Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon
gelet op de artikelen 27, 28, 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet,
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit:
vast te stellen het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon.
Inleiding
De Participatiewet in Balans wil de huidige Participatiewet verbeteren door meer menselijke maat en vertrouwen in te bouwen, regels te vereenvoudigen, en hardheden weg te nemen. Gemeenten krijgen meer ruimte voor maatwerk, zodat oplossingen beter aansluiten bij persoonlijke situaties. Het doel is een rechtvaardiger en eenvoudiger stelsel, waarin rechten en plichten in balans zijn en iedereen kan rekenen op een toereikend bestaansminimum en wordt gestimuleerd om naar vermogen mee te doen in arbeid en samenleving.
Deze herziening van de Participatiewet markeert een fundamentele koerswijziging. De regels rond middelen, vermogen en inkomen worden ingrijpend aangepast. Nieuwe definities en verruimde kaders voor giften, bijverdienmogelijkheden en bufferbudgetten vragen om een andere interpretatie van bestaanszekerheid. Daarnaast komen er aangepaste verrekeningsregels en beleidsinstrumenten die meer ruimte bieden voor maatwerk en menselijke maat, maar tegelijkertijd een uniforme toepassing vereisen om rechtsgelijkheid te waarborgen. Voor uitvoeringsprofessionals betekent dit een omslag naar meer discretionaire bevoegdheden, gecombineerd met een scherp oog voor consistentie en transparantie.
Dit handboek, genaamd het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon, is opgesteld met als doel de uitvoeringspraktijk optimaal te ondersteunen bij de toepassing van de gewijzigde regelgeving. Het biedt een gestructureerde en toegankelijke toelichting op de nieuwe regels met betrekking tot onder meer vermogensvaststelling, inkomstenverrekening en giften. Daarnaast worden actuele en maatschappelijk relevante thema’s behandeld, zoals het bezit van cryptovaluta (bijvoorbeeld bitcoins) en inkomsten uit online kansspelen. Ook de regels die in het kader van de Participatiewet in Balans niet zijn gewijzigd worden uitgebreid toegelicht.
Het handboek bevat tevens beleidsmatige kaders met betrekking tot onder meer giften, crowdfunding, het bufferbudget en de bijverdienregeling. Deze instrumenten bieden ruimte voor maatwerk, maar vragen tegelijkertijd om zorgvuldige afwegingen en een consistente toepassing binnen de uitvoeringspraktijk.
Een belangrijk uitgangspunt bij de totstandkoming van dit handboek is de integratie van beleidsregels in één samenhangend document. Er is bewust gekozen om geen afzonderlijke beleidsregels te hanteren, maar deze te verwerken in de toelichtingen binnen dit handboek. Hiermee wordt beoogd om in circa 90% van de gevallen een eenduidige en zelfstandige uitvoering mogelijk te maken. Voor meer complexe of uitzonderlijke situaties kan de consulent gebruikmaken van aanvullende bronnen, zoals GRIP Schulinck.
Met dit handboek wordt – zoals reeds vermeld- beoogd bij te dragen aan een professionele, rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Participatiewet. Het biedt houvast aan uitvoerende professionals en draagt bij aan een uniforme werkwijze binnen de organisatie, waarbij zowel de belangen van de burger als de uitvoerbaarheid van de wet centraal staan.
Hoofdstuk 1 Middelen
1.4. Giften en kostenbesparingen
1.4.1. Wat zijn giften?
De definitie van een gift kan worden omschreven als ‘een betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling, waarvoor niets wordt terug verlangd’. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen. Door giften niet volledig in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Het uitgangspunt hierbij is dat kerkelijke, particuliere en maatschappelijke initiatieven zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Wanneer deze giften niet leiden tot een duidelijke besparing op de kosten van levensonderhoud, zal vrijlating in beginsel mogelijk moeten zijn. Echter het mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftekarakter van de bijstand kan de vrijlating daarom niet onbeperkt zijn.
1.4.2. Giften tot € 1.200,- per kalenderjaar worden vrijgelaten en er is geen meldingsplicht
In de nieuwe Participatiewet is aan artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Participatiewet een vrijlatingsbedrag van € 1.200 per kalenderjaar toegevoegd. Hiermee wordt een norm gesteld op basis waarvan het totaal aan giften tot in ieder geval € 1.200 per kalenderjaar wordt vrijgelaten. De vrijlatingen gelden per uitkering, niet per persoon. Dit houdt in dat voor een alleenstaande ouder en gehuwden (en daarmee gelijkgestelden) dezelfde vrijlating van toepassing is als voor een alleenstaande.
Het drempelbedrag ad € 1.200,00 wordt toegerekend aan een kalenderjaar (1 januari tot en met 31 december). Wanneer iemand minder dan het drempelbedrag aan giften heeft ontvangen, mag het restant niet mee worden genomen naar het volgend jaar. Voor mensen die gedurende het jaar een uitkering toegekend hebben gekregen, geldt dat de drempel van € 1.200,00 geldt voor de periode van de aanvraag van de bijstandsuitkering tot en met 31 december van dat jaar.
Er geldt geen meldingsplicht voor het ontvangen van giften tot een bedrag van € 1.200,--.
Als het bedrag hoger is dan € 1.200,-- moet dit wel gemeld worden.
De bijstandsgerechtigde wordt met deze maatregel enerzijds het voordeel gegund van vrijgevigheid, zoals ook degenen die niet op bijstand aangewezen zijn van een gift kunnen profiteren. Anderzijds wordt, gelet op het minimumbehoefte-karakter, de vrijlating beperkt tot € 1.200. Een grensbedrag biedt de bijstandsgerechtigde, meer dan de vroegere abstracte formulering, rechtszekerheid. Voor giften die cumulatief boven de vrijlatingsgrens terecht komen, geldt dat zij voor het meerdere in beginsel als middelen moeten worden aangemerkt. Op individuele basis kan de gemeente echter ook hogere giften buiten beschouwing laten indien deze – met name in verband met hun doel – nog verantwoord zijn met het oog op bijstandsverlening. Verderop in deze paragraaf worden hierover beleidsregels geformuleerd.
Van de bijstandsgerechtigde wordt verwacht dat wordt bijgehouden welke giften worden ontvangen, ook voor giften onder de € 1.200. Dat is niet anders dan de bestaande praktijk. Op dit moment wordt van een bijstandsgerechtigde gevraagd dat elke gift, hoe klein ook, wordt gemeld. In de nieuwe Pwet behoeven alleen giften die cumulatief boven de € 1.200 uitkomen te worden gemeld. Dit betekent dat de bijstandsgerechtigde zelf moet bijhouden welke giften worden ontvangen en wanneer deze boven de € 1.200 uitkomen en dus gemeld moeten worden. Dit past bij de beweging die de nieuwe Participatiewet maakt om meer uit te gaan van vertrouwen. De inlichtingenplicht blijft onverkort gelden.
1.4.3. Giften versus schenkingen
Hoewel beide begrippen gaan over het overdragen van vermogen zonder tegenprestatie, is er een belangrijk juridisch onderscheid. Een schenking is een overeenkomst waarbij de schenker, ten koste van zijn eigen vermogen, een ander bewust verrijkt. Het is een rechtshandeling die onder het civiele recht valt en vereist wilsovereenstemming. Voorbeelden van schenkingen:
-Ouders maken €5.000 over aan hun kind om te helpen bij de aankoop van een woning.
-Een grootouder schenkt jaarlijks een bedrag binnen de fiscale vrijstelling.
Een gift is een ruimer begrip: elke overdracht van vermogen zonder tegenprestatie. Dit omvat niet alleen schenkingen, maar ook andere vormen van vermogensoverdracht.
Voorbeelden van giften:
-Kwijtschelding van schulden: een vriend scheldt €1.000 schuld kwijt.
-Verkoop tegen symbolische prijs: een auto met een marktwaarde van €5.000 wordt verkocht voor €1.
-Duurzame gebruiksgoederen: een wasmachine, fiets of laptop wordt cadeau gedaan.
De giftenvrijlating ziet op middelen en geldt zowel voor giften die als inkomen worden aangemerkt (bijvoorbeeld geld voor boodschappen) als voor giften die als vermogen worden beschouwd (bijvoorbeeld een spaardeposito of auto).
1.4.4. Natuurlijke verbintenis
Een natuurlijke verbintenis is een verplichting die niet juridisch afdwingbaar is, maar wel voortkomt uit maatschappelijke normen of persoonlijke relaties (bijvoorbeeld ouders die hun kind financieel ondersteunen). Als iemand vrijwillig aan zo’n verbintenis voldoet, wordt dat vaak gezien als een gift.
In de oude Participatiewet keken gemeenten of een gift voortkwam uit een natuurlijke verbintenis (bijvoorbeeld structurele steun van ouders of familie). Als de gift werd aangewend voor algemene kosten van levensonderhoud, werd deze meestal als inkomen aangemerkt en verrekend met de uitkering. Alleen giften met een specifieke bestemming (bijvoorbeeld voor een koelkast of begrafeniskosten) konden worden vrijgelaten.
Met de invoering van Participatiewet in Balans is de beoordeling van giften sterk vereenvoudigd. Tot € 1.200 per kalenderjaar worden giften altijd vrijgelaten en hoeven niet gemeld te worden. Dit geldt ook voor kostenbesparingen, zoals boodschappen die door familie worden betaald. Voor hogere bedragen beoordeelt de gemeente of vrijlaten verantwoord is vanuit bijstandsverlening. De juridische constructie van een natuurlijke verbintenis (bijvoorbeeld structurele steun van ouders) speelt hierbij geen rol meer.
Onder de oude wet moesten gemeenten beoordelen of een gift voortkwam uit een natuurlijke verbintenis. Dit leidde tot veel discussie en strenge handhaving. De nieuwe regels leggen de nadruk op bedrag en redelijkheid, niet op de juridische achtergrond.
Praktijkvoorbeeld
Ouders betalen maandelijks € 50 aan boodschappen voor hun kind dat bijstand ontvangt.
Jaarbedrag: € 600 → valt binnen de vrijlatingsgrens van € 1.200.
Gemeente hoeft dit niet te onderzoeken of te registreren.
Onder de oude wet moest worden beoordeeld of dit een gift of een natuurlijke verbintenis was.
1.4.5. Giften in relatie tot inkomen en vermogen
Of een gift als inkomen of als vermogen moet worden aangemerkt, speelt pas indien het totaal aan giften binnen een kalenderjaar de vrijlatingsgrens van € 1.200,- overschrijdt. Wordt een gift aangemerkt als vermogen, dan zal moeten worden bezien of het totale vermogen van bijstandsgerechtigde door het bedrag waarmee de gift de € 1.200 grens ontstijgt, boven de voor bijstandsgerechtigde geldende vermogensvrijlating uitkomt. Is dit laatste het geval dan zal de bijstand moeten worden beëindigd. Is daarentegen sprake van een gift die als inkomen kan worden gekwalificeerd, dan betreft dit inkomen in de maand van ontvangst en zal dit alsnog op de verstrekte bijstand in mindering moeten worden gebracht. Giften in de vorm van geld of bijdragen in het levensonderhoud hebben een direct effect op het bestedingsniveau en vallen daarom in beginsel binnen het inkomensbegrip. Dat geldt in veel mindere mate voor giften in de vorm van duurzame gebruiksgoederen. Deze zullen in beginsel als vermogen kunnen worden gekwalificeerd.
Beslisregel: kwalificatie van giften in relatie tot bijstand
Stap 1: Bepaal of de giftenvrijlatingsgrens is overschreden
Totaal aan giften in geld of natura binnen één kalenderjaar ≤ €1.200 → geen verdere beoordeling nodig.
> €1.200 → ga naar stap 2.
Stap 2: Kwalificeer de gift
Gift in geld of bijdrage in levensonderhoud → inkomen in de maand van ontvangst.
→ Trek af van bijstand in die maand.
Gift in de vorm van duurzame gebruiksgoederen of vermogensbestanddelen → vermogen.
→ Ga naar stap 3.
Stap 3: Toets vermogensgrens
Tel gift op bij het bestaande vermogen van belanghebbende.
Komt totaal boven de vermogensvrijlating?
→ Ja: bijstand beëindigen.
→ Nee: geen gevolgen voor bijstand.
Praktische vuistregel
Direct effect op bestedingsniveau (geld, boodschappen, vaste lasten) → inkomen.
Geen direct effect, maar bezit toeneemt (auto, spaardeposito, wasmachine) → vermogen.
1.4.6. Beleidsregels hoe om te gaan met giften die boven de vrijlatingsgrens van € 1.200 komen?
Vanaf het moment dat er meer dan € 1.200,- aan giften is ontvangen, zijn de giften van invloed op de bijstandsuitkering. Ze worden dan als volgt aangemerkt als inkomen of vermogen:
•Is de gift vrij besteedbaar / kan de gift worden ingezet voor de algemene kosten van het bestaan? Dan wordt het meerdere aangemerkt als inkomen.
•Is de gift bedoeld voor een specifieke, niet noodzakelijke, bestemming (die niet valt onder de algemene kosten van het bestaan) en wordt de gift daar ook voor gebruikt? Dan wordt het meerdere aangemerkt als vermogen.
•Is de gift bedoeld voor een specifieke noodzakelijke bestemming of schulden? Dan kan de gift worden vrijgelaten naast de ‘algemene’ vrijlating van € 1.200,- .
Extra vrijlating van giften boven € 1.200 – Participatiewet in Balans
Indien het totaal aan giften in een kalenderjaar de vrijlatingsgrens van € 1.200 overschrijdt, moet de gemeente beoordelen of de gift uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Daarbij geldt dat bepaalde giften volledig kunnen worden vrijgelaten, mits zij aantoonbaar worden aangewend voor een specifieke noodzakelijke bestemming.
Categorieën van volledig vrij te laten giften:
-Giften met een specifieke noodzakelijke bestemming
Indien de belanghebbende, zonder deze gift, aanspraak zou hebben gemaakt op bijzondere bijstand (Participatiewet) of een maatwerkvoorziening (Wmo).
Voorbeeld: bijdrage voor aangepaste woninginrichting of hulpmiddelen.
-Giften die bijdragen aan arbeidsinschakeling
Kosten die aantoonbaar noodzakelijk zijn voor toekomstige arbeidsparticipatie.
