Jeugdwet

Jw

Huidige tekst

Artikel 3.1 Jw

Geldt sinds 1 juli 2020

  1. 1

    De raad voor de kinderbescherming onderzoekt de noodzaak tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel indien het college, een daartoe door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder, een gecertificeerde instelling of Veilig Thuis hiertoe een verzoek heeft gedaan.

  2. 2

    Tevens kan de raad voor de kinderbescherming een onderzoek als bedoeld in het eerste lid doen, indien: a.sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige, of b.bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak van de raad voor de kinderbescherming blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een kinderbeschermingsmaatregel overwogen dient te worden.

  3. 3

    De raad voor de kinderbescherming doet van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid onverwijld mededeling aan het college of een daartoe door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder.

  4. 4

    De gecertificeerde instelling die een verzoek tot onderzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan, doet daarvan onverwijld mededeling aan het college of aan een daarvoor door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder.

  5. 5

    De raad voor de kinderbescherming en het college leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol.

  6. 6

    In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming en het college overleggen over welke gecertificeerde instelling in het verzoekschrift aan de rechter wordt opgenomen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:HR:2018:1976Hoge Raad, 19 oktober 2018 (civiel recht)

    Onrechtmatige overheidsdaad. Jeugdrecht. Heeft de Raad voor de kinderbescherming jegens de moeder onrechtmatig gehandeld door de wijze waarop hij, in het kader van een beslissing over het gezag over…

  • ECLI:NL:GHDHA:2026:1798Gerechtshof Den Haag, 25 maart 2026 (personen- en familierecht)

    Ondertoezichtstelling. Art. 1:255 lid 2 BW. Wanneer is een ouder bevoegd tot het doen van een verzoek tot ondertoezichtstelling? Hoe moet de voorwaarde: “indien de raad voor de kinderbescherming niet…

  • ECLI:NL:GHARL:2024:7381Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 november 2024 (personen- en familierecht)

    Ondertoezichtstelling, 1:255, eerste lid BW.

  • ECLI:NL:GHDHA:2024:1722Gerechtshof Den Haag, 8 oktober 2024 (verbintenissenrecht)

    Onderzoek van een Veilig Thuis-organisatie naar aanleiding van een melding. Reikwijdte van de bevoegdheden van Veilig Thuis-organisaties bij de uitvoering van de taken, geregeld in artikel 4.1.1 Wmo…

  • ECLI:NL:GHDHA:2024:1617Gerechtshof Den Haag, 17 september 2024 (verbintenissenrecht)

    geen onrechtmatig handelen Staat en Leger des Heils bij uithuisplaatsing (inmiddels meerderjarige) kinderen

  • ECLI:NL:GHAMS:2024:2485Gerechtshof Amsterdam, 6 augustus 2024 (personen- en familierecht)

    Ten tijde van de bestreden beschikking werd de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd en is hij terecht onder toezicht gesteld. Op dit moment is er geen zodanige ernstige bedreiging meer…

  • ECLI:NL:RBAMS:2024:2980Rechtbank Amsterdam, 26 maart 2024 (personen- en familierecht)

    Kort geding. Vader vordert nakoming omgangsregeling door JBRA. Omgang tussen de vader en zoon op dit moment praktisch onuitvoerbaar, omdat er geen instantie is die de omgang kan begeleiden. Vordering…

  • ECLI:NL:RBROT:2022:12195Rechtbank Rotterdam, 15 december 2022 (personen- en familierecht)

    Grootouders niet ontvankelijk tot het verzoeken van een ondertoezichtstelling of beschermingsonderzoek. En geen wettelijke grondslag om verhuizing naar het buitenland van hun dochter met de…

25 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.