heeft op 9 mei 2007 als getuige bij de politie verklaard dat [Ali A.] altijd twee grote mannen bij zich had als hij ergens binnen kwam, van wie zij dacht dat het bodyguards waren. [_279b1d37-de4c-49a2-b14a-9042d20ddefb]
[Dino S.] heeft ontkend dat hij ooit samen met [Ali A.] en [Willem H.] gelijktijdig in de Baja Beach Club is geweest. Hij heeft [Ali A.] in de tweede helft van 2005 twee keer ontmoet in de Baja. [Dino S.] was daar toen telkens met zijn vriendin [getuige 4]. Na 2003 kwam [Dino S.] niet vaak meer in de Baja. Zijn vriendin [getuige 4] werkte er niet meer en er kwam ”Cherso-publiek”. Hij ging wel eens naar een horecagelegenheid in Rotterdam maar dat was doorgaans de BED. Dat geldt ook voor de tweede helft van 2005.[_95a56af5-20f7-40b3-a7a4-a6875226f05b]
Een groot aantal getuigen is gehoord over het horecabezoek in Rotterdam. Van enkele getuigen zijn verklaringen opgenomen op een moment vóórdat de officier van justitie de getuige Q5 had geïntroduceerd. De getuige [getuige 5], een goede vriendin van de vriendin van [Dino S.], heeft op 4 augustus 2006 verklaard: “als ik Willem ergens zag was Dino ook in de buurt”.[_4f18ee9a-93af-4727-8a54-763ca70404d0] E. [getuige 4], in 2005 de vriendin van [Dino S.], heeft op 2 juli 2007 verklaard dat zij [Ali A.] al kent sinds 1999. In diezelfde verklaring heeft zij gezegd dat zij en [Dino S.] twee keer per maand [Ali A.] en [Willem H.] ontmoetten in Rotterdam. Daar waren altijd anderen bij; [getuige 8] was er vaak bij.[_2db24e8a-9cb0-4e9b-8692-727998e9e715] De getuige [getuige 13] (gehoord op 10 december 2009) heeft in de Baja gewerkt van 1995 tot 2008. Hij heeft verklaard dat hij de “laatste jaren” [Ali A.] vaak met [Dino S.] zag in de Baja. [Willem H.] is hem niet opgevallen. Maar later heeft hij van anderen gehoord dat deze er ook kwam.[_6afc402d-0469-4744-b6e0-9947aafdaf37] Deze verklaringen bieden bevestiging voor hetgeen Q5 heeft verklaard.
Daarnaast zijn diverse andere getuigen gehoord die ieder voor zich accenten hebben gelegd, resulterend in een beeld dat [Willem H.], [Dino S.] en [Ali A.] niet of vrijwel niet gezamenlijk in de Baja Beach Club aanwezig (kunnen) zijn geweest. Met de advocaat-generaal stelt het hof vast dat het hierbij deels om getuigen gaat uit de kring van [Dino S.]. De getuige [getuige 14], portier bij de Baja, is een vriend van [Dino S.], zo is onder meer door [getuige 13] in de hiervoor aangehaalde verklaring gezegd.[_4b482162-71f3-43d9-89f9-441dc47ea308] Daarnaast gaat het om [getuige 8], een goede vriend van [Dino S.], die op 31 augustus 2011 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij vaak met [Dino S.] ging stappen in Rotterdam en dat zij dan ook wel [Willem H.] tegenkwamen. Maar zij gingen zelden naar de BBC. [_3157e11b-ee0e-4566-9ee5-e3724ce7cfa6]
Vrij en [getuige 14] hebben op 25 januari 2006 een telefoongesprek gevoerd waarbij [getuige 8] aankondigt naar Rotterdam te komen;[_ef3ed3a8-0d7e-4f83-b390-5a6bcb9104ca] daarna belt Vrij met [Dino S.] over de afspraak in Rotterdam.[_b024f928-e95e-4026-8e34-df344f962703] Op de dag na het bezoek aan Rotterdam, 28 januari 2006, is [getuige 8] gebeld door [betrokkene 6]. In dit gesprek[_dcd1e748-5c05-4911-956a-0c5da15856a9] zegt [getuige 8] dat Hollie (zijn naam voor [Willem H.]) en [getuige 15] ( [getuige 15], op dat moment een vriendin van [Willem H.]) en de andere jongens er ook waren. Ze hebben met [getuige 8] aan één tafel gezeten. [betrokkene 6] zegt daarop tegen [getuige 8] dat Hollie daar veel komt. [getuige 8] zegt: “alleen maar”. [getuige 8] zegt dat “hij” snel weg ging, want Foef was er niet. Als Foef er wel is, dan gaat “die” tot het einde of als laatste weg. [Dino S.] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als verdachte verklaard dat hij ook wel “Foef” wordt genoemd.[_a4cf58bf-2b12-465e-8044-2e35c6387c20] Het proces-verbaal van deze zitting maakt deel uit van de processtukken.
Het hof hecht waarde aan dit telefoongesprek. Het geeft weliswaar geen uitsluitsel over de locaties waar men is geweest (in andere gesprekken die dagen worden Jackie en de Cinema genoemd) maar het bevestigt dat er meer contact is geweest tijdens het uitgaan in Rotterdam tussen [Dino S.] en [Willem H.] dan [Dino S.] heeft verklaard. Uit enkele gesprekken, gevoerd door Vrij op 27 januari 2006[_35bb55fd-a4c7-4a89-bd25-85aad1600fe6], blijkt bovendien dat er contact is met één of meer personen die met [Ali A.] op stap zijn en dat er wordt afgesproken elkaar te ontmoeten.
Verder valt op dat [getuige 4] tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris op 20 augustus 2010 de contacten van [Dino S.] met [Ali A.] en [Willem H.] minimaliseert ten opzichte van haar verklaring uit 2007.[_cf981b51-7af7-40a4-aba6-3eb5ae173db9]
Tot slot betrekt het hof in deze beschouwing wat elders in dit arrest is overwogen over het standpunt van de verdachte [Dino S.] dat hij en [Willem H.] na de zomer van 2005 geen contact meer hadden. Kort gezegd houdt dit in dat uit diverse onderzoeksbevindingen blijkt dat niet aannemelijk is dat er tussen hen in die periode geen enkel contact is geweest.
Door de verdediging is erop gewezen dat de verklaringen van Q5 niet kunnen worden beschouwd als ondersteuning voor de verklaringen van [Peter La S.] over de opdrachten die in de BED zijn gegeven voor de moorden op Houtman en Van der Bijl. Daartoe is aangevoerd dat Q5 over een andere Rotterdamse uitgaansgelegenheid heeft gesproken. Met de verdediging stelt het hof vast dat [Peter La S.] en Q5 over gebeurtenissen in de BED respectievelijk de BBC hebben verklaard. Over verstrekking van opdrachten heeft Q5 evenwel niet verklaard en [Jesse R.] heeft hij nooit gezien. In zoverre is er geen overlap tussen de verklaringen. Er is evenwel geen enkele reden om ze op die grond niet als onderling aanvullend te beschouwen.
Ook bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat Q5 heeft willen verklaren op een wijze die aansluit bij de verklaringen van [Peter La S.]. Immers, pas in oktober 2011 heeft [Peter La S.] de zogeheten [Willem H.] -weglatingen onthuld en werd duidelijk dat hij ook over de rol van [Willem H.] bij de moorden op Houtman en Van der Bijl had verklaard. [Peter La S.] en Q5 hebben derhalve ieder voor zich op basis van eigen ervaring mededeling gedaan van hetgeen zij hebben waargenomen en ondervonden. Deze ervaringen, hoewel verschillend van karakter en inhoud, sluiten inhoudelijk op elkaar aan. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom de verklaringen van Q5 en [Peter La S.] niet als onderling ondersteunend kunnen worden beschouwd.
Conclusie
Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat, in het licht van hetgeen de medeverdachte [Dino S.] over (het ontbreken van) ontmoetingen met [Willem H.] en [Ali A.] heeft verklaard, het dossier voldoende steun biedt voor de verklaringen van Q5 om deze in de bewijsvoering te betrekken.
Het hof stelt tot slot vast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 344a, eerste en tweede lid, Sv. De verklaringen die zijn afgelegd door de getuige Q5 zullen, op de wijze zoals blijkt uit de weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen, voor het bewijs worden gebruikt. Het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan is niet uitsluitend of in beslissende mate op deze verklaringen gebaseerd. Daarnaast is voldaan aan de procedurele vereisten voor statusverlening aan en ondervraging van de getuige. Voorts gaat het om ernstige strafbare feiten die, gezien hun aard, het georganiseerd verband waarin ze zijn gepleegd en hun onderlinge samenhang een ernstige inbreuk op de rechtsorde hebben opgeleverd.
Korte samenvatting Hoofdstuk 3.2
- De verdediging heeft aangevoerd dat het hof de verklaringen van de anonieme getuige Q5 niet voor het bewijs zou moeten gebruiken, omdat die verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden getoetst vanwege de aan zijn status klevende beperkingen op het ondervragingsrecht. Het hof heeft een algemene beschouwing gewijd aan de figuur van de anonieme bedreigde getuige, en aan de verklaringen van Q5 in het bijzonder. De uitkomst daarvan is dat er geen redenen zijn om die verklaringen van het bewijs uit te sluiten.
[Peter La S.]: betrouwbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen
Inleiding
In deze paragraaf zal het hof de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] nader onderzoeken. Het hof doet dit ter uitvoering van de wettelijke opdracht om bij bewijsgebruik van verklaringen van een kroongetuige daarvoor in het bijzonder de reden te geven. Tevens bevat deze paragraaf de antwoorden van het hof op de door de raadsman gevoerde verweren. Deze zijn naar voren gebracht bij pleidooi. Voorts heeft de raadsman aangesloten bij de betrouwbaarheidsverweren die zijn gevoerd door de raadslieden van medeverdachte [Dino S.]. Ook hierop zal in het navolgende worden ingegaan.
“Ik was een crimineel die een deal wilde”, waren de woorden van de getuige [Peter La S.] tijdens de terechtzitting van de rechtbank op 12 maart 2009[_30c008c1-7e1f-4aad-a33a-2ca51f37feb3]. Deze wens van [Peter La S.] en de wijze waarop deze wens in de loop van het proces heeft vorm gekregen vormen een rode draad door het Passageproces.
De persoon van de kroongetuige [Peter La S.] en de talrijke door hem afgelegde verklaringen zijn gedurende het gehele proces in beide instanties voorwerp van intensief onderzoek en debat geweest. Tijdens de behandeling in eerste aanleg hebben zich bovendien regelmatig incidenten voorgedaan die telkens resulteerden in een krachtige dynamiek.
De meest in het oog springende incidenten zijn de volgende. Op enig moment is aan het licht gekomen dat de getuige vanaf de aanvang van het dealtraject te kennen had gegeven niet over [Willem H.] te willen verklaren. Dit heeft geleid tot de zogeheten [Willem H.] -weglatingen die in het voorgaande reeds aan de orde zijn geweest bij de bespreking van enkele formele verweren. Ook is hiervan het resultaat geweest dat de getuige tijdens verhoren bij politie, rechter-commissaris en zittingsrechter lange tijd op onderdelen onvolledig is geweest in zijn beantwoording. Bovendien heeft [Peter La S.] in een vroeg stadium, tijdens een van de eerste oriënterende gesprekken, gezegd dat hij kennis droeg van de betrokkenheid van [Willem H.] bij de moord op [Cor van H.]. Enkele maanden later, nog steeds in het voortraject, heeft [Peter La S.] meegedeeld dat dit in strijd met de waarheid was en dat hij dit had verklaard omdat hij wilde aftasten hoever hij kon gaan in zijn verklaringen over de rol van [Willem H.] .[_447141b7-8594-4a51-a850-afb3ce674023]
De getuige heeft daarnaast gezegd dat hij aanvankelijk “zekerheidjes” in zijn verklaringen had ingebouwd. Hij doelde daarmee op bewust ingebouwde feitelijke onjuistheden die in zijn beleving voor hem als verdachte een terugvaloptie zouden kunnen vormen in het geval er geen afspraak met het Openbaar Ministerie tot stand zou komen.[_ab34622f-8591-4502-8a22-209e5f8a8b2c]
Een kwestie die geruime tijd het proces in eerste aanleg heeft gedomineerd is de vraag of [Peter La S.] een moord heeft gepleegd die hij buiten zijn verklaringen zou hebben gehouden. Meer getuigen, die zijn gehoord op initiatief van de verdediging, hebben verklaringen van die strekking afgelegd.
Voorts is de getuige gedurende de gedingfase bij de rechtbank in conflict gekomen met het Team Getuigenbescherming. Hij heeft de zittingen van de rechtbank meermalen aangegrepen als podium om dit conflict te etaleren en zijn standpunten kracht bij te zetten. Daarbij heeft hij ook inhoudelijke aanvullingen en wijzigingen op zijn verklaringen ingebracht, waarmee politie en justitie in diskrediet werden gebracht. Hierop is hij later, onder verwijzing naar zijn tactische manoeuvres in dit conflict, teruggekomen.
In een late fase van de behandeling in eerste aanleg is onder de getuige een laptop in beslag genomen waarop door hem geschreven documenten stonden die op belangrijke onderdelen een andere weergave van relevante gebeurtenissen inhouden dan de door hem als getuige afgelegde verklaringen. Daarbij ging het in het bijzonder om het levensdelict ten aanzien waarvan de getuige zijn strafbare betrokkenheid aanvankelijk op eigen initiatief had erkend, te weten de moord op Houtman. Het waren ook hier tactische motieven, zo heeft de getuige verklaard, die hem tot het schrijven van deze stukken hadden gebracht. De documenten zouden alleen een rol kunnen gaan spelen als zijn strafzaak niet het door hem gewenste verloop zou hebben.
Tot slot is in dit verband nog relevant dat de getuige in de jaren voorafgaand aan de in 2007 gemaakte afspraak regelmatig contact met justitie heeft gezocht om tot een afspraak te komen. Daarbij heeft hij telkens meegedeeld over informatie te beschikken die hij, tegen door hem als gunstig beschouwde voorwaarden, wilde prijsgeven. Dit is in alle gevallen zonder resultaat gebleven.
Dat de verdediging op de genoemde en andere aspecten vele pijlen heeft gericht wekt geen verwondering. De betrouwbaarheid van de verklaringen is op tal van onderdelen aangevochten. Opvallend zijn daarbij het grote aantal inconsistenties en tegenstrijdigheden waarop is gewezen en de vrijwel onbegrensde mate van detaillering waarmee deze betrouwbaarheidsverweren gepaard zijn gegaan.
Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het samenhangende geheel van alle problematische aspecten van de verklaringen en van de totstandkoming ervan tot de conclusie dwingen dat in het geheel niet kan worden afgegaan op wat de getuige [Peter La S.] heeft verklaard.
Het hof heeft kennis genomen van de verklaringen van de getuige en van het procesverloop in eerste aanleg en heeft de getuige ter terechtzitting in hoger beroep in meer rondes uitgebreid gehoord. Het beeld van een strategisch opererende getuige dringt zich tegen deze achtergrond sterk op. De getuige heeft zich van meet af aan laten leiden door een door hem beoogd resultaat. “Ik heb ingezet op 3 miljoen”, was een opmerking van de getuige ter terechtzitting van de rechtbank op 12 maart 2009[_4e720b0f-faa0-433c-b0d4-0e1ddceacbb4], daarmee doelend op een hoog niveau van veiligheid dat hij gerealiseerd wilde zien.
In zekere mate heeft [Peter La S.] niet vrijuit verklaard. Veelal heeft hij naar eigen zeggen spontaan antwoorden gegeven; de getuige noemde dat “verklaren vanuit de bron”. Maar de weglatingsafspraak heeft gedurende lange tijd een rol van tactische betekenis gespeeld.
[Peter La S.] heeft voorts, op momenten waarop hij dacht dat het hem goed uitkwam, het procesverloop naar zijn hand gezet en daarbij zowel zijn verklaringsbereidheid als de inhoud van zijn verklaringen als instrument ingezet. Daarbij heeft hij in veel gevallen gepoogd een toelichting op dit gedrag te geven waarmee hij niet steeds blijk gaf van een volledig navolgbare belangenperceptie. Van de zijde van het Openbaar Ministerie is aan [Peter La S.] in dat verband meermalen te kennen gegeven dat hij grenzen overschreed en grote risico’s nam. Deze betroffen zowel zijn belangen in zijn eigen strafzaak als de belangen die samenhingen met zijn positie als bijzondere getuige.
Het hof zal hebben te beoordelen of de verklaringen van de getuige [Peter La S.] zich lenen voor gebruik voor het bewijs. Naast de beoordeling van de formele aspecten die in het voorgaande reeds heeft plaatsgehad gaat het hierbij bovenal om de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaringen. Bij die beoordeling zullen de hoofdpunten die in het pleidooi zijn besproken worden betrokken. Kritiek die is toegespitst op details zal in een meer algemeen kader worden geplaatst en besproken. Waar dit relevant is voor de toetsing dan wel nodig is gelet op de mate van de aan het verweer gegeven onderbouwing, zal met een zekere fijnmazigheid op de gevoerde verweren worden ingegaan.
De kernvraag die bij de verschillende onderdelen van de gevoerde betrouwbaarheidsverweren steeds moet worden beantwoord luidt: wat is het verband tussen de gestelde tekortkoming, onjuistheid of, zo men wil, onwaarachtigheid enerzijds en de inhoud en betrouwbaarheid van de verklaringen anderzijds? In zoverre wijkt de beoordeling in de kern niet af van de toetsing van enige andere getuigenverklaring, met dien verstande dat aan het hof is opgedragen extra behoedzaam te zijn nu het om verklaringen van een kroongetuige gaat.
Enkele relevante bijzonderheden
De getuige [Peter La S.] heeft gedurende een periode van in totaal bijna tien jaren zijn verklaringen afgelegd. Eerst ging het om zogeheten kluisverklaringen die werden afgelegd bij politieambtenaren van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak met de officier van justitie. Daarna heeft hij verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van de voorgenomen afspraak. Vervolgens zijn er tientallen verhoren gevolgd bij de rechter-commissaris waarbij de raadslieden van de verdachten in wisselende samenstelling de getuige konden ondervragen. In diezelfde periode is de getuige ook vele malen intensief verhoord door de politie. Tot slot is hij, van 2009 tot 2016, bij tal van gelegenheden ter terechtzitting gehoord. Daarbij ligt het accent op de behandeling in eerste aanleg, bij de rechtbank. In die fase is de getuige met regelmaat gelijktijdig in zijn hoedanigheid van verdachte ondervraagd, wat overigens niet geheel zonder strafvorderlijke complicaties is. Maar ook in hoger beroep zijn toch nog acht dagen besteed aan verhoren van deze kroongetuige.
Het is tijdens deze verhoren met enige regelmaat voorgekomen dat de getuige zich eerder door hem gemaakte opmerkingen niet meer kon herinneren. Ook heeft hij niet steeds eensluidend verklaard over sommige onderwerpen. Soms ging het daarbij om details, maar enkele malen betrof het punten die van grotere betekenis waren. Mede aan de hand van dit onderscheid zullen de verklaringen door het hof nader worden besproken en onderzocht.
Het vergt geen bijzondere deskundigheid om het ontstaan van dergelijke verschillen te begrijpen. Herinneringen worden vager en verdwijnen soms zelfs geheel. Ook het spreken over die herinneringen is van invloed op de inhoud ervan. Zeker als de ondervraging daarover zeer gedetailleerd wordt. De getuige heeft ook diverse keren gezegd dat het gegeven dat hij vele malen is gehoord van invloed is geweest op de wijze waarop hij informatie “opnieuw had opgeslagen”.
De getuige zijn ook meermalen dezelfde vragen gesteld. Veelal met als doel om nog enige opheldering te krijgen. Maar regelmatig waren de vragenstellers ook op zoek naar aanvulling, nieuwe details, een preciezere plaatsing in de tijd of op een locatie.
Het verloop van de verhoren door de jaren heen laat zich kenmerken als een beweging van grof naar fijn. Tijdens de vijftien kluisverklaringen, afgelegd in het najaar van 2006, vertelde [Peter La S.] over zijn wetenschap aangaande diverse levensdelicten. De verhorende CIE-ambtenaren beschikten daarbij niet of nauwelijks over kennis van onderzoekdossiers. Er werd een enkele vraag gesteld met het oog op verduidelijking. Dat was ook nog het geval toen de getuige zijn toetsverklaringen bij de rechter-commissaris aflegde. Pas daarna is meer verdieping en verbreding aangebracht door de inbreng van resultaten van opsporingsonderzoek en door het perspectief van de verdachten van waaruit vragen werden gesteld.
In dit verband is relevant dat [Peter La S.] zeer veel informatie heeft gegeven over een groot aantal misdrijven. Daarbij ging het telkens om gegevens die varieerden van de namen van betrokken personen tot details van de uitvoering. Op vrijwel alle punten is diepgaand doorgevraagd. Zo is hem op verschillende momenten gevraagd om de chronologie van ontmoetingen of gebeurtenissen, die dan al enkele jaren tevoren hebben plaatsgevonden, gedetailleerd weer te geven. In andere gevallen is gevraagd naar opsommingen van handelingen of uitlatingen van personen. Onderlinge vergelijking van de antwoorden heeft meermalen geresulteerd in de vaststelling van verschillen. Ook daarmee is [Peter La S.] vele malen geconfronteerd. In diverse gevallen was zijn antwoord dat hij iets over het hoofd had gezien.
Een voorbeeld hiervan vormen de antwoorden die [Peter La S.] heeft gegeven op vragen over het moment waarop hij [Ali A.] voor het eerst heeft ontmoet c.q. heeft leren kennen. Hij heeft daarbij zowel de ontmoeting in een café in Alkmaar bij het station genoemd als het pannenkoekenhuis in Leiderdorp. Tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris op 10 mei 2007 herstelt [Peter La S.] zijn antwoord na de pauze met de mededeling dat bij het pannenkoekenhuis de eerste ontmoeting plaatsvond maar even daarna vergeet hij in een opsomming toch weer het pannenkoekenhuis.[_4b654170-11ba-4a63-931d-988890649ff2] Anders dan de verdediging kan het hof hierin geen aanwijzingen lezen voor iets anders dan een vergissing. Zo heeft [Peter La S.] het zelf ook aangemerkt.[_6fd86cc6-72ea-47f1-8554-e3a6c716d897]
Een ander hiermee samenhangend voorbeeld betreft de opdracht om [slachtoffer 10] te vermoorden, die volgens [Peter La S.] afkomstig zou zijn geweest van [Ali A.] en waarvan [Peter La S.] kennis heeft gekregen in november 2004. Volgens de raadsman is hier sprake van betekenisvolle discrepanties. In de toetsverklaring van 16 maart 2007 heeft [Peter La S.] verklaard dat [Jesse R.] hem direct na een ontmoeting met [Ali A.] in het pannenkoekenhuis heeft verteld dat hij een opdracht had aangenomen om [slachtoffer 10] te vermoorden.[_daf753e5-1926-4b78-9a7a-2eb1cfd04de0] Op 10 mei 2007 heeft [Peter La S.] verklaard dat [Jesse R.] vóór het bezoek aan het pannenkoekenhuis al wist dat het om een opdracht tot moord ging. [Peter La S.] wist toen niet meer of [Jesse R.] in de auto of pas in Abcoude bij de woning van het beoogde slachtoffer vertelde wat ze in Abcoude gingen doen.[_b24040e3-2fc5-4b7b-8209-df0928d7a7a4] Bij de politie op 20 juni 2007 heeft [Peter La S.] gezegd dat hem achteraf was gebleken dat [Jesse R.] een afspraak had in het pannenkoekenhuis over een moordopdracht.[_999f8852-2060-4a4a-af24-2e2fb24fea79] In kluisverklaring 15 van 2 november 2006 is “Abcoude” en passant vermeld in het relaas over de voorgenomen moord op [slachtoffer 11], waarbij [Peter La S.] het pannenkoekenhuis niet heeft genoemd.[_a5ab2ca1-8719-4d05-9b50-7e085588b96e] Op het eerste gezicht zijn er verschillen ten aanzien van het moment waarop de opdracht voor het eerst is verstrekt en ten aanzien van het moment waarop [Peter La S.] er van op de hoogte is geraakt. Bij nauwkeuriger lezing blijkt [Peter La S.] tijdens de verschillende verhoren te spreken over momenten waarop hijzelf respectievelijk [Jesse R.] wist dat het om een opdracht tot moord ging, respectievelijk zou gaan. Daarnaast gaat het om accentverschillen waarbij, anders dan door de verdediging betoogd, niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van tegenstrijdigheden.