Voorbeeld: bijdrage voor scholing, reiskosten naar sollicitaties, aanschaf werkkleding.
-Giften voor verduurzaming van de woning
Subsidies of bijdragen voor energiebesparende maatregelen.
Voorbeeld: isolatie, zonnepanelen.
-Giften voor medisch noodzakelijke kosten
Kosten die niet (volledig) worden vergoed door zorgverzekering.
Voorbeeld: tandartsbehandeling, hulpmiddelen.
-Giften voor het voldoen van betaalachterstanden
Eenmalige betaling van achterstanden op huur, drinkwater, zorgverzekering, energie.
Voorbeeld: gift om huisuitzetting te voorkomen.
-Giften ter delging van problematische schulden
Indien de schuld een belemmering vormt voor sociaal functioneren en de gift aantoonbaar wordt gebruikt om deze belemmering weg te nemen.
Voorbeeld: bijdrage om incassomaatregelen te stoppen.
Voorwaarde voor volledige vrijlating:
De gift moet aantoonbaar worden besteed aan de specifieke bestemming (bijvoorbeeld via factuur, betalingsbewijs of verklaring).
Giften van charitatieve instellingen
Giften vanuit de volgende charitatieve instellingen worden in ieder geval vrijgelaten: de Voedselbank, Kledingbank, Fonds Bijzondere Noden, Stichting Leergelden, Jeugdfonds Sport & Cultuur. Dergelijke giften worden dus buiten beschouwing gelaten.
Voedselbank
De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van de Participatiewet in balans het amendement van het lid Ceder c.s. aangenomen. Dit amendement bepaalt dat bijdragen van een voedselbank niet van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering.
Maatwerkbudget
Verstrekkingen vanuit de gemeente in de vorm van het maatwerkbudget worden ook vrijgelaten.
1.4.7. Beleidsregels inzake Crowdfunding
Crowdfunding is het inzamelen van geld via een online platform of netwerk om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld medische kosten of een hulpmiddel. De opbrengst wordt beschouwd als een gift in de zin van artikel 31 Participatiewet.
Vrijlatingsregels onder Participatiewet in balans
Tot € 1.200 per kalenderjaar:
-Wordt altijd vrijgelaten.
-Hoeft niet gemeld te worden.
Boven € 1.200:
Gemeente beoordeelt of vrijlaten verantwoord is vanuit het oogpunt van bijstandsverlening.
Factoren: doel van de gift (bijzondere kosten), redelijkheid, menselijke maat.
De volgende giften uit crowfunding met een specifieke noodzakelijke bestemming worden in ieder geval vrijgelaten:
•giften uit crowdfunding, indien belanghebbende, als hij deze gift niet had ontvangen, aanspraak had gemaakt op bijzondere bijstand of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
•giften uit crowdfunding voor medisch noodzakelijke kosten;
•giften uit crowdfunding waarmee belanghebbende eenmalig betaalachterstanden voldoet van huur, drinkwater, zorgverzekering, elektra, gas of warmte;
•giften uit crowdfunding die worden verstrekt ter delging van een problematische schuld. Een problematische schuld kan een belemmering zijn in het sociaal functioneren. Door de vrijlating van het ontvangen bedrag kan deze belemmering (gedeeltelijk) weggenomen worden.
1.4.8. Giften in natura
Een gift in natura is een schenking van goederen of een andere vorm, niet zijnde geld. Denk bijvoorbeeld aan het krijgen van een wasmachine, een auto of boodschappen. Giften in natura worden op dezelfde manier beoordeeld als een gift voor een specifieke bestemming, behalve als over de ontvangst in natura niet vrijelijk kan worden beschikt. In het laatste geval gaat het om kostenbesparingen.
Giften in natura waar niet vrijelijk over kan worden beschikt (kostenbesparingen)
Een voorbeeld van een ontvangst in natura waar niet vrijelijk over kan worden beschikt, zijn boodschappen. Dit is geen middel zoals bedoeld in artikel 31, lid 1 Participatiewet. De boodschappen worden daadwerkelijk ontvangen en de ontvanger kan niet zelf over het – met de ontvangen boodschappen gemoeide – bedrag beschikken en kan deze ook niet alsnog te gelde maken. Zij kunnen daarom worden aangemerkt als een gift in natura waarover niet kan worden beschikt.
Een gift in natura waarover niet kan worden beschikt, kan ook zijn een gekregen vliegticket dat rechtstreeks door een derde aan het reisbureau is betaald. Het gaat hier om een geldbedrag waarover niet kan worden beschikt. Het is daarom geen middel en kan niet worden aangemerkt als een gift in geld.
Beoordeling van kostenbesparingen
Als er giften in natura worden ontvangen waarover niet vrijelijk kan worden beschikt, moet worden beoordeeld of deze leiden tot een (meer dan marginaal) hoger besteedbaar inkomen dan bij een ander met een bijstandsuitkering. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als structureel boodschappen, huur of de zorgverzekering wordt betaald door iemand anders. De maandelijkse bijstand kan dan hierop worden afgestemd. Het moet gaan om een substantiële besparing (CRvB 23-8-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918). Het eenmalig ontvangen van een tas met boodschappen is niet structureel en zal niet leiden tot een afstemming van de uitkering.
Nieuwe regels onder Participatiewet in Balans
Vanaf de invoering van de Participatiewet in Balans geldt dat kostenbesparingen en giften (in geld of natura) tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar per huishouden automatisch worden vrijgelaten. Tot deze grens hoeft de bijstandsgerechtigde niets te melden. Pas wanneer de cumulatieve waarde van giften en kostenbesparingen boven € 1.200 uitkomt, geldt de inlichtingenplicht. De bijstandsgerechtigde moet zelf bijhouden welke giften en besparingen hij in een kalenderjaar heeft ontvangen en melden zodra de grens wordt overschreden. Dit past bij de beweging die de nieuwe Participatiewet maakt om meer uit te gaan van vertrouwen. De inlichtingenplicht blijft onverkort gelden, maar wordt toegepast vanaf overschrijding van de vrijlatingsgrens.
De vraag die zich nu aandient is of bovenstaande jurisprudentie (CRvB 23-8-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918) onder de nieuwe Participatiewet nog actueel is.
Antwoord
De ratio blijft relevant, maar de toepassing verandert. De uitspraak ging over structurele boodschappen als kostenbesparing en afstemming van de uitkering. Dat principe (afstemming bij substantiële besparing) blijft bestaan, maar onder nieuwe wet wordt tot € 1.200 per jaar wordt niet afgestemd en hoeft niet gemeld te worden. Pas boven die grens kan afstemming spelen. De uitspraak blijft nuttig als achtergrond voor het begrip “kostenbesparing” en “substantiële besparing”, maar moet worden voorzien van een waarschuwing: “Let op: deze uitspraak is gedaan onder oude wetgeving; relevantie kan wijzigen door invoering Participatiewet in Balans.”.
Giften in natura waar wel vrijelijk over kan worden beschikt
Kostbare roerende en onroerende zaken kunnen wel te gelde worden gemaakt en met de opbrengst daarvan kan worden voorzien in de kosten van levensonderhoud. Denk daarbij aan een auto. Iemand kan dan zelf bepalen of hij de auto houdt of hem te gelde maakt. Daarom kunnen ontvangsten van kostbare en roerende zaken, waar vrijelijk over kan worden beschikt, aangemerkt worden als vermogensbestanddeel. Een gift in de vorm van een kostbare roerende of onroerende zaak (met een waarde van meer dan € 1.200,-) wordt dus aangemerkt als vermogen, behalve als er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan wordt geoordeeld dat de gift uit oogpunt van bijstand verantwoord is en dus wordt vrijgelaten.
Giften in de vorm van algemeen gebruikelijke, dan wel in het specifieke geval noodzakelijke, gebruiksgoederen (denk bijvoorbeeld aan een wasmachine) worden vrijgelaten. Een dergelijk gebruiksgoed kan wel worden verkocht, maar moet daarna weer worden vervangen. De verkoopopbrengst van deze gebruiksgoederen is dan ook niet beschikbaar om in andere noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar hoofdstuk 3 van dit handboek.
Periodieke betalingen van derden
Periodieke betalingen van derden waarover een belanghebbende vrijelijk kan beschikken en die betrekking hebben op een periode waarover een beroep op bijstand is gedaan moeten als inkomen worden aangemerkt. Dat volgt uit vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138 en ECLI:NL:CRVB: 2013:1106. Dat geldt ook voor eenmalige betalingen / bijschrijvingen van derden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:2241 en ECLI:NL:CRVB:2017:1055).
Als de belanghebbende stelt dat deze bijschrijvingen giften of leningen zijn. Hoe zit het dan?
De bewijslast ligt bij de belanghebbende als hij stelt dat een betaling géén inkomen is, maar een gift of lening.
Als belanghebbende stelt dat het een gift is, dan moet hij aantonen dat het een gift betreft (bijvoorbeeld via verklaring van de gever, omstandigheden, geen terugbetalingsverplichting). Let op: ook giften kunnen als inkomen gelden als ze betrekking hebben op levensonderhoud en structureel zijn.
Als belanghebbende stelt dat het een lening is, dan moet hij bewijzen dat er een afdwingbare terugbetalingsverplichting bestaat. Schriftelijke overeenkomst, duidelijke voorwaarden, terugbetalingsschema. Ontbreekt dit? Dan wordt het niet als lening, maar als inkomen aangemerkt.
1.14. (on)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk
1.14.1 Algemene informatie over (on)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk
Sommige organisaties geven een vrijwilligersvergoeding voor je inzet. Dit is niet verplicht, maar natuurlijk wel een fijn extraatje. Je krijgt dan bijvoorbeeld een vaste vergoeding per uur, dag(deel) of maand. Een vrijwilligersvergoeding is niet hetzelfde als salaris, daarvoor is het bedrag dat je krijgt te laag. Dat is meteen een belangrijk kenmerk van deze vergoeding: de hoogte staat eigenlijk niet in verhouding met wat je ervoor doet en hoeveel tijd het werk je kost. Zie het meer als een bedankje. Soms zit is het ook gelijk een vergoeding voor de kosten die je maakt. Je krijgt dan eigenlijk een vrijwilligers- en onkostenvergoeding ineen.
Vrijwilligersvergoeding aanvragen
Niet alle vrijwilligersorganisaties bieden een vrijwilligersvergoeding aan. Men kan dan ook niet zomaar een vrijwilligersvergoeding aanvragen. Je kunt natuurlijk wel altijd aangeven dat je graag een vergoeding ontvangt, bijvoorbeeld voor de onkosten die je maakt. Soms biedt een organisatie zelf een vergoeding aan. De organisatie en vrijwilliger spreken dan samen een vaste vergoeding af, bijvoorbeeld per uur. In Nederland kun je een vrijwilligersvergoeding krijgen als je vrijwilligerswerk doet voor:
•een organisatie die geen vennootschapsbelasting hoeft te betalen of daarvan is vrijgesteld;
•een sportvereniging of sportstichting;
•een ANBI (Algemeen Nut Beogende Instelling).
Hoeveel is een vrijwilligersvergoeding in 2025?
De organisatie waar men vrijwilligerswerk doet, bepaalt zelf of iemand een vergoeding krijgt en wat de hoogte van de vrijwilligersvergoeding dan is. Boven een bepaald bedrag moet men wel belasting betalen over de vergoeding. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is in 2025 € 5,60 per uur, € 210 per maand en € 2.100 per jaar. Ben je jonger dan 21 jaar en krijg je een vaste vergoeding per uur? Dan betaal je geen belasting bij een vergoeding tot € 3,30 per uur, tot een maximum van € 210 per maand en een maximum van € 2.100 per jaar.
Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk
Naast een vrijwilligersvergoeding bestaat er ook een onkostenvergoeding voor vrijwilligers. Zoals de naam al aangeeft, dekt deze vergoeding de kosten die men maakt voor het vrijwilligerswerk. Denk aan reiskosten. Ook deze vergoeding is niet verplicht, maar veel organisaties vinden het belangrijk dat het vrijwilligerswerk je niets kost. Hoeveel je krijgt? Dat hangt af van hoeveel het vrijwilligerswerk je kost. Deze vergoeding dekt namelijk precies de door jou gemaakte kosten.
Vrijwilligersvergoeding en de Belastingdienst
De Belastingdienst kijkt mee als je vrijwilligerswerk doet. Of je daadwerkelijk belasting betaalt, hangt af van de hoogte van de vrijwilligersvergoeding. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is in 2024 € 5,50 per uur en in 2025 € 5,60 per uur. De maximale vergoedingen per maand en per jaar zijn in 2024 en 2025 hetzelfde, namelijk € 210,- per maand en € 2.100 per jaar. Krijg je een hogere vergoeding? Dan betaal je daar belasting over. De organisatie waar je vrijwilligerswerk voor doet, houdt deze belasting in op je vrijwilligersvergoeding.
Krijg je een onkostenvergoeding voor het vrijwilligerswerk? Zolang iemand alleen een vergoeding krijgt voor de kosten die je daadwerkelijk hebt gemaakt, betaal hij hier geen belasting over. Let op als je een onkostenvergoeding én een vrijwilligersvergoeding krijgt. De Belastingdienst telt deze bedragen bij elkaar op. Komt het totaal uit boven de € 210,- per maand of € 2.100 per jaar? Dan houdt de vrijwilligersorganisatie belasting in op je vergoeding. Meestal zorgen organisaties er daarom voor dat de vergoeding net onder deze grens blijft.
Wanneer wordt de vrijwilligersvergoeding belast als loon?
Het kan zijn dat een vrijwilliger meer ontvangt dan bovengenoemde vergoedingen. En dat het bedrag ook hoger is dan de door u gemaakte kosten. De hele vergoeding is dan belast voor de inkomstenbelasting. De vrijwilliger geeft deze inkomsten op in zijn aangifte inkomstenbelasting.
Werkt de vrijwilliger bij verschillende organisaties als vrijwilliger? En krijgt hij per organisatie niet meer dan de maximumvergoeding, maar alles bij elkaar opgeteld wel? Dan moet hij de vergoedingen opgeven in zijn aangifte inkomstenbelasting. De vergoeding is belast met inkomstenbelasting tenzij deze zijn kosten dekt.
