Visserijwet 1963

Huidige tekst

Artikel 9 Visserijwet 1963

Geldt sinds 1 januari 2015

  1. 1

    In het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit.

  2. 2

    Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid, wordt mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

  3. 3

    Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.

  4. 4

    De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen mede inhouden het opleggen van een verplichting aan hen, die vis van een aanvoerder betrekken en hen, die hun bemiddeling verlenen bij het veilen van vis tot het voeren van een administratie en tot het doen van opgave aan een bij die voorschriften aangewezen autoriteit van de hoeveelheden vis door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan hen ter veiling aangeboden.

  5. 5

    De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, wordt Ons niet gedaan, dan nadat Onze Minister met naar het oordeel van Onze Minister daarvoor in aanmerking komende organisaties van sportvissers overleg heeft gepleegd.

  6. 6

    Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt, indien deze regelen stelt met betrekking tot beperking van de vangstcapaciteit, aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel kan nadat 30 dagen na de overlegging zijn verstreken in werking treden, tenzij binnen die termijn door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven, dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsvoorstel in.

  7. 7

    Onze Minister kan, indien hij overweegt een voordracht te doen tot vaststelling, wijziging of intrekking van een maatregel als bedoeld in het zesde lid en naar zijn oordeel de goede werking van de desbetreffende maatregel een onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regelen stellen, en in het bestaande besluit vervatte regelen buiten werking stellen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  8. 8

    Een regeling getroffen op grond van het zevende lid blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het zesde lid bedoelde maatregel in werking treedt, doch uiterlijk tot acht maanden na de inwerkingtreding van de regeling. In het geval dat ingevolge het bepaalde in het zesde lid, het in de maatregel te regelen onderwerp bij de wet wordt geregeld, blijft de regeling van kracht totdat de wet in werking treedt danwel totdat het voorstel van wet wordt ingetrokken of een van beide kamers tot niet-aanneming daarvan besluit.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:2703Rechtbank Amsterdam, 12 januari 2024 (strafrecht)

    Art. 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, art. 2.5 van de Wet Natuurbescherming, art. 3a en 9 van de Visserijwet 1963, art. 3 van het Reglement zee-en kustvisserij 1977, art. 1a en 12…

  • ECLI:NL:RVS:2013:809Raad van State, 21 augustus 2013 (bestuursrecht)

    Bij afzonderlijke besluiten van 13 januari 2010 heeft de minister voor de periode 13 januari 2010 tot en met 31 december 2011 vergunningen verleend voor het vissen op mosselzaad met een…

  • ECLI:NL:RVS:2010:BO9216Raad van State, 29 december 2010 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 23 februari 2007 heeft de minister besloten dat [appellant] niet in aanmerking komt voor één van de tien extra vergunningen voor de handmatige kokkelvisserij in de Waddenzee.

  • ECLI:NL:RVS:2010:BO0234Raad van State, 13 oktober 2010 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 18 juli 2008 heeft de minister aan [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een additionele handkokkelvergunning voor het seizoen 2008.

  • ECLI:NL:RBMID:2010:BL8872Rechtbank Middelburg, 18 maart 2010 (bestuursrecht)

    Beleidsbesluit 9-8-2006 strekkende tot uitgifte van additionele handkokkelvergunningen niet onredelijk. Rb sluit aan bij uitspraak ABRS. Weigering afgifte additionele vergunning aan eiser niet…

  • ECLI:NL:RVS:2009:BK5825Raad van State, 9 december 2009 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 23 februari 2007 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant] om verlening van een tijdelijke vergunning voor de…

  • ECLI:NL:RBAMS:2008:BG5134Rechtbank Amsterdam, 7 november 2008 (strafrecht)

    Artikel 3a Visserijwet 1963, regeling technische maatregelen 2000, verordening EG 850/98. Ontslag van alle rechtsvervolging, nu het bewezengeachte niet strafbaar is. Uit de EG-verordening 3440/84…

  • ECLI:NL:RBAMS:2007:BB8738Rechtbank Amsterdam, 8 november 2007 (strafrecht)

    Ter terechtzitting is betoogd dat in deze de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard omdat de reder niet aansprakelijk kan worden gehouden voor handelingen van de kapitein en de bemanning op zee begaan…

11 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.