De persoon van de kroongetuige heeft zich ook doen gelden. [Peter La S.] heeft op verschillende momenten gezegd dat hij soms te stellig is. Het hof heeft aan de hand van de processen-verbaal waarin de verhoren zijn gerelateerd kunnen vaststellen dat dit inderdaad soms het geval lijkt te zijn geweest. Die stelligheid kenmerkt ook de wijze van verklaren tijdens het afleggen van de kluisverklaringen. Er worden, op het oog met een zeker gemak, tal van namen, locaties en tijdsaanduidingen gegeven die in enkele gevallen reeds binnen de context van de kluisverklaringen zelf vragen oproepen. Als daarbij betrokken wordt de inhoud van de vele daarna afgelegde verklaringen dringt de spanningsvolle verhouding tussen, soms zeer relevante, elementen zich nog meer op.
Dit wordt verder gecompliceerd doordat uit de woordelijke weergave van de verklaringen ook regelmatig blijkt dat [Peter La S.] juist voorzichtig en zoekend formuleert. Hij denkt soms hardop, vermoedt een onjuistheid, stelt zichzelf een vraag en komt dan tot een antwoord. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn de verklaringen die [Peter La S.] heeft afgelegd bij de politie op 24 mei 2007[_f8f475ec-dd17-4ee1-9cf9-1a24bbd62ea2] en 15 augustus 2007[_4462b6d4-9e5f-4157-8c20-5470a7a684ae]. In de eerste verklaring geeft hij op pagina 11 van het proces-verbaal blijk van twijfel over de momenten waarop informatie over beoogde slachtoffers voor het eerst is gegeven, in de tweede op pagina 3 van het proces-verbaal over de precieze rolverdeling tussen [Dino S.] en [Ali A.]. De stelligheid komt daarmee in een ander licht te staan. Het uiteindelijk gegeven antwoord hoeft daarmee nog niet zonder betekenis te zijn maar het kan dan niet worden begrepen zonder daarbij de gezette tussenstappen te betrekken.
Veel verhoren zijn woordelijk uitgewerkt. Daarmee is voorkomen dat slechts de selectie van de verhorend politieambtenaar of rechter ter kennis van de zittingsrechter komt. Dat is een voordeel. Maar ook de nadelen, onder meer voortkomend uit de veelheid aan irrelevante opmerkingen, zijn evident. Een valkuil is dat aan een enkele zinswending betekenis wordt toegekend. Een hapering of aarzeling is zo al snel geëtiketteerd als de opmaat voor een geconstrueerde leugen of voor een onvolledig antwoord die iets meer bedenktijd vergen. Wellicht is dat soms het geval geweest, zoals hierna nog uitgebreider aan de orde zal komen, maar dat vraagt een beoordeling in een zeer ruime context van het verhoor als geheel.
De conclusie van deze beschouwing moet zijn dat enige relativering van inconsistenties of tegenstrijdigheden aangewezen is. Het hoeft in het licht van het voorgaande geen enkele verbazing te wekken dat deze er zijn. En de inhoud ervan, hoe onbegrijpelijk of onnavolgbaar ook, kan zonder betekenis zijn.
Daarmee zijn vanzelfsprekend niet alle merkwaardige en in het oog springende punten in de verklaringen van [Peter La S.] die vragen oproepen ontdaan van hun kwestieuze karakter. Wel is hiermee gezegd dat niet elk verschil, hoe relevant of zelfs cruciaal voor de beantwoording van de bewijsvraag ook, berust op een leugen of een bewust uitgezet dwaalspoor.
Telkens zal bij deze punten de vraag aan de orde zijn of de totstandkoming ervan kan worden gereconstrueerd en begrepen. Daarbij speelt het geheel van de door [Peter La S.] zelf afgelegde verklaringen een rol. Ook de overige inhoud van het procesdossier kan daarbij relevant zijn.
Ditzelfde geldt voor een punt dat in deze inleidende beschouwing niet onvermeld kan blijven. [Peter La S.] heeft veel kennis waarover hij heeft verklaard van horen zeggen. De persoon van [Jesse R.] is daarbij veruit de belangrijkste bron. [Jesse R.] heeft volgens [Peter La S.] tijdens hun detentie in de jaren 1994 en 1995 verteld over door hem in 1993 gepleegde moorden. En in de periode waarin de moorden op Houtman en Van der Bijl zijn voorbereid en gepleegd trok [Peter La S.] voortdurend met [Jesse R.] op en hoorde hij van hem waar en met wie hij contact had. [Peter La S.] zat er weliswaar dicht op maar heeft zelf weinig tot geen directe ervaringen met die contactpersonen van [Jesse R.]. Daar komt bij dat [Peter La S.] zelf over [Jesse R.] heeft gezegd dat deze met “desinformatie” kon “strooien”. [_e12b5045-5ad0-4591-9d2a-08c12b28a0cd]
Het hof betrekt hierbij de inhoud van het proces-verbaal van officier van justitie mr. Van der Zee van 9 april 2015 waarin verloop en inhoud van de contacten van [Jesse R.] met de CIE worden beschreven.[_32dd9147-5a52-49c1-a73c-ec3aa2b7db35] Daaruit blijkt van het “schaakspel” met de CIE waarover [Peter La S.] meermalen heeft verklaard. [Jesse R.] en [Peter La S.] waren verwikkeld in een complexe strijd die door hen in zeer uiteenlopende arena’s werd uitgevochten. Zij hadden kennelijk minachting voor elkaars intelligentie en probeerden elkaar af te troeven over het juiste begrip van de leer van “Scientology”.[_ba78be08-e8b5-4b76-870a-ba7df8b9d86c] Van geheel andere orde is dat zij er daarnaast beiden vanuit gingen dat zij contacten onderhielden met de CIE en dat zij elkaar hierin over en weer beschouwden als een groot risico. [_117f360a-4a27-4da1-b18e-96401a1a4783]
In dat schaakspel manipuleerden zij onafhankelijk van elkaar met informatie in de richting van de politie. Dat relativeert vooral de waarde van de informatie die zij elk aan de CIE aanboden. [Jesse R.] gaf een geheel eigen persoonlijke inkleuring aan personen en gebeurtenissen. Onder strikte voorwaarden werd informatie aangeboden. Daarnaast claimde hij de verantwoordelijkheid voor bereikte resultaten in de opsporing. Uit de processtukken[_1442da26-416c-4e1e-940f-b93e8bdbd879] is gebleken dat [Peter La S.] volgens een vergelijkbaar patroon reeds in 2003 CIE-contacten onderhield. Het gaat hier om een handelwijze die zich vooral voordeed in het contact tussen de CIE enerzijds en [Jesse R.] en [Peter La S.] anderzijds. Maar, uitgaand van de verklaringen van [Peter La S.], mag niet worden uitgesloten dat dit heeft doorgewerkt in hun onderlinge relatie.
Tegen deze achtergrond dient de conclusie dezelfde te zijn. Ook waar het informatie van [Peter La S.] betreft die afkomstig is van [Jesse R.] moet toereikende bevestiging worden geboden door de overige onderzoeksbevindingen.
De wijze waarop [Peter La S.] zegt aan zijn informatie te zijn gekomen heeft nog in een ander opzicht de beoordeling van zijn verklaringen gecompliceerd. [Peter La S.] trok intensief met [Jesse R.] op. Hij begeleidde hem naar zijn afspraken, doorgaans als chauffeur. Dat waren soms vele ontmoetingen per dag. [Jesse R.] vertelde hem over de personen met wie hij sprak, wat hun rol was en wat de inhoud van de besprekingen was. Intussen deed [Peter La S.] ook op andere manieren waarnemingen van de sociale omgeving waarin [Jesse R.] zich bewoog. De informatie die [Peter La S.] kreeg was doorgaans gefragmenteerd.
[Peter La S.] heeft hieraan, zoals hij dat zelf heeft verwoord, “overtuigingen” ontleend waarbij “logica” hem mede ten dienste heeft gestaan. Waar hij stukken informatie onderling heeft verbonden tot zo’n overtuiging heeft [Peter La S.] dat telkens gezegd. De rol en positie van [Peter La S.] brachten mee dat hij op deze gefragmenteerde wijze kennis nam van de criminele werkelijkheid waarin [Jesse R.] en hijzelf zich bevonden. Dat noopt tot een kritische beoordeling van die informatie. Maar het enkele gegeven dat [Peter La S.] termen als logica en overtuiging heeft gehanteerd om de manier waarop hij het geheel van bevindingen en ervaringen heeft verwerkt te typeren, diskwalificeert hem nog niet als getuige.
“Zekerheidjes”
[Peter La S.] heeft op diverse momenten verklaard dat hij in de verkennende fase van zijn contacten met de CIE terughoudend is geweest. Zijn vertrouwen in de politie moest nog groeien.[_1845df3b-cf2a-4b5e-8a4e-547838cd5cf2] Ook kan uit zijn verklaringen worden opgemaakt dat er een mentale barrière ten aanzien van de moord op Houtman bestond.[_576d3672-5d8f-48e0-aa6e-16b179e4f9b4] [Peter La S.] heeft pas een kleine twee maanden nadat hij was begonnen kluisverklaringen af te leggen, zijn betrokkenheid bij deze moord bekend. Veelzeggend is hetgeen [Peter La S.] hierover ter terechtzitting van 28 november 2011 heeft gezegd: “.. dat in de wet staat dat een getuige de waarheid moet spreken, dat zal zo zijn en dat betreft een getuige die ter terechtzitting moet verklaren. Maar een getuige die gesprekken met CIE-ers moet voeren, waarbij jarenlange gevangenisstraffen in het spel zijn, laat niet in één keer het achterste van zijn tong zien.“ [_65a4b8e4-a7d5-4500-b989-2d86182e63c8] Wat er zij van de juistheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid van deze opvatting, [Peter La S.] heeft hiermee getypeerd wat zijn houding was in de vroege fase van contact met de politie waarin hij al wel inhoudelijk verklaarde.
In deze context heeft [Peter La S.] zijn zogeheten “zekerheidjes” bedacht. Hiermee heeft hij willen afwijken van de feiten zoals hij ze zich herinnerde. [Peter La S.] heeft de zekerheidjes alleen verwerkt in zijn laatste kluisverklaring (nummer 15) van 2 november 2006, waarin hij over de moord op Houtman en zijn eigen betrokkenheid daarbij heeft verklaard.[_7c0a5379-5c41-4921-8227-81c8f61de680] Daarna is [Peter La S.] in maart 2007 gehoord bij de rechter-commissaris in het kader van toetsing van de afspraak. Vanaf de eerste verklaring bij de rechter-commissaris heeft hij, zijn wetenschap over de rol van [Willem H.] uitgezonderd, volledig naar waarheid verklaard, aldus de getuige.[_22cf504e-90f1-44fb-b5f1-b11c8e1daa0c] [Peter La S.] was in de veronderstelling dat verificatieonderzoek de ingebouwde onjuistheden van zijn verklaringen aan het licht zou brengen. In het geval het dealtraject zou worden afgebroken, zouden de geconstateerde discrepanties tussen de verklaringen van [Peter La S.] en de onderzoeksbevindingen een succesvolle vervolging van hem voor zijn betrokkenheid bij de moord op Houtman alsnog bemoeilijken. [_08e94423-152f-47a5-a4ad-d5b6ab6561d1]
[Peter La S.] is vele malen gehoord over de zekerheidjes. Gevraagd naar concrete voorbeelden heeft hij er slechts één kunnen noemen: de looproute op de plaats delict van de moord op Houtman.[_30298f95-95f2-4a8e-8343-79c5f7362123] Wat opvalt is dat [Peter La S.] reeds tijdens het verhoor van 10 mei 2007 bij de rechter-commissaris, als hij voor het eerst over de zekerheidjes spreekt, geen andere voorbeelden kan noemen en dat hierin geen verandering is gekomen.[_98e77a72-ec02-4ad1-ab55-6d31e890df28] Onder meer ter terechtzitting van het hof heeft [Peter La S.] opnieuw verklaard dat hij niet meer zekerheidjes kan terughalen.[_49e43336-261f-4670-84ca-08c4cc3633e9] Geconfronteerd met vele onderdelen van kluisverklaring 15 heeft [Peter La S.] daar nooit van kunnen zeggen of het om een zekerheidje ging.
Het hof is van oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat [Peter La S.] onwaarheden in zijn verklaring over de moord op Houtman heeft verwerkt. Hiervan kan in één geval worden vastgesteld wat de inhoud ervan is. Overigens zijn de zekerheidjes zowel naar aard, omvang als inhoud ongrijpbaar gebleven. De antwoorden van [Peter La S.] op 10 mei 2007 doen, gezien het korte tijdverloop na het afleggen van kluisverklaring 15, vermoeden dat het niet om majeure inhoudelijke punten kan zijn gegaan. Gelet op het motief dat [Peter La S.] telkens heeft genoemd hoeft niet te worden getwijfeld aan de mededeling van [Peter La S.] dat er buiten kluisverklaring 15 geen andere verklaringen zijn waarin onwaarheden van dit type zijn opgenomen.
Dit leidt tot de slotsom dat in het fenomeen “zekerheidjes” onvoldoende aanleiding kan worden gevonden om te oordelen dat dit bijdraagt aan de bepleite conclusie dat de verklaringen van [Peter La S.] vanwege onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
De betrouwbaarheidstoets zal, juist gelet op de intenties van [Peter La S.] bij introductie van de zekerheidjes, gericht dienen te zijn op beantwoording van de vraag of voor de inhoud van de verklaringen bevestiging kan worden gevonden in overige onderzoeksbevindingen.
[Willem H.] -weglatingen
Het procesverloop in de strafzaken onder de noemer Passage laat zich op tal van manieren kenschetsen. Eén daarvan is ongetwijfeld het ontstane rijke jargon. De term “ [Willem H.] -weglating” is een beeldbepalend onderdeel van die terminologie.
Het gaat bij de [Willem H.] -weglatingen om delen van de door [Peter La S.] afgelegde kluisverklaringen waarin hij spreekt over [Willem H.]. Deze passages zijn op gezag van de CIE-officier van justitie uit de processen-verbaal gehouden voordat deze werden toegevoegd aan de processtukken. Deze processen-verbaal, die als bijlage deel uitmaakten van de verklaringsafspraak, bevatten een zakelijke weergave van hetgeen [Peter La S.] tot dan toe had verklaard. Later zijn verbatim uitwerkingen van de meeste kluisverklaringen in het geding gebracht. Hierin zijn de weggelaten passages, onder aanduiding van een W met een volgnummer, gemarkeerd. De weglatingen hebben voor een deel betrekking op mededelingen van de getuige over [Willem H.] maar betreffen voor een ander deel ook opmerkingen die zijn weggelaten op grond van overwegingen inzake bescherming en persoonlijke veiligheid van betrokken personen.
Op 3 oktober 2011 heeft [Peter La S.], ter terechtzitting van de rechtbank als getuige gehoord, het bestaan van de [Willem H.] -weglatingen onthuld.[_5475c47b-3bde-4790-9c25-8ef4ed971270] In een proces-verbaal van 10 oktober 2011 heeft CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] dit bevestigd.[_8b32b4fa-cc92-4af3-b886-445088442cc8] Vervolgens zijn de weglatingen, gespreid over enkele tranches, aan het dossier toegevoegd en is [Peter La S.] ter terechtzitting door de rechtbank uitgebreid hierover gehoord. In het verlengde van de weglatingen ligt de door de CIE-officier van justitie op 22 november 2006 aan [Peter La S.] gegeven toestemming om tijdens verhoren over de dealfeiten niet over [Willem H.] te verklaren.[_219a8274-23bc-44bc-b7ba-0115ac944be2] Deze toestemming, gegeven tijdens de onderhandelingen over de afspraak, was tot het moment van onthulling ervan niet kenbaar, noch voor procespartijen, noch voor de rechter.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de weglatingen als zodanig het geheel of onderdelen van de door [Peter La S.] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar maken of hebben gemaakt. In dit verband is het volgende van belang.
Allereerst dient te worden vastgesteld dat alle [Willem H.] -weglatingen in de vorm van een woordelijke weergave zijn teruggeplaatst in de processen-verbaal waarin de verbatim versies van de kluisverklaringen waren opgenomen. Al hetgeen [Peter La S.] in het traject dat tot de afspraak heeft geleid over [Willem H.] heeft gezegd maakt derhalve deel uit van de processtukken. Daar komt bij dat in eerder genoemd proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie 2] van 10 oktober 2011 is gerelateerd dat en op welke momenten de getuige uiting had gegeven aan zijn angst voor de persoon [Willem H.] en aan zijn wens om over hem niet te verklaren.[_38c05a23-e843-40be-b0c2-3dce35bda010]
Dit betekent dat er een volledig beeld is van alles wat [Peter La S.] over [Willem H.] heeft verklaard en van de context waarin op zijn aandringen aanvankelijk is besloten onderdelen daarvan niet toe te voegen aan het dossier.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de door [Peter La S.] in en na maart 2007 afgelegde verklaringen gemankeerd zijn als gevolg van zijn veronderstelling dat hij niet over [Willem H.] hoefde te verklaren. De verdediging heeft gesteld dat ervan moet worden uitgegaan dat feiten zich op een alternatieve wijze in het geheugen van [Peter La S.] hebben genesteld en dat dit de inhoud van zijn verklaringen wezenlijk heeft beïnvloed.
Het hof kan begrijpen dat dit vermoeden is opgekomen maar de stelligheid van de verdediging vereist een mate van introspectie die, naar het hof veronderstelt, niet door de verdediging is toegepast. Niet valt vast te stellen wat de uitwerking op het geheugen van [Peter La S.] is geweest van zijn inspanningen om, nadat hij eerst in de kluisverklaringen over [Willem H.] had verklaard, gedurende vijf jaar deze persoon buiten zijn verklaringen te houden en of dit heeft geleid tot blijvende aanpassingen in zijn herinneringen waar hij zelf de controle over is kwijt geraakt.
Het hof dient, zoals hiervoor reeds overwogen, de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] te beoordelen. Object van onderzoek zijn daarbij de verklaringen van de getuige en wat over de inhoud van die verklaringen uit de processtukken blijkt.
Met de verdediging merkt het hof onder meer de volgende, hierna zakelijk weergegeven, antwoorden aan als onvolledig.
- Jessie is vrij stil over Willem geweest, ik weet niet waar de druk voor Van der Bijl vandaan kwam (politie 20 juni 2007), [_cb4c5ef6-2c2f-46a9-b9ae-f3ff742c95fe]
- Jesse en ik hebben het niet zo vaak over Willem gehad, Willem was niet in onze directe leefwereld (politie 6 september 2007),[_da77ac35-4bf2-4ba9-b759-bf1a34d85857]
- ik heb [Willem H.] in totaal drie keer ontmoet, te weten bij het Arsenaal en 2 keer op de dag toen de auto gehuurd werd bij Avis (RC 6 juni 2007),[_ce67e1a1-da97-4df5-8bf1-e4851e27f4ad]
- [Willem H.] achter liquidaties; daarover heb ik geen verklaringen afgelegd dus is het voor mij niet zo (RC 18 juni 2007),[_36c9812d-97de-46c1-b1fe-a1e5dee77cda]
- [Willem H.] beschouw ik als opdrachtgever, hoewel ik dat niet zeker weet (RC 7 april 2008),[_6b366ccb-1d8f-4bb1-82d0-a4a543b4dc75]
- [Willem H.] is voor mij een opdrachtgever (..) maar ik kan niet zeggen per definitie van in die zaak is hij de opdrachtgever, (RC 24 april 2008),[_52020ddb-023c-47df-b8dc-b999e1a06c04]
- ik heb Dino en Willem nooit direct horen zeggen, die en die moet dood (RC 14 november 2008),[_a66a28c7-935c-428c-9c44-b828ac1ec449]
- nadere afspraken met het OM over het thema naar waarheid verklaren? nooit over gesproken (zitting rechtbank 30 maart 2009),[_0b3f6fc2-35f6-4b9b-97b7-4352f84cba83]
- ik weet niet meer waarom Houtman prioriteit had (zitting rechtbank augustus 2009),[_fd6e5c30-e5a9-4b58-a537-55589d1d62e0]
- [Willem H.] is bij één zaak betrokken, namelijk [Cor van H.]. Er schiet mij desgevraagd hierover nu niets extra’s te binnen. (zitting rechtbank 1 februari 2010, na kort overleg met de advocaat voorafgaand aan beantwoording van de vraag).[_f0884e7f-b19d-4946-92d3-d8390dca6346]
Vastgesteld kan worden dat bij deze gelegenheden, gelet op de inhoud van de kluisverklaringen, een uitgebreider antwoord over [Willem H.] voor de hand had gelegen. Dit betekent dat [Peter La S.] in deze onderdelen van zijn verklaringen niet alles heeft verklaard over zijn wetenschap aangaande de rol van [Willem H.] als opdrachtgever bij strafbare feiten terwijl hij daartoe op grond van de afspraak wel was gehouden.
Geïsoleerd beschouwd houden deze uitlatingen van [Peter La S.] evenwel geen verdere verdraaiingen ten opzichte van zijn kluisverklaringen in. De uitlatingen laten zich begrijpen als een direct en volledig gevolg van de weglatingsafspraak waarbij de rol van [Willem H.] op onderdelen is weggelaten, beperkt of geminimaliseerd. Enige uitstraling, meer in het bijzonder in belastende zin, naar de rol of bijdrage van de verdachte of een van de medeverdachten kan niet worden vastgesteld. Dat kan ook niet worden afgeleid uit de bredere context van de verklaringen waarin de betreffende uitlatingen zijn gedaan.
Het hof stelt voorts vast dat uit de kluisverklaringen, gelezen in samenhang met de teruggeplaatste weglatingen, blijkt dat [Peter La S.], waar het om contact met [Willem H.] gaat, melding heeft gemaakt van slechts een beperkt aantal relevante momenten en locaties. Het gaat om de afspraak met [Willem H.] in Naarden-Vesting in november 2004, gevolgd door een ontmoeting de volgende dag bij autoverhuurbedrijf Avis in Amsterdam, en de toevallige ontmoeting op het Gelderlandplein in Amsterdam in oktober 2005.
In de loop der jaren is gebleken dat [Peter La S.] uiteenlopend heeft verklaard over wat bij die gelegenheden is gezegd. Daarnaast heeft hij wisselend verklaard over het doel van de ontmoeting in Naarden-Vesting, waarop hierna nog nader zal worden ingegaan. Maar dit alles neemt niet weg dat deze locaties een constante vormen in alle verklaringen. Daar is niets aan toegevoegd en niets aan afgedaan door de getuige. Ook wat betreft de aanwezige personen is de getuige volledig consistent gebleven. Dit geldt ook voor de aanwezigheid en rol van [Willem H.]. Nadat de weglatingen waren onthuld en [Peter La S.] hierover ter terechtzitting van de rechtbank intensief werd ondervraagd heeft hij [Willem H.] opnieuw met deze locaties in verband gebracht op de wijze zoals hij eerder in zijn kluisverklaringen had gedaan.
Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat de weglatingsafspraak heeft doorgewerkt in de verklaringen van [Peter La S.] waar het zijn eigen ervaringen met [Willem H.] betreft. Evenmin bestaan aanwijzingen voor vervorming van herinneringen anders dan door de factor tijdverloop.