1.14.2. (On)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk en bijstand
Een belanghebbende kan voor het verrichten van vrijwilligerswerk een (on)kostenvergoeding ontvangen. Dit wordt voor de algemene bijstand vrijgelaten. Dat wil zeggen bij de vaststelling van het recht op bijstand. En ook voor de hoogte van de algemene bijstand. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel k Participatiewet.
Personen jonger dan 27 jaar: vrijlating niet van toepassing
Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 Participatiewet). Van jongeren wordt verwacht dat ze op eigen kracht uitstromen. Daar is volgens de wetgever geen extra activerend instrument voor nodig (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 11). Gelet op deze specifieke situatie van jongeren, is het onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd. Er is dus geen sprake van leeftijdsdiscriminatie. Zie ook: CRvB 16-11-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2841.
Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans van kracht.
Het vrijlaten van de (on)kostenvergoeding is bedoeld voor de arbeidsinschakeling van een belanghebbende van 27 jaar of ouder. Er is geen verband met de aard en de omvang van het vrijwilligerswerk. Ook is het niet belangrijk of de belanghebbende daadwerkelijk onkosten heeft gemaakt met het vrijwilligerswerk. Het is wel aan de belanghebbende om aan te tonen dat hij vrijwilligerswerk verricht. En daarvoor de kostenvergoeding ontvangt.
Kostenvergoeding
De vrijlating geldt voor een kostenvergoeding die wordt verstrekt door de organisatie waarbij de belanghebbende vrijwilligerswerk verricht. Zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 56-58. De experts van Schulinck denken dat daaronder ook wordt begrepen een kostenvergoeding die door een derde wordt verstrekt. Bijvoorbeeld de gemeente zelf.
Onder een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk kan niet automatisch elk bedrag worden begrepen dat een belanghebbende in dat verband van de verstrekker ontvangt (zie CRvB 4-8-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2617). Dit betekent dat het bedrag toch wordt meegeteld bij het vaststellen van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand als het bedrag niet kan worden begrepen onder de kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk.
Hoogte vrijlating
De hoogte van de vrijlating van een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk naast een uitkering bedraagt in 2025 ten hoogste € 210,00 per maand met een maximum van € 2.100,00 per jaar. Dit volgt uit artikel 7 onderdeel h Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ en artikel 2 lid 6 van de Wet op de loonbelasting 1964.
Vrijwilligersvergoeding belastingvrij
Een vrijwilligersvergoeding is onbelast als de vergoeding niet boven de hiervoor genoemde bedragen uitkomt.
Productieve arbeid in plaats van vrijwilligerswerk
Het is mogelijk dat een belanghebbende werkzaamheden verricht die niet als vrijwilligerswerk maar als productieve arbeid moeten worden aangemerkt. Deze werkzaamheden hebben een economische waarde. Er zal dan een inkomstenkorting plaats moeten vinden op basis van een fictief inkomen.
Met het bovenstaande wordt het volgende bedoeld. Onder vrijwilligerswerk worden werkzaamheden geschaard zonder economische waarde, vaak bij maatschappelijke organisaties, zonder loon of winstdoel. Onder productieve arbeid vallen werkzaamheden die een economische waarde vertegenwoordigen, ook als er geen loon wordt betaald. Als iemand productieve arbeid verricht, moet op grond van art. 31 Participatiewet een fictief inkomen worden toegerekend, omdat de belanghebbende in feite een voordeel geniet dat vergelijkbaar is met loon. De CRvB heeft meerdere keren geoordeeld dat het niet uitmaakt of er feitelijk loon wordt betaald; als de werkzaamheden normaal gesproken tegen betaling worden verricht, is er sprake van economische waarde. Het doel is te voorkomen dat bijstand wordt verstrekt terwijl iemand in feite een verdiencapaciteit benut.
Voorbeelden
Voorbeeld 1 – Vrijwilligerswerk
Een belanghebbende helpt één keer per week in een buurthuis koffie schenken. Dit levert geen economische waarde op (geen vervanging van betaalde arbeid).
→ Geen inkomstenkorting.
Voorbeeld 2 – Productieve arbeid
Een belanghebbende werkt 20 uur per week in een kringloopwinkel, verricht kassawerk en sorteert goederen. Normaal gesproken zou dit tegen betaling gebeuren.
→ Fictief inkomen toerekenen op basis van het minimumloon voor 20 uur.
Voorbeeld 3 – Meewerken in bedrijf van partner
Een belanghebbende helpt structureel mee in het bedrijf van de partner (bijv. administratie, klantencontact).→ Economische waarde aanwezig → fictief inkomen.
Hoe bereken je fictief inkomen?
Uitgangspunt: minimumloon voor het aantal gewerkte uren.
Dit wordt als inkomen in mindering gebracht op de bijstand (art. 32 Participatiewet).
Inlichtingenplicht
De belanghebbende is verplicht om het verrichten van vrijwilligerswerk te melden aan het college.
1.14.3. Samenvatting kostenvergoeding vrijwilligerswerk
Wanneer is een vrijwilligersvergoeding onbelast?
Voor 2025 gelden de volgende maximumbedragen:
Maximaal € 5,60 per uur
Maximaal € 210 per maand
Maximaal € 2.100 per jaar
De vergoeding wordt belast als:
a.De uurvergoeding hoger is dan € 5,60 (of € 3,30 voor <21 jaar)
➝ Dan wordt aangenomen dat het een marktconforme beloning is.
b.De totale vergoeding per maand hoger is dan € 210 per maand of per jaar hoger dan € 2.100
→ Dan vervalt de fiscale vrijstelling en wordt het als loon of resultaat uit overige werkzaamheden belast.
c.De vergoeding is marktconform, ongeacht het bedrag
➝ Bijvoorbeeld als het werk lijkt op regulier betaald werk, zoals stembureauwerk met € 7,89 per uur.
d.De vergoeding bestaat uit vrijwilligersvergoeding én onkostenvergoeding
➝ Dan worden beide bedragen bij elkaar opgeteld. Als het totaal boven de grens komt, is het belast.
Bijstandsuitkering en vrijwilligersvergoeding
Als iemand een bijstandsuitkering ontvangt, dan geldt:
Tot € 210 per maand en € 2.100 per jaar: géén invloed op de uitkering.
Boven deze bedragen: de vergoeding wordt als inkomen gezien en kan leiden tot een verlaging of beëindiging van de uitkering.
Hoofdstuk 2 Inkomen
2.1. Wat verstaan we onder inkomen
2.2.1. Polisadministratie
Verrekenen inkomsten is intensief proces
Het verrekenen van inkomsten uit arbeid met de bijstandsuitkering is voor gemeenten een intensief administratief proces. In de vroegere situatie vormde de loonstrook de basis voor de inkomstenverrekening, sommige gemeenten sturen de bijstandsgerechtigde ook een inkomstenformulier toe dat ze moeten invullen. De bijstandsgerechtigde leverde de loonstrook in bij de gemeente (per post, digitaal of aan de balie) en de gemeente verwerkte de gegevens op de loonstrook. Op basis van de loonstrook en eventueel het inkomstenformulier bepaalde de gemeente welk deel van het salarisbedrag moet worden verrekend met de uitkering. Daarvoor hield de gemeente rekening met de salarisperiode, de toepassing van loonheffingskorting, reserveringen en losse vergoedingen en/of beloningen. Gemeenten maakten bij het verrekenen eigen keuzes, bijvoorbeeld over hoe de eindejaarsuitkering en het IKB worden verrekend, of hoe omgegaan moet worden met bepaalde (on)belaste vergoedingen, zoals de uitruil van reiskostenvergoeding. Dit kan ervoor zorgen dat er verschillen ontstaan tussen gemeenten. In het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de bijstandsgerechtigde, maar ook voor een overzichtelijk en eenduidig verrekenproces binnen gemeenten is het wenselijk om het verrekenproces zoveel mogelijk te uniformeren. Dit is gedaan in de Participatiewet in Balans (de nieuwe Pwet).
Verrekenen van inkomsten met behulp van polisadministratie
In de nieuwe Pwet is het mogelijk gemaakt dat gemeenten de inkomsten van een bijstandsgerechtigde kunnen verrekenen met behulp van gegevens uit de Polisadministratie, zodat de bijstandsgerechtigde geen loonstroken hoeft aan te leveren. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het product Ondersteuning Inkomstenverrekening Bijstand (hierna: OIB) dat door het Inlichtingenbureau is ontwikkeld. Door verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie mogelijk te maken, kan met behulp van de gegevens uit het product OIB ook automatisch verrekend worden zonder tussenkomst van een medewerker van de gemeente. Dat betekent een administratieve ontlasting van burger en gemeente en een sneller verrekenproces.
Polisadminstratie en Suwinet
De Polisadministratie is een register dat beheerd wordt door het UWV. In dit register worden de meeste Nederlandse inkomstengegevens opgeslagen. Hieronder vallen de arbeidsvergoedingen van werkgevers aan werknemers, maar ook bijvoorbeeld sociale uitkeringen, lijfrentes en pensioenen. Al deze gegevens worden ontleend aan de gegevens uit de loonaangifte.
Niet in de Polisadministratie opgenomen zijn inkomsten als zelfstandige, alimentatiebetalingen en buitenlands inkomen. Voor deze vormen van inkomen blijft gelden dat de bijstandsgerechtigde de gemeente dient te informeren over deze inkomsten en dat deze dus ook door een medewerker van de gemeente moeten worden verwerkt.
De Polisadministratie wordt gebruikt voor het berekenen van de hoogte van uitkeringen. Op verzoek wisselt UWV via de Gegevensservice ook informatie uit met verschillende organisaties. Denk aan de Belastingdienst, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zorgverzekeraars, de SVB, de Gemeentelijke Sociale Diensten en de Pensioenfondsen.
Suwinet is het systeem waarin gemeenten met overheidsinstanties informatie over burgers delen. Via Suwinet worden ook gegevens vanuit de Polisadministratie gedeeld. Een gemeente heeft gegevens nodig van andere partijen voor de uitvoering van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Voor de uitvoering van deze taak bestaat een wettelijke grondslag tot het raadplegen van gegevens.
Wat moest worden geregeld om verrekenen van inkomsten met behulp van polisadministratie mogelijk te maken
Om dit mogelijk te maken waren de volgende aanpassingen noodzakelijk om gebruik te kunnen maken van de in de Polisadministratie aanwezige informatie:
•het netto-inkomen op uniforme wijze vaststellen (artikel 32, tweede en vijfde lid (paragraaf 2.2.3);
•het transactiesysteem op onderdelen aan te passen (artikel 32, tweede lid (paragraaf 2.2.2); en
•het niet verrekenen van onbelaste vergoedingen opnemen (aanpassing artikel 31, tweede lid, onder g (paragraaf 2.2.5).
Het resultaat is een uniform verrekenproces en administratieve voordelen voor bijstandsgerechtigden en gemeenten. Voor een flink deel van de verrekeningen betekent dit een versnelling en kan het aandeel automatisch te verrekenen inkomsten voor gemeenten naar verwachting uitkomen op de helft tot driekwart van de mensen voor wie verrekend moet worden. Voor de resterende groep blijft de mogelijkheid bestaan om de loonstrook als bron te gebruiken voor het verrekenen, waarbij de uniformiteit van het verrekenproces wordt bereikt doordat onderstaande maatregelen ook gelden voor de wijze van verrekenen op basis van loonstroken.
Hoe gaat verrekenen op basis van OIB in zijn werk
Dit gaat als volgt:
•De werkgever of uitkeringsinstantie doet binnen de wettelijke aangiftetermijn aangifte loonheffingen bij de Belastingdienst. Dit houdt in dat uiterlijk voor het einde van de maand volgend op het loontijdvak aangifte gedaan moet zijn. Deze informatie wordt vrijwel direct opgenomen in de Polisadministratie die wordt beheerd door het UWV.
•Het Inlichtingenbureau vraagt de inkomsten uit arbeid, uitkering of pensioen van bijstandsgerechtigde op bij het UWV.
•De bruto-inkomsten worden door het Inlichtingenbureau op basis van de in de Polisadministratie aanwezige informatie omgerekend naar netto-inkomsten.
•Het Inlichtingenbureau levert nieuwe en/of gewijzigde loon- of uitkeringsinformatie zo snel mogelijk door aan de betreffende gemeente.
•De gemeente verrekent de partiele inkomsten (geautomatiseerd). De gemeente informeert de burger over de verrekening. Bij twijfel of ter controle kan de gemeente een loonstrook opvragen. Ook de bijstandsgerechtigde kan indien nodig op basis van de loonstrook vragen om een correctie of nacalculatie.
Voordelen voor bijstandsgerechtigde en gemeenten
Verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie levert zowel voor de bijstandsgerechtigde als voor de gemeenten voordelen op.
Voordelen voor bijstandsgerechtigden
•Meer inkomenszekerheid: correcties en veranderingen in het loon zijn, met terugwerkende kracht tot maximaal zes maanden in het verleden, snel in beeld bij de gemeente, waardoor de gemeente sneller kan acteren op een gewijzigde situatie en terugvorderingen kan verminderen.
•De bijstandsgerechtigde hoeft geen loonstroken meer in te leveren. De gemeente hoeft daarom geen herstelmeldingen meer te versturen of uitkeringen te blokkeren.
•De druk voor het tijdig aanleveren van de loonstrook ligt niet langer bij de bijstandsontvanger, die daarvoor afhankelijk was van het moment van beschikbaar stellen van een loonspecificatie door de werkgever. Dit is al helemaal relevant als de gemeente de uitkering pas uitbetaalt na ontvangst van de inkomstenspecificatie (op de maand verrekenen).
•Een boete, omdat (wijzigingen op) inkomsten niet (tijdig) doorgegeven zijn, zal minder voorkomen.
Voordelen voor gemeenten
•Verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie betekent een tijdsbesparing voor gemeenten omdat ontvangen loonspecificaties niet meer hoeven te worden verwerkt. Dit resulteert in lagere administratieve lasten.
