Wet op de omzetbelasting 1968

OB

Huidige tekst

Artikel 31 OB

Geldt sinds 1 januari 2014

  1. 1

    Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

  2. 2

    In gevallen waarin geen aangifte op de voet van artikel 14 moet worden ingediend, geschiedt een verzoek om teruggaaf door het doen van aangifte.

  3. 3

    Indien een verzoek om teruggaaf als bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan door een ondernemer die niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit zakelijke handelingen worden verricht, maar die is gevestigd in een andere lidstaat, is het bepaalde in afdeling 2, paragrafen 1 en 2 mede van toepassing.

  4. 4

    Indien een verzoek om teruggaaf als bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend door een ondernemer die niet in Nederland en niet in de Unie woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, dient het verzoek betrekking te hebben op belasting waarvoor het recht op teruggaaf is ontstaan in een tijdvak van ten minste drie maanden en ten hoogste een kalenderjaar. Het tijdvak mag evenwel korter zijn dan drie maanden indien deze periode het resterende deel van een kalenderjaar betreft. De verzoeken kunnen mede belasting betreffen waarvoor het recht op teruggaaf is ontstaan in een ander tijdvak van hetzelfde kalenderjaar, maar waarvoor eerder geen verzoek om teruggaaf werd ingediend. Het verzoek moet worden ingediend binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

  5. 5

    Indien een verzoek om teruggaaf als bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend door een ander dan een ondernemer genoemd in het derde lid of vierde lid, dient het verzoek betrekking te hebben op belasting waarvoor het recht op teruggaaf is ontstaan in een kwartaal en moet het verzoek worden ingediend binnen drie maanden na afloop van dat kwartaal.

  6. 6

    In gevallen als bedoeld in het vierde lid, wordt in afwijking van artikel 17 geen teruggaaf verleend indien het verzoek betrekking heeft op een bedrag aan belasting van minder dan € 400. Betreft een verzoek om teruggaaf als is bedoeld in het vierde lid evenwel een kalenderjaar of het resterende gedeelte daarvan, dan moet het bedrag aan belasting waarop het verzoek betrekking heeft ten minste € 50 belopen.

  7. 7

    Een ondernemer die niet in de Unie woont of is gevestigd en in Nederland geen vaste inrichting heeft, behoeft bij een verzoek om teruggaaf, in afwijking van artikel 57 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geen domicilie in Nederland te kiezen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop deze ondernemers moeten aantonen, dat zij ondernemer zijn in de zin van artikel 7.

  8. 8

    De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  9. 9

    Op de verzoeken om teruggaaf van belasting, bedoeld in het eerste en tweede lid, is afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2025:1258Hoge Raad, 12 september 2025 (belastingrecht)

    Omzetbelasting; art. 31 Wet OB; art. 26 AWR; rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht bij uitspraak op bezwaar een afwijzende beslissing op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting heeft…

  • ECLI:NL:PHR:2021:426Parket bij de Hoge Raad, 23 april 2021 (verbintenissenrecht)

    Verbintenissenrecht. Geldlening. Welke partij moet als geldnemer worden aangemerkt?

  • ECLI:NL:PHR:2020:493Parket bij de Hoge Raad, 19 mei 2020 (strafrecht)

    Conclusie AG over de verwerping van het verweer dat het onjuist of onvolledig doen van aangifte omzetbelasting berustte op een fiscaal pleitbaar standpunt. Conclusie strekt tot vernietiging.…

  • ECLI:NL:PHR:2017:1281Parket bij de Hoge Raad, 7 november 2017 (belastingrecht)

    Overdrachtsbelasting en omzetbelasting; overdracht algemeenheid van goederen (art. 37d Wet OB); onroerende-zakencomplex waaronder een kantoortoren; toepassing samenloopvrijstelling (art. 15(1)(a) Wet…

  • ECLI:NL:GHSHE:2025:3537Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 december 2025 (belastingrecht)

    Artikel 29 en 31 Wet OB. Verzoeken om teruggaaf van OB zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend. Geen verschoonbare…

  • ECLI:NL:GHARL:2025:7775Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 december 2025 (belastingrecht)

    OB. Tijdigheid verzoek om (aanvullende) teruggaaf.

  • ECLI:NL:GHARL:2025:1599Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 maart 2025 (belastingrecht)

    Uitspraak na verwijzing. Invordering. Aansprakelijkstelling. Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Andere afloop-criterium.

  • ECLI:NL:GHARL:2025:1601Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 maart 2025 (belastingrecht)

    Uitspraak na verwijzing. Invordering. Aansprakelijkstelling. Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Andere afloop-criterium.

140 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.