[Dino S.] ten onrechte belast?
Namens de verdachte [Dino S.] is voorts zeer uitgebreid en met veel klem betoogd dat de weglatingsafspraak erin heeft geresulteerd dat [Peter La S.] over [Dino S.] heeft verklaard waar hij [Willem H.] heeft bedoeld. Ook bij dit standpunt heeft de raadsman van de verdachte aangesloten. Dit betekent dat [Dino S.] als opdrachtgever voor moorden is genoemd terwijl in werkelijkheid deze opdrachten van [Willem H.] afkomstig waren. Door de verdediging is dit fenomeen gelabeld als een samenstel van “indeplaatsstellingen”. Met iets minder stelligheid is ook naar voren gebracht dat [Peter La S.] over de, overleden, verdachte [Ali A.] heeft verklaard terwijl hij sprak over gedragingen en handelingen die aan [Willem H.] moeten worden toegeschreven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
[Peter La S.] is in contact getreden met de CIE in augustus 2006. Dat is ongeveer een jaar na de periode waarin hij, naar zijn zeggen, intensief omging met medeverdachte [Jesse R.]. Deze laatste onderhield in die periode contact met opdrachtgevers voor moorden dan wel met handlangers of tussenpersonen van die opdrachtgevers. Uit de kluisverklaringen, afgelegd in de periode 11 september tot en met 2 november 2006, komt een beeld naar voren van een veelheid aan afspraken en ontmoetingen met die opdrachtgevers of met personen die zich voor hen in een vooruitgeschoven positie bevonden. [Jesse R.] voerde de gesprekken. [Peter La S.] bleef op de achtergrond en werd na afloop door [Jesse R.] geïnformeerd over wat er was besproken. In de meeste gevallen heeft [Peter La S.] de persoon met wie was afgesproken zelfs niet gezien. [Dino S.], met wie ook werd afgesproken volgens [Peter La S.], heeft hij nooit gezien. In deze stroom van ontmoetingen heeft [Peter La S.] zich indrukken gevormd van de hoofdrolspelers bij de opdrachtverstrekking en de voortgangsbewaking van de moorden op Houtman (gepleegd 2 november 2005) en Van der Bijl (gepleegd 20 april 2006). Hiervoor is reeds overwogen dat het enkele gegeven dat de getuige ook spreekt over indrukken of een “overtuiging” hem nog niet diskwalificeert, noch zijn verklaringen op die grond minder bruikbaar voor het bewijs maakt.
Enkele van die eerste contacten met de CIE betreffen twee ontmoetingen, aanvankelijk in het dossier aangeduid als oriënterende gesprekken. Na een daartoe strekkende opdracht van de rechtbank van 21 november 2011 is de inhoud hiervan in de vorm van een woordelijke weergave aan het dossier toegevoegd. Het gaat om de kluisverklaringen 1 en 2 van respectievelijk 11 en 12 september 2006.[_6fd00e47-2aac-4b22-aef2-683afd364fb7]
In de eerste kluisverklaring heeft [Peter La S.], gevraagd naar de moord op Van der Bijl, onder meer gezegd dat hij weet dat de opdrachtgevers [Dino S.] en [Ali A.] waren.[_ab3f17f8-cb25-4727-bb0e-8d5ee84aec18] Kort daarvoor heeft hij ook verklaard: “ik wist dat het voor [Willem H.] was”.[_9192e776-1dd6-4db7-91f8-4aca6b97bda6] Over deze moord heeft [Peter La S.] in de tweede kluisverklaring gezegd dat [Ali A.] rond Kerstmis 2005 een afspraak wilde met [Jesse R.] en [Fred R.]. Tijdens die ontmoeting bij een Chinees restaurant in Amsterdam Buitenveldert dat men “Ping” noemde, zou zijn besloten dat Van der Bijl als eerste vermoord diende te worden.[_2e08b788-8128-40e8-910f-3a53df1b3a57] [Peter La S.] heeft die dag ook verklaard dat [Willem H.] had gezegd dat Van der Bijl als eerste om het leven moest worden gebracht.[_ed32b3c4-c3ca-4816-9812-d1ec4135192d]
In de derde kluisverklaring van 10 oktober 2006 komt [Willem H.] niet aan de orde. [Dino S.] en [Ali A.] worden wel als opdrachtgevers genoemd. Zij verstrekten volgens [Peter La S.] ook de namen en de adressen.[_6db14c6f-e400-42f7-b098-0f0ad3d68290]
De vierde kluisverklaring, afgelegd op 16 oktober 2006, is voorwerp van debat en voortdurend onderzoek geweest. Op last van het hof is de weglating bekend onder de aanduiding W04-03 nader onderzocht. Na verbetering van de kwaliteit van de geluidsopname is bij proces-verbaal opnieuw een woordelijke uitwerking gemaakt van wat er is gezegd.[_14da1fda-3c5c-42d2-93e2-c693d7e57229]
Bij de beoordeling is van belang op te merken dat in deze kluisverklaring de getuige op diverse momenten zoekend formuleert, dat zinnen regelmatig onvolledig zijn, ook waar namen worden genoemd, en dat delen als niet te verstaan zijn gemarkeerd waarbij niet duidelijk is wat de omvang is van hetgeen niet is verstaan. Ook lijken sommige inhoudelijke opmerkingen van [Peter La S.] te zijn gemaakt tussen allerlei “small talk” door. Dit noopt tot enige terughoudend bij de uitleg van de gedane mededelingen.
In deze vierde kluisverklaring, gelezen als één geheel met de teruggeplaatste weglatingen, wordt [Ali A.] genoemd als opdrachtgever voor de moord op Van der Bijl. Met hem heeft [Jesse R.] veel afspraken gehad. Hij was “makkelijker voor afspraken”.[_9443b7f9-9e75-4a02-8908-d50856fdfd17] Over [Dino S.] heeft [Peter La S.] gezegd dat wat hij zegt belangrijker is dan wat [Ali A.] zegt en dat de mededeling dat de prioriteit bij de moord op van der Bijl lag bij [Dino S.] vandaan kwam.[_3b4b2f18-bcce-4cf6-b6d0-83f3af035c3e] Ook heeft hij over [Dino S.] gezegd dat de opdrachten “via” hem kwamen.[_551dce2c-3b64-40d5-8361-c1ebdc8c4557] Er worden aantallen genoemd ten aanzien van de ontmoetingen met [Ali A.] en [Dino S.], met eerstgenoemde werd vaker afgesproken dan met [Dino S.] .[_32aecaad-fe2d-41f3-b45e-0603336a22f0] Daarnaast heeft [Peter La S.] ook uitlatingen gedaan over [Willem H.]: “Ja dat was de man! ( .. ) Niet alleen in deze liquidatie. Willem was ehh in Jessies ogen, laat ik het zo zeggen, was Willem de man. Hij heeft het verstrekt.”[_14d9ece6-d076-45a0-bedf-ab20453964f6]
In hoger beroep zijn op 28 augustus 2014 na een daartoe strekkende opdracht van het hof van 4 juli 2014 de journaals van de overige oriënterende gesprekken ingebracht. Daarbij heeft de rechter-commissaris getoetst of er onderdelen buiten de stukken dienden te blijven wegens veiligheidsbelangen. Uit deze selectie blijkt onder meer dat [Peter La S.] op 14 augustus 2006 heeft gezegd dat hij niet direct over [Willem H.] kan verklaren maar, zo heeft de CIE-ambtenaar genoteerd, “als we Dino (het hof begrijpt: [Dino S.]) kunnen pakken hebben we [Willem H.] ook”.[_202ca6b1-bba6-4f68-b4f7-dd88808ab680] Op 18 augustus 2006 heeft [Peter La S.] [Fred R.] genoemd als betrokkene bij de moord op Van der Bijl en [Dino S.] als de opdrachtgever.[_a9ca45f9-d8e8-49ee-a340-42117e39a2eb]
In kluisverklaring 15, afgelegd op 2 november 2006, heeft [Peter La S.] verklaard over de moord op Houtman. Bij deze moord was hij zelf strafbaar betrokken. Als opdrachtgever voor deze moord wijst [Peter La S.] [Dino S.] aan. Er was een lijst met beoogde slachtoffers, afkomstig van [Ali A.] en [Dino S.]. Beide mannen waren 10 tot 12 dagen vóór de moord aanwezig in een horecagelegenheid in Rotterdam, door [Peter La S.] de oude Baja genoemd, waar [Jesse R.] informatie ontving.[_09f7b3d0-8c5f-4af6-91b0-f0f6c1594d71] Een dag later heeft [Jesse R.] in Diemen van [Dino S.] nadere informatie gekregen. [Peter La S.] heeft dit van [Jesse R.] gehoord. Hij heeft [Jesse R.] naar Diemen gebracht met de auto maar hij heeft zelf [Dino S.] niet gezien.[_a1538d50-997f-4ae1-bab0-5762b1b3eb79]
Uit een aanvankelijk weggelaten passage van dit verhoor, W15-11, blijkt dat [Peter La S.] heeft verklaard over een toevallige ontmoeting met [Willem H.] op het Gelderlandplein in Amsterdam. Deze vond plaats in de periode van de voorbereidingen van de moord op Houtman. [Jesse R.] was hierbij ook aanwezig. Bij die gelegenheid zou [Willem H.] hebben gezegd: “als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie”.[_cac07d30-196d-48b3-88f7-f92cdf7b26b5]
Uit deze verklaringen en mededelingen komt een diffuus beeld van opdrachtgevers en belanghebbenden naar voren waarin telkens [Ali A.], [Willem H.] en [Dino S.] figureren. Op de onderlinge verhoudingen wordt niet al teveel zicht geboden. Dat zicht had [Peter La S.], gezien zijn bronnen, ook maar in beperkte mate. De accenten die [Peter La S.] legt lopen soms uiteen. Bovendien worden niet steeds alle drie personen in een samenhangend geheel door de getuige gepresenteerd. Ook lopen de initiële verstrekking van de opdracht voor de moorden en de tussentijdse aansporingen om prioriteit te geven aan bepaalde moorden deels door elkaar. Maar de drie genoemde personen vormen echter onmiskenbaar de constanten bij de opdrachtverstrekking en prioriteitsstelling.
Het gewicht van enkele door de verdediging gelegde accenten kan hierdoor aanmerkelijk worden gerelativeerd. [Peter La S.] weet zich na de onthulling van de [Willem H.] -weglatingen tijdens verhoren ter terechtzitting van de rechtbank in 2011 de door hem op 2 november 2006 weergegeven opmerking van [Willem H.] niet te herinneren. Wel herinnert hij zich dan de opmerking: “Osdorp eerst” [_68fd5e51-b8b6-4f84-9452-d84ce9333060]. Dit is de wijk in Amsterdam waar Houtman woonde. Het hof merkt op dat bij beide opmerkingen de achtergrond wordt gevormd door plannen voor meer dan één moord en dat er kennelijk een bij de uitvoering te hanteren volgorde wordt bedoeld. Opmerking verdient voorts dat [Peter La S.] ruim één jaar respectievelijk ruim zes jaar na de ontmoeting verklaart over wat precies is gezegd. Reeds voor de eerste termijn geldt dat de herinnering aan exact gebezigde woorden kan zijn vervaagd. Gelet hierop zijn er geen aanknopingspunten om een vervorming van het geheugen van [Peter La S.] als gevolg van de weglating aan te nemen. Evenmin bestaat grond om aan te nemen dat [Peter La S.] hiermee in 2011 alsnog heeft geprobeerd de rol van [Willem H.] kleiner te maken ten koste van [Dino S.], zoals de verdediging heeft beoogd te betogen.
Hetzelfde geldt voor de locatie die [Peter La S.] heeft genoemd in kluisverklaring 4. In de “Baha” (bedoeld is de oude Baja in Rotterdam, lokaal bekend als BED) zou gezegd zijn dat Van der Bijl “prioriteit had”. Blijkens de teruggeplaatste weglating W04-03 is dit een geïsoleerde, door [Peter La S.], gemaakte opmerking. Er is geen vraag aan voorafgegaan.[_5a60f847-e2c3-486e-bfc0-cf29bb056194] Bovendien was BED, zo blijkt uit andere verklaringen van [Peter La S.], een locatie waar veel afspraken werden gemaakt. Ook met [Dino S.] werden vaker afspraken gemaakt, heeft [Peter La S.] verklaard.[_e3daf489-3244-44d6-a2d3-52541067339f] Tot slot kan door het ontbreken van context niet worden opgemaakt of [Peter La S.] hier het oog had op de verstrekking van de opdracht of op een moment waarop gezegd is dat de moord op Van der Bijl voorrang diende te krijgen. Dit betekent dat hierin, anders dan de verdediging heeft gesteld, niet kan worden gelezen dat [Peter La S.] door het noemen van deze locatie, in strijd met zijn wetenschap daaromtrent, [Dino S.] dichter bij de moord op Van der Bijl heeft proberen te brengen ten gunste van [Willem H.].
Een ander punt is de opmerking van [Peter La S.] in W04-03 dat in november 2004 een huis in Limburg en een busje met geblindeerde ramen voor de voortvluchtige [Jesse R.] moesten worden geregeld. Volgens de verdediging zou [Peter La S.] dit plan aan [Willem H.] hebben toegeschreven in kluisverklaring 4 en later, ter terechtzitting van 28 november 2011, aan [Dino S.]. Het hof merkt op dat [Willem H.] niet is genoemd in deze context; [Peter La S.] spreekt over “ze”.[_9946ae9b-582b-459e-a9e0-54458a3297c4] Reeds daarom kan niet van een indeplaatsstelling, zoals gedefinieerd door de verdediging, sprake zijn geweest. Bovendien valt het ook niet te begrijpen omdat in november 2011 de [Willem H.] -weglatingen reeds waren onthuld en bij [Peter La S.], voor zover daarvan sprake zou zijn geweest, geen behoefte bestond [Dino S.] nog in plaats van [Willem H.] te belasten.
Door de verdediging is geconstateerd dat [Peter La S.] op 2 november 2006 (in kluisverklaring 15) slechts heeft gesproken over één nieuwe klus die door [Dino S.] in BED aan [Jesse R.] zou zijn verstrekt. Die constatering is op zichzelf juist. Het hof neemt evenwel in aanmerking dat dit verhoor primair ging over de aanloop naar de moord op Houtman en de betrokkenheid van [Peter La S.] bij de uitvoering van die moord. Het onderwerp van verhoor was niet de moord op Van der Bijl. Het hof constateert voorts dat [Peter La S.] vanaf het eerstvolgende verhoor (bij de rechter-commissaris) heeft verklaard dat in BED drie opdrachten zijn verstrekt. Bij deze verklaring is [Peter La S.] vervolgens gebleven. Dat [Peter La S.] bij gelegenheid van het verhoor op 2 november 2006 kennelijk nog niet uitputtend is geweest over het aantal in BED verstrekte opdrachten acht het hof in dit licht niet onbegrijpelijk. Het hof acht niet aannemelijk de conclusie dat [Peter La S.] bij nadere verhoren heeft geprobeerd om – in strijd met de waarheid en met de bedoeling om de betrokkenheid van [Willem H.] te maskeren – het verstrekken van de opdracht voor de moord op Van der Bijl alsnog in BED te situeren.
Tot slot zouden de verklaringen van [Peter La S.] over een ontmoeting in Naarden-Vesting op 8 november 2004 een aanwijzing vormen dat [Peter La S.] in strijd met de waarheid [Dino S.] heeft belast, in het bijzonder als opdrachtgever van de moord op Houtman. Volgens [Peter La S.] ging het hierbij om een ontmoeting van [Jesse R.], [Willem H.], de journalist [Peter R.] en [Peter La S.] zelf.
Op 2 november 2006 heeft [Peter La S.] de moord op Houtman bekend. Kort voor het einde van dat verhoor heeft hij gevraagd de opnameapparatuur uit te schakelen. Uit een proces-verbaal van 7 november 2006 blijkt dat [Peter La S.] toen heeft gezegd: “Jessie vertelde mij dat hij enige tijd voor de liquidatie op Kees Houtman naar [Willem H.] is gegaan om te vragen of deze “een klus” voor hem had. [Willem H.] heeft hem toen verwezen naar Dino, waarna hij de klus kreeg om Houtman te liquideren.”[_78aaf56b-9131-4f49-974c-46249021b27c]Op 22 november 2006 heeft [Peter La S.] een gesprek gehad met onder anderen de officier van justitie [officier van justitie 2]. Er is hem toen gevraagd naar – wat is gaan heten – het “Naardenvestingverhaal”. [Peter La S.] heeft geantwoord dat [Jesse R.] daar om een klus heeft gevraagd aan [Willem H.] en dat deze hem verwees naar [Dino S.]. Uit het antwoord kan worden opgemaakt dat [Peter La S.] hierbij aanwezig was. De moord op Houtman heeft hij daarbij niet genoemd. [_395b9ed4-2907-468b-9e58-516a37144c31]
Het “Naardenvestingverhaal” waarnaar tijdens het gesprek van 22 november 2006 is gevraagd betreft een ontmoeting met de journalist [Peter R.] en [Willem H.] waarover [Peter La S.] had verklaard in de eerste kluisverklaring op 11 september 2006. In deze verklaring spreekt [Peter La S.] over Hilversum als ontmoetingsplaats.[_e07b41fa-815c-4c0d-ae46-cc370ab96323] De bedoeling was dat er van [Peter La S.] filmopnames zouden worden gemaakt. Er is opnieuw over gesproken op 2 november 2006. De woordelijke weergave van de opmerkingen van [Peter La S.] houdt in dat er een ontmoeting in het Arsenaal is geweest waarbij [Jesse R.], [Willem H.] en [Peter R.] aanwezig waren met als doel filmopnamen van [Peter La S.] te maken.[_e8c169e2-f6b2-4a1c-a1b5-2fe4b288b99e] Hierin maakt [Peter La S.] melding van de doorverwijzing door [Willem H.] naar [Dino S.] voor een vervangende auto.[_014d8a72-841b-4d2f-9353-c0365edcf645] Tijdens dit deel van het verhoor wordt er nog niet gesproken over de moord op Houtman, maar over gebeurtenissen in november 2004. Pas aan het eind van het verhoor[_1560b0e5-5ae6-4c03-a767-8c5920b19643] is de opnameapparatuur uitgeschakeld (dit blijkt uit W15-11)[_3129a66b-f2f8-4c5e-b8a0-18fd5c480c59] en heeft [Peter La S.] de mededeling gedaan als weergegeven in het proces-verbaal van 7 november 2006.
Deze uitlatingen van [Peter La S.], in samenhang gelezen, leiden geenszins tot de conclusie dat hij de opdrachtverlening voor de moord op Houtman heeft geplaatst in Naarden-Vesting waar hij aanwezig was. Immers, hij heeft op 2 november 2006 de locatie van de opdrachtverstrekking niet genoemd en hij heeft toen verklaard dat hij [Jesse R.] over de verstrekking van die opdracht heeft horen spreken. Bovendien heeft hij de plaats Naarden-Vesting verbonden met een doorverwijzing voor een niet nader bepaalde klus. Bij latere verhoren[_fd1177dd-80af-451e-a6b6-d8238e9ece36] heeft [Peter La S.] telkens op vragen hierover geantwoord dat hij het Arsenaal in Naarden-Vesting alleen in verband brengt met “liquidaties in het algemeen” en dat hij en [Jesse R.] in die tijd druk bezig waren met de voorgenomen moord op [slachtoffer 11]. Er kan daarom ook geen poging van [Peter La S.] om [Dino S.] te belasten in verband met Houtman in worden gelezen.
De voorgaande constateringen en relativeringen worden verder ondersteund door de opmerking die [Peter La S.] heeft gemaakt in een oriënterend gesprek op 9 november 2006: “Nou ja ik zeg over Dino dat heb ik alleen maar van Jes gehoord dus dat is vrij zacht. Maar over Willem dat kan hem nog wel eens zwaar aangerekend worden.”[_4e99b231-c75a-48b7-8505-c242785f6c79] [Peter La S.] heeft dit gezegd op het moment dat hij zijn voorbehoud ten aanzien van [Willem H.] al meermalen kenbaar had gemaakt. Blijkens een proces-verbaal van 7 november 2006 is op 2 november 2006 de opnameapparatuur uitgeschakeld en heeft [Peter La S.] verklaard over de ontmoeting met [Willem H.] op het Gelderlandplein. Wat er zij van de taxatie die [Peter La S.] op 9 november 2006 geeft, er kan in elk geval niet uit worden opgemaakt dat [Peter La S.] bewust en gericht de onderlinge verhouding tussen [Dino S.] en [Willem H.] anders wilde voorstellen dan hij tot dan toe in de vijftien kluisverklaringen had gedaan. Evenmin biedt het steun voor de veronderstelling dat [Peter La S.] [Dino S.] “erin heeft willen leggen”. Het globale beeld had hij op dat moment al gepresenteerd en dat is in grote lijnen in latere verklaringen ongewijzigd gebleven.
Tot slot komt ook betekenis toe aan de antwoorden van [Peter La S.], op 10 oktober 2011 ter terechtzitting gegeven op vragen van de raadsman van [Dino S.], waarin hij stellig heeft ontkend [Dino S.] te hebben gesteld in de plaats van [Willem H.] .[_e0060c02-ca4e-44b5-a5d7-ef34d1c0ac49] Op 16 april 2012, tijdens het afsluitende verhoor ter terechtzitting, heeft [Peter La S.] dit nog eens herhaald: “ Ik kan alleen zeggen dat ik niemand expres heb belast waar het niet het geval was. Ik heb niet gezegd: Dino is schuldig, terwijl dat niet waar was.”[_35b47335-6cf1-4db2-bddb-faa40cb831fd]
Al hetgeen in het voorgaande is overwogen leidt het hof tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat de [Willem H.] -weglatingen mede tot resultaat hebben gehad dat [Peter La S.] over [Dino S.] heeft verklaard waar hij [Willem H.] bedoelde.
De moord op Houtman en de gewelddadige dood van [slachtoffer 13]
Door de verdediging is aangesloten bij de kritische beschouwingen die de rechtbank in het vonnis heeft gewijd aan de verklaringen van [Peter La S.] over diens eigen rol bij de gewelddadige dood van G. [slachtoffer 13] rond 25 april 2002 en bij de moord op Houtman op 2 november 2005. Er moet serieus rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat bij beide zaken de bijdrage van [Peter La S.] anders en groter is geweest dan hij zelf heeft verklaard, aldus de rechtbank. De verdediging gaat, in navolging van de door andere raadslieden naar voren gebrachte standpunten, nog een stap verder en gaat ervan uit dat de getuige over de gang van zaken bij beide moorden niet de waarheid heeft gesproken wat negatief afstraalt op de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in het algemeen.
Dit betekent dat hij opzettelijk zou hebben gelogen om tot een afspraak met justitie te komen.
Het hof stelt vast dat het bij beide moorden – in het spoor van de verdediging bezigt het hof hierna dit woordgebruik, ook al staat ten aanzien van [slachtoffer 13] in het geheel niet vast dat hij het slachtoffer is geworden van een moord – om een zogeheten dealfeit gaat.[_4d1911f8-280c-48c2-acb2-14d16a790a48] [Peter La S.] is in de afspraak met de officier van justitie de verplichting aangegaan om over deze feiten volledig en naar waarheid te verklaren. Over de moord op [slachtoffer 13] kon [Peter La S.] als getuige verklaren in die zin dat hij [Jesse R.] en Ebeli heeft horen spreken over de moord. Bij de moord op Houtman was hij zelf strafbaar betrokken geweest.