•Er zijn minder stappen in het proces van aanleveren van de informatie, waardoor de kans op fouten kleiner wordt. Een handmatig proces is foutgevoeliger. De gemeente beschikt op deze manier altijd over de actuele looninformatie en gebruikt dezelfde gegevens als UWV en de Belastingdienst. Door gebruik van de gegevens uit de Polisadministratie zullen minder herberekeningen en terugvorderingen nodig zijn omdat correcties en veranderingen die met terugwerkende kracht door de werkgever worden doorgevoerd via de polisgegevens sneller in beeld komen.
2.2.2. Het transactiesysteem
In de Pwet zijn in artikel 32, eerste en tweede lid, Pw bepalingen opgenomen waaruit volgt dat inkomen wordt verrekend als zij betrekking hebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Ook volgt daaruit dat inkomen uit een bepaalde periode met de bijstandsuitkering van die betreffende periode moeten worden verrekend. Dit zogenoemde transactiesysteem bepaalt dat gemeenten inkomen zoveel mogelijk moeten toerekenen aan de periode waarop ze betrekking hebben. Tegelijkertijd mag inkomen alleen worden verrekend (of teruggevorderd) als die ook echt zijn ontvangen.
De regels van het vroegere transactiesysteem
Voor de manier waarop bij bijstandsverlening rekening moet worden gehouden met voor, tijdens of na de bijstandsverlening verkregen inkomen gold het transactiesysteem. Dit transactiesysteem is in de vroegere situatie opgebouwd vanuit een aantal regels:
-Inkomen wordt alleen in aanmerking genomen voor zover de bijstandsgerechtigde erover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Deze regel houdt in dat alleen nadat de bijstandsgerechtigde het inkomen ook daadwerkelijk heeft ontvangen (of hier redelijkerwijs over kan beschikken), dit op de bijstand in mindering kan worden gebracht. Deze regel is essentieel voor de bestaanszekerheid van de bijstandsgerechtigde. Het in mindering brengen van inkomen waarover de bijstandsgerechtigde niet of niet volledig beschikt, brengt een bijstandsgerechtigde onder het bestaansminimum. Het verhoogt daarmee het risico dat de bijstandsgerechtigde in de desbetreffende maand niet over voldoende inkomen beschikt om in het levensonderhoud te kunnen voorzien.
-Inkomen wordt alleen in aanmerking genomen voor zover het betrekking heeft op de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Meestal zal het inkomen dat iemand tijdens de bijstandsafhankelijkheid verwerft, betrekking hebben op de bijstandsperiode. Maar inkomen dat iemand tijdens de bijstandsperiode ontvangt, kan ook betrekking hebben op de periode voor bijstandsaanvraag. Denk bijvoorbeeld aan vakantiebijslag die is opgebouwd in de periode voordat iemand bijstand ontvangt. Deze betaling moet dan niet als inkomen op de bijstand in mindering worden gebracht omdat zij ziet op een periode die voor bijstandsverlening is gelegen. Ook kan iemand inkomen ontvangen na bijstandsbeëindiging, dat uiteindelijk wel betrekking heeft op de bijstandsperiode. Denk aan een gedurende de bijstand (deels) opgebouwd keuzebudget of de hierboven onder «voorbeeld bij werkaanvaarding» beschreven situatie. Dit inkomen zal dan alsnog bij de bijstandsverlening moeten worden betrokken, wat uiteindelijk zal resulteren in een terugvordering van achteraf te veel verstrekte bijstand.
-Achteraf over een voorgaande periode ontvangen inkomen wordt toegerekend naar de periode waarin dit is verworven. De regel is dat het inkomen waarover bijstandsgerechtigde (redelijkerwijs) beschikt in mindering wordt gebracht op de bijstand (zie onder a). Dit principe heeft als uitgangspunt dat inkomen wordt uitbetaald in de maand van verwerving. Als op het moment van uitbetaling (het moment dat bijstandsgerechtigde redelijkerwijs over het inkomen kan beschikken) blijkt dat het uitbetaalde inkomen in een eerdere periode is verworven, dan moet dit toegerekend worden aan die eerdere periode. Dit betekent veelal dat bijstandsgerechtigde over die eerdere maand te veel bijstand heeft ontvangen. De te veel ontvangen bijstand kan worden verrekend met een latere verstrekking. Mocht verrekening binnen zes maanden na ontvangst niet mogelijk blijken, dan kan dit alsnog resulteren in een terugvordering.
Voorbeeld
F. heeft in maart € 800 aan inkomen ontvangen en ontvangt in april nog een nabetaling van toen gemaakte overuren van € 400. Uitgaande van een fictieve bijstandsnorm van € 1.100 heeft F. in de maand maart in totaal € 300 te veel aan bijstand ontvangen (regel c). Deze € 300 kunnen vervolgens in de maand dat F. daadwerkelijk over het met de overuren verworven inkomen beschikt (april) met de bijstand worden verrekend.
Een vereenvoudig transactiesysteem in de nieuwe Participatiewet
In nieuwe Participatiewet zijn de regels m.b.t. het transactiesysteem vereenvoudigd, om zo eraan bij te dragen dat bijstandsgerechtigden maandelijks over het bestaansminimum kunnen beschikken. Hiermee wordt voorkomen dat inkomen dat nog niet is ontvangen al verrekend kan worden met de bijstandsuitkering.
Om dat te realiseren zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd:
Hoofdregel 1: Inkomen wordt met de bijstand verrekend in de periode dat hierover daadwerkelijk (redelijkerwijs) kan worden beschikt. Door deze hoofdregel is niet langer de verwervingsperiode, maar de periode bepalend dat daadwerkelijk (redelijkerwijs) kan worden beschikt over het inkomen. Gedurende de bijstandsafhankelijkheid wordt zo gegarandeerd dat de bijstand het inkomen maandelijks aanvult tot het niveau van het bestaansminimum. Dit betekent dat inkomen wordt verrekend met de bijstandsuitkering van de maand waarin daadwerkelijk (redelijkerwijs) over dit inkomen kan worden beschikt.
Inkomen wordt dus alleen in aanmerking genomen voor zover de bijstandsgerechtigde erover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit kan gaan om de eindejaarsuitkering, keuzebudget of vakantiebijslag, maar ook bijvoorbeeld om nabetalingen van loon of een dertiende periode.
Voorbeeld
V. ontvangt in januari € 400 aan inkomen. Bij een fictieve bijstandsnorm van € 1.000, bedraagt V.’s aanvullende bijstand in januari € 600. In februari ontvangt V. € 700 aan inkomen, waarvan € 200 een nabetaling is over januari. Gekeken wordt naar wat V. in februari aan inkomen heeft ontvangen (€ 700) en dus bedraagt de aanvullende bijstand: € 300.
Hoofdregel 2: Inkomen wordt enkel in aanmerking genomen voor zover het betrekking heeft op de bijstandsperiode. Artikel 32, eerste lid, onder b, Pw is in de nieuwe Pwet ongewijzigd gebleven. Uit deze hoofdregel volgt dat gedurende de bijstandsperiode ontvangen inkomen dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan bijstandsverlening, buiten beschouwing wordt gelaten. Artikel 32, eerste lid, onder b, Pw doet nadrukkelijk niet af aan de hoofdregel in de aanhef van artikel 32 Pw dat inkomen in aanmerking wordt genomen naar de periode waarin de belanghebbende hierover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Zoals nu gebruikelijk is, zal inkomen uit de periode van voor de bijstandsverlening tot het vermogen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend.
Voorbeeld R. ontvangt sinds 1 maart een bijstandsuitkering. In april worden zijn in februari gemaakte overuren alsnog uitbetaald ad € 800. Deze € 800 ziet op inkomen dat buiten de bijstandsperiode is verworven, waardoor dit bedrag niet als inkomen in aanmerking wordt genomen. De verkregen € 800 dient te worden aangemerkt als vermogen.
Afwijkende regel 1: Inkomen dat is ontvangen in een periode dat er geen bijstandsrecht (meer) is, wordt alsnog in aanmerking genomen als het in de bijstandsperiode is verworven, maar pas nadat hier daadwerkelijk (redelijkerwijs) over kan worden beschikt. Het inkomen wordt in aanmerking genomen naar de periode waarop dit inkomen betrekking heeft. Dit uitgangspunt wordt aan artikel 32, tweede lid, Pw toegevoegd. De te veel verstrekte bijstand kan met latere bijstandsverlening worden verrekend of als verrekening binnen zes maanden na ontvangst niet mogelijk is, worden teruggevorderd.
Voorbeeld B. ontvangt maandelijks € 600 aan inkomen uit arbeid, daarnaast is sprake van een maandelijkse opbouw van een keuzebudget. Het maandelijks inkomen wordt elke maand vanuit de bijstand (uitgaande van een fictieve norm van € 1.000) met € 400 aangevuld. Vanaf de maand juli gaat B. meer uren werken en ontvangt B. maandelijks inkomen uit arbeid ter hoogte van € 1.100. B. ontvangt vanaf de maand juli geen aanvullende bijstand meer. In november komt het keuzebudget tot uitbetaling. Het uitbetaalde keuzebudget (€ 600) is gedeeltelijk in een periode van bijstandsverlening verworven. Daarom wordt het bedrag, voor zover dit betrekking heeft op de periode tot en met de maand juni, in of na november, de maand van uitbetaling van het keuzebudget, alsnog in aanmerking genomen als gedurende de bijstand verworven inkomen.
Afwijkende regel 2: Betalingen die bedoeld zijn als inkomen voor de toekomst en dus niet alleen voor de maand van ontvangst, worden toegerekend naar de periode waar zij voor bedoeld zijn. Aan artikel 32, tweede lid, Pw wordt toegevoegd dat inkomen dat wordt ontvangen en betrekking heeft op een toekomstige periode, in aanmerking genomen wordt naar de periode van bijstand die volgt na ontvangst van dit inkomen. Het gaat hier vaak om situaties dat de bijstandsgerechtigde een bedrag in een keer heeft ontvangen ter afkoop van een periodieke aanspraak op inkomen. Denk bijvoorbeeld aan een afgekochte alimentatieverplichting of een afgekocht pensioenrecht.
Voorbeeld Q’s partner koopt zijn alimentatieplicht af met een eenmalige betaling van € 16.000. In beginsel zou Q’s partner nog 2 jaren alimentatieplichtig zijn. De € 16.000 zijn met andere woorden bedoeld voor het levensonderhoud in de komende 2 jaren. Reden waarom maandelijks € 666 op Q’s uitkering in mindering moet worden gebracht, als de voor die maanden al ontvangen alimentatie.
Bovengenoemde aanpassingen gelden niet t.a.v. AIO
De aanpassingen zoals voorgesteld in deze paragraaf gelden niet ten aanzien van de AIO, nu door SVB in de Uitvoeringstoets nadrukkelijk is gesteld dat deze werkwijze voor SVB onuitvoerbaar is, en ook dat de doelgroep van de SVB de problematiek die met deze verduidelijking wordt weggenomen, niet lijkt te ervaren. Voor de AIO blijven de uitgangspunten 130 Op basis van artikel 58, vierde lid, Pw. Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3 78 zoals genoemd onder het kopje «het huidige transactiestelsel» dan ook onverkort van kracht. Hiervoor wordt een nieuw lid aan artikel 47d Pw toegevoegd.
2.2.3. Niet verrekenen van onbelaste vergoedingen (aanpassing artikel 31, tweede lid, onder g, Pw)
Werkgevers betalen allerlei onbelaste vergoedingen uit zoals een telefoonvergoeding, postbezorgersvergoeding, fietsvergoeding of reiskostenvergoeding. Insteek is dat onbelaste vergoedingen niet worden verrekend met de uitkering. Dit is echter niet vastgelegd in de wet, waardoor het nu nog voor kan komen dat gemeenten zelf een beoordeling maken of een onbelaste vergoeding echt nodig is voor het uitoefenen van de functie, en sommige vergoedingen wel verrekenen en sommige niet. Hierdoor ontstaan verschillen die onwenselijk zijn. Het is wenselijk om onbelaste vergoedingen verstrekt door de werkgever op een eenduidige wijze te verrekenen. De Belastingdienst oordeelt dat bij onbelaste vergoedingen geen sprake is van inkomen. Het ligt in de rede om binnen de Participatiewet ook deze keuze te maken. Daarom wordt de Participatiewet aangepast zodat onbelaste vergoedingen die door de werkgever worden verstrekt in geen enkel geval door gemeenten worden verrekend. Het principe van een onbelaste vergoeding is immers dat de werkgever bepaalde kosten vergoedt die men moet maken om de functie te kunnen uitoefenen. Hiertoe wordt artikel 31, tweede lid, onder g, Pw gewijzigd zodat onkostenvergoedingen niet tot de middelen behoren, tenzij deze tot het fiscaal loon worden gerekend.
Met andere woorden, werkgevers geven soms onbelaste vergoedingen aan werknemers, zoals een vergoeding voor een telefoon, een fiets of reiskosten. Deze vergoedingen zijn bedoeld om kosten te vergoeden die je maakt om je werk te doen. Tot nu toe stond niet duidelijk in de wet of gemeenten deze vergoedingen wel of niet mogen aftrekken van de bijstandsuitkering. Daardoor doen gemeenten dit soms verschillend: de ene gemeente rekent het wel mee, de andere niet.
De Belastingdienst zegt: een onbelaste vergoeding is geen inkomen. Daarom wordt de Participatiewet aangepast. In de nieuwe wet staat dat gemeenten deze vergoedingen nooit mogen aftrekken van de uitkering, behalve als de vergoeding wordt gezien als fiscaal loon.
Kort gezegd: als een werkgever kosten vergoedt die nodig zijn voor je werk, telt dat niet mee als inkomen voor de bijstand.
Voorbeeld 1
Sanne werkt als postbezorger en krijgt van haar werkgever € 15 per maand als vergoeding voor het gebruik van haar fiets. Deze vergoeding is onbelast. Oude situatie: sommige gemeenten trokken dit bedrag af van haar bijstandsuitkering. Nieuwe situatie: dit mag niet meer. De € 15 blijft buiten beschouwing.
Voorbeeld 2
Ali werkt parttime en krijgt een vergoeding voor zijn mobiele telefoon, zodat hij bereikbaar is voor zijn werk. Deze vergoeding is onbelast en hoort niet bij zijn loon. Nieuwe regel: de gemeente mag deze vergoeding niet aftrekken van zijn bijstandsuitkering.
