Spoorwegwet

Huidige tekst

Artikel 89 Spoorwegwet

Geldt sinds 1 januari 2013

  1. 1

    Bij verdenking dat een persoon heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste, tweede of derde lid, kan de in artikel 88, eerste lid, bedoelde ambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a.

  2. 2

    Degene aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de betrokken ambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

  3. 3

    De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  4. 4

    In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de betrokken ambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de betrokken ambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 4, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.

  5. 5

    Indien de verdachte zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.

  6. 6

    Degene wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.

  7. 7

    De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  8. 8

    De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek ten einde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.

  9. 9

    Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.

  10. 10

    Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze van uitvoering van artikel 4, vierde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2021:228Parket bij de Hoge Raad, 9 maart 2021 (strafrecht)

    Conclusie AG. OM-cassatie. Vrijspraak rijden onder invloed van cannabis, art. 8.5 WVW 1994. 90 minutentermijn voor bloedafname, art. 12.3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.…

  • ECLI:NL:PHR:2021:229Parket bij de Hoge Raad, 9 maart 2021 (strafrecht)

    Conclusie AG. Rijden onder invloed van MDMA, MDA en cannabis, art. 8.5 WVW 1994. 90 minutentermijn voor bloedafname, art. 12.3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Dient deze…

  • ECLI:NL:GHAMS:2020:2205Gerechtshof Amsterdam, 13 juli 2020 (strafrecht)

    Bloedonderzoek: valt de 90 minuten-termijn onder een 'strikte waarborg' waarmee de wetgever het bloedonderzoek a.b.i. art. 8 lid 5 WVW 1994 heeft omringd?

  • ECLI:NL:GHAMS:2020:1952Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 2020 (strafrecht)

    Rijden onder invloed. Termijn van 90 minuten bij bloedonderzoek naar verdovende middelen behoort tot strikte waarborgen van het onderzoek. Niet-naleving van die termijn leidt tot vrijspraak. Art.…

  • ECLI:NL:RBAMS:2014:2569Rechtbank Amsterdam, 13 mei 2014 (bestuursrecht)

    Nu vaststaat dat eiser zijn medewerking aan het bloedonderzoek heeft geweigerd, was verweerder gehouden een alcoholslotprogramma op te leggen en eisers rijbewijs ongeldig te verklaren. Niet is…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.