Overigens bevat het dossier geen aanwijzingen dat [Peter La S.] in het kader van de opsporing voor één van beide moorden als verdachte in beeld was gekomen noch dat hem door wie dan ook mededelingen of suggesties in die zin waren gedaan. Op vragen daarover heeft [Peter La S.] ter terechtzitting van 12 maart 2009 verklaard nooit aanwijzingen te hebben gehad dat de politie hem in verband bracht met de moord op Houtman.[_16ff3d96-affa-4f4d-858e-010cde83a50f]
Bij die stand van zaken valt de veronderstelling van de verdediging niet te begrijpen. Uitgaande van een rol van [Peter La S.] als mededader of medeplichtige bij de moord op [slachtoffer 13] kan niet worden ingezien dat hij ook de moord op Houtman nog in de afspraak wilde betrekken. Hij had het kunnen laten bij een bekennende verklaring in de zaak- [slachtoffer 13] zonder het risico te nemen dat later zou blijken dat hij bij die moord een grotere betrokkenheid zou hebben gehad. Eén van de twee andere personen die volgens [Peter La S.] als mededader betrokken was, Ebeli, was reeds in 2003 vermoord. De andere bij de moord op [slachtoffer 13] betrokken dader, [Jesse R.], die door [Peter La S.] ook werd genoemd als de persoon die Houtman heeft doodgeschoten, zou bij een beschuldiging van actieve betrokkenheid bij twee moorden een grote risicofactor voor [Peter La S.] kunnen gaan vormen.
En omgekeerd, uitgaand van de actieve rol van [Peter La S.] bij de moord op Houtman, valt niet te begrijpen waarom [Peter La S.] van beperkte, indirecte, kennis over de moord op [slachtoffer 13] melding zou maken en in dat verband [Jesse R.] zou noemen, als zijn betrokkenheid bij die moord veel groter zou zijn. Ook in dat geval zou het risico van ontmaskering zeer groot zijn geweest.
De moord op [slachtoffer 13]
Meer in het bijzonder overweegt het hof met betrekking tot de moord op [slachtoffer 13] als volgt.
[slachtoffer 13] is voor het laatst in leven gezien op 25 maart 2002. Zijn ontzielde lichaam is gevonden in het water van het Amsterdam-Rijnkanaal op 9 april 2002. Hij was doodgeschoten.[_03ae3055-0845-4bfd-a31d-6e17d1054ce9]
In zijn negende kluisverklaring van 31 oktober 2006, die geheel gewijd is aan de moord op Gerrie [slachtoffer 13], heeft [Peter La S.] verklaard over de aanleiding voor de moord, die gelegen zou zijn in onenigheid over een partij hasj. Van Ebeli en [Jesse R.] heeft hij gehoord dat [slachtoffer 13] om het leven was gebracht. Verder heeft [Peter La S.] gezegd dat hij denkt dat [Jesse R.] [slachtoffer 13] heeft gedood maar dat hij dit niet zeker weet.[_4ec9e5da-6a91-489a-bacb-a5e7a86d4496] Bij de politie op 25 oktober 2007 heeft hij verklaard dat hij in de loop der tijd fragmenten over de gebeurtenissen heeft gehoord en heeft hij met zoveel woorden nog eens herhaald dat hij er niet zoveel van weet.[_f9b58286-f08b-4d72-9ed1-ff7c0387d795]
De stelling van de verdediging luidt dat [Peter La S.] het heel goed weet. Hij zou namelijk zelf de moord hebben gepleegd. Daartoe zijn op verzoek van de verdediging in eerste aanleg diverse getuigen ter terechtzitting gehoord en zijn zelfs anonieme bedreigde getuigen (op de voet van artikel 226a Sv) op initiatief van de verdediging geïntroduceerd. Zij hebben allen in meer of mindere mate belastend over [Peter La S.] verklaard.
Het hof merkt op dat de moord op [slachtoffer 13] niet aan de verdachte ten laste is gelegd.
Daardoor staat niet ter beoordeling of het feit bewezen kan worden verklaard. Dit betekent dat evenmin in die sleutel ter beantwoording voorligt de vraag of de getuige de waarheid heeft gesproken over dit feit.
Niettemin wordt het hof geroepen om buiten het verband van het bewijs van de tenlastelegging een oordeel te geven over het waarheidsgehalte van de verklaringen van de getuige over dit feit. Het oordeel met betrekking tot de verklaring over de moord op [slachtoffer 13] staat in de sleutel van een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] in het algemeen. In dat verband zal het hof de vraag beantwoorden of er aanwijzingen bestaan op grond waarvan moet worden aangenomen dat de getuige onwaarheid heeft gesproken. Bij een positieve beantwoording van die vraag komt immers ook de waarachtigheid van hetgeen hij overigens heeft verklaard ter discussie te staan.
Door de verdediging is gewezen op de verklaringen van de getuigen [Opa-getuige-2], [getuige 6], “NN1 hollow point”, F1 en F3. De laatstgenoemde getuige is later alsnog ter terechtzitting van de rechtbank achter gesloten deuren gehoord, waarbij de identiteit van de bedreigde getuige is onthuld aan procespartijen en de zittingsrechter. Daarnaast heeft de medeverdachte [Jesse R.] als getuige ter terechtzitting van 9 december 2010 een voor de getuige [Peter La S.] belastende verklaring afgelegd.
Namens de verdachte zijn in de kern de volgende aspecten uit de verklaringen gelicht.
F1 en F3 hebben beiden verklaard van [Peter La S.] zelf te hebben gehoord dat hij een man heeft doodgeschoten in een loods. Ook NN1 hollow point (gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 januari 2012) heeft [Peter La S.] hierover horen spreken. Dit kan volgens de verdediging over niemand anders dan [slachtoffer 13] zijn gegaan. [Jesse R.] heeft op 9 december 2010 ter terechtzitting verklaard hoe [Peter La S.] [slachtoffer 13] heeft doodgeschoten. De getuige [Opa-getuige-2] heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 15 maart en 5 april 2011 verklaard over een gesprek dat hij heeft gehad met [Peter La S.] bij de duikersplas in Vinkeveen waarin deze, sprekend over [slachtoffer 13], vertelde dat “het uit de hand was gelopen”. [Jesse R.] was mogelijk ook betrokken. De getuige [getuige 6] (gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg op 23 mei 2011 en op 7 juni 2011) heeft verklaard [Peter La S.] en [Jesse R.] te hebben ontmoet bij AC-restaurant Lage Weide op de dag van de moord. Deze vertelden dat ze zojuist iemand hadden doodgeschoten en het lijk in het water hadden gegooid. [Peter La S.] had geschoten, hij was er trots op.
Hiertegenover staat de ontkenning van [Peter La S.] dat hij bij de uitvoering van de moord betrokken is geweest. Hij is zelfs niet op de plaats van het delict geweest, zo heeft hij verklaard.
Het hof betrekt het volgende in de beoordeling.
Het aantal getuigen dat over betrokkenheid van [Peter La S.] bij een levensdelict heeft verklaard is aanzienlijk. Opmerkelijk is dat [Peter La S.] van meet af aan kenbaar heeft gemaakt wel iets van de moord op [slachtoffer 13] te weten maar dat dit van geheel andere orde is dan wat de getuigen hebben verklaard.
Wat F3 betreft springt in het oog dat deze getuige ook op naam bij de rechter-commissaris is gehoord op 6 februari 2009. Dit is ongeveer een jaar vóór het moment waarop ten aanzien van deze getuige het verzoek tot verlening van de status van bedreigde getuige werd gedaan. Bij die gelegenheid heeft de getuige onder meer over [Peter La S.] gezegd: “In elk geval heeft hij mij nooit iets verteld over ernstig geweld in de richting van anderen”.[_b0ed476f-aebc-45ee-9a42-9663070d46b0]
Uit de verklaringen van de getuige NN1 blijkt dat hij, buiten het punt dat de moord in een loods zou zijn gepleegd, geen verdere details of kenmerkende elementen kan noemen van hetgeen [Peter La S.] tegen hem zou hebben gezegd. Hij heeft slechts een zeer globale herinnering.
Daarnaast dringt één kwestieus aspect in het bijzonder zich op. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris van de getuige op 1 september 2011 komt aan de orde dat de getuige pas bij deze gelegenheid voor het eerst over de loods spreekt en dat hij dit niet eerder tegen de advocaten met wie hij contact had gehad, had verteld.[_c2c99298-2b48-4104-86c9-3430ee49a28a] De getuige heeft ter terechtzitting van 19 januari 2012 toegelicht dat de aanleiding om de loods als locatie te noemen was gelegen in wrevel die bij hem was ontstaan in de richting van [Peter La S.] .[_824307ff-1354-49bc-ad97-e83fafabb72c] De getuige NN1 bleek tijdens genoemd verhoor bij de rechter-commissaris op de hoogte te zijn van de inhoud van de verklaringen van de F-getuigen die onder meer over een loods als locatie van de moord hebben verklaard.[_ac76d6ae-436c-4bcd-9599-29b121be877c] Het voorgaande betekent dat (de totstandkoming van) het enige onderscheidende element in de verklaring van NN1 zoveel vragen oproept dat hierin geen ondersteuning kan worden gelezen voor de door de verdediging geopperde suggestie.
Wat de getuige [Opa-getuige-2] betreft valt op dat hij zich blijkens de verklaringen van de getuige Kaale sr heeft uitgelaten over de moord op [slachtoffer 13]. Op 26 januari 2009 heeft Kaale bij de rechter-commissaris verklaard van [Opa-getuige-2] te hebben gehoord dat Gerrit [slachtoffer 13] [Jesse R.] uit zijn woning in Spanje had verwijderd. [Jesse R.] heeft toen aan Ebeli gevraagd om [slachtoffer 13] “om zeep te helpen” maar hij heeft het niet gedurfd. Het is later ergens in een zijkamertje alsnog gebeurd, heeft [Opa-getuige-2] aan Kaale verteld.[_8f5cf814-cb98-4038-b3a7-65d98a7ffbdf] [Opa-getuige-2] heeft aan Kaale nooit iets gezegd over de rol van [Peter La S.] hierin.[_0880ddf0-159c-45e0-93ad-6eb454bc9094] Op 2 juli 2009 heeft Kaale sr deze verklaring in grote lijnen herhaald en daaraan toegevoegd dat het volgens [Opa-getuige-2] [Jesse R.] was die [slachtoffer 13] heeft doodgeschoten.[_69d56ac6-9b70-4902-a282-78c257f52de5]
[Opa-getuige-2] zelf is op 31 januari 2008 gehoord. Hij noemde bij die gelegenheid [Peter La S.] een hond, die ook [Cor van H.] wilde omleggen.[_47265e11-9eb5-46d6-a752-6b768fc30688] Ondanks deze opvatting en wetenschap heeft de getuige niet gesproken over de moord op [slachtoffer 13]. [Opa-getuige-2] heeft voorts ongeveer in het jaar 2008 aan de misdaadjournalist Korterink verteld dat [Jesse R.] of Ebeli de moord heeft gepleegd. Korterink heeft in die lijn ook een artikel geschreven. Dit is door Korterink als getuige verklaard onder meer ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2014.[_e9493316-ed51-44c4-ada3-0bc73f0b2694]
Uit de uitlatingen van [Opa-getuige-2] zoals gedaan tegenover Kaale en Korterink en, in mindere mate, uit diens verklaringen kan worden afgeleid dat [Jesse R.] mogelijk een actieve rol bij de moord heeft gehad. De wijze waarop [getuige 6] verslag heeft gedaan van de ontmoeting bij het wegrestaurant wijst in de richting van betrokkenheid van zowel [Jesse R.] als [Peter La S.], in elk geval bij het wegmaken van het lijk. Dit alles verdraagt zich moeilijk met de verklaring van [Jesse R.] zelf dat hij aanwezig was als mediator en dat [Peter La S.], nadat Ebeli bewust niet gericht op [slachtoffer 13] had geschoten, als enige [slachtoffer 13] met door hem afgevuurde kogels dodelijk heeft verwond.
Verder is het hof opgevallen dat de getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij een afspraak had met [Jesse R.] en dat hij Ebeli niet kende.[_66920342-da80-49e6-b76c-d06f103454a1] [Jesse R.] daarentegen heeft op 7 juni 2011 als getuige ter terechtzitting verklaard dat [getuige 6] een afspraak had met Ebeli en dat hij, [Jesse R.], deze afspraak slechts heeft aangegrepen om Ebeli te ontmoeten. [Jesse R.] zou namelijk nog de sleutel van de loods waarin het lichaam van [slachtoffer 13] had gelegen, uit handen van Ebeli terugkrijgen.[_f4fdf1b0-0ade-4002-aa73-4bab87b8947a] Dit is een opmerkelijk verschil, met name in het licht van het gegeven dat Ebeli mogelijk één van de personen op de plaats delict is geweest.
Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat van diverse getuigen niet kan worden vastgesteld of dan wel wanneer zij de waarheid hebben gesproken. Daarmee ontvalt de feitelijke grondslag reeds grotendeels aan de stelling van de verdediging over de betrokkenheid van [Peter La S.] bij de moord op [slachtoffer 13].
Indien de inhoud van de afgelegde verklaringen toch als vertrekpunt wordt genomen, moet naar het oordeel van het hof met een veelheid aan mogelijke scenario’s rekening worden gehouden. Zo kan niet worden uitgesloten dat [Jesse R.] de dodelijke schoten heeft gelost. Evenmin kan het voor onmogelijk worden gehouden dat [Peter La S.] de schutter is geweest. Een gang van zaken waarbij [Peter La S.] en [Jesse R.] door hun respectieve bijdragen beiden als medeplegers hebben te gelden is eveneens denkbaar. Een actieve rol van Ebeli is in aanvulling daarop of wellicht zelfs in plaats daarvan ook niet denkbeeldig. Deze scenario’s sluiten elkaar voor een niet onbelangrijk deel uit.
Tot slot betrekt het hof de afwegingen van [Peter La S.] om uiteindelijk over Houtman te verklaren in de beoordeling van de vraag naar zijn mogelijke betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 13]. Op 12 maart 2009[_ab9f6ea8-549a-4bc3-add1-cd43e785be5a] heeft hij hierover ter terechtzitting uitgebreid verklaard. Onder meer als volgt:
“Ik heb in Engeland nagedacht over de mogelijkheid om een deal met justitie te sluiten zonder Houtman te bekennen. Ik realiseerde mij dat de kans heel klein was dat dit kon. Bij de eerste oriënterende gesprekken met justitie in Nederland werd dat gevoel steeds sterker. Toen heb ik besloten de knoop door te hakken. Ik had begrepen dat ik volledige openheid van zaken moest geven als ik tot een deal wilde komen. (..) Ik vreesde dat ik met minimale veiligheid zou worden weggezet als ik niet alles zou vertellen. Ik dacht inderdaad dat de omvang van de bescherming minder zou zijn als ik Houtman niet zou bekennen. (..)
De voorzitter merkt op dat mij eerder is gevraagd of ik Houtman in de deal heb betrokken om mezelf interessanter te maken, en dat ik toen heb verklaard dat ik Houtman helemaal niet nodig had omdat er al genoeg was om tot een deal te komen. Zo heb ik het niet helemaal gezegd. Ik heb gezegd dat de zaken die tot dan toe besproken waren, interessant genoeg waren voor een deal, en dat ik op dat moment dacht dat het makkelijker zou zijn om zonder verklaring over Houtman tot een deal te komen. Maar dat had natuurlijk aan het licht kunnen komen in de rechtszaal. (..)
Voordat ik besloot over Houtman te verklaren heb ik nagedacht over hoe lang ik in dat geval zou moeten zitten. Ook heb ik nagedacht over de consequenties als ik niet over Houtman zou verklaren en dit zou uitkomen. Dan zou de halvering van de strafeis van de baan zijn. Ik heb alle voors en tegens tegen elkaar afgewogen en een beslissing genomen.”
Tegen de achtergrond van al deze afwegingen valt niet te begrijpen dat [Peter La S.] de aandacht vestigt op zijn beperkte wetenschap van de moord op [slachtoffer 13] terwijl hij daar een grotere betrokkenheid bij zou hebben gehad en [Jesse R.], op zijn minst als getuige, daarvan kennis zou dragen. Er mag van worden uitgegaan dat [Peter La S.] zou hebben stilgestaan bij alle risico’s die zijn verbonden met achtergelaten sporen en geïnformeerde getuigen op een wijze die nog veel indringender is dan bij zijn afwegingen ten aanzien van de beslissing om over de moord op Houtman te verklaren.
Bij deze stand van zaken dient de conclusie te zijn dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om er rekening mee te moeten houden dat [Peter La S.] onwaarheid heeft gesproken in zijn verklaringen over de zaak- [slachtoffer 13]. Dat betekent eveneens dat deze verklaringen hierover geen aanknopingspunt bieden voor twijfel aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in het algemeen.
In voorgaande beschouwingen heeft het hof de totstandkoming van en gang van zaken bij het contact tussen de betrokken advocaten en de getuigen ten aanzien van de zaak- [slachtoffer 13] buiten beschouwing gelaten. Datzelfde geldt voor de positie die de getuigen zouden hebben ten opzichte van [Jesse R.] en zijn familie en [Peter La S.]. Door de advocaat-generaal zijn hierbij diverse kritische kanttekeningen geplaatst. Ook kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of voldoende vaststaat dat de getuigen in alle gevallen specifiek over de moord op [slachtoffer 13] hebben gesproken.
De moord op Houtman
Houtman is op 2 november 2005 rond 20.00 uur, gezeten op de bestuurdersstoel van zijn auto, voor de ingang van zijn woning beschoten. Hij had kort tevoren de woning verlaten. Ondanks zijn verwondingen is Houtman nog uit de auto gestapt en naar de woning gelopen waar hij kort daarna is overleden.
[Peter La S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] met een vuurwapen van het merk Glock Houtman van dichtbij heeft doodgeschoten, terwijl deze in de auto zat of aan het instappen was. [Peter La S.] zelf heeft op enige afstand gestaan.[_7ba13bb3-6a74-4942-b87a-cac03b3dd3fb] Hij was gewapend met een Kalashnikov-geweer en heeft daarmee “dekkingsvuur” gegeven dat tot doel had mensen op afstand te houden.[_fbdd3f12-1def-4229-bf9e-6c265fd828cd]
Namens de verdachte is het standpunt ingenomen dat [Peter La S.] aantoonbaar heeft gelogen over de gang van zaken op de plaats delict. De verdediging heeft tijdens het pleidooi een hiervan afwijkend scenario onderbouwd. Voorts is aangesloten bij nog een ander scenario dat door de raadslieden van één van de medeverdachten naar voren is gebracht. Deze scenario’s houden in dat [Peter La S.] en zijn mededader een andere rolverdeling hebben gehad waarbij [Peter La S.] zelf op Houtman heeft geschoten respectievelijk dat [Peter La S.] in het geheel niet op de plaats van het delict aanwezig is geweest. Voor beide alternatieven is in de kern ter ondersteuning aangevoerd dat de verklaring van [Peter La S.] vrijwel geen bevestiging vindt in objectieve onderzoeksgegevens en dat er uit het opsporingsonderzoek sterke contra-indicaties voor de door hem geschetste gang van zaken zijn gebleken. Met andere woorden, [Peter La S.] beschikt niet over daderkennis, althans niet over daderkennis die overeenkomt met de rol die hij bij de moord heeft gehad.
Het hof overweegt als volgt.
Vooraf verdient opmerking dat rekening dient te worden gehouden met de eerder besproken “zekerheidjes” die door [Peter La S.] in zijn eerste verklaring over de moord op Houtman zijn verwerkt. Deze betreffen in elk geval de looproute. Voor het overige zijn ze door [Peter La S.] inhoudelijk niet geduid.
3.3.8.1 Invloed vanuit mediaberichtgeving?
De suggestie is namens de verdachte gedaan dat [Peter La S.] zijn informatie over de gebeurtenissen op de plaats delict zou hebben verkregen via berichtgeving in de media. Meer in het bijzonder is daarbij genoemd het artikel “De fatale deal” in Nieuwe Revu, nummer 41 van oktober 2006.[_85e674df-c65c-4a84-b8d4-555ceaa74f4d]
De advocaat-generaal heeft naar het oordeel van het hof in repliek met juistheid gewezen op enkele feiten die gedurende het onderzoek zijn komen vast te staan en waarover het artikel evidente onjuistheden bevat. Zo vermeldt het artikel in afwijking van de onderzoekresultaten dat Houtman in zijn auto aankwam bij zijn woning; dat hij bij aankomst bij zijn woning geroepen werd door twee mannen van achter een heg; dat Houtman is doodgeschoten met een
automatisch wapen en geraakt werd door zes kogels; dat Houtman vier of vijf keer
teruggeschoten heeft. Geen van deze, onjuiste, elementen komt voor in de verklaringen van [Peter La S.]. Integendeel, [Peter La S.] heeft verklaard dat Houtman is doodgeschoten nadat hij vanuit de woning naar de auto was gelopen en dat gebruik is gemaakt van een halfautomatisch wapen, te weten een Glock van waaruit ongeveer tien patronen zijn verschoten. Van terugschieten door Houtman heeft [Peter La S.] geen melding gemaakt.
Overigens worden in het artikel weinig tot geen opvallende details genoemd. Er is dus geen serieuze aanwijzing dat [Peter La S.] zich in zijn verklaringen op de inhoud ervan heeft gebaseerd.
3.3.8.2 Gelogen over de Fiat?
Volgens [Peter La S.] is Houtman die avond rond 19.45 uur in een bestelauto, door hem “Combo” genoemd, komen aanrijden.[_a9d6efa3-a1b9-406c-8dec-5bc7754a3799] Gebleken is later dat het een Fiat Doblo betrof. Houtman zou de woning zijn ingegaan en later, toen hij weer buitenkwam te hebben plaatsgenomen in de Mercedes, waarna hij direct is doodgeschoten. Deze gang van zaken heeft [Peter La S.] in de loop der jaren telkens op deze wijze weergegeven.[_31b8efec-d54f-4bc9-b746-a035b8d6d53e] Als vaststaand kan worden aangenomen dat [Peter La S.] het hier niet bij het rechte eind heeft gehad. Uit diverse getuigenverklaringen is gebleken dat de Doblo de hele dag voor de woning heeft gestaan.[_92d83720-e68e-4c13-8e7e-84574be5ad5a] Ook de bevinding dat het wegdek onder de Doblo droog was bij de start van het forensisch onderzoek wijst in die richting.[_3b9a2189-7b34-417b-96fc-7478799b9a75] Houtman is eerder die avond in de Mercedes komen aanrijden. Volgens [Peter La S.] is dat “absoluut niet waar”.[_903c13a9-96f0-4305-8484-6ed7a0287c34] [Peter La S.] heeft op vragen hierover steeds gezegd dat hij niet weet of dit een zekerheidje kan zijn geweest.[_3bacc77f-0ef8-467d-ad14-4c644be9a45b]
Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien wat redelijkerwijs de winst voor [Peter La S.] zou kunnen zijn geweest om hierover bewust in strijd met de waarheid te verklaren. Zeker niet waar het gaat om eventuele steun voor de veronderstelling dat [Peter La S.] hiermee zou hebben kunnen verhullen dat hij de Glock heeft gehanteerd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat hij zich heeft vergist.
3.3.8.3 Kernpunten betreffende de plaats delict Houtman: de hulzen en de looproute
Eén van de omstreden onderdelen van de verklaringen van [Peter La S.] is de vraag wat er met de hulzen die door de Kalashnikov zijn uitgeworpen is gebeurd. Hij heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd. In kluisverklaring 15 heeft [Peter La S.] verklaard dat hij en [Jesse R.] zich niet druk hebben gemaakt om de hulzen die op plaats van het delict (hierna: PD) achterbleven.[_9d937ec4-364a-43bf-ba06-67cf4acf3d61] De hulzen uit de Kalashnikov waren nieuw uit het doosje en de Glock kwam van [Sjaak B.]. [Jesse R.] had er veel vertrouwen in dat de wapens “schoon” waren.[_93742c52-3c8a-4499-968b-ef3809621fd3] Opmerkelijk in dit verband, met name in het licht van het vervolg, is dat tijdens dat verhoor op een vraag over het mogelijk gebruik van een hulzenzakje door [Peter La S.] niet wordt ingegaan.