Onbelaste vergoedingen en Polisadministratie
Onbelaste vergoedingen (behalve de reiskostenvergoeding) zijn niet zichtbaar in de Polisadministratie. Ook voor het goed kunnen uitvoeren van het verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie is het nodig dat in de Participatiewet wordt verduidelijkt dat onbelaste vergoedingen, waaronder de uitruil van reiskostenvergoeding, in de verrekening in alle gevallen buiten beschouwing moeten worden gelaten.
2.2.4. Vaststellen netto-inkomen op uniforme wijze (artikel 32, tweede en vijfde lid, van de Participatiewet)
Gemeenten stellen nu het te verrekenen netto-inkomen vast aan de hand van de gegevens op de loonstrook. Om verrekening op basis van gegevens uit de Polisadministratie mogelijk te maken en het verrekenproces te uniformeren moet een uniforme manier van het berekenen van het netto-inkomen worden vastgesteld. De maatregel houdt in dat gemeenten verplicht zijn het netto-inkomen vast te stellen op een bij AMvB vast te stellen wijze. De wijze om het netto-inkomen vast te stellen geldt zowel voor verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie als voor verrekenen op basis van aangeleverde loonstroken. Door vast te leggen op welke wijze het te verrekenen netto-inkomens wordt vastgesteld, wordt meer eenduidigheid gecreëerd in het verrekenproces en meer gelijkheid voor bijstandsgerechtigden. Het netto verrekenbaar inkomen wordt gebaseerd op het bruto-inkomen (belastbaar inkomen), waarop de ingehouden loonheffingen en de WGA/WHK heffingen in mindering worden gebracht.
Bovengenoemde AMVB regelt hoe het netto-inkomen wordt berekend, inclusief vakantiegeld, eindejaarsuitkering en keuzebudget. De regels gelden zowel bij verrekening op basis van loonstroken als bij gebruik van gegevens uit de Polisadministratie. Onkostenvergoedingen worden buiten beschouwing gelaten, tenzij ze als fiscaal loon worden aangemerkt. De regeling sluit aan op het transactiebeginsel: inkomen wordt pas verrekend als de betrokkene er redelijkerwijs over kan beschikken. De AMvB maakt dus het verrekenen van inkomsten eenvoudiger, eerlijker en uniform. Het voorkomt dat mensen die werken en bijstand ontvangen onder het bestaansminimum komen door ingewikkelde verrekenregels.
De AMvB wordt vanaf 1 januari 2027 van kracht (fase 3 van de Participatiewet in Balans). Gemeenten mogen 2026 gebruiken als transitiejaar om zich voor te bereiden op de nieuwe werkwijze. Gemeenten mogen dus in 2026 al starten met het toepassen van de nieuwe werkwijze (zoals verrekening via de Polisadministratie), maar zijn daar nog niet toe verplicht. De verplichting gaat pas in op 1 januari 2027, zodra de AMvB van kracht wordt. Het transitiejaar biedt dus ruimte om:
-systemen aan te passen,
-consulenten op te leiden,
-uitvoeringsprocessen te testen,
-en eventuele knelpunten tijdig te signaleren.
NB De gemeente Hollands Kroon heeft besloten niet in 2026 al te starten met het toepassen van de nieuwe werkwijze (zoals verrekening via de Polisadministratie).
WGA/WHK heffing
In bovengenoemde AMvB wordt ook vastgelegd dat de WGA/WHK heffing op een uniforme wijze wordt verrekend. Werkgevers kunnen de WGA/WHK heffing deels doorbelasten aan werknemers voor maximaal 50%. Bij het bepalen van het te verrekenen inkomen corrigeren gemeenten het te verrekenen inkomen met deze WGA/WHK-heffing: deze wordt niet verrekend en dus van het brutoloon afgehaald. Deze component is geen onderdeel van de Polisadministratie dus onder andere daarvoor is het nodig dat bijstandsgerechtigden hun loonstrook inleveren. Deze administratieve druk voor zowel de bijstandsgerechtigde als de gemeenten kan worden teruggebracht door te verrekenen met een standaardpercentage. Daarbij wordt het niet verrekende bedrag aan WGA/WHK-heffing niet meer individueel bepaald, maar vervangen door een generiek standaardpercentage dat jaarlijks wordt vastgesteld. Ook als een verrekening plaatsvindt op basis van de gegevens op de ingeleverde loonstrook, betekent dit een vereenvoudiging van het verrekenproces voor de gemeente doordat het standaardpercentage WGA/WHA-heffing in de systeemberekening kan worden meegenomen.
Deze wijziging is een harmonisatie met de werkwijze van UWV, waar eveneens een standaardpercentage wordt gebruikt voor de verrekening van inkomsten met bijvoorbeeld de WW of de Wajong. Voor de jaarlijkse vaststelling van het standaardpercentage wordt een werkwijze gekozen analoog aan de werkwijze van UWV. UWV stelt elk jaar het gemiddelde heffingspercentage vast. Voor de onderhavige berekening wordt het percentage vastgesteld op drie keer het gemiddelde heffingspercentage. Door uit te gaan van drie keer het gemiddelde heffingspercentage, worden bijstandsgerechtigden door deze rekenwijze niet financieel benadeeld en heeft een eventueel verschil tussen de daadwerkelijke ingehouden WGA/WHK heffing op individueel niveau en het nieuwe standaardpercentage geen gevolgen voor de afbouw van de toeslagen. Het hanteren van één standaard percentage voor alle deeltijd werkenden vergroot de uitvoerbaarheid voor gemeenten, ook wanneer zij voor de verrekening geen gebruik maken van de gegevens uit de OIB-bestanden. Mocht in een uitzonderlijk geval door het hanteren van een standaardpercentage een nadelig financieel gevolg voor de bijstandsgerechtigde ontstaan doordat de werkgever een hoger percentage WGA/WHK-heffing doorberekent, kan de bijstandsgerechtigde zich wenden tot de gemeente. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat deze systematiek een negatief financieel gevolg heeft voor de bijstandsgerechtigde.
2.2.5. Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaarsuitkering (artikel 32 Pw)
Uit het vroegere transactiesysteem volgt dat gemeenten inkomen zoveel mogelijk moeten toerekenen aan de periode waarop ze betrekking hebben. Tegelijkertijd mag inkomen alleen worden verrekend (of teruggevorderd) als hier ook redelijkerwijs over wordt beschikt. Dit zorgt ervoor dat gemeenten, zoals al beschreven, op verschillende manieren omgaan met het verrekenen van vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en het keuzebudget.
2.2.5a. Vakantiebijslag verrekenen (artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Pw)
In de nieuwe Participatiewet is besloten de verrekening van de vakantiebijslag te standaardiseren. Door de wijze van het verrekenen van vakantiebijslag aan te passen, wordt het voor de bijstandsgerechtigde en de gemeente eenvoudiger te begrijpen en uit te leggen. Zo lopen mensen niet het risico dat zij op maandbasis op achteruit gaan doordat de (maandelijks gereserveerde) vakantiebijslag van de werkgever of uitkeringsinstantie alvast verrekend wordt met de uitkering terwijl die feitelijk nog niet is ontvangen. Door deze manier van verrekenen te standaardiseren ontstaat meer rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de bijstandsgerechtigde. Daarom is besloten om in artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Participatiewet een grondslag op te nemen voor het bij regeling vaststellen van de wijze waarop omgegaan moet worden met de verrekening van opgebouwd vakantiebijslag bij de werkgever. Gemeenten zijn gehouden op deze wijze vakantiebijslag te verrekenen.
De standaardwerkwijze houdt in dat het netto-inkomen in een periode wordt verrekend met het recht op bijstand exclusief vakantiebijslag in dezelfde periode. Eventueel opgebouwd recht op vakantiebijslag over dit inkomen wordt verrekend met de reservering vakantiebijslag over de bijstandsuitkering. Dit waarborgt de bijstandsnorm zonder vakantiebijslag als het bestaansminimum, en geeft meer duidelijkheid en transparantie over de wijze van verrekening bij de eindafrekening van vakantiebijslag in mei/juni. In de regeling
1De regeling waarin de standaardwerkwijze voor het verrekenen van vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaarsuitkering wordt uitgewerkt, is inmiddels in concept gereed. Deze regeling is een uitwerking van artikel 32, vijfde lid van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans en zal worden vastgelegd in een ministeriële regeling. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027, in lijn met fase 3 van de Participatiewet in Balans.
wordt uitgewerkt dat deze voorgestelde wijze van verrekening, gelet op het belang van het bieden van financiële zekerheid voor de bijstandsgerechtigde, niet mag leiden tot een nadelig financieel gevolg. Mocht hiervan in een incidenteel geval toch sprake zijn, kan de bijstandsgerechtigde zich wenden tot de gemeente.
2.2.5b. Eindejaarsuitkering en keuzebudget verrekenen (artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Pw)
Uit de aanpassing van artikel 32, tweede lid, Participatiewet volgt dat de hoofdregel is dat de eindejaarsuitkering en het keuzebudget worden verrekend in de periode waarin ze worden uitbetaald. Net als voor vakantiebijslag wordt voorgesteld een grondslag op te nemen voor een bij regeling vast te stellen standaardwijze van verrekenen van het keuzebudget. Anders dan vakantiebijslag, wordt het keuzebudget niet volledig tot de middelen gerekend. Immers, een keuzebudget kan door de bijstandsgerechtigde ook worden ingezet voor bijvoorbeeld een opleiding of extra vakantiedagen, dat deel van het keuzebudget wordt niet aangemerkt als belastbaar loon en dus niet verrekend met de bijstand. Waar wordt gesproken over keuzebudget geldt dit ook voor soortgelijke cafetariaregelingen. Vakantiebijslag is een wettelijk recht. Als iemand alleen keuzebudget ontvangt en geen vakantiebijslag betekent dit dat de vakantiebijslag onderdeel uitmaakt van het keuzebudget. Om te voorkomen dat voor de bijstandsgerechtigde te grote schommelingen in inkomen ontstaan, doordat bij uitbetaling van het keuzebudget het bedrag te groot is, wordt de eerste 8% over het brutoloon dat aan keuzebudget wordt opgebouwd verrekend volgens de nieuwe systematiek voor het verrekenen van vakantiebijslag (zie hierboven). Dat betekent dat 8% over het brutoloon dat aan keuzebudget wordt opgebouwd verrekend wordt met de reservering van de vakantiebijslag over de bijstandsuitkering. De uitwerking hiervan wordt meegenomen in de regeling
2De regeling waarin de standaardwerkwijze voor het verrekenen van vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaarsuitkering wordt uitgewerkt, is inmiddels in concept gereed. Deze regeling is een uitwerking van artikel 32, vijfde lid van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans en zal worden vastgelegd in een ministeriële regeling. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027, in lijn met fase 3 van de Participatiewet in Balans.
over de standaardwerkwijze van de vakantiebijslag zoals hiervoor beschreven. Het restant van het gedeelte van het keuzebudget dat tot de middelen behoort wordt verrekend met de lopende uitkering op het moment dat het wordt uitgekeerd. Ook zal in de regeling nader worden uitgewerkt dat bij het verrekenen op basis van de gegevens uit de Polisadministratie en het (automatisch) verrekenen voor het verrekenen van het keuzebudget gebruik wordt gemaakt van gegevens die in de polis staan met betrekking tot het arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB).
Voorbeeld
B. is alleenstaand en heeft een baan. Van januari 2022 tot en met juni 2022 verdient hij hiermee een inkomen boven de bijstandsnorm. Over deze maanden bouwt hij in totaal € 540 aan eindejaarsuitkering op (netto € 495). Vanaf juli 2022 is zijn inkomen lager dan de bijstandsnorm. Hij verdient € 500 per maand, en bouwt hierover € 30 per maand eindejaarsuitkering op (netto is dat ongeveer € 27). In november 2022 wordt de eindejaarsuitkering uitbetaald. B. ontvangt in totaal € 690 bruto aan eindejaarsuitkering, netto ongeveer € 630.
In de vroegere situatie zou B. in de maanden juli t/m november een bijstandsuitkering hebben die ongeveer € 27 onder bijstandsniveau uitkomt, omdat de reservering van de eindejaarsuitkering elke maand wordt verrekend met de uitkering. De eindejaarsuitkering wordt dan in november niet meer verrekend. B. komt hier niet op maandbasis onder bijstandsniveau, omdat de eindejaarsuitkering niet maandelijks wordt verrekend, maar op het moment van uitbetalen. Op het moment van uitbetalen in november (dit is ook zichtbaar in de OIB-bestanden) geldt dat € 495 netto wordt vrijgelaten (want dit heeft betrekking op de periode vóór het recht op bijstand), en er wordt een bedrag van € 135 verrekend. Als de aanvullende uitkering niet hoog genoeg is om dit bedrag te verrekenen, dan kan de gemeente het resterende bedrag verrekenen in de daaropvolgende maand of maanden. In de voorgestelde situatie kan de gemeente dan in december besluiten om, als B. in december door deze verrekening onder het bijstandsniveau terecht komt, dat te compenseren vanuit het bufferbudget. Ook zal bij regeling worden bepaald hoe wordt omgegaan met technische mankementen bij het verrekenen op basis van de polisadministratie, zodat dit niet ten koste gaat van de bijstandsgerechtigde.
Ook de aanpassingen in deze paragraaf vergen goede communicatie van de gemeente naar de bijstandsgerechtigde: wat gebeurt er als iemand gaat werken naast de uitkering? Hoe vindt het verrekenproces plaats en welke gevolgen heeft dit voor de bijstandsgerechtigde?
Tot slot wordt opgemerkt dat deze wijziging niet geldt voor de AIO vanwege de afwijkende werkwijze van de SVB.
2.3. Tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg en inkomsten uit verhuur en kostgangersschap
2.3.1. Tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg in relatie tot kostendelersnorm
De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans een amendement aangenomen van het lid Flach. Dit amendement houdt het volgende in. Aan artikel 22a Participatiewet wordt een lid toegevoegd, luidende:
“4. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders.”
Aan dit amendement liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
“Op dit moment geldt dat er een uitzondering mogelijk is op de kostendelersnorm wanneer sprake is van tijdelijke bijzondere individuele omstandigheden. Dit is ook herhaaldelijk richting gemeenten gecommuniceerd, en vanuit het ministerie is, onder andere via Gemeentenieuws
3Gemeentenieuws SZW 2021, nr. 6, onder 13.