De kwestie van de hulzen hield [Peter La S.] kennelijk bezig. In een gesprek met officier van justitie Wind op 16 mei 2007 is hij hierop zelf teruggekomen en heeft hij gezegd dat hij heeft nagedacht over de hulzen. Hij herinnert zich dan dat hij iets in zijn handen heeft gehad dat hem hinderde bij het starten van de vluchtauto na de moord. Wat hij in zijn handen had, heeft
hij toen aan [Jesse R.] gegeven. [Peter La S.] acht het mogelijk dat [Jesse R.] deze voorwerpen onderweg uit het raam heeft gegooid. Diezelfde dag heeft [Peter La S.] een locatie aangewezen waar dit zou kunnen zijn gebeurd.[_14e91f8f-7177-42c2-91d0-e1cc0b46f536]
Bij aanvang van het daaropvolgend verhoor van 24 mei 2007 vroeg [Peter La S.] direct aan de verhoorders of de hulzen waren gevonden.[_154ac52d-d057-42c1-bb96-d0bc60dd4042] In dit verhoor van 24 mei 2007 heeft [Peter La S.] verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij hulzen in zijn handen had bij het starten van de auto, maar dat hij zich niet kan herinneren dat hij ze geraapt had. [Peter La S.] heeft verklaard dat
[Jesse R.] onderweg de hulzen heeft weggegooid, bij een talud. Hij heeft hieraan toegevoegd dat dit relaas tot stand is gekomen door terug te redeneren en door reconstructie.[_c10eaefb-ddcb-47ce-b0ba-2ad9872f0d2c]
Tijdens een politieverhoor op 20 juni 2007 heeft [Peter La S.] opnieuw aangedrongen op het zoeken naar de hulzen. Daarbij is nog over een tweede mogelijke locatie gesproken.[_10f8a0c4-732d-4763-8123-b36f52931dee]
Tijdens een zeer uitgebreid politieverhoor van 15 augustus 2007 kan [Peter La S.] zich niet herinneren dat er maatregelen zijn genomen om de hulzen op te vangen.[_27093155-6911-45de-90af-179f6b446249]
In zijn verhoor van 4 oktober 2007 heeft [Peter La S.] verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij de hulzen heeft overgedragen aan [Jesse R.], maar dat hij inmiddels niet meer weet of het losse hulzen waren of dat het om een hulzenzakje ging. [Peter La S.] voegde hieraan toe dat zijn geheugen “niet meer schoon” is maar teveel is aangevuld met later gegeven informatie.[_f02f0cc9-cb83-429c-9c18-6fe92c49e3eb]
Uit de processtukken blijkt dat op 4 en 11 oktober 2007 bij nader onderzoek van de plaats delict (verder: PD) tweemaal drie hulzen zijn gevonden.[_24c9f0d1-2e36-4013-b151-4b5dd3ae8e86] Deze zijn afkomstig van patronen van het kaliber dat is bestemd voor een Kalashnikov aanvalsgeweer. Twee hiervan zijn waarschijnlijk, de andere vier mogelijk, verschoten met de in de Amstel aangetroffen Kalashnikov.[_6bfe9d3c-ea47-4e3c-8b30-2b1158f1b1ba] De hulzen zijn gevonden in de tuin van de overburen van Houtman, achter de heg, ter hoogte van een lantaarnpaal.
Tot slot blijkt dat in de tas met de gebruikte Kalashnikov (waarover hierna meer) stukken textiel zijn aangetroffen die als hulzenzakje kunnen worden gebruikt.[_0d7adf86-d2f9-4730-a10b-960ae3ed3f29] Tijdens het verhoor van 19 december 2007[_a6eb4bbe-d064-4b5a-8cd1-00e2449eafd4] kon [Peter La S.] zich het gebruik ervan herinneren.
Het hof stelt vast dat [Peter La S.] er aanvankelijk geen herinneringen aan heeft dat enige zorg is besteed aan de hulzen. Het was niet nodig, luidde zijn verklaring.[_7f34be07-11f6-4c34-a64e-a588d4d3ff6f] Zoals uit eerdere beschouwingen al naar voren kwam was [Peter La S.] zich voortdurend bewust van het belang van technische en objectieve bevestiging van zijn verklaringen. Het eerste resultaat van die sensitiviteit was een uitleg over een hand vol voorwerpen die hem hebben gehinderd bij het wegrijden met de vluchtauto. In latere instantie werden deze voorwerpen door hem geduid als hulzen. De vraag of [Peter La S.] deze ook heeft geraapt blijft onbeantwoord. Verder dan speculatie over de vraag of en hoe de hulzen in alle hectiek zouden kunnen zijn geraapt, komt hij niet. Op een bepaald moment, ongeveer een jaar na het afleggen van kluisverklaring 15 moet [Peter La S.] dan zelf constateren dat zijn herinnering niet meer is te onderscheiden van de informatie waarmee hij is gevoed. Aangenomen moet worden dat de uiteindelijke vondst van de hulzen aan die vermenging alleen maar kan hebben bijgedragen. Dit alles relativeert de betekenis van alle verklaringen die [Peter La S.] over de hulzen heeft afgelegd in zeer aanzienlijke mate. Dat geldt ook voor de kluisverklaring van 2 november 2006, die door de procespartijen nog wel eens als “fris van de lever” is getypeerd. Deze verklaring is evenwel afgelegd nadat reeds een jaar sinds de moord was verstreken en is gebaseerd op ervaringen die zijn opgedaan tijdens zeer gecomprimeerde gebeurtenissen onder ongetwijfeld stressvolle omstandigheden. Bovendien heeft [Peter La S.] lang geaarzeld voordat hij zijn bekennende verklaring over de moord op Houtman aflegde.[_39ab5095-fe4b-4035-b416-212092e04fdd] De tactische inzet van met de waarheid schurende details kan niet worden uitgesloten. Daarnaast heeft de behoefte om een sluitende en verifieerbare verklaring af te leggen een mechanisme bij [Peter La S.] in werking gezet waarover hij vrijwel direct zelf al niet meer de controle had.
Bij deze stand van zaken kan alleen een voor de bewijslevering zinvol verband worden gezocht tussen de vindplaats van de hulzen en de globale aanduiding van de locatie(s) waarvan [Peter La S.] heeft gezegd dat hij daar schoten heeft gelost.
Daarvoor is eerst een nadere verkenning nodig van hetgeen [Peter La S.] over de looproute op de PD heeft verklaard.
3.3.8.4 De looproute
[Peter La S.] heeft op 2 november 2006 verklaard dat rond 19.15 uur hij en [Jesse R.] aankwamen bij de woning van Houtman. [Jesse R.] had onderweg de wapens geprepareerd en doorgeladen.[_322ca5d4-48c5-4c8e-838b-6191af60e137] De Mercedes van Houtman stond voor de deur met de achterzijde richting het park. Ze zijn in de bosjes gaan zitten bij de buren. Er kwam een Combo aanrijden en de bestuurder parkeerde deze auto met de achterkant in de richting van het park, stapte uit en ging naar binnen. Volgens [Jesse R.] was het Houtman.[_0bc91512-e7b7-4757-8197-a3b8a7aea045]
Na enige tijd kwam Houtman naar buiten; hij liep naar de Mercedes. Hij opende de deur aan de bestuurderskant. [Jesse R.] liep toen op Houtman af, de afstand tot de auto was een meter of tien. [Peter La S.] denkt dat Houtman nog niet helemaal ingestapt was. [Jesse R.] schoot zonder onderbreking, twee handen geklemd om het wapen.
Over zijn looproute heeft [Peter La S.] gezegd:
“Ik ben naar de andere kant van de auto gelopen. […] Jesse liep weg vanaf de bestuurderszijde en liep in mijn richting en liep door. Ik zag plotseling lichtsporen. Rood van kleur. Ik heb geen idee wat het was maar het kwam in mijn beleving vanuit de richting van het huis. […] Ik schoot. Ik had mijn rechterhand aan de trekker en vuurde een salvo. Ik denk ongeveer 6 schoten.” [_d88b60cd-c9be-410c-a9d6-f44855eedeb8]
Bij het proces-verbaal van het verhoor is een situatietekening gevoegd die [Peter La S.] op diezelfde dag heeft gemaakt.
Over deze route heeft [Peter La S.] later gezegd dat dit een zekerheidje was. Bij diverse gelegenheden, bijvoorbeeld ter terechtzitting van 15 juni 2009 maar ook al bij de rechter-commissaris op 10 mei 2007 heeft hij gezegd dat hij op dit punt bewust niet naar waarheid heeft verklaard.[_9bf045f1-3b82-4ada-afd1-10d04279162d]
Opmerking verdient dat [Peter La S.] in kluisverklaring 15 slechts zeer summier heeft verklaard over de looproute. Bij de rechter-commissaris, op 15 maart 2007, is hier maar weinig bij gekomen.[_55c13dea-d6d2-4f1c-96fd-7ebf4f7ce5b1] Dat wekt geen verwondering want het ging hierbij om een zogeheten toetsverklaring. Deze is afgelegd in een verhoor met als doel de toetsing van de rechtmatigheid van de afspraak met justitie. Dit verhoor is van relatief korte duur en van beperkte diepgang geweest.
Op 24 mei 2007 is [Peter La S.] uitgebreid gehoord door de politie over de looproute. In de processen-verbaal van dit verhoor wordt verwezen naar een plattegrond maar het bijgevoegde exemplaar is niet ingetekend. [Peter La S.] toonde zich in dit verhoor onzeker over de richting waarin hij is gelopen toen [Jesse R.] schoot: doorgelopen langs de steeg tegenover de woning van Houtman, op de stoep, misschien iets verder nog.[_a609c667-3d35-4dd8-8607-1be5b32bcd4e] Volgens [Peter La S.] heeft hij twee salvo’s afgevuurd. Bij de eerste raakte hij de controle over het wapen kwijt. Rond het tweede salvo (over het precieze moment twijfelt hij en doet hij verschillende uitspraken) kwam [Jesse R.] hem voorbijgelopen op weg naar de auto. Over de plaats van het tweede salvo heeft [Peter La S.] verklaard, dat deze op de stoep maar misschien “wel iets verder nog” was gelegen. Hij heeft verklaard dat hij op die plek heeft “rondgelopen”.[_78bbf73c-c62a-4786-a04c-48d7c4a809d3]
Op 15 augustus 2007 is [Peter La S.] opnieuw gehoord door de politie over de moord op Houtman. [Peter La S.] zegt dat hij tussen de bosjes en de Mercedes een salvo heeft afgevuurd waarbij het huis naast dat van Houtman is geraakt. Daarna is hij voor dan wel achter [Jesse R.] langs gelopen (die bij de openstaande deur van de Mercedes stond) en op de hoek bij de steeg aan de overkant van de straat gaan staan. Daar heeft hij in de lucht en in de Doblo geschoten.[_df6c6a7c-8610-4c7e-9c5d-86ace3d3b30a]
Op 4 oktober 2007 is [Peter La S.] weer door de politie gehoord. Er is een tekening gemaakt door [Peter La S.] tijdens dit verhoor. Daarop staat het eerste kruisje op de stoep en het tweede kruisje bij de knik in de heg bij de ingang van de steeg.[_7dbf7329-eb4d-4576-ad95-fbf1bd6eb6c2] Op deze tweede plek zijn zeer korte tijd na dit verhoor de hulzen gevonden. Overigens blijkt uit het proces-verbaal van dit verhoor niet ondubbelzinnig of met het kruisje ook de plaats van schieten is bedoeld. Dit moet worden afgeleid uit de samenhang met de verklaring van 15 augustus 2007.
Op 19 december 2007, nadat de vondst van de hulzen heeft plaatsgehad, heeft [Peter La S.] gezegd dat het een “vrij groot stuk” is waar hij heeft rondgelopen en dat hij niet kan zeggen waar hij precies heeft geschoten.[_774c51db-6e80-413f-85ff-c26b9c40cecc]
Uit dit overzicht kan de conclusie worden getrokken dat [Peter La S.] niet met al te veel scherpte heeft gesproken over de locaties waar hij heeft gestaan tijdens de moord. Zijn herinneringen zijn ook niet zo scherp omlijnd. Soms zegt hij met zoveel woorden dat hij het niet precies weet. In het politieverhoor van 24 mei 2007 is onmiskenbaar sprake van invulling, op basis van niet meer dan een globale herinnering.
Door de advocaat-generaal is voorts nog gewezen op de animatie van de gebeurtenissen op de PD Houtman, waarover door de deskundige Lucas ter terechtzitting van de rechtbank op 2 juli 2009 een verklaring is afgelegd. Deze verklaring houdt onder meer het volgende in. Alle kogels uit de Glock moeten Houtman hebben geraakt terwijl hij op de bestuurdersstoel zat. Bij het schieten richting de Doblo en de woning moet de schutter met de Kalashnikov, gelet op het sporenbeeld, in de steeg naast de heg hebben gestaan. Alleen vanuit deze positie kunnen de doorschotopeningen in de Doblo worden verklaard.[_56ad5ce3-1846-4747-8329-1a352f515d1e]
Het hof betrekt voorts in de overwegingen dat uit het onderzoek naar de Kalashnikov (waarvan hierna zal worden vastgesteld dat deze gebruikt is door [Peter La S.]) is gebleken dat deze de hulzen rechts uitwerpt. Deze komen verspreid op de grond terecht op een afstand van 4,5 tot 7,7 meter vanaf de vuurplek, zo is gebleken uit onderzoek verricht op 12 september 2007 door de politie en het NFI.[_ebbc1fca-3e5d-459f-b03e-07bc54fab52c] Tot slot vereist het geen bijzondere deskundigheid om te concluderen dat de vindplaats van de hulzen (in de tuin van de overburen van het slachtoffer, nabij de heg op een diepte van 2 tot 4 centimeter)[_c99a6d3c-25bd-423f-9253-e8a6e1d6cc17] niet exact de plek hoeft te zijn geweest waar deze twee jaar eerder op de grond zijn gevallen. Dit alles impliceert dat ook bij de uitleg van deze gegevens van een onzekerheidsmarge moet worden uitgegaan.
Door de verdediging is gewezen op de verklaringen van diverse ooggetuigen. Deze zouden op onderdelen sterk verschillen van de verklaringen van [Peter La S.] en daarom de betrouwbaarheid ervan ondermijnen.
De heer [getuige 16], overbuurman, is op de dag van de moord zeer summier gehoord. Daarna pas weer op 4 juni 2007 en 13 januari 2009.
Op 4 juni 2007[_79edc88a-9df1-44dc-a8a6-cf9cd8de8255] heeft hij verklaard dat hij 3 tot 6 knallen hoorde en toen naar het raam liep. Daar zag hij dat een persoon kennelijk vanuit de steeg de straat opliep en schoten afvuurde tijdens het rennen, met het wapen op heuphoogte. Hij vuurde in de richting van de Mercedes. Hij zegt ook dat deze man naar de Mercedes liep en daar leek te willen schuilen.
Hij heeft verklaard op 13 januari 2009[_3a91108b-4138-4c50-a79b-79a330e05c55] dat hij en zijn gezinsleden tussen 19.00 en 20.00 aan het eten waren en knallen hoorden. Hij zag een man in donkere kleding die een lang voorwerp op heuphoogte vasthield. Daar kwamen flitsen uit en hij hoorde knallen. De schutter met het lange wapen liep vanuit de richting van de steeg.
[getuige 17] en [getuige 18] (moeder en dochter van het slachtoffer) hebben blijkens hun eerste verklaringen de moord niet gezien. Na het horen van de schoten zijn zij naar het keukenraam gelopen. [getuige 17] heeft op 3 november 2005 gezegd dat ze mannen heeft zien wegrennen vóórdat er door haar man werd gebonsd op de deur. Ze speculeert op dat moment over de richting vanwaar de daders kwamen.[_758a868c-797d-4fa9-a41b-902e632cbcc6]
Later, op 6 april 2007 heeft [getuige 17] verklaard dat ze twee mannen ‘vanaf het busje’ vanaf de rechterkant had zien komen rennen. Ze zag vanuit het keukenraam dat ze schietend kwamen aanrennen. Ze hadden allebei een geweer.[_6feb41c2-4aaf-499b-90d0-85d0e8a3c56d]
[getuige 18] (gehoord op 3 november 2005) hoorde schoten en zag twee mannen die zich nog even omdraaiden en daarna de steeg in renden. Over de plaatsen vanwaar is geschoten en of 1 dan wel 2 personen hebben geschoten, is ze niet zeker. Zij heeft niet op de daders gelet.
Volgens haar ‘had er maar een geschoten’.[_fbb2b264-a23b-4838-9d56-f353ee53d0aa]
Als zij weer wordt gehoord op 31 mei 2007 zegt ze dat ze al naar buiten keek en toen lichtflitsen heeft gezien tegenover de straat, dat ze de mannen samen heeft gezien bij het huis en dat deze kwamen uit de richting van de steeg die gelegen is aan de overkant van de straat.[_29b54b62-0e6d-412c-92db-b263f614ee29] Zij heeft ook haar vader zien rennen. Bij de rechter-commissaris op 15 januari 2009 heeft zij een nog concreter beschrijving gegeven. Ze heeft mannen uit de richting van de steeg zien rennen die om de Doblo heen renden.[_ce32324f-4754-49a2-922f-17db4a9dd0d2]
Uit dit overzicht van PD-getuigen blijkt op de eerste plaats dat zij kort na de moord slechts zeer summier zijn gehoord. Zij zijn pas anderhalf jaar later uitgebreider gehoord. Uit de eerste verklaringen blijkt dat de getuigen niet alles hebben gezien. Dat is niet vreemd. Ze hebben immers gereageerd op de schoten die zij hoorden. Verder mag worden aangenomen dat dit voor hen ook een zeer spanningsvolle situatie is geweest. Dat de spanning de waarnemingen van getuigen en de reproductie daarvan beperkt kan ook blijken uit de verklaring van de overbuurvrouw [getuige 19]. Zij heeft op 7 februari 2006 verklaard dat zij Houtman aan de rechterzijde van de auto heeft gezien, hetgeen op grond van de processtukken kan worden uitgesloten. [_f9fcaff6-1a00-46cf-b2c0-7f4c88892f11]
Voorts is opmerkelijk dat [getuige 17] en [getuige 18] in de loop der tijd hun verklaringen verder hebben ingevuld en aangevuld. Dit past in het evoluerende beeld dat ook zichtbaar is bij de verklaringen van [getuige 17] over de opdrachtgevers van de moord, waarvoor door de verdediging op goede gronden aandacht is gevraagd.
3.3.8.5 Conclusie ten aanzien van de hulzen en de looproute in samenhang
Dit alles leidt het hof tot de slotsom dat voor de stelling van de verdediging dat de verklaringen van de ooggetuigen de juistheid van de verklaringen van [Peter La S.] over de gebeurtenissen op de plaats delict ontzenuwen, de feitelijke grondslag ontbreekt.
Voor het geopperde alternatieve scenario dat de daders beiden schietend zijn komen aanrennen uit de steeg is geen steun aanwezig.
Evenmin bieden de verklaringen aanknopingspunten voor twijfel aan hetgeen [Peter La S.] heeft verklaard over de plekken waar hij (ongeveer) heeft gestaan tijdens de moord op Houtman.
De aanduiding die [Peter La S.] van één van die plekken heeft gegeven vindt bevestiging in de plaatsen waar de hulzen afkomstig uit de Kalashnikov zijn aangetroffen en in de resultaten van het forensisch onderzoek naar de mogelijke kogelbanen. Bovendien sluit het gegeven dat er hulzen op de plaats delict zijn gevonden aan bij de eerste verklaringen van [Peter La S.] dat hij en [Jesse R.] zich geen zorgen maakten om de hulzen.
3.3.8.6 Vluchtroute
[Jesse R.] en [Peter La S.] zijn gevlucht via de tegenover de woning van Houtman gelegen steeg. Aan het eind daarvan stond de vluchtauto, een Citroën C5, klaar. Volgens [Peter La S.] stond aan het eind van de straat waardoor zij wegreden een “woning” waar twee mensen voor een groot, helder verlicht raam stonden.[_6c599c38-e57d-4798-9c0c-afca4a0878f1] Op het door [Peter La S.] beschreven punt op de vluchtroute bevindt zich blijkens het onderzoek het gebouw van de Nieuw-Apostolische kerk. Uit onderzoek is gebleken dat daar op het genoemde moment in de deuropening twee personen hebben staan wachten.[_227ea6ab-4c06-42ea-9603-08c5853c983e] Het hof acht dit een sterke vorm van bevestiging. Dat [Peter La S.] het kruis op het gebouw niet heeft gezien en niet heeft onderkend dat het geen woning is, kan daar, mede gelet op het gegeven dat het een waarneming van zeer korte duur moet zijn geweest, niet afdoen.
Het hof betrekt daar ook bij dat het betreffende gebouw, blijkens de daarvan door de advocaat-generaal overgelegde foto’s,[_9efba2a8-4bc7-4972-bc29-740d0eeaa479] qua architectuur niet aanstonds als een kerk te herkennen is en weinig afwijkt van de woningen in dezelfde straat.
3.3.8.7 De gebruikte Kalashnikov
In kluisverklaring 15 heeft [Peter La S.] gezegd dat de Kalashnikov is opgehaald bij [betrokkene 9] in Limburg. Het wapen zat in een grote, sterke Albert Heijn-tas. In de tas lagen ook heel veel patronen, in doosjes, met elk 10 patronen erin.[_3583b5ed-e487-41a0-8b6d-49ca1ae842d5] De gebruikte wapens, de Kalashnikov en de Glock, heeft [Peter La S.] na afloop in de Amstel heeft gedumpt. Op een plek gelegen voorbij het Kalfje.[_1598b541-e399-4ddb-ba7b-11fd5f5f30f6] De Kalashnikov zat in de stevige Albert Heijn-tas met daarin alle patronen. De tas was nogal zwaar waardoor deze langs de walkant ligt. Het pistool zou hij een zwieper hebben gegeven, die ligt in het midden.
Op woensdag 29 november 2006 is de recherche op aanwijzen van [Peter La S.] naar een plek aan de Amstel gereden.[_ec3f4a55-ebcd-467b-aa98-b8a99f11e947] Ter hoogte van deze locatie is op 20 maart 2007 uit de Amstel op ongeveer 4 meter uit de kant een tas opgedoken.[_1ec0c2da-9fbd-44d7-b4fd-1a42e99badad] Het betrof een zogenaamde “Big Shopper” tas van Albert Heijn. In deze tas zat een Roemeens kogelgeweer, afgeleid van de Russische Kalashnikov, model AK 47. Het wapen was schietklaar. Daarnaast bevonden zich in de tas onder meer ruim 400 patronen, een deel in 45 munitiedoosjes en een deel los in de tas.[_07ba4c0d-b415-40bf-ae0a-3ec2405ed1d2]
De in de tas en het wapen aangetroffen patronen waren van het kaliber 7,62x39 (Kalashnikov) type lichtspoor.[_77ece74f-d91b-4922-a108-ea0de17bb7a3] Aan de hand van de mosselaangroei op de tas heeft de deskundige geconcludeerd dat het meest waarschijnlijk is dat de tas tussen september 2005 en augustus 2006 te water is geraakt.[_80cf63b2-e665-485c-bb44-e59528a148ed]
Tijdens nader onderzoek op de plaats delict op 4 en 11 oktober 2007 zijn in de tuin van perceel Johan Braakensiekhof 8 (de overburen van Houtman) nabij de heg die de grens vormt tussen de tuin en de stoep die leidt naar de eerder genoemde steeg in totaal zes hulzen aangetroffen. Deze zijn afkomstig van patronen van kaliber 7,62x39 Kalashnikov.[_91aedf5f-ec3b-4d6c-8c50-9e5e91b253a4] De zes hulzen zijn gelijk aan de hulzen van de (lichtspoor)patronen uit de in de Amstel aangetroffen plastic tas. De sporen in de slaghoedjes van de hulzen zijn bij 4 van deze hulzen mogelijk en bij 2 van deze hulzen waarschijnlijk veroorzaakt door de afsluiter van de in de Amstel aangetroffen Kalashnikov.[_0b035053-453a-417a-85f2-28d0e357f760] Uit een vergelijking van de samenstelling van de op de plaats delict aangetroffen kogelfragmenten met de in de plastic tas aangetroffen (lichtspoor)patronen blijkt dat er ten aanzien van de meeste onderzochte (lichtspoor)patronen een overeenkomst is vastgesteld in de chemische samenstelling voor zowel de mantels als het kogellood.[_eac032d9-7e75-4b1c-995c-e7acb50f632d]
Over het gebruik van de Kalashnikov heeft [Peter La S.] onder meer het volgende verklaard. Details ten aanzien van de looproute blijven hierbij onvermeld omdat deze eerder aan de orde zijn geweest.