, opgeroepen gebruik te maken van deze uitzonderingsmogelijkheid bij knellende gevallen. Hierbij werd onder andere gewezen op tijdelijke mantelzorgsituaties naar aanleiding tijdelijke zorgbehoeften van derden uit het sociaal netwerk. Bijvoorbeeld tijdelijke mantelzorg door een bijstandsgerechtigde aan een goede vriend of familierelatie na een ziekenhuisopname of tijdelijke mantelzorg door een zoon of dochter aan een zorgbehoeftige ouder, vooruitlopend op een toekomstige verhuizing naar een zorginstelling. Indiener vindt het van belang dat de ruimte voor tijdelijke mantelzorg wordt geëxpliciteerd in de wet, zodat eenduidige uitvoering van deze uitzonderingsmogelijkheid wordt bevorderd. Nu informele zorg steeds belangrijker wordt, zijn heldere randvoorwaarden van belang. Dit amendement voorziet daarom in een uitzondering op de kostendelersnorm wegens tijdelijke mantelzorgactiviteiten in situaties van intensieve zorgbehoefte. Deze uitzonderingsmogelijkheid expliciet opnemen in de wet zorgt ervoor dat voortzetting van het huidige beleid door middel van verspreiding van periodieke, ministeriële circulaires niet langer noodzakelijk is. Met de huidige ontwikkelingen in de zorg en toenemende druk op het sociaal netwerk van mensen en een terugtredende overheid in de formele zorgondersteuning, is het aangewezen dat de tijdelijke uitzondering op de kostendelersnorm niet langer bij circulaire wordt geregeld maar bij wet. “
Impact amendement voor uitvoering
Dit amendement betekent dat tijdelijk verblijf elders in het kader van mantelzorg geen gevolgen mag hebben voor het recht op bijstand. Gemeenten dienen dit expliciet te verwerken in hun uitvoeringsbeleid en werkinstructies, zodat:
-het recht op bijstand behouden blijft,
-de kostendelersnorm niet onterecht wordt toegepast,
-en er geen sprake is van onterechte opschorting of beëindiging van de uitkering.
Consulenten dienen bij de beoordeling van de woonsituatie rekening te houden met de uitzondering voor tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg. Daarbij is het van belang zorgvuldig vast te stellen of sprake is van mantelzorg bij een aantoonbare, intensieve zorgbehoefte. Indien er twijfel bestaat, kan het college aanvullende bewijsstukken opvragen, zoals een verklaring van een zorginstelling, een indicatiebesluit of een verklaring van de behandelend arts.
Ter waarborging van consistentie, rechtszekerheid en gelijke behandeling zijn voor deze situaties beleidsregels vastgesteld. Deze regels bieden een uniforme grondslag voor besluitvorming en voorkomen willekeur.
Beleidsregel Tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg Hollands Kroon Participatiewet 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 22a lid 4 en 40 lid 3 van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit:
vast te stellen de Beleidsregel tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg Hollands Kroon Participatiewet 2026
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.mantelzorg: onbetaalde, niet-professionele zorg die langdurig en intensief wordt verleend aan een hulpbehoevende door iemand uit diens sociale omgeving (familie, vriend, buur), waarbij de zorg rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt, en waarbij zonder deze mantelzorg opname in een Wlz-instelling of vergelijkbare intramurale voorziening aan de orde zou zijn;
b.tijdelijk verblijf elders: een situatie waarin de belanghebbende tijdelijk verblijft op een ander adres dan het BRP-adres, uitsluitend om mantelzorg te verlenen of te ontvangen.
Artikel 2. Doel van de beleidsregels
Het doel van deze beleidsregels is te voorkomen dat tijdelijk verblijf elders in het kader van mantelzorg leidt tot:
a.beëindiging of opschorting van de bijstandsuitkering;
b.toepassing van de kostendelersnorm.
Artikel 3. Voorwaarden
1Het tijdelijk verblijf elders moet uitsluitend verband houden met het verlenen of ontvangen van mantelzorg.
2De belanghebbende meldt het tijdelijk verblijf vooraf of zo spoedig mogelijk bij het college.
3De mantelzorgsituatie wordt aannemelijk gemaakt door:
a.Een schriftelijke verklaring van de zorgvrager of zorgverlener, waarin de aard en duur van de mantelzorg wordt beschreven;
b.Eventueel aanvullende bewijsstukken, zoals:
i.een indicatie op grond van de Wmo of een zorgplan;
ii.een verklaring van een (huis)arts of andere medische professional, indien de noodzaak van mantelzorg niet anderszins voldoende aannemelijk kan worden gemaakt.
c.Indien er twijfel bestaat over de mantelzorgsituatie, kan het college medische informatie opvragen, mits:
i.de belanghebbende hiervoor schriftelijk toestemming geeft;
ii.de opvraag beperkt blijft tot informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op bijstand.
Artikel 4. Duur van het tijdelijk verblijf
1Het tijdelijk verblijf kan maximaal 6 maanden duren.
2Het college kan éénmalig verlenging toestaan tot maximaal 12 maanden indien de mantelzorgsituatie voortduurt en dit noodzakelijk is.
3Na 12 maanden is geen verdere verlenging mogelijk. Indien de mantelzorgsituatie daarna nog voortduurt, beoordeelt het college of andere voorzieningen (bijvoorbeeld Wmo) passend zijn.
Artikel 5. Gevolgen voor het recht op bijstand
1Het tijdelijk verblijf elders wordt niet aangemerkt als wijziging van het hoofdverblijf.
2De kostendelersnorm wordt niet toegepast op basis van het tijdelijk verblijf.
Artikel 6. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.
2Deze beleidsregel wordt aangehaald als: ‘Beleidsregel tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg Hollands Kroon Participatiewet 2026’.
Toelichting op de beleidsregels Tijdelijk Verblijf Mantelzorg
Waarom deze regels?
De Participatiewet is per 1 januari 2026 aangepast om te voorkomen dat bijstandsgerechtigden die tijdelijk elders verblijven voor mantelzorg, hun uitkering verliezen of te maken krijgen met de kostendelersnorm. Deze beleidsregels geven uitvoering aan die wettelijke bepaling.
Wat is mantelzorg?
Mantelzorg is intensieve, onbetaalde zorg door iemand uit de sociale omgeving van de hulpbehoevende (familie, vriend, buur). Het gaat om zorg die verder gaat dan gebruikelijke hulp en waarbij zonder deze mantelzorg opname in een Wlz-instelling of vergelijkbare voorziening nodig zou zijn.
Wat is tijdelijk verblijf elders?
Dit is een situatie waarin de belanghebbende tijdelijk op een ander adres verblijft, uitsluitend om mantelzorg te verlenen of te ontvangen.
Toestemming voor onbepaalde tijd is niet mogelijk, omdat mantelzorg in de context van deze regeling per definitie tijdelijk is.
Waarom?
•De Participatiewet (artikel 40 lid 3 en artikel 22a lid 4) gaat uit van een tijdelijk verblijf elders. Het doel is om een praktische oplossing te bieden voor een tijdelijke situatie, niet voor een structurele verhuizing.
•Mantelzorg is in deze regeling bedoeld als overbrugging: zonder deze zorg zou opname in een Wlz-instelling nodig zijn, maar het is niet bedoeld om een permanent woonadres te creëren.
•Daarom is in de beleidsregels een maximumduur van 12 maanden opgenomen, waarna geen verlenging meer mogelijk is. Daarna moet gekeken worden naar andere voorzieningen (bijvoorbeeld Wmo of Wlz).
Risico bij onbepaalde toestemming
•Het zou feitelijk een wijziging van hoofdverblijf impliceren, wat strijdig is met de wet.
•Het kan leiden tot onduidelijkheid over de toepassing van de kostendelersnorm en de bijstandsvoorwaarden.
Belangrijkste punten:
•Geen gevolgen voor bijstand: Het tijdelijk verblijf telt niet als wijziging van hoofdverblijf en de kostendelersnorm wordt niet toegepast.
•Voorwaarden: Het verblijf moet gemeld worden en aannemelijk gemaakt worden met een verklaring van zorgvrager/zorgverlener en zo nodig aanvullende bewijsstukken (Wmo-indicatie, artsverklaring).
•Duur: Maximaal 6 maanden, éénmalige verlenging tot 12 maanden. Daarna geen verlenging meer mogelijk; andere voorzieningen (bijv. Wmo) kunnen worden ingezet.
•Bij twijfel: Het college mag medische informatie opvragen, maar alleen met toestemming en beperkt tot wat nodig is.
•Hardheidsclausule: Afwijken mag bij bijzondere omstandigheden.
Inwerkingtreding
De regels gelden vanaf 1 januari 2026 en blijven van kracht zolang de wettelijke bepaling geldt.
2.3.2. Inkomsten uit huur en kostgangersschap algemene informatie
Inkomsten uit verhuur, onderverhuur moeten op de bijstand worden gekort. Dit kan ook gelden voor de kostenvoordelen die het hebben van een of meer kostgangers met zich meebrengen. Dit volgt uit artikel 32 lid 1 Participatiewet.
Het staat bijstandsontvangers in beginsel vrij kamers te verhuren en kostgangers in huis te nemen. Met de inkomsten die hieruit voortvloeien moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand. De middelen ontvangen vanwege huur, onderhuur of het hebben van kostgangers gelden op grond van artikel 32 lid 1 Participatiewet als inkomen.
Woont een belanghebbende samen met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers? Dan worden de daaruit voortvloeiende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking genomen. Zie artikel 33 lid 4 Participatiewet. Dit geldt alleen voor zover daarmee nog geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de kostendelersnorm.
Kostendelersnorm
De kostendelersnorm betekent dat als de bijstandsgerechtigde samenwoont met meer volwassenen, de gemeente zijn bijstandsuitkering daarop aanpast. Hoe meer volwassen personen in zijn huis wonen, hoe lager zijn uitkering. Niet alle huisgenoten tellen mee voor de kostendelersnorm. Uitgezonderd zijn:
•jongeren tot 27 jaar;
•de persoon met wie u een gezamenlijke huishouding voert, als er geen anderen in de woning wonen;
•de commerciële huurder/onderhuurder/kostganger of de verhuurder/onderverhuurder/kostgever die in dezelfde woning woont;
•kamerhuurders met een commercieel contract (en die een commerciële huurprijs betalen);
•studenten die een opleiding volgen die recht kan geven op studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten;
•studenten die een Beroeps Begeleidende Leerweg volgen (BBL-studenten);
•Inkomsten en vermogen huisgenoten.
Woont de bijstandsgerechtigde samen met huisgenoten en is er sprake van de kostendelersnorm? Dan tellen de inkomsten en het vermogen van zijn huisgenoten niet mee voor het recht op bijstand.
2.3.3. Hoe wordt in uitvoeringspraktijk rekening gehouden met inkomsten uit huur en kostgangersschap
Uitvoeringspraktijk
In de praktijk kan dus op de volgende manier rekening worden gehouden met inkomsten uit verhuur, onderhuur en kostgangersschap:
1Kostendelersnorm is van toepassing.
2Kostendelersnorm is niet van toepassing.
Ad 1 Kostendelersnorm is van toepassing.
Is de kostendelersnorm van toepassing, dan wordt op grond daarvan al (deels) rekening gehouden met de lagere algemeen noodzakelijke kosten (artikel 22a Participatiewet). Korten van de inkomsten is dan alleen mogelijk voor zover daarmee geen rekening is gehouden bij de kostendelersnorm. Vaak is de kostendelersnorm niet van toepassing bij verhuur, onderhuur of het hebben van kostgangers, omdat personen met een commerciële relatie niet aangemerkt worden als kostendelende medebewoners. Betreft het verhuur, onderhuur of kostgangerschap zonder een commerciële relatie, dan zal de kostendelersnorm wel onverkort moeten worden toegepast. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een zeer lage huurprijs. Onverkorte toepassing van de kostendelersnorm is ook aan de orde bij bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad die aan elkaar verhuren, ongeacht of zij een commerciële prijs zijn overeengekomen.
Geldt de kostendelersnorm onverkort, dan kunnen niet de volledige inkomsten uit kostgeld worden gekort, omdat de kostendelersnorm al rekening houdt met het delen van de kosten. De kostendelersnorm moet dan worden afgezet tegen de norm. Het verschil is het bedrag wat al in de norm is verdisconteerd en wat dus niet in mindering mag worden gebracht op de bijstandsnorm.
Voorbeeld 1
Stel een alleenstaande heeft een kostendelende medewoner die per maand € 150,- kostgeld betaald. De berekening is dan als volgt:
We gaan (fictief) uit van de bedragen per 1 januari 2020:
kostgeld € 150
kostendelersnorm € 751,66
norm alleenstaande (21 jaar en ouder) € 1.052,32
minus kostendelersnorm € 751,66 = € 300,66.
Tot het bedrag van € 300,66 heeft kostgeld dus geen gevolgen voor de bijstand. Het kostgeld is lager dan dit bedrag.
Conclusie: kostgeld in dit geval niet korten. Alleen wanneer het kostgeld meer bedraagt dan € 300,66 dient het meerdere boven het bedrag van € 300,66 op de uitkering gekort te worden.
Voorbeeld 2
Stel een alleenstaande heeft een kostendelende medewoner die per maand € 350,- kostgeld betaald. De berekening is dan als volgt:
We gaan (fictief) uit van de bedragen per 1 januari 2020:
kostgeld € 350
kostendelersnorm € 751,66
norm alleenstaande € 1.052,32.
Norm alleenstaande (21 jaar en ouder) € 1.052,32 minus kostendelersnorm € 751,66 = € 300,66. Nu het bedrag aan kostgeld hoger is dan € 300,66 dient het meerdere, dus € 350,- minus € 300,66 =
€ 49,34 te worden gekort op de uitkering.
Conclusie: van het kostgeld dient € 49,34 te worden gekort.