[Peter La S.] heeft meermalen verklaard dat [Jesse R.] het wapen telkens heeft geprepareerd. Dit is gebeurd voorafgaand aan proefschieten en in de voorbereiding voor de eerdere keren dat zij beiden gewapend naar de woning van Houtman waren gegaan.[_76ec07ab-b67d-432c-bfeb-efdf83784235]
In kluisverklaring 15 heeft [Peter La S.] onder meer verklaard dat hij lichtsporen in de lucht zag toen hij om de Mercedes heen liep. Daarna heeft hij zelf geschoten in de richting van het huis.[_f42b659a-a8c9-491b-b643-40f05c816965]
Het was één salvo met de rechterhand aan de trekker. Er werden vier, vijf of zes kogels afgevuurd.[_1385fda9-b06e-492b-bb78-1f6cbc8e4879] Toen [Peter La S.] de trekker overhaalde begon het wapen gelijk te lopen. Hij raakte de controle kwijt waardoor het van richting veranderde.[_06ac0f7f-14ef-45f5-b033-ba2bca021d9e]
Bij de rechter-commissaris op 15 maart 2007, als er nog niet is gezocht naar de Kalashnikov, heeft [Peter La S.] onder meer verklaard dat hij [Jesse R.] zag schieten en dat hij is doorgelopen.[_af3e4f81-69ea-4bd2-a572-6df5645fcb6a]
Tijdens dit verhoor spreekt [Peter La S.] over meer salvo’s. Hij heeft zelf 6 à 7 keer in de Combo (Doblo) geschoten, puur van spanning. Hij houdt het voor mogelijk dat hij het huis van Houtman en/of dat van diens buren heeft geraakt.[_31190b8a-d7ad-4fe4-a011-901f6505a753]
Op 24 mei 2007 heeft [Peter La S.] nog eens duidelijk geantwoord dat hij de trekker maar één keer hoefde over te halen. Hij zegt twee keer te hebben geschoten. De eerste keer kort, waarbij hij de greep op het wapen verloor, hij verschoot daarbij 3 tot 5 patronen. De tweede keer langer, een salvo bestaand uit ongeveer 15 patronen.[_0e7447c0-c661-41fd-a21c-a21f7e88a3a6] Tijdens dit verhoor en het verhoor op 15 augustus 2007 maakt [Peter La S.] wel onderscheid met een Uzi. Anders dan bij dit wapen geeft de Kalashnikov het gevoel dat elk patroon afzonderlijk wordt geladen. Ook verschillen de wapens wat betreft het geluid tijdens het schieten.[_05fd9f90-a4c1-44c8-998e-8bfc717eba38]
Tijdens verhoren op 24 mei 2007 en 31 juli 2007 uit [Peter La S.] zijn onzekerheid of hij de lichtsporen heeft gezien voordat hij schoot of dat hij op dat moment zelf al had geschoten.[_6611bf0a-d6fe-4055-81e7-4b7dff428b7b]
Op 15 augustus 2007 is [Peter La S.] door de politie gehoord over Houtman. Daarbij wordt de gevonden AK aan hem getoond. [Peter La S.] weet dan niet hoe hij de inklapbare kolf van de AK moet bedienen. Hij zegt dat de kolf niet uitgeklapt is geweest.[_2405f6b1-a033-441e-aa37-3c9e4e63b440]
Het “weglopen” van het wapen is een constante in de herinnering van [Peter La S.] gebleken. Ter terechtzitting van 15 juni 2009 heeft hij gezegd dat hij zich dit nog steeds, ondanks de vele verhoren die zijn geheugen hebben beïnvloed, herinnert.[_6f242980-3260-47c3-a0e2-eec982f326da] Bij welk salvo en op welke plek het wapen wegliep weet hij niet meer.[_2ef8d318-46fb-4b6f-9074-b5a72ef73965] Tijdens diverse verhoren bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat het tijdens het tweede salvo gebeurde. Ook heeft hij wel gezegd dat het (vermoedelijk) bij het eerste salvo het geval was.[_03337be5-bdc5-4b30-ac81-d659d9ba5def]
In het debat ter terechtzitting is voor de volgende aspecten in het bijzonder aandacht gevraagd. [Peter La S.] wist niet zoveel van het wapen, onder meer waar het ging om het uitklappen van de kolf.
Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat het niet mogelijk is om volautomatisch te schieten met de gevonden AK, maar slechts semiautomatisch.[_6045d829-2bee-4c42-b195-91736c61ff74] De trekker moet telkens worden overgehaald om een patroon te verschieten. Daarbij verdient wel vermelding dat ook bij semiautomatisch gebruik de vuursnelheid hoog kan liggen: 240-360 schoten per minuut.[_c1667aae-4ddc-46a8-8d27-ae97a6852b39]
Uitgaande van het gegeven dat de trekker bij het verschieten van elke patroon opnieuw diende te worden overgehaald roept de verklaring van [Peter La S.] dat het wapen “wegliep” vragen op.
Wat de kolf van de Kalashnikov betreft overweegt het hof als volgt. [Peter La S.] heeft van meet af aan verklaard dat hij het wapen onder zijn halflange jas heeft gedragen.[_18be47dc-44d9-4ab2-b846-b0ad06f94541] Verder heeft hij telkens gezegd dat [Jesse R.] zich met de technische kanten van het wapen bezig hield. [Jesse R.] prepareerde het wapen, laadde het met de patronen en gaf het op de diverse momenten dat zij gewapend naar het huis van Houtman zijn gegaan gebruiksklaar aan [Peter La S.]. Daarnaast werd [Peter La S.] ten tijde van de moord overvallen door het gedrag van het wapen. In latere verklaringen heeft hij bovendien gezegd dat hij vanaf heuphoogte schoot.[_86b8b4e8-4f6d-4a3e-a64b-0f74711cb26a] In dit licht kan aan het gegeven dat [Peter La S.] de inklapbare kolf van de Kalashnikov niet kan bedienen, naar het oordeel van het hof weinig onderscheidende betekenis worden toegekend.
Het hof merkt op dat [Peter La S.] tijdens de verhoren zijn gemoedstoestand ten tijde van de moord heeft getypeerd. Hij heeft deze onder meer omschreven als: paniek, niet weten wat hij moest doen, een staat van bewustzijnsvernauwing, niet meer in staat tot rationele overwegingen.[_d101d719-b1f5-47df-88b4-b81dcad419bc] In die toestand heeft hij ook gehandeld. Bovendien hebben de gebeurtenissen tijdens de moord elkaar snel opgevolgd en zich in ten hoogste enkele minuten afgespeeld.
Het kan niet anders dan dat dit zowel de beleving ter plekke als de herinnering mede heeft bepaald. Diverse vergissingen, al dan niet als direct gevolg hiervan, zijn al gebleken. Hierbij gaat het om herinneringen waaraan [Peter La S.] is blijven vasthouden en waarvan niet goed valt in te zien wat zijn belang bij een volgehouden leugen zou zijn. Hiervoor kwam al aan de orde dat [Peter La S.] zich moet hebben vergist ten aanzien van de auto waarin Houtman kwam aanrijden. Hij lijkt zich ook te hebben vergist waar hij stellig is blijven verklaren dat hij de woning van de buren op nummer 23 heeft geraakt. Aan deze woning is geen schade als gevolg van kogelinslagen waargenomen, in tegenstelling tot de woning van Houtman zelf. Daarvan zijn de tuinmuur en de voorgevel geraakt.[_8c48c168-7c0f-4581-a845-e71a27066a7e] Overigens laat [Peter La S.] op 15 maart 2007 bij de rechter-commissaris nog in het midden welke woning hij zou hebben geraakt.[_0d47fd9d-1b38-407f-bb2a-e58880c1ad57]
Wat de plaatsen waar [Peter La S.] heeft gelopen en gestaan betreft geldt hetzelfde. In globale zin heeft hij daarover uitspraken gedaan die onderling verschillen vertonen waarbij hij heeft verwezen naar zijn mentale toestand. Vertroebeling door het aanvankelijk ingebouwde zekerheidje heeft naar alle waarschijnlijkheid ook een rol gespeeld. Maar desondanks worden de grote lijnen bevestigd zowel door de vindplaats van de hulzen als door de inschoten in de woning en in de Doblo.
Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van het hof ook de opmerking over het weglopen van het wapen worden begrepen. Hiermee lijkt de beleving van controleverlies tot uitdrukking te zijn gebracht die bij [Peter La S.] onder de stressvolle omstandigheden werd veroorzaakt door het naar rechts trekken van het wapen (waarvan door onderzoek is gebleken dat dit ook bij semi-automatisch schieten met dit wapen in zekere mate gebeurt).[_1a4a2f52-95f6-434e-9471-cf9f2cb846e6] Het is juist de vasthoudendheid waarmee hij deze herinnering telkens heeft verwoord die dit vermoeden bevestigt. Ook nadat [Peter La S.], geconfronteerd met onderzoeksresultaten, is gaan twijfelen of hij wellicht toch vaker de trekker heeft moeten overhalen, is dit onderdeel van zijn verklaringen onveranderd gebleven.
Over de vraag hoe het kan dat [Peter La S.] zo stellig en bestendig heeft verklaard dat hij de trekker slechts éénmaal diende over te halen kan geen nadere duidelijkheid worden verkregen.
In het licht van het geheel aan onderzoeksresultaten waarin op tal van significante en relevante onderdelen bevestiging wordt geboden voor de verklaringen van [Peter La S.], kan aan dit aspect echter niet zoveel betekenis toekomen dat het de waarde van die bevestiging wezenlijk aantast.
3.3.8.8 Verankering PD Houtman
Uit de voorgaande bespreking kan worden afgeleid dat de verklaringen van [Peter La S.] enkele onbeantwoorde vragen overlaten waar het gaat om de gang van zaken bij de moord op Houtman. Daartegenover staat een groot aantal onderzoeksbevindingen dat bevestiging biedt voor zijn verklaringen. Dit kan blijken uit het volgende overzicht.
- [Peter La S.] heeft in kluisverklaring 15 en in zijn verklaring bij de politie van 15 augustus 2007 de tuin van de buren van Houtman en ook overigens de situatie ter plaatse beschreven op een wijze die overeenstemt met de werkelijkheid.[_b2f6e196-5b6b-447d-a092-b082a513de90]
- [Peter La S.] heeft verklaard dat op de garagedeur van Houtman een Looney Tunes-tekening zit.[_6e743bee-b033-4da9-908f-80502b104ebe] Dit klopt.[_482516b7-52f1-4970-a320-8a426b3e1b6a]
- [Peter La S.] heeft in kluisverklaring 15 het uiterlijk van Houtman (donker haar, brildragend) en diens auto (nieuw type donkere Mercedes) beschreven. Dit is correct.[_142db5dd-4d07-4c26-8f45-7647ee31408c]
- [Peter La S.] heeft verklaard dat het aantal schutters twee was. Hiervoor is bevestiging in de besproken forensische gegevens, in het bijzonder betreffende de aangetroffen kogels en hulzen en in verklaringen van ooggetuigen.
- Volgens [Peter La S.] heeft [Jesse R.] vanaf korte afstand, ongeveer twee meter) geschoten op Houtman. Dit komt overeen met de vastgestelde schootsafstand (0,5 tot 2 meter). [_92a28b9b-dfb4-4991-b0bd-f1de38632ce2]
- Het door [Jesse R.] gebruikte wapen was volgens [Peter La S.] een Glock 45. De negen op de plaats delict aangetroffen hulzen zijn afkomstig van pistoolpatronen van het kaliber .45 ACP en zijn zeer waarschijnlijk verschoten uit één en hetzelfde vuurwapen, vermoedelijk een semi-automatisch werkend pistool van het merk Glock. De in totaal acht gevonden kogels zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber .45 ACP. De sporen in de kogels passen bij een pistool van het merk Glock.[_3d6000a0-bb36-493f-ab7b-416a52a3a4ab]
- Het gevonden aantal hulzen en kogels afkomstig uit het moordwapen en de verwondingen van Houtman stemmen overeen met hetgeen [Peter La S.] daarover heeft verklaard.[_c4c7b73d-047d-4cf4-89b4-574f807130ca] [Jesse R.] zou het magazijn hebben leeggeschoten, tien patronen ongeveer.
- [Peter La S.] heeft verklaard dat de gebruikte Glock een bijzonder wapen was, een collectors item. Dit klopt. In afwijking van het standaardkaliber 9 mm was het kaliber munitie dat met het wapen verschoten wordt .45.[_03aa8448-0bdd-4e81-a07a-e30af8d92ee6]
- [Peter La S.] heeft verklaard dat Houtman in zijn auto zat cq. aan het instappen was. Dat correspondeert met het aantreffen van kogels in de auto en inschoten en bloed op de bestuurdersstoel.[_f6432573-f1d9-4468-9d8e-56a5e86caa39]
- [Peter La S.] heeft gehoord dat Houtman nog een krachtterm als “kankerhonden/kankerlijers” heeft geroepen. Dit is bevestigd door diens vrouw en dochter.[_5c4ccd2f-d7b9-4660-b59c-a5498ee02e86]
- [Peter La S.] heeft tijdens het schieten lichtsporen gezien. Tal van onderzoeksbevindingen zoals eerder aangehaald bevestigen het gebruik van lichtspoormunitie door de schutter met de Kalashnikov.
- De gebruikte Glock is niet teruggevonden in de Amstel, mogelijk als gevolg van verplaatsing door het scheepvaartverkeer. Dit is weliswaar een gebrek aan verankering maar het houdt ook in dat dit tweede wapen niet in de tas van de AK zat, hetgeen overeenstemt met de verklaringen van [Peter La S.].
- [Peter La S.] heeft met juistheid verklaard dat er een Kalashnikov is gebruikt. Op zijn aanwijzen is deze teruggevonden in de Amstel. In een tas met een zeer grote hoeveelheid patronen. Dat klopt ook.[_434fb9ce-7662-447c-8a31-3fa3c034f238]
- De mosselgroei op de tas sluit aan bij de periode waarin [Peter La S.] de tas in de Amstel zegt te hebben gegooid.[_513b9d50-e5ab-437e-8150-4af9c1655724]
- [Peter La S.] heeft in zijn verklaringen in globale termen gesproken over de plaats van waar met de AK is geschoten. Dit is bevestigd door de resultaten van het forensisch onderzoek.[_9823ecf5-9eee-440a-b3ac-fead26e0fc31]
- [Peter La S.] herinnert zich dat hij in de Doblo heeft geschoten. In deze auto zijn in- en uitschotopeningen aangetroffen.[_4aca195d-ae11-4f22-936f-6146a8196f91] Ook is een kogeldeel gevonden, dat vermoedelijk van het kaliber is dat met een Kalashnikov wordt verschoten.[_e536ea7d-de93-4979-9310-8f5351d6dde2]
- [Peter La S.] herinnert zich ook een woning te hebben geraakt. Ook dat wordt door de resultaten van het opsporingsonderzoek bevestigd.[_c676bd16-d710-406c-b843-45b3dcf70a61]
- [Peter La S.] heeft verklaard dat hij en [Peter La S.] via de steeg zijn gevlucht. Hierover hebben getuigen[_82fa2254-d2a0-48f2-8f88-cae8ca0d8e30] verklaard en het past ook in de waarneming van [Peter La S.] tijdens de vlucht.
- [Peter La S.] heeft verklaard over de door de vluchtauto gevolgde route. In de straat aan het einde van de steeg, de Funke Küpperstraat, moet men linksaf. Op dat punt heeft [Peter La S.] personen bij de deur van de Nieuw-Apostolische kerk gezien die daar inderdaad hebben gestaan.[_d45f061d-7567-4683-bf78-2205b9057b5e]
Voorts zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
- De financiën van mevrouw [betrokkene 10], toenmalige partner van [Peter La S.], zijn onderzocht.[_cd96da30-5922-4769-add2-93466469ac7d] Van 1 oktober 2005 t/m 31 december 2005 werd er in negen tranches bijna 25.000 euro aan contanten op haar rekening gestort. Daarvan is het grootste gedeelte zeer kort na de moord gestort. Met het geld zijn gokschulden afbetaald. [Peter La S.] heeft verklaard dat hij haar geld heeft gegeven uit de opbrengst.
Al het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de algehele betrouwbaarheid van hetgeen [Peter La S.] over de gebeurtenissen op de PD Houtman heeft verklaard. Dat betekent dat in de inhoud van zijn verklaringen hierover evenmin grond is gelegen om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] in het algemeen aangetast te achten.
De documenten op de laptop van [Peter La S.]
In de slotfase van de behandeling van de zaak door de rechtbank, ter terechtzitting van 24 september 2012, heeft de officier van justitie stukken ingebracht. Deze waren aangetroffen op de laptop van [Peter La S.] na een onderzoek door het Team Getuigenbescherming (TGB).
Eén deel[_cc2ea160-59d5-4508-a5f5-bca1056d5fe9] bevat diverse ‘ontboezemingen’ van [Peter La S.]. Hierin wordt onder meer een nieuwe versie van de ontmoeting met [Willem H.] op het Gelderlandplein gegeven die inhoudt dat er geen contact is geweest op dat moment. Daarnaast is er een document getiteld “D-fense Houtman”.[_abc55ab6-b489-484f-b86e-ddf0f348989d] Het bevat tactische overwegingen die betrekking hebben op de gang van zaken tijdens de moord op Houtman en op wat [Peter La S.] hierover had verklaard. Een lijst met punten die zijn verklaringen ondersteunen respectievelijk ontkrachten maakt hier deel van uit.
Verder is er een document[_6d47f06d-5536-419e-baa9-ed855bff8ab0] gevonden waarin [Peter La S.] schrijft dat hij is gestuurd door de CIE. Details zouden hem zijn ingefluisterd tijdens de verhoren. Ten aanzien van de zekerheidjes heeft hij geschreven dat het punten betrof waar hij in het geheel niet zeker van was. Ook hierin is hij gestuurd door de CIE. Ten tijde van de moord op Houtman was [Peter La S.] niet op de plaats delict.
[Peter La S.] heeft hierop ter terechtzitting van 24 en 27 september 2012 gereageerd. Hij heeft verklaard dat de stukken zijn geschreven vanwege de problemen met het TGB. Ze zouden moeten dienen als breekijzer in de onderhandelingen. “Het was oorlog” in de beleving van [Peter La S.] .[_ef8804bc-5f2e-40d4-bb20-8a853bd89c88] Een deel van de stukken was al geschreven in juni 2009, omdat [Peter La S.] ook toen naar eigen zeggen al overhoop lag met het TGB. Er is geen inhoudelijke sturing geweest zoals in de documenten is gesteld. De alternatieve verklaring inzake de moord op Houtman is feitelijk onjuist en was opgesteld voor het geval de afspraak door het OM zou worden opgezegd.[_c87f2102-c9ee-4549-b184-ae7c78d763d9]
Het hof maakt uit deze gang van zaken op dat hierdoor de persoon van [Peter La S.] verder wordt gekleurd. Hij heeft in zijn eigen strafzaak strategisch geopereerd en is dat blijven doen. De creativiteit die hij daarbij aan de dag heeft gelegd is aanzienlijk. Bovendien kan uit de vele incidenten tijdens de zittingen van de rechtbank worden opgemaakt dat het zoeken van de dialoog en het aannemen van het perspectief van de wederpartij geen deel hebben uitgemaakt van het gedragsrepertoire van [Peter La S.]. Conflicten vormden diens “levenswater”, aldus de officier van justitie belast met getuigenbescherming, mr. [officier van justitie 1] .[_8215d635-7f98-45c1-9c63-61e2236c8546]
Anders dan de rechtbank gaat het hof niet zover dat de door [Peter La S.] gevolgde werkwijze vraagtekens oproept ten aanzien van zijn eerder afgelegde verklaringen. Het gaat allereerst niet om door [Peter La S.] afgelegde verklaringen maar om documenten die zo nodig in zijn eigen strafzaak, meer in het bijzonder met het oog op de vormgeving van de beschermingsmaatregelen, konden worden ingezet. Bovendien had [Peter La S.] een aanzienlijk deel van zijn verklaringen al afgelegd. Ook in juni 2009, toen [Peter La S.] “D-fense Houtman” schreef, was hij al vele malen bij de politie en de rechter-commissaris gehoord. De overige documenten waren van nog (iets) latere datum.[_db4ba971-1337-42fc-bcb7-e19b802af8e0] Er is niet gebleken dat de onder [Peter La S.] aangetroffen documenten diens verklaringen hebben beïnvloed.
Korte samenvatting Hoofdstuk 3.3
- Het hof heeft onderzocht of de hierna te noemen aspecten en gebeurtenissen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de kroongetuige [Peter La S.]. Het gaat daarbij achtereenvolgens om:
- de door [Peter La S.] in zijn verklaringen gebrachte “zekerheidjes” (bewust geïntroduceerde onwaarheden die hem in het geval van afketsen van de deal als verdachte hadden kunnen baten).
- De [Willem H.] -weglatingen. Hiermee is het volgende bedoeld. Op een zitting van de rechtbank in de maand oktober van 2011 heeft de kroongetuige [Peter La S.] onthuld dat hij de naam van [Willem H.] wél tijdens zijn eerdere, in het geheim gehouden verhoren (de kluisverklaringen) bij de politie heeft genoemd. Maar met instemming van de officier van justitie is er welbewust en zorgvuldig van afgezien daarvan in de verslaglegging van die verhoren mededeling te doen. Daarom kon de lezer daarvan geen weet hebben. [Peter La S.] had dit bij de CIE-officier van justitie bedongen, omdat hij geen vertrouwen had in een toereikende beveiliging voor hemzelf en zijn naasten als bekend zou worden dat hij ook over [Willem H.] had verklaard.
- In-de-plaats-stellingen. In het verlengde van het met die weglatingen door [Peter La S.] nagestreefde belang zou hij volgens de verdediging in zijn verklaringen in plaats van de naam van [Willem H.] die van [Dino S.] hebben ingevuld, ten onrechte.
- De vraag naar het mogelijk niét gepleegd hebben van de wél door [Peter La S.] bekende moord (die op Houtman), en het wél gepleegd hebben van een moord die in het Passageproces op geen enkele dagvaarding voorkomt en die door [Peter La S.] wordt ontkend (die op [slachtoffer 13] ).
- Bestanden die zijn aangetroffen in een onder [Peter La S.] inbeslaggenomen laptop. Die tekstbestanden zijn geschreven door [Peter La S.] en beschrijven een andere gang van zaken dan die door hem eerder spontaan is toegegeven en beschreven: zijn aandeel in de moord op Houtman. En zijn al vóór 2007 mislukte pogingen om bij justitie tegen zijn eigen voorwaarden informatie te verstrekken.
Het hof heeft aan al deze aspecten en gebeurtenissen een beschouwing gewijd. Het hof concludeert dat er geen reden is om de verklaringen van [Peter La S.] van het bewijs uit te sluiten.
Algemeen: betrouwbaarheid [Fred R.]