Betalen eigen deel vaste lasten kostendelende medebewoners via bankrekening belanghebbende
De situatie kan zich voordoen dat medebewoners hun aandeel in de woonkosten voldoen door dat op de rekening van belanghebbende te storten. De hiervoor genoemde methode van toepassing van de kostendelersnorm en het korten van de stortingen minus het verschil tussen de toepasselijke norm zonder kostendelers (bijvoorbeeld alleenstaande) en de verstrekte norm kostendeler, levert dan niet altijd een rechtvaardig resultaat op.
De rechtbank Rotterdam heeft in een dergelijk geval geoordeeld dat de stortingen in dat geval hun bijdragen aan de redelijke gezamenlijke vaste lasten betreffen en daarom niet als inkomen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank vindt dat belanghebbende de bedragen, ook al zijn die hoger dan het bedrag waarmee belanghebbende in verband met de kostendelersnorm wordt gekort, niet vrij kan besteden in deze omstandigheden. Hierbij nam de rechtbank wel in overweging dat de woonkosten niet onredelijk hoog waren en dat het zeer de vraag is of belanghebbende lagere vaste lasten verkrijgt als hij anders zou gaan wonen, gelet op de relatief lage vaste lasten voor 3 personen en de huidige schaarste van goedkopere woningen (zie Rechtbank Rotterdam 21-4-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3527).
Hoewel kan worden betwist dat belanghebbende niet redelijkerwijs over de stortingen kan beschikken is de benadering om deze middelen niet in aanmerking te nemen wel redelijk. Immers, het betreft het deel van de vaste lasten van de medebewoners en strekt niet tot voordeel van belanghebbende. Stel dat de vaste lasten aan de leveranciers wordt voldaan door een van de medebewoners van belanghebbende en belanghebbende maakt zijn deel over naar de bankrekening van die medebewoner. Dan is er ineens niets meer aan de hand, want belanghebbende heeft de bijdragen van de anderen in dat geval niet meer op zijn bankrekening staan. Via wiens bankrekening de betaling van de vaste lasten ook lopen, dat mag niet uit maken. Het gaat immers om niets anders dan het delen van reële kosten en niet om in aanmerking te nemen inkomen (zie hierover de noot van mr. andre Pepers bij Rechtbank Rotterdam 21-4-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3527
Bedrijfsmatige activiteiten
Indien een belanghebbende de woning deelt met meerdere huurders, onderhuurders of kostgangers, kan de vraag zich voordoen of er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten. In dat geval is het Bbz 2004 op hem van toepassing. Het enkele feit dat iemand behoorlijk wat inkomsten uit kamerhuur ontvangt maakt hem overigens niet zonder meer tot een zelfstandige (zie CRvB 02-03-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5073 .Onderzocht zal moeten worden of belanghebbende voldoet aan de criteria van artikel 1 onderdeel b Bbz 2004.
Ad 2 Kostendelersnorm is niet van toepassing
In het geval de kostendelersnorm niet geldt worden inkomsten (ook) in aanmerking genomen. De werkelijke inkomsten uit huur of kostgeld worden gekort op de uitkering.
De inkomsten uit verhuur hoeven naar de mening van de experts van Schulinck niet altijd volledig gekort te worden. Vaak zit in de huur een bepaalde vergoeding begrepen voor energie- en internetgebruik. Een commercieel huurder zal moeten kunnen aangeven welk deel van de huuropbrengst de kale huur is en welk deel van de huuropbrengst betrekking heeft op een kostenvergoeding. De kale huur moet dan in mindering worden gebracht op de bijstand.
In de volgende paragraaf worden beleidsregels geformuleerd over hoe invulling te geven aan het begrip ‘commerciële huurprijs’ en de wijze waarop inkomsten uit commerciële verhuur en kostgangerschap bij de bijstandsverlening in aanmerking worden genomen.
2.3.4. Beleidsregels Commerciële huurprijs en inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
overwegende dat het wenselijk is regels te stellen over het beleid ten aanzien van het verlagen van de uitkering bij commerciële huurprijs en bij inkomsten uit verhuur en kostgeld;
gelet op 19a, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 20a en artikel 33 lid 4 van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit:
vast te stellen de Beleidsregels Commerciële huurprijs en inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026
Artikel 1. Begripsbepalingen
1Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht.
2In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
b.wet: de Participatiewet met inbegrip van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz);
c.uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ;
d.woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel c van de Wet op de huurtoeslag, alsmede woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 Participatiewet;
e.huurprijs: de huurprijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag
f.basishuur: het inkomensafhankelijke bedrag dat een huurtoeslaggerechtigde altijd zelf moet betalen. Dit is een wettelijk vastgestelde eigen bijdrage en vormt de ondergrens bij de berekening van huurtoeslag. Hoe lager het inkomen, hoe dichter dit bedrag bij de minimum basishuur ligt;
g.huurder: een huurder als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de huurtoeslag
h.kostganger: de huurder die op grond van de overeenkomst ook maaltijden van de verhuurder afneemt;
i.Nibud-prijs: prijs voor goederen of voorzieningen zoals jaarlijks vastgesteld door Nibud;
j.Vtlb-rapport (Vrij te laten bedrag): een door de Werkgroep Rekenmethode Vtlb van Recofa (Rechters-commissarissen in faillissementen) vastgestelde richtlijn die de berekeningsmethode van het vrij te laten bedrag regelt bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp;
k.wet: Participatiewet.
Artikel 2. Toepasselijkheid
De beleidsregels gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze beleidsregels alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.
Artikel 3. Zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder
De belanghebbende moet de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b of c, van de wet, bij het college inleveren. Het college beoordeelt of sprake is van een zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder aan de hand van de volgende criteria:
a.er is geen sprake van een 1e of 2e graad bloedverwantschap tussen verhuurder en huurder;
b.het onder te huren deel van de woning is geschikt voor bewoning en de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het onderhuuradres;
c.de wederzijdse rechten en verplichtingen zijn nauwkeurig in de overeenkomst afgebakend;
d.er is een commerciële prijs overeengekomen, als bedoeld in artikel 4a, 4b of 5 van deze beleidsregels;
e.uit de overeenkomst blijken periodieke prijsverhogingen;
f.belanghebbende kan aantonen dat de commerciële prijs wordt betaald (bankafschriften/betalingsbewijzen).
Artikel 4a. De commerciële huurprijs voor een zelfstandige woning in de sociale woningbouw
Er is in principe sprake van een commerciële prijs bij (onder-) (ver-)huur als de huurprijs minimaal de basishuur bedraagt. Als de huurprijs inclusief de water- en energielasten is (all-in huur), wordt in principe onder de commerciële prijs verstaan een bedrag van ten minste 100/60 x de basishuur.
Artikel 4b. De commerciële huurprijs in alle overige huursituaties
Het college beoordeelt in de overige huursituaties (zoals kamerhuur) de vraag of sprake is van een zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder aan de hand van de volgende uitgangspunten:
a.de verhouding tussen prijs en geleverde prestaties is in het commerciële verkeer gebruikelijk;
b.indien de verhuurder een bedrijf of woningbouwvereniging betreft, mag verondersteld worden dat de huurprijs commercieel is en er geen beoordeling door het college nodig is;
c.per individu worden alle individuele omstandigheden ter beoordeling gewogen;
d.de huur is door de huurcommissie vastgesteld in het puntensysteem.
Artikel 5. De commerciële huurprijs bij kostgangers
1Van een commerciële prijs bij kostgangers is sprake als er een prijs is overeengekomen van in elk geval: de commerciële prijs, bedoeld in artikel 4a, vermeerderd met een bedrag voor de maaltijden.
2Bij het bedrag voor de maaltijden dient uitgegaan te worden van de normbedragen voor voeding in het Vtlb rapport van de werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa , omgerekend naar een bedrag per maand. Het maandbedrag voor de maaltijden wordt jaarlijks opnieuw berekend op basis van het meest recente Vtlb rapport en naar boven afgerond op hele euro’s.
3Bij levering van andere diensten door de kostgever dan enkel maaltijden, dient bij bepaling van de commerciële prijs uitgegaan te worden van de voor die diensten geldende Nibud prijzen. Bij bepaling van de commerciële prijs dient de verhouding tot zowel de geleverde prestaties als hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is, in de beoordeling meegenomen te worden.
Artikel 6. Verrekenen van inkomsten ingeval van commerciële verhuur en kostgangers
1De inkomsten uit commerciële verhuur worden op grond van artikel 33 lid 4 van de wet op de uitkering van belanghebbende in mindering gebracht onder aftrek van een forfaitair bedrag per maand voor de kosten die de verhuurder in verband met de verhuur maakt (kosten voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke).
2De inkomsten van een of meerdere kostganger(s), worden op grond van artikel 33 lid 4 van de wet op de uitkering in mindering gebracht onder aftrek van een forfaitair bedrag per maand voor de kosten die de kostgever in verband met het kostgeverschap maakt (kosten voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke alsmede kosten voor de maaltijden).
3Voor de kosten (forfaitair bedrag) die de verhuurder maakt in verband met verhuur en kostgeverschap, zoals aangegeven in het eerste en tweede lid, dienen normbedragen uit het in het Vtlb rapport van de werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa met betrekking tot het verhuurde en de maaltijden als uitgangspunt te worden genomen, omgerekend naar een bedrag per maand.
4Het forfaitair bedrag als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt jaarlijks bijgesteld op basis van het meest recente Vtlb rapport, naar boven afgerond op hele euro’s.
Artikel 7. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen
Artikel 8. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels Commerciële huurprijs en inkomsten uit verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026”.
Artikel 9. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.
2.3.5. Toelichting op Beleidsregels commerciële huurprijs en inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026
Artikel 1 Begripsbepaling
Het Vtlb-rapport (Vrij te laten bedrag) is een door de Werkgroep Rekenmethode Vtlb van Recofa (Rechters-commissarissen in faillissementen) vastgestelde richtlijn die de berekeningsmethode van het vrij te laten bedrag regelt bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).
Het rapport vormt een landelijke standaard en is gebaseerd op:
•Artikel 475d en 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarin de beslagvrije voet is geregeld.
•De Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen, die bindend zijn voor bewindvoerders en rechters-commissarissen.
•Het uitgangspunt dat schuldenaren tijdens een schuldsaneringsregeling moeten kunnen beschikken over een bedrag dat minimaal gelijk is aan 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, vermeerderd met correcties voor noodzakelijke kosten zoals woonlasten, zorgkosten en bijzondere omstandigheden.
Het Vtlb-rapport beschrijft:
-De grondslagen en uitgangspunten van de berekening.
-De toepassing van het beslagvrije voet-regime.
-Correcties en verhogingen (bijvoorbeeld voor woonkosten boven huurtoeslaggrens, zorgpremie, bijzondere lasten).
De werking van het Vtlb-calculatieprogramma, dat verplicht wordt gebruikt door bewindvoerders.
Het rapport heeft juridische status als richtlijn binnen de Wsnp en wordt door de rechtspraak en bewindvoerders gehanteerd om rechtsgelijkheid en consistentie te waarborgen.
Artikel 2. Toepasselijkheid
Deze beleidsregels gelden alleen voor personen van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Bij gehuwden geldt: beide partners moeten binnen deze leeftijdscategorie vallen. Dit sluit aan bij de leeftijdsgrenzen van de Participatiewet voor de algemene bijstand.
Artikel 3. Zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder
Het college moet beoordelen of er sprake is van een zakelijke relatie. Dit is belangrijk om te voorkomen dat schijnconstructies (bijvoorbeeld familieverhuur tegen lage prijzen) leiden tot een hogere bijstandsuitkering.
De beoordeling gebeurt op basis van deze criteria:
-Geen nauwe familieband (geen 1e of 2e graad bloedverwantschap).
-Het gehuurde is bewoonbaar en de huurder staat ingeschreven op het adres.
-De rechten en plichten zijn duidelijk vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.
-Er is een commerciële prijs overeengekomen (zoals omschreven in artikelen 4a, 4b en 5).
-De overeenkomst bevat periodieke prijsverhogingen (zoals gebruikelijk in de markt).
-De huurder kan aantonen dat hij de huur daadwerkelijk betaalt (bijvoorbeeld via bankafschriften).
Artikel 4a. De commerciële prijs voor een zelfstandige woning in de sociale woningbouw
Bij (onder)huur van een zelfstandige sociale huurwoning geldt een huurprijs als commercieel wanneer deze minimaal gelijk is aan de basishuur. Bij een all-in huur (inclusief water en energie) wordt een commerciële prijs berekend als 100/60 × basishuur. Dit voorkomt dat een te lage huur wordt opgegeven om het recht op bijstand te beïnvloeden.
De belastingdienst hanteert als bedrag voor commerciële huur een bedrag inclusief kosten van water en energie. 60% van dit bedrag komt overeen met de basishuur. 40% komt overeen met de som van de bedragen die de belastingdienst hanteert voor de waarde die waterverbruik en energieverbruik voor verschillende doeleinden in het economische verkeer vertegenwoordigen. Hieruit blijkt in de eerste plaats eveneens dat de basishuur als ondergrens voor de commerciële huur kan worden gehanteerd. In de tweede plaats blijkt dat een commerciële all-in huur is af te leiden op de wijze zoals in dit artikelonderdeel is aangegeven.
De 'basishuur' is een begrip uit de huurtoeslag. Het is de eigen bijdrage die een huurtoeslaggerechtigde hoe dan ook zelf moet bekostigen. De overheid stelt jaarlijks een 'minimum basishuur' vast. Die geldt als norm voor huurtoeslaggerechtigden met een minimuminkomen. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen.
Met andere woorden, de basishuur is het bedrag dat een huurder altijd zelf moet betalen als eigen bijdrage, ongeacht de hoogte van de huur of de huurtoeslag. Het is inkomensafhankelijk en wordt jaarlijks vastgesteld door de overheid.
In 2025 is de minimum basishuur:
-€ 199,05 voor een eenpersoonshuishouden
-€ 197,24 voor een meerpersoonshuishouden [www.woonbond.nl]
Bij een hoger inkomen stijgt de basishuur geleidelijk.
De basishuur vormt de ondergrens van de huurtoeslagberekening.
We kennen ook nog het begrip ‘normhuur’. Normhuur is een vast referentiebedrag dat vanaf 2026 wordt gebruikt bij de berekening van huurtoeslag. De overheid kijkt niet meer naar de daadwerkelijke huurprijs, maar naar dit standaardbedrag. Dit zorgt voor een eenvoudiger systeem en maakt het recht op huurtoeslag minder afhankelijk van de hoogte van de huur. Het normbedrag wordt jaarlijks vastgesteld en sluit aan bij het minimum-inkomensijkpunt van artikel 17 van de Wet op de huurtoeslag.
Belangrijkste kenmerken van het nieuwe stelsel (vanaf 2026):
-Geen harde maximale huurgrens meer: ook bij hogere huur kan huurtoeslag worden verstrekt, maar berekend tot de normhuur.
-Servicekosten tellen niet meer mee; alleen de kale huurprijs is relevant.
-Jongeren krijgen vanaf 21 jaar volledige huurtoeslag (nu nog vanaf 23 jaar).
-Het systeem wordt eenvoudiger en beter voorspelbaar voor overheid en huurder.
De normhuur wordt jaarlijks vastgesteld (bijvoorbeeld € 548 per maand). Of je nu een woning huurt van € 400 of € 700, de toeslag wordt berekend alsof je € 548 huur betaalt. Je betaalt altijd een eigen bijdrage (basishuur), afhankelijk van jouw inkomen.
Voorbeeld
Normhuur in 2026 = € 548.
Basishuur (eigen bijdrage) = € 250.
Jouw inkomen = bijstandsniveau.
Je huurt een woning van € 700 per maand.
Berekening:
De overheid kijkt niet naar € 700, maar naar € 548.
Je betaalt zelf € 250 (basishuur).
Huurtoeslag = € 548 – € 250 = € 298 per maand.
Als je een woning van € 400 huurt:
De toeslag wordt nog steeds berekend op € 548.
Je betaalt € 250 zelf.
Huurtoeslag = € 298 (maar jouw totale woonlasten zijn lager, dus je houdt meer over).
Artikel 4b. Commerciële huurprijs overige huursituaties
Voor andere situaties, zoals kamerhuur, beoordeelt het college of sprake is van een zakelijke relatie. Daarbij kijkt men naar:
-Is de prijs gebruikelijk in het commerciële verkeer?
-Bij verhuur door een bedrijf of woningcorporatie wordt verondersteld dat de prijs commercieel is.
-Alle omstandigheden van het individu worden meegewogen.
-Als de huurcommissie een prijs volgens het puntensysteem heeft vastgesteld, geldt deze als commercieel.
Artikel 5. Kostgangers
Een commerciële prijs voor kostgangers bestaat uit:
-De commerciële huurprijs (zoals in artikel 4a).
-Plus een bedrag voor maaltijden, gebaseerd op normbedragen uit het Vtlb-rapport van Recofa.
Bij extra diensten (bijvoorbeeld schoonmaak) worden Nibud-prijzen als uitgangspunt genomen.
Artikel 6. Verrekening van inkomsten
Inkomsten uit verhuur of kostgangers worden op grond van artikel 33 lid 4 Participatiewet verrekend met de uitkering. Er wordt een forfaitair bedrag afgetrokken voor kosten van verhuur of kostgangerschap (energie, meubilair, maaltijden). Deze normbedragen komen uit het Vtlb-rapport en worden jaarlijks aangepast.
Zijn er meerdere huurders of kostgangers, dan moet een schaalverdeling worden gemaakt. Voor de tweede inwoner wordt dan 80% van het forfaitaire bedrag genomen, voor de derde 70% en zo verder (deze percentages zijn berekend met behulp van de uitgaven aan voeding en budgetonderzoeken van het CBS).
2.3.6. Korting inkomsten uit verhuur en kostgeversschap in relatie tot de huurtoeslag
In de uitvoeringspraktijk doet zich bij inwonende kinderen wel eens het volgende probleem voor. Een moeder ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Zij ontvangt naast deze uitkering zorg- en huurtoeslag. Op een gegeven moment komt haar meerderjarige dochter van 28 jaar oud bij haar inwonen. Haar dochter heeft een redelijk salaris (anderhalf maal modaal). De belastingdienst zet, zodra de dochter bij haar komt inwonen, de huurtoeslag stop. Bij de moeder wordt als gevolg van deze wijziging de kostendelersnorm toegepast. De dochter betaalt naast het kostgeld haar moeder ook een bedrag dat als compensatie dient voor het wegvallen van de huurtoeslag. De moeder verzoekt de gemeente om de ontvangen compensatie voor het wegvallen van de huurtoeslag vrij te laten en dus niet op de uitkering te korten.
Hoe nu te handelen? Volgens artikel 33 lid 4 van de Participatiewet worden de inkomsten van een kostganger op de uitkering van de moeder in mindering gebracht. Aangezien sprake is van bloed- of aanverwanten in de eerste graad, is de kostendelersnorm onverkort van toepassing. Ongeacht of zij een commerciële prijs zijn overeengekomen. Geldt de kostendelersnorm onverkort, dan kunnen niet de volledige inkomsten uit kostgeld worden gekort, omdat de kostendelersnorm al rekening houdt met het delen van de kosten. De kostendelersnorm moet dan worden afgezet tegen de norm. Het verschil is het bedrag wat al in de norm is verdisconteerd en wat dus niet in mindering mag worden gebracht op de bijstandsnorm.
De compensatie voor het gemis van de huurtoeslag dient op haar uitkering in mindering te gebracht. Dit volgt uit artikel 32 lid 1 van de Participatiewet, waarin is bepaald dat alle inkomsten die de belanghebbende ontvangt als middel worden aangemerkt, tenzij deze inkomsten zijn uitgezonderd op grond van artikel 31 lid 2 Participatiewet. De compensatie voor het gemis van de huurtoeslag is echter niet uitgezonderd op grond van voormeld artikel. Ook al is het ontvangen bedrag geen extra inkomen vanuit het perspectief van de moeder, volgens de Participatiewet wordt het wel als zodanig beschouwd.
Het college zou in dit geval op grond van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet de bijstand kunnen afstemmen op de bijzondere omstandigheden van de moeder. Dit artikel biedt de mogelijkheid tot individualisering in gevallen waarin strikte toepassing van de wet tot onbillijkheden zou leiden.
2.4. Verlaging bijstand wegens woonsituatie (artikel 27 PW)
2.4.1. Algemene informatie
Artikel 27 PW geeft het college de mogelijkheid om de norm te verlagen in het geval de woonsituatie van belanghebbende met zich meebrengt dat hij daardoor lagere noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Hier is nadrukkelijk ook onder begrepen de situatie waarin belanghebbende geen woning bewoont.
Bij de bijstandsverlening moet met deze lagere bestaanskosten rekening kunnen worden gehouden. De wetgever heeft hiertoe in artikel 27 Participatiewet een aparte rechtsgrond opgenomen
Wanneer sprake van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie
Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers of in het geval waarin de belanghebbende anderszins geen huurder of eigenaar van de woning is (zie CRvB 3-1-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9217). Hiervan is echter ook sprake in geval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand.
NB Een verlaging op grond van artikel 27 Participatiewet kan als er geen woonkosten/lasten verschuldigd zijn. Bij (achterstallige) huurlasten is hiervan geen sprake. Zie Rechtbank Midden-Nederland 20-10-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5482.
Woonkosten
De woonkosten kunnen verder opgesplitst worden. Naast huur en hypotheek, kunnen er ook andere kosten onder vallen, zoals in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bijvoorbeeld het eigenaarsdeel van de onroerendzaakbelasting en reserveringen voor onderhoud. Het ontbreken van welke van deze kosten rechtvaardigen een lager bedrag aan algemene bijstand. Uitgangspunt is dat het college in beleidsregels kan opnemen welke woonkosten moeten ontbreken om voor een verlaging van de bijstandsnorm in aanmerking te kunnen komen. Woonkosten die niet zijn opgenomen in de beleidsregels kunnen eventueel afgestemd worden op grond van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet.
Als in een bepaald geval geen huur- of hypotheeklasten verschuldigd zijn, is dat niet in alle gevallen zonder meer voldoende reden voor de verlaging, omdat er ook andere jegens een derde verschuldigde woonlasten kunnen zijn. Als de beleidsregels in een verlaging voorschrijft wegens het ontbreken van de kosten van huur of hypotheek, zal het college in voorkomende gevallen zo nodig met toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet de hoogte van de bijstand afwijkend moeten vaststellen (vergelijk Rechtbank 's-Hertogenbosch 30-8-2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BN5850).
Dak- en thuislozen
Afzonderlijke aandacht verdient de situatie van dak- en thuislozen. In de regel zullen zij geen kosten hebben voor het aanhouden van woonruimte. De wetgever heeft echter met artikel 27 Participatiewet niet beoogd, dat gemeenten kunnen volstaan met het verstrekken van een lager bedrag aan bijstand vanwege het enkele feit van het ontbreken van woonruimte. Daarmee zou het voorzieningenniveau voor deze kwetsbare groep tekortschieten. Het college dient zorg te dragen voor een adequaat voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen.
Artikel 27 Participatiewet biedt, in combinatie met artikel 57 Participatiewet, daartoe de mogelijkheden. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Dit dient bij de vaststelling van de uitkeringshoogte te worden betrokken.
Indien de belanghebbende er blijk van heeft gegeven de kosten van de dak- en thuislozenopvang stelselmatig niet te betalen, heeft het college de bevoegdheid om aan de bijstand de verplichting te verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat deze kosten rechtstreeks worden overgemaakt aan de betreffende instantie.
Voorts heeft het college de bevoegdheid om de bijstand in de vorm van dag/nachtverblijf aan te bieden door middel van bijstand in natura als bedoeld in artikel 57 onderdeel b Participatiewet.
2.4.2. Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 27 van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat het wenselijk is regels te stellen over het beleid ten aanzien van het verlagen van de uitkering in verband met de woonsituatie;
besluit:
vast te stellen Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026
Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon 2026
1Artikel 27 Participatiewet geeft het college de mogelijkheid om de norm te verlagen in het geval de woonsituatie van belanghebbende met zich meebrengt dat hij daardoor lagere noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Hier wordt bedoeld de situatie waarbij:
a.een woning wordt bewoond waaraan geen woonkosten zijn verbonden;
b.een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten (deels) door derden worden voldaan;
c.geen woning wordt bewoond.
Onder woning wordt verstaan een woning zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel c van de Wet op de huurtoeslag, alsmede woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 Participatiewet.
2De verlaging zoals bedoeld in artikel 27 Participatiewet bedraagt maximaal 15 procent van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet (gehuwdennorm 21-pensioengerechtigde leeftijd), indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen of weinig woonkosten zijn verbonden, een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten (deels) door derden wordt voldaan of geen woning wordt bewoond.
3Als de woonkosten die een derde betaalt lager zijn dan 15 % van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet, dan wordt het bedrag dat deze persoon betaalt onder toepassing van artikel van de Participatiewet op de uitkering in mindering gebracht.
4Woonkosten:
Onder woonkosten wordt het navolgende verstaan:
a.bij een huurwoning: rekenhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;
b.bij een eigen woning: de verschuldigde hypotheekrente, de als eigenaar te betalen zakelijke lasten en een vast bedrag voor onderhoud.
De rekenhuur bestaat uit:
a.de kale huur: dit is de huurprijs van de woning zónder bijkomende kosten zoals gas, water, licht of internet.
b.subsidiabele servicekosten: maximaal € 48 per maand, verdeeld over vier categorieën:
✓ schoonmaakkosten van gemeenschappelijke ruimten (zoals trappenhuis, lift);
✓ energiekosten voor gemeenschappelijke ruimten;
✓ kosten voor een huismeester of conciërge;
✓ kosten voor onderhoud aan dienst- en recreatieruimten (bijv. bij seniorenwoningen).
Voor elk van deze vier categorieën mag maximaal € 12 worden meegeteld, ongeacht iemand meer betaalt.
Bij een eigen woning wordt een vast bedrag voor onderhoud gehanteerd. Dit bedrag bedraagt € 50,- per maand. :
5Indien een belanghebbende dak- en thuisloos is maar wel woonkosten heeft, zoals kosten voor opvang, is het aan belanghebbende om dit aan te tonen via bewijsstukken. Als de dakloze kan aantonen dat hij kosten maakt voor opvang (niet zijnde eten), dan kan met toepassing van artikel 18 Participatiewet de verlaging worden vastgesteld op 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b, Participatiewet minus de maandelijkse opvangkosten.
6Deze beleidsregels geldt niet voor:
a.een belanghebbende met een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ;
b.een belanghebbende die een uitkering ontvangen naar de norm van een verblijf in een inrichting, als bedoeld in artikel 23 Participatiewet.
7Deze beleidsregels gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze beleidsregels alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.
8Deze beleidsregel laten de toepassing van artikel 18, eerste lid van de wet onverlet.
9Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
10Deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel verlaging uitkering in verband woonsituatie Hollands Kroon 2026”.
11Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2026.
2.4.3. Toelichting op beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026
Lid 1
Artikel 27 van de wet is bedoeld om rekening te kunnen houden met het ontbreken van (een deel van) de woonkosten bij belanghebbende, anders dan als gevolg van het (kosten)delen van de woning.
Artikel 27 is van toepassing:
•als de kostendelersnorm niet van toepassing is,
•de bijstandsgerechtigde niet pensioengerechtigd is, en
•er aanzienlijk minder of in het geheel geen woonlasten zijn.
Lid 2
Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, wordt er een verlaging van maximaal 15 % toegepast in de volgende drie situaties:
1bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld krakers;
2betaling (geheel of gedeeltelijk) van de woonlasten door een derde;
3het niet aanhouden van een woning (daklozen).
Lid 3
Indien de woonkosten die een derde betaalt lager zijn dan 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet (gehuwdennorm), dan wordt het bedrag dat deze persoon betaalt onder toepassing van artikel 27 van de Participatiewet op de uitkering in mindering gebracht
Lid 2 en 5
Als de dakloze kan aantonen dat hij kosten maakt voor opvang (niet zijnde eten), dan kan de verlaging worden vastgesteld op 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet minus de maandelijkse opvangkosten, zulks op grond van artikel 18 van de wet.
Lid 6
In artikel 8 lid 1 van de IOAW en IOAZ wordt onder inkomen verstaan het inkomen uit arbeid of overig inkomen. In deze wetten is geen vergelijkbaar artikel 27 Pwet.
2.6. Bijverdienregeling