Het bewijs: het verweer
Waar het gaat om de namens [Dino S.] gevoerde bewijsverweren heeft de verdediging van [Jesse R.] zich daarbij aangesloten. Weliswaar zijn die verweren op onderdelen sterk op de positie van de verdachte [Dino S.] toegespitst, doch gelet op zowel de aard en inhoud daarvan als de partiële onderlinge verwevenheid van de zaken zijn deze evenzeer betekenisvol in de strafzaak van [Jesse R.]. Daar komt bij, dat de raadslieden van [Jesse R.] en [Dino S.] in enige mate samen zijn opgetrokken, wat heeft geleid tot een verdeling van werkzaamheden: de verdediging van [Jesse R.] heeft zich in het bijzonder gericht op het brede palet van bezwaren dat kleeft aan de wijze waarop het Openbaar Ministerie ten aanzien van [Peter La S.] en [Fred R.] vorm en inhoud heeft gegeven aan de toepassing van de wettelijke regeling in de sleutel van de kroongetuigen. De verdediging van [Dino S.] heeft zich in het bijzonder gericht op de betwisting van de betrouwbaarheid van de door [Peter La S.] en [Fred R.] als kroongetuigen afgelegde verklaringen. Omdat [Jesse R.] en [Dino S.] de vruchten van die verdeling van werkzaamheden over en weer willen plukken is er in zoverre gekozen voor dat aansluiten bij (de onderbouwing van) gevoerde verweren. Waar hierna in dit hoofdstuk over “de verdediging” wordt gesproken is die verdediging in oorsprong weliswaar de verdediging van [Dino S.], maar door het zojuist beschreven aansluiten dient daaronder ook de verdediging van [Jesse R.] te worden begrepen.
Door en namens de verdediging is geconcludeerd dat de door de kroongetuige [Fred R.] afgelegde verklaringen voor het bewijs van het tenlastegelegde onbruikbaar zijn. De verdediging heeft daartoe in de kern het volgende aangevoerd.
Deze getuige heeft de aanzienlijke tijd die gemoeid is geweest met de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg kennelijk benut voor het lezen van het dossier, het volgen van het zittingsverloop en kennisneming van de afloop van die aanleg. Hij heeft daarbij een scherp oog gekregen voor de bewijsnood bij het Openbaar Ministerie in de strafzaak tegen [Dino S.].
Het kan niet anders zijn dan dat de langs die wegen door hem opgedane (dossier)kennis door [Fred R.] vervolgens is misbruikt door, als ware het een kapstok, daaraan zijn leugens op te hangen en daarbij tijdens het hoger beroep als kroongetuige het garen van de deal te spinnen.
In het bijzonder de door deze kroongetuige afgelegde belastende verklaringen over wat hij van en over [Dino S.] beweerdelijk heeft vernomen, ondervonden en gezien zijn apert onwaar. Die onwaarheid en zelfs de leugenachtigheid van die verklaringen volgt uit de intrinsieke ongeloofwaardigheid en de inconsistentie daarvan. Bovendien ontbreekt in het dossier toereikende verankering voor die verklaringen en bevat dit zelfs – in het jargon van de verdediging – tegenbewijs. Ter onderbouwing van deze conclusie heeft de verdediging de inhoud van de door de kroongetuige [Fred R.] afgelegde verklaringen in vergaande mate gefileerd. Daarbij heeft de verdediging het geven van krachtige diskwalificaties van de persoon van de kroongetuige bepaald niet geschuwd.
Het bewijs: ambtshalve beschouwing
Is de door de verdediging aan deze conclusie gegeven onderbouwing in feitelijke zin zeer breed uitgesponnen, in essentie strekt die ertoe dat de belastende elementen van de verklaringen van de kroongetuige [Fred R.] onwaar en leugenachtig zijn en bovendien verankering in het dossier ontberen. Dat laatste roept geen verbazing op want voor leugens kan geen verankering worden gevonden. Anders dan deze kroongetuige wil doen geloven hebben de zeer spaarzame contacten van [Dino S.] met [Fred R.] slechts in een niet-criminele en louter sociale context plaatsgevonden. Er heeft tussen hen letterlijk niet meer plaatsgehad dan een enkel gezamenlijk en in het gezelschap van hun beider vriendinnen genuttigd avondmaal, een door [Dino S.] en [Fred R.] gelijktijdig gebrachte verjaarsvisite en begrafenisbezoek, en een toevallig elkaar voorbijgaan in een Rotterdamse uitgaansgelegenheid. En waar deze kroongetuige niet schroomt om [Dino S.] ernstig te belasten door hem betrokkenheid bij de moorden op Kees Houtman en Thomas van der Bijl in de schoenen te schuiven kan daaraan in redelijkheid geen geloof worden gehecht. Het ontbreekt [Dino S.] aan elk redelijkerwijs denkbaar motief; hij heeft Houtman noch Van der Bijl ooit ontmoet, terwijl hij overigens nooit in enige zakelijke verhouding tot hen heeft gestaan. Voor zover het Openbaar Ministerie tracht een motief te creëren door (belangen van) [Dino S.] in verband te brengen met (belangen van) [Willem H.] wordt daarmee geen recht gedaan aan de werkelijkheid. Voor zover al een verband kan worden gelegd tussen [Dino S.] en [Willem H.] is er tussen hen beiden slechts sprake geweest van incidenteel en louter sociaal contact dat niet van zakelijke aard is geweest. Daarbij komt, dat hun contact in getal zeer beperkt is geweest en bovendien in de tijd aan intensiteit sterk heeft ingeboet. Het kan daarom niet anders zijn dan dat de kroongetuige [Fred R.] door het belasteren van [Dino S.] geraffineerd leugenachtig inspeelt op de door (de verdediging van) [Dino S.] veronderstelde aandrang bij het Openbaar Ministerie tot het tegen beter weten in willen optuigen van een bewijsbare strafzaak tegen [Dino S.] die hem levenslang achter de tralies doet belanden. Tot zo ver de verdediging.
Het hof heeft in het voorgaande aangestipt dat het zeer globale beeld van de inhoud van het dossier aanknopingspunten biedt voor de voorlopige vaststelling dat er potentieel bewijs voorhanden is voor bewijs tegen opdrachtgevers en tussenpersonen van moorden. Hierna zal het hof de door de kroongetuige [Fred R.] aan het bewijs geleverde bijdrage ambtshalve nader beoordelen, te beginnen in het licht van de hiervoor weergegeven heldere standpuntbepaling van (de verdediging van) [Dino S.] en wat het dossier overigens aan materiaal bevat. Daarbij kent het hof uiteraard mede betekenis toe aan wat eerder in dit arrest is overwogen over de bewijswaarde van de door de getuigen [Peter La S.] en Q5 afgelegde verklaringen.
In het zogenoemde Amsterdamse criminele milieu is een kennelijke periode van conflicten beslecht door, althans gepaard gegaan met, een reeks van moorden. Uit die reeks kunnen de moorden op Endstra, Houtman, Mieremet en Van der Bijl worden gelicht. Op 17 mei 2004 is Willem Endstra vermoord. Op 2 november 2005 is Kees Houtman – evenals John Mieremet – door vuurwapengeweld om het leven gebracht. Op 20 april 2006 is ook Thomas van der Bijl te Amsterdam van het leven beroofd, eveneens door vuurwapengeweld.
In rechte is komen vast te staan dat aan de moorden op Endstra, Houtman en Van der Bijl misdrijven zijn voorafgegaan, waarvoor onder meer [Willem H.] door de strafrechter onherroepelijk is veroordeeld.
Bij arrest van 3 juli 2009 is [Willem H.] door dit hof onherroepelijk veroordeeld ter zake onder meer de afpersingen van Endstra en Houtman en de mishandeling van Van der Bijl. De afpersing van Endstra vond plaats in de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 en betrof een bedrag van ongeveer € 17.000.000,-. De afpersing van Houtman vond plaats in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 1 oktober 2004, betrof een bedrag van € 1.000.000,- en vond deels plaats bij de woning van Houtman, waar hij uiteindelijk is doodgeschoten. De mishandeling van Van der Bijl vond plaats op 6 november 2004 in café De Hallen, de plaats waar Van der Bijl later is doodgeschoten[_e10033a7-0c8b-4aa1-88dc-25af79d84f78].
Het hof stelt vast dat Endstra, Houtman en Van der Bijl ieder voor zich voorafgaand aan hun dood met de politie hebben gesproken.
Endstra heeft meermalen met medewerkers van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland gesproken. Het betreft de zogenoemde “achterbankgesprekken”, door hem met die medewerkers gevoerd op de achterbank van een rondrijdende auto. In die gesprekken heeft Endstra gesproken over afpersingen, gepleegd door leden van een groepering waartoe door hem [Willem H.] en [Dino S.] werden gerekend en over zijn angst voor deze personen[_44fec392-4c24-42c3-bb9e-11f654ae2322].
Houtman heeft in de periode voorafgaand aan zijn dood met medewerkers van de CIE gesproken over bedreigingen aan zijn adres, namens [Willem H.] gedaan in het kader van een conflict over de handel in vastgoed.[_acb933b7-b508-4b06-a61f-44e7c32b7298]
Ten slotte heeft ook Van der Bijl met de CIE gesproken. Van der Bijl heeft verklaard dat [Willem H.] Houtman heeft afgeperst, dat [Willem H.] hem, Van der Bijl, heeft gewaarschuwd niet met de politie te praten, en dat hij verwachtte dat Houtman en hijzelf zouden worden doodgeschoten. Van der Bijl heeft op 3 november 2005, de dag na de moord op Houtman, in een gesprek met de CIE gezegd dat Houtman zich bedreigd voelde door [Willem H.] en dat Houtman enige tijd eerder het plan had opgevat om [Willem H.] te laten vermoorden. Volgens Van der Bijl was het op een gegeven moment een kwestie van óf de één, óf de ander.
Van der Bijl heeft bij herhaling gesproken over zijn angst voor de groepering van [Willem H.]. Van der Bijl heeft over [Dino S.] gesproken als deelnemer van deze groepering.[_5d5dd742-9a44-4fcd-9534-b192c731cfcf]
In het voorjaar van 2015 is bekend geworden dat [Astrid H.] en [Sonja H.], beiden zus van [Willem H.], in het geheim bij leden van het Openbaar Ministerie en bij de politie verklaringen hebben afgelegd over onder meer de betrokkenheid van hun broer bij een aantal van de ook in de onderhavige strafzaak voorliggende feiten.
[Astrid H.] heeft verklaard dat [Willem H.] een conflict had met Houtman in verband met vastgoed. Omdat Van der Bijl in het kamp van Houtman zat, had [Willem H.] ook een conflict met Van der Bijl. [Willem H.] had van een onbekend gebleven bron gehoord dat Houtman het op hem had voorzien; hij wist dat er plannen werden beraamd om hem te vermoorden. Dit een en ander heeft [Willem H.] aan zijn zus verteld. Volgens de verklaring van [Astrid H.] heeft haar broer Willem enige tijd voorafgaand aan de moord op Houtman aangegeven dat Houtman eraan zou gaan. [Astrid H.] heeft deze wetenschap met haar zus Sonja gedeeld. Voorts heeft [Willem H.] kort voor de moord op Houtman ten overstaan van zijn zus [Astrid H.] aangekondigd dat er snel mensen geliquideerd zouden worden.[_9f2684b5-7f03-463f-bc3c-b99983a66d59]Over Van der Bijl heeft [Astrid H.] verklaard dat [Willem H.] meer keren met haar heeft gedeeld dat hij de opdracht heeft gegeven om Van der Bijl te liquideren en dat hieraan mede ten grondslag lag dat Van der Bijl met de politie sprak.[_2e3f8846-81d2-4053-957d-2d8f5af4e828]
[Sonja H.] heeft verklaard dat [Willem H.] haar enkele dagen na de moord op Van Kleef (op 10 november 2005) heeft verteld dat hij een jongen had in de groep van Houtman, die tegen [Willem H.] had gezegd dat Houtman [Willem H.] wilde omleggen. Daarom was het hij of ik, zo heeft [Willem H.] tegen deze getuige gezegd.[_535368ec-33d0-4d93-a8f2-3a308ee013b5]
De met de code Q5 aangeduide anonieme bedreigde getuige heeft vanaf 2009 verklaringen afgelegd. Deze getuige heeft, zoals eerder in dit arrest weergegeven, verklaard over zijn wetenschap over de moorden op Houtman, Van der Bijl, Hingst en Mieremet en de rol van [Willem H.], [Dino S.] en [Ali A.] daarbij.
Op het moment dat Q5 zijn[_2a29cabb-99c0-4ba1-8df0-9e1eee6798da] eerste verklaring aflegde was nog niet bekend geworden dat ook [Peter La S.] verklaringen had afgelegd over de betrokkenheid van [Willem H.] bij de voorliggende feiten. Deze verklaringen, die reeds in 2006 door [Peter La S.] waren afgelegd, waren toen nog niet aan het dossier toegevoegd. Daarom kan het ervoor worden gehouden dat de inhoud daarvan bij Q5 niet bekend is geweest. Eerst in 2011 heeft [Peter La S.] een en ander ter terechtzitting geopenbaard.
De kroongetuige [Peter La S.] heeft verklaard over onder meer zijn contact met [Jesse R.] in de periode dat deze zich had onttrokken aan detentie, in november 2004. Bij die gelegenheid heeft [Jesse R.] [Peter La S.] betrokken bij zijn voornemen om tegen betaling een moord te plegen.[_06d2a973-99f2-4642-8ed4-007ed71afd82]
Volgens de verklaring van [Peter La S.] was [Ali A.] een grote jongen in het drugsmilieu. De groepering van [Ali A.] wilde een aantal personen uit de weg laten ruimen. Volgens [Peter La S.] hebben [Jesse R.] en hij zich op diverse momenten inspanningen getroost om die personen te kunnen vermoorden, zoals het uitvoeren van voorverkenningen. [Peter La S.] heeft verklaard dat [Ali A.] met het oog op deze voorgenomen moorden informatie aan [Jesse R.] verstrekte.[_b3f3cebb-b421-4d61-913d-132233ff4eb2] [Peter La S.] heeft ook verklaard dat [Ali A.] en [Dino S.] van elkaar weten wie er vermoord moeten worden.[_d7bed7c4-5bee-4f89-a84a-eaa6e6bd6264]
[Peter La S.] heeft ook verklaard dat [Jesse R.] in deze periode aan [Willem H.] om een klus (in de betekenis van: het plegen van een moord) heeft gevraagd en dat [Willem H.] [Jesse R.] toen heeft verwezen naar [Dino S.] .[_e6926ed0-8603-4b8b-8988-37d038def934] Kort daarna is [Jesse R.] aangehouden.[_97baf52b-4fd4-438a-be36-7cf9b5f2e1cf]
[Jesse R.] is in juli 2005 uit detentie ontslagen.[_59ec34bb-df06-4dac-81fa-0af918019dee] [Peter La S.] heeft verklaard dat [Jesse R.] is voortgegaan op de ingeslagen weg, d.w.z. het plegen van moorden op bestelling tegen betaling.[_84934a20-d37b-4761-8d4e-2da493232ee4]
[Peter La S.] heeft verklaard dat hij enkele weken voor de moord op Houtman met [Jesse R.] naar Rotterdam is gereden, dat [Jesse R.] een uitgaansgelegenheid is binnengegaan om [Dino S.] en [Ali A.] te ontmoeten. [Jesse R.] beoogde met die ontmoeting nieuwe informatie te krijgen. [Jesse R.] vertelde hem na het verlaten van die uitgaansgelegenheid dat hij daar [Dino S.] en [Ali A.] had ontmoet en nieuwe moordopdrachten had gekregen, te weten opdrachten om 3 personen te vermoorden.[_f1e3c100-ea60-4927-bb9e-b72fea199363]
Volgens de verklaring van [Peter La S.] is hij de volgende dag met [Jesse R.] naar Diemen gereden met het oog op een ontmoeting aldaar van [Jesse R.] met [Dino S.]. Bij de ontmoeting is [Peter La S.] evenmin aanwezig geweest, maar [Jesse R.] heeft hem na terugkomst van die ontmoeting in de auto verteld dat [Dino S.] informatie over die drie personen, onder wie Houtman heeft verstrekt.[_cf4d0c69-78bd-473a-8797-761d146286cc]
[Peter La S.] heeft voorts aangegeven dat hij in de periode voor de moord op Houtman zelf heeft waargenomen dat [Willem H.] zich bemoeide met de opdracht om Houtman te vermoorden.[_653f9c3b-069d-4bc5-b91e-87c7c0f93833]
[Peter La S.] was bij politie en justitie aanvankelijk niet in beeld als een verdachte met betrekking tot de moord op Houtman; in het traject dat heeft geleid tot zijn status van kroongetuige heeft hij zijn betrokkenheid bij het plegen van die moord uit eigen beweging bij de politie opgebiecht. Hij heeft daarbij [Jesse R.] aangewezen als zijn mededader.[_f3f456f1-1709-42ec-9888-f4058837902f]
Ook waar het gaat om de (voorbereiding van de) moord op Van der Bijl heeft [Peter La S.] verklaringen afgelegd. Volgens zijn verklaring is hij – weer met [Jesse R.] – kort na de moord op Houtman met het oog op de voorgenomen moord een aantal keren gewapend naar de woning van Van der Bijl gegaan. Om verschillende redenen is het toen steeds niet tot het plegen van de moord gekomen. Bij de laatste poging om Van der Bijl te vermoorden is volgens de verklaring van [Peter La S.] ook Fred [Fred R.] betrokken geweest. Hierop is [Peter La S.] naar zijn zeggen afgehaakt.[_cd2be1f4-c18d-41d7-b951-03890a2023b8] Uiteindelijk heeft [Jesse R.] het uitvoeren van de voorgenomen moord op Van der Bijl overgedragen aan [Fred R.], aldus [Peter La S.]. Daarop heeft ook [Jesse R.] zich als feitelijke uitvoerder van die moord teruggetrokken.[_2ba31ce4-453e-4486-9fed-4b5c6d4c48e2]
Met betrekking tot het aspect van aansturing heeft [Peter La S.] verklaard dat de relevante informatie kwam van [Ali A.] en [Dino S.], via [Jesse R.] .[_53e62ffb-7fa7-4ec7-8f82-4345dc50e2b3]
De contacten met [Dino S.] verliepen via [Ali A.]. Jesse kon in die periode geen direct contact maken met [Dino S.], maar wel met [Ali A.] .[_14ca3738-b81c-4c02-949d-89d033338069] Ten tijde van de detentie van [Fred R.] verliepen de contacten met [Dino S.] voornamelijk via [Ali A.] .[_2529c4da-9870-4eaa-a055-e050286f3898] Contact dat met behulp van telecommunicatieapparatuur werd onderhouden kende een eigen vorm – het gebruik van één-op-één-telefoons- en inhoud: codes voor ontmoetingsplaatsen en –tijdstippen.[_09e0da86-f7ca-40f0-a119-db2b1a9c4835]
Het (opsporings)onderzoek dat is gevolgd op de moord op Van der Bijl heeft geleid tot de identificatie van de feitelijke uitvoerders daarvan, namelijk [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .[_2b4cee98-d127-4b3f-be63-ddd9864232ae] [betrokkene 2] wijst [Fred R.] en [Jesse R.] als zijn opdrachtgever(s) aan.[_6c74e32b-00c5-4823-9059-5f215c72264a]
In de periode die aan de moord op Van der Bijl vooraf is gegaan hield [betrokkene 1] zich zeer vaak in de directe omgeving van [Fred R.] op. Door [betrokkene 1] is verklaard dat [Fred R.] vaker over een bepaald persoon heeft gesproken, door [Fred R.] bij bijnaam genoemd: de Commissaris.
Volgens [Fred R.] was de Commissaris de hoogste persoon binnen het criminele circuit van Nederland en [Fred R.] had rechtstreeks contact met hem.[_9baf5250-477f-404a-81f5-6524d60e16e7] [Fred R.] zou zijn vriendin [getuige 5] hebben leren kennen via de Commissaris. In de omgang met die vriendin was voorzichtigheid geboden vanwege het risico op problemen met die Commissaris. [Fred R.] heeft een BMW X5 voor de vriendin van de Commissaris geregeld, die in aanwezigheid van [betrokkene 1] in (de contreien van) Rotterdam aan haar is overgedragen. De Commissaris zou tevreden zijn over wat [Fred R.] allemaal deed. [_3771ffd8-8f1e-4a6f-9148-8c9da873346c]
Volgens de verklaring van [betrokkene 1] is hij door [Fred R.] betrokken bij de voorbereiding van de moord op de eigenaar van Café De Hallen (Van der Bijl)[_f2a94982-8bd7-4a89-b81c-bd200cfb63f0], en moest Van der Bijl worden vermoord omdat hij had gepraat en daardoor een gevaar vormde voor de groepering. [_a43a3a0c-2789-48c4-be3a-38af1e4083ce]
Door [Dino S.][_9ddb51f5-5e86-4daf-9cc9-72e2da551dd7] en [Jesse R.][_940d4a3a-fffa-4d5e-b846-52292a029860] wordt aangenomen dat waar in de context van het dossier anderen hebben gesproken over “de Commissaris” [Dino S.] het is die met die bijnaam is aangeduid. [Ali A.] gaat schuil achter de bijnaam Chemie, of daarvan afgeleide c.q. daaraan verwante woorden (Chemische reactie of Ali Chemicalie).[_35189788-2b4e-4b4c-88f3-f87029a19445] Dat de koppelingen van deze bijnamen aan de personen [Dino S.] en [Ali A.] inderdaad op goede gronden kan worden gelegd neemt het hof aan op grond van wat daarover door [Peter La S.][_150018c2-d97a-4d50-ba10-8f3f0395bbce], [Fred R.][_a38ab494-5704-40df-b72f-05a7087db484] en [getuige 20][_b16da8aa-6616-4c93-90ae-17156cc0a379] is verklaard. Bevestiging voor de juistheid van deze duiding voor zover het [Ali A.] betreft vindt het hof in gegevens die zijn opgeslagen in het geheugen van een inbeslaggenomen laptop, die bij [Jesse R.] in gebruik is geweest.[_6d007448-361a-465f-a7c7-4565b96f91e8]
Naar aanleiding van de tijdens het onderzoek gerezen verdenkingen van betrokkenheid bij de moorden op Houtman en Van der Bijl zijn aanhoudingen verricht: [betrokkene 1] op 7 juli 2006[_24d33d12-93cd-4cfb-a480-607fc152d029], [Fred R.] op 3 augustus 2006[_1c2c48f0-4938-4d72-9043-be66f489ccfa], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 20 oktober 2006[_002a4719-87dd-4341-bf6d-a132b143d78b] en [Jesse R.] (in Marokko) op 12 februari 2007.
Door [Fred R.] (tijdens zijn detentie) met zijn bezoekers gevoerde gesprekken zijn heimelijk afgeluisterd en opgenomen.
Bij de stukken in het dossier bevindt zich een verslag van een op 15 maart 2007 door [Fred R.] met zijn vriendin [getuige 5] gevoerd gesprek.[_19f33ad5-b12d-4919-8edc-fcabcf897fa3] Het hof leidt uit de inhoud van dit verslag af dat:
– de gespreksdeelnemers zich ook bedienen van versluierend taalgebruik;
– [getuige 5] contact onderhoudt met [Ali A.];
– [Ali A.] door middel van betalingen wil bijdragen in het levensonderhoud van [getuige 5];
– [Fred R.] wil dat [Ali A.] gewoon doorbetaalt;
– [Dino S.] zich voor politie en justitie schuilhoudt;
– [Ali A.] de enige is die [Dino S.] nog spreekt;
– [Ali A.] voorwendt dat [Dino S.] zich in een ver buitenland ophoudt;
– in deze periode [Dino S.] op enig moment was verdwenen en [getuige 5] hem na een aantal weken heeft gezien en gesproken. [Dino S.] heeft zijn vertrek verklaard door te wijzen op alle problemen, waarop hij niet zat te wachten;
– het de mening van [Fred R.] is dat [Dino S.] over het hoofd ziet dat in het geval van “het aanpakken” van [Willem H.] door justitie [Dino S.] daarin meegaat, en er dan ook voor [Dino S.] geen redden meer aan is;
– [Fred R.] rekening houdt met het moeten ondergaan van een langdurige gevangenisstraf;
– volgens [Fred R.] niemand het echte verhaal weet en dat hij het niet gaat vertellen;
– [Jesse R.] is aangehouden in Marokko.
Andere verslagen van die heimelijk afgeluisterde en opgenomen gesprekken geven weer wat door [Fred R.] met [betrokkene 5] is besproken. Uit de inhoud van gesprekken die door [Fred R.] en [betrokkene 5] zijn gevoerd tussen 15 oktober 2008[_eaccc52f-e4ad-4a67-a4c0-047a9aefaf2a], 22 oktober 2008[_16f98c85-7989-40f0-bb9e-efdd7ac752d0], 29 oktober 2008[_0c1f2caf-accc-4348-bb1b-7c0b39ac9dac] en 24 december 2008[_29b2a983-4d73-4b62-8d77-e7461aebb633] leidt het hof af dat:
- [Fred R.] aanspraak maakt op betalingen van geldbedragen;
- dat daarover gemaakte afspraken jegens hem moeten worden nagekomen;
- de naam van [Ali A.] wordt genoemd;
- anderen die betalingen aan hem verschuldigd zijn;
- die betalingen door [Fred R.] worden geplaatst in de sleutel van een maandbedrag van 3000 Euro en een spaarregeling van 175 Euro per dag;
- de door [Fred R.] gepretendeerde vordering, gerekend tot en met december 2008 188.000 Euro beloopt, waarvan slechts 50.000 Euro is betaald;
- [Fred R.] wil dat 133.000 Euro wordt betaald en vanaf december 2008 weer het maandbedrag;
- die betalingen uitblijven althans vertraagd en onvolledig worden gedaan;
- [Fred R.] zijn ongeduld daarover bespreekt met [betrokkene 5];
- [betrokkene 5] in het verband van betalingen voor [Fred R.] contacten legt en onderhoudt met Vrij[_bd1e6ab2-0c09-4af5-999f-0924b482f924];
- [Fred R.] reeds driemaal door of namens het Openbaar Ministerie is benaderd met het oog op het geven van opening van zaken, maar dat [Fred R.] er niemand in wil betrekken;
- [Fred R.] daarover wellicht anders denkt als het Openbaar Ministerie tegen hem een levenslange gevangenisstraf overweegt;
- [Fred R.] zijn goede wil kan tonen door het vertellen van zijn eigen verhaal en daarin alleen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] betrekt en over anderen niets zal zeggen;
- degenen die aan [Fred R.] (behoren te) betalen voor één persoon bang zijn, namelijk [Fred R.];
- [Fred R.] wederom is benaderd door of namens het Openbaar Ministerie, er moet nu echt 133.000 Euro worden betaald, en dat [Fred R.] een brief gaat schrijven aan een advocaat, mr. [advocaat 3];
- ook mr. [advocaat 1], zijnde de (toenmalige) raadsman van [Fred R.] door of namens het Openbaar Ministerie zou zijn benaderd met het oog op een gesprek, te voeren buiten aanwezigheid van [Fred R.];
- die raadsman als zijn verwachting heeft uitgesproken dat er aan [Fred R.] een zeer aanzienlijk (financieel) aanbod zal worden gedaan, maar dat [Fred R.] toch niet gaat praten omdat dat voor [Fred R.] geen zin heeft. Niettemin moeten de betalingsafspraken jegens [Fred R.] worden nagekomen;
- [betrokkene 6] [Fred R.] goed is gezind en alles wat met [Fred R.] gebeurt op de voet volgt en [Fred R.] wat [betrokkene 6] betreft zich geen zorgen moet maken;
- (in december 2008) tweemaal maandgeld (6000 Euro) binnen is, het jaargeld (133.000 Euro) beschikbaar is, iedereen ermee instemt, doch slechts aan [Fred R.] wordt uitbetaald zodra een ander – hij – daarvoor toestemming geeft;
- deze door [betrokkene 5] niet met name genoemde man naar verwachting in de maand januari door hen kan worden bereikt en als – hij – toestemming geeft direct wordt uitbetaald.
Door de advocaat mr. [advocaat 1] is als getuige verklaard dat hij als de (toenmalige) raadsman van [Fred R.] het slachtoffer is geworden van een bedreiging. Volgens zijn verklaring is hij enige tijd nadat het hierboven vermelde verslag van het gesprek van 15 maart 2007 aan het (Passage)dossier was toegevoegd bezocht door een persoon die hem op geraffineerde wijze heeft bedreigd. Deze bedreiging hing rechtstreeks samen met het eventueel praten door [Fred R.] met politie en justitie. Door deze advocaat is voorts aangegeven dat hij ervan uitgaat dat hij met [Fred R.] zal hebben gedeeld wat hij van derden heeft meegekregen in de zin van toezeggingen. Hij rekent het in het algemeen tot zijn adviserende taak dat hij als raadsman zijn inschatting over de kwaliteit van toezeggingen door justitie en over de kwaliteit van toezeggingen door derden deelt met de cliënt, die overweegt om kroongetuige te worden.[_16dcd4e6-9c67-4cb9-8a0c-f75a84ce84a4]
Volgens de schriftelijke uitwerking van een door [Astrid H.] heimelijk opgenomen met haar broer gevoerd gesprek hebben zij gesproken over het feit dat [Fred R.] als kroongetuige verklaringen heeft afgelegd, over [Dino S.] en [Ali A.] en over liquidaties. [Willem H.] heeft aan [Astrid H.] duidelijk gemaakt dat – naar het hof begrijpt – zijn advocaat beschikt over een hele doos met daarin verklaringen van [Fred R.], dat die advocaat moet worden gebeld, en dat hij, [Willem H.] [Fred R.] nog nooit heeft gesproken.[_5bd9d7c4-d5d2-46ce-b69d-3c4410410c71]
Volgens de door [Astrid H.] als getuige ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring waren volgens haar broer betalingen aan [Fred R.] –zij onderscheidt een wekelijks en een maandelijks bedrag – niet gedaan, en is dat de reden voor [Fred R.] geweest voor het afleggen van zijn verklaringen. [Willem H.] heeft aan haar de exacte bedragen verteld, dat het anderen dan haar broer waren die het geld brachten, en dat toen [Astrid H.] aan haar broer vroeg waarom hij het financiële probleem met [Fred R.] dan niet oploste het probleem al was geëscaleerd. Voorts heeft [Willem H.] aan deze zus gezegd dat [Fred R.] niet op de motor (het hof begrijpt: de motorfiets die is gebruikt bij de aanslag op [Cor van H.] in 2003) heeft gezeten.[_8f47aafe-8fe4-4a64-9eeb-35c6be3dadeb]
[Fred R.] heeft bij de politie en ter terechtzitting als getuige verklaard over de gang van zaken en het ontvangen van zwijggeld. Samengevat gaat het daarbij om het volgende.
Na zijn aanhouding in Spanje is [Fred R.] rond 17/18 augustus 2006 uitgeleverd aan Nederland. Terwijl [Fred R.] in detentie verbleef en terwijl beperkende maatregelen van kracht waren heeft zijn (toenmalige) raadsman mr. [advocaat 1] aan [Fred R.] verteld dat voor hem betalingen werden gedaan. Later heeft onder anderen [betrokkene 5] [Fred R.] in detentie bezocht. [betrokkene 5] heeft contact gehad met de groep rond [Ali A.]: wat zij van [Fred R.] wilden en hoe het verder zou gaan. Volgens afspraak zou aan [Fred R.] geld worden betaald: 3000 Euro per maand en bij wijze van spaarregeling daggeld van 175 Euro. In het kader van die spaarregeling is in totaal 74.000 Euro betaald, waarvan 24.000 Euro in 2010 via een (voormalig) raadsman, mr. [advocaat 2]. [Fred R.] heeft op enig moment ervaren dat de betalingen stokten.[_832ee286-80d8-4ebf-ac2f-e7977625fb93]
Dit gegeven, en de overtuiging van [Fred R.] dat het oplopen van zijn vordering uit hoofde van die spaarregeling hand in hand ging met het oplopende risico te worden vermoord – volgens de ervaring van [Fred R.] met het criminele milieu is het vermoorden van een schuldeiser uiteindelijk goedkoper dan hem volledig betalen – hebben [Fred R.] mede ertoe gebracht om kroongetuige te worden.[_d12609c9-f9e6-4b47-80b7-f6e9c6f75f17]
De afspraken over het zwijggeld zijn gemaakt tijdens zijn detentie, aan de zijde van [Fred R.] door advocaten en mensen uit zijn entourage en aan de andere zijde met [Ali A.]. Aanvankelijk werden de afspraken nagekomen. Meer personen zijn bij het bewaren en doorgeven van betaalde geldbedragen betrokken geweest, onder wie [betrokkene 5]. Nadat de medeverdachten van [Fred R.] kennisnamen van het door de officier van justitie aan het Passage-dossier toegevoegde verslag van het even bedoelde gesprek van 15 maart 2007 ontstond twijfel bij [Ali A.] c.s.[_fb644dc7-1987-4d7e-8cae-efa266d23c5a]
Op enig moment is aan mr. [advocaat 1] duidelijk gemaakt dat áls [Fred R.] zou besluiten om bij politie en justitie te gaan verklaren [Jesse R.] en [Willem H.] dan opgeofferd mochten worden.[_aa3367c8-d29a-4cc9-8613-9d3e76cc57fa]
Ook is aan [Fred R.] duidelijk gemaakt dat hij van raadsman zou moeten veranderen, omdat zijn (toenmalige) raadsman (mr. [advocaat 1]) minder goed met een andere in het Passage-onderzoek figurerende raadsman (mr. [advocaat 3]) raadsman zou optrekken.[_5f3e6662-b1c2-48f0-9949-79f8b00f102e] Nadat [Fred R.] mr. [advocaat 2] als zijn raadsman had gekozen is er prompt betaald. Mr. [advocaat 2] heeft [Fred R.] slechts korte tijd bijgestaan, omdat [Fred R.] niet tevreden was met diens bijstand en ook, omdat na de prompte betalingen de tweede betaling in 2010 uitbleef. Daarom is hij weer teruggevallen op de rechtsbijstand van mr. [advocaat 1], met gevolg dat de betalingen gelijk zijn gestopt, omdat mr. [advocaat 1] zich naar zeggen van [Fred R.] “niet in dat soort zaken mengt”.[_65a84ff4-4803-4508-b804-8d67d377734b]
Nadat [Ali A.] naar Turkije is vertrokken heeft er begin 2013 een gesprek plaatsgehad met Vrij en [betrokkene 6]; de twee laatstgenoemden vonden het vervelend hoe het ging. Er heeft vervolgens een betaling plaatsgehad. Nadat [betrokkene 6], Vrij en [Willem H.] zijn aangehouden stokten de betalingen wederom. Door [Ali A.] is toen geen actie meer ondernomen, aldus de verklaringen van [Fred R.] over dit onderwerp.[_b61be5c8-6c7f-47de-82e5-8e46e9cac85e]
In het dossier is een aantal schriftelijke verslagen van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken gevoegd. Het gaat dan om gesprekken waaraan in verschillende combinaties wordt deelgenomen door o.a. [Fred R.], [Jesse R.], [getuige 5] en [getuige 4] in de periode van februari tot en met juli 2006.
In een aantal gesprekken van [Fred R.] met [Jesse R.] is een persoon, bijgenaamd de Commissaris, onderwerp van gesprek, soms in verband met een andere persoon, bijgenaamd Chemie. Terugkerend thema in die gesprekken vormt contact van [Fred R.] (en [Jesse R.]) met de Commissaris (en met Chemie), vaak in de zin dat daarnaar dringend wordt gezocht door [Fred R.], en ook dat dat contact er is geweest, met die Commissaris en/of met die Chemie. De gemene deler van deze gesprekken is dat er in onmiskenbaar versluierende taal althans zeer bedekte termen wordt gesproken.[_55c4c310-794e-48ac-bc85-532ae8b10312] Het hof heeft reeds in deze paragraaf vastgesteld dat de persoon [Dino S.] door [Fred R.] en [Jesse R.] wordt aangeduid met de bijnaam Commissaris, en [Ali A.] met de bijnaam Chemie.
En dan zijn er de (toenmalige) vriendinnen van [Fred R.] en [Dino S.], respectievelijk [getuige 5] en [getuige 4]. [getuige 5] is door [Dino S.] aan hem voorgesteld.[_f6919085-2fab-4339-8931-bb6c4ae82ec5]
Uit dat gegeven leiden [Fred R.] en die vriendin op een later moment tijdens een telefoongesprek kennelijk af dat daarin vertrouwen van [Dino S.] in de persoon van [Fred R.] besloten ligt.[_ce0d765a-e2d2-4440-aa41-06cdea9eb4f4] Uit de stukken blijkt voorts, dat [Fred R.] op zeker moment een nieuwe en kostbare auto ter beschikking heeft gesteld aan de als vrouw van de Commissaris aangeduide vriendin van [Dino S.] met het oog op haar gebruik daarvan.[_a22da6d9-955f-4e25-a2aa-36265b8d134d]
Het hof leidt uit de inhoud van een telefoongesprek tussen [Fred R.] en [getuige 5] af dat de toenmalige vriendinnen van [Fred R.] en [Dino S.] instructies hebben ontvangen over het spreken over [Dino S.] door de telefoon.[_f1bd014a-2974-41f1-ae0e-014d5d2cfa6b]
Waar het gaat om telefoongesprekken die na voornoemd gesprek zijn gevoerd door [Fred R.] en [getuige 5] is evenzeer sprake van het versluierend en in bedekte termen spreken over [Dino S.]. Zo wordt [getuige 4], de toenmalige vriendin van [Dino S.], in een aantal gesprekken door [Fred R.] en [getuige 5] als “vriendinnetje” of “zij” aangeduid.[_685d8064-3113-43b4-be6f-26a97e02d050] [Dino S.] wordt op zijn beurt door [Fred R.] en [getuige 5] “dingetje”, “hij” of “hem” genoemd.[_778e5ae2-7f22-4f3e-9400-f6bb9ec89209]
Uit een aantal gesprekken, waaraan [Fred R.] deelneemt, leidt het hof af dat [Dino S.] boos is op [Fred R.] omdat [Fred R.] teveel zou hebben gezegd door de telefoon. In een telefoongesprek van 7 juli 2006, om 17:16 uur, zegt [getuige 5] tegen [Fred R.] dat “dingetje” boos op hem was, en dat [getuige 5] later nog zal vertellen waarom.[_3b52e48d-fc68-4193-bcb8-8a67630d2283] Diezelfde dag, om 17:41 uur, belt [Fred R.] met [getuige 5]. Fred zegt dan dat hij benieuwd is, naar die onzin. [getuige 5] zegt vervolgens dat “hij” boos is omdat [Fred R.] iets verkeerds heeft gezegd, en de telefoon heeft afgepakt. Verder zegt [getuige 5] dat zij er niet tussen wil zitten, omdat zij dan misschien ruzie krijgt met [getuige 4] (het hof begrijpt: [getuige 4] ).[_85a03e77-f85a-4173-ba8a-9d636d00f711]
[Fred R.] belt de volgende dag met [Jesse R.], en brengt verslag uit. [Fred R.] zegt tegen [Jesse R.] dat zijn vriendin de vriendin van “hem” aan de telefoon had, dat [Fred R.] toen de telefoon heeft gepakt en heeft gezegd dat [Fred R.] “hem” nu echt moest spreken, en dat “hij” hierom boos was geworden.[_338094ab-eb46-43fb-9ee3-8865024a9cd8]
Het hof leidt uit de inhoud van deze gesprekken af dat [Fred R.] hier doelt op [Dino S.]. Het hof leidt uit deze gesprekken, in samenhang met het reeds hierboven besproken telefoongesprek tussen [Fred R.] en [getuige 5] van 3 maart 2006, om 19:43 uur, tevens af dat voor [Fred R.], [getuige 5] en [getuige 4] voorzichtigheid was geboden als zij over de telefoon spraken over [Dino S.].
Het hof kan hetgeen hierboven is vastgesteld moeilijk rijmen met de verklaringen van [Dino S.], over de aard en intensiteit van zijn contact met [Fred R.]. Immers, niet valt in te zien waarom dergelijke voorzichtigheid betracht zou moeten worden als het contact tussen [Fred R.] en [Dino S.] in het teken zou hebben gestaan van sociale ontmoetingen, in het bijzijn van de vriendinnen.
[Fred R.] heeft als kroongetuige een aanzienlijk aantal uitvoerige verklaringen afgelegd, over een veelheid van onderwerpen en zaaksdossiers.
Waar het gaat om de hiervoor bedoelde (telefoon)gesprekken die betrekking hebben op de Commissaris en/of Chemie heeft [Fred R.] in de kern verklaard dat de context van die gesprekken wordt gevormd door de moord op Van der Bijl en de daarmee in verband staande communicatie met [Dino S.] en [Ali A.] .[_01a6519f-a5c4-4785-a50a-84840dfe4576]
Hij heeft zichzelf aangewezen als degene die [betrokkene 2], [betrokkene 3], en [betrokkene 1] bij (de voorbereiding van) die moord heeft betrokken.[_fa3f98e2-6d94-4b49-83ea-e5bdb7e1d8a7]
Hij heeft [Jesse R.] aangewezen als degene die hem eerder heeft gevraagd te helpen bij de moord op Van der Bijl.[_53889d8e-03dc-463d-be1c-50eae417a356]
Daarna is het [Dino S.] geweest die [Fred R.] met het oog op de moord op Van der Bijl heeft aangestuurd. Voorts heeft [Fred R.] verklaard over de vorm, locaties en inhoud van de door hem met [Dino S.] en [Ali A.] onderhouden contacten in verband met die te plegen moord, en de in verband daarmee gedane betalingen.[_edc17669-9d53-4350-92e2-6846b5181e9e] Ook heeft hij verklaard over de reden van de moord op Van der Bijl: zijn praten met de politie, ook over [Willem H.], en over [Dino S.] en [Willem H.] .[_99e09aab-91ce-4ffb-a1ca-4e97da3dc437]
[Fred R.] heeft verklaard dat hij van [Jesse R.] heeft gehoord over diens betrokkenheid bij de moord op Houtman. [Jesse R.] hem heeft verteld dat de opdrachten tot het plegen van de moorden op Houtman en Van der Bijl gelijktijdig zijn gegeven, dat hij de opdracht had gekregen om een paar mensen te vermoorden, geruime tijd voordat de moord is uitgevoerd.[_3c9dbeb9-6f8c-43a2-bd06-71434b9a99ef]
[Fred R.] heeft verklaard dat hij samen met [Jesse R.] heeft rondgereden in Aerdenhout om te zoeken naar een aldaar geparkeerde auto (Citroën C5) die was gebruikt bij de moord op Houtman. Volgens [Jesse R.] wilde [Peter La S.] dat deze auto niet ook bij een volgende liquidatie (de moord op Van der Bijl) zou worden gebruikt.[_5ff4d3b7-4c44-425d-87d6-afe6c480fb85]
Uit het dossier blijkt dat [Willem H.] en [Dino S.] zich ook in en na de zomer van 2005 nog bij herhaling in elkaars gezelschap bevinden.
Zo is op een bezoekerslijst geregistreerd dat [Willem H.] en [Dino S.] de toen gedetineerde [betrokkene 6] op 15 juni 2005 hebben bezocht.
Op 6 januari 2006 is in elk geval [Willem H.] in de PI op bezoek geweest bij [betrokkene 6]. Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [Willem H.] en [betrokkene 6] toen hebben gesproken over problemen tussen [Willem H.] en [getuige 21] .[_5b02be3b-5524-4aec-97a2-a167dee82c99] Uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen [Willem H.] en [betrokkene 6] van 7 januari 2006 blijkt dat ook [Willem H.] en [Dino S.] hebben gesproken over die problemen tussen [Willem H.] en [getuige 21] .[_a6b6bcab-19d6-49dc-88d4-68bc979c2f70]
Uit de verklaring van [getuige 5], de toenmalige vriendin van [Fred R.], blijkt dat [Willem H.] eind augustus 2005 aanwezig is geweest op het verjaardagsfeestje van de vriendin van [Dino S.] ( [getuige 4]) in een restaurant in Den Haag.[_318c5026-600c-4757-8285-4c9012935129] Het dossier bevat een foto waarop gezamenlijk poserend [Willem H.], geflankeerd door [getuige 4] en [getuige 5] is afgebeeld.[_218ab8d9-d336-4491-8a42-34971267e38f]
Volgens de verklaring van [getuige 5] heeft in de maand december van 2005 een etentje in een uitgaansgelegenheid te Rotterdam plaatsgevonden, waar zij met o.a. [Jesse R.], [Willem H.], [getuige 4] en [Dino S.] aan tafel heeft gezeten.[_0fa45e70-c207-4d36-991b-7fb3ad21aa61]
Door [getuige 22] is verklaard over een feestelijke maaltijd op kerstavond 2005, waar o.a. [Willem H.] en [Dino S.] hebben aangezeten.[_988dfe3b-f1fa-4ca5-9073-eee88fad190f]
Uit afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken die in de periode rond 28 januari 2006 zijn gevoerd tussen onder anderen Vrij en [betrokkene 6] blijkt dat op 27 januari 2006 een gezelschap waartoe in elk geval Vrij en [Willem H.] (door Vrij aangeduid als “Hollie”) in Rotterdam in een uitgaansgelegenheid zijn geweest. Vrij zegt dat [Willem H.] vroeg weg is gegaan omdat “Foef” er niet was. Vrij zegt dat als Foef er is, dan gaat [Willem H.] tot het einde, of als laatste weg gaat.[_3d34dfc8-8e10-4ab8-92c8-0592942981e7] Gebleken is dat de persoon [Dino S.] ook met die bijnaam werd aangeduid.[_9ea575b3-9981-416b-a5a7-d60d8fd86284]
De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat [Willem H.] in de periode rond december 2005 vaak in Rotterdam was en dat als zij [Willem H.] zag, [Dino S.] ook in de buurt was.[_1683977c-1ba6-4f1b-b499-1c26c47d787a]
De getuige Q5 heeft verklaard dat [Willem H.], [Dino S.] en [Ali A.] ook na het door hem in de Baja opgevangen gesprek in de Baja bleven komen.[_400c6957-176d-4e78-a16e-9c42e0c7ec6b]
Tussenconclusie dossieronderzoek verankering verklaringen [Fred R.]
Het hof stelt naar aanleiding van het voorgaande het volgende vast.
De wetgever heeft aan het hof opgedragen extra behoedzaam te zijn bij bewijsgebruik van verklaringen van kroongetuigen. Die opdracht hangt samen met de belangen die voor een kroongetuige op het spel staan, in de zin dat hem op grond van de met de officier van justitie gemaakte afspraak voordelen (kunnen) toevallen. Het hof begrijpt de door de verdediging bij pleidooi betrokken stelling dat een kroongetuige “van onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” in die sleutel. Een andere opvatting zou immers ten onrechte meebrengen dat een kroongetuige over meer of andere kwaliteiten zou dienen te beschikken dan een andere getuige.
Deze uitspraak is erg lang; hier staat het eerste deel. De volledige tekst staat op uitspraken.rechtspraak.nl.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 422 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 344 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226g Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 359a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 360 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 359 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 44a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 348 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 350 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226j Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 130 RO meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226h Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226l Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 4 Bgb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 187d Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 167 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 511 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 152 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 33 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 3 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 342 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 226a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 344a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 192 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 126cc Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 153 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 2 Gratw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 19 Gratw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 18 Gratw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 10 PBW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 57 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 63 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 59 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:106 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36d Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 353 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 45 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 47 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 48 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 140 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 289 Sr meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2019:600 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBAMS:2024:703 Rechtbank Amsterdam, 27 februari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2023:3577 Rechtbank Amsterdam, 7 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4555 Rechtbank Amsterdam, 4 juli 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:600 Hoge Raad, 23 april 2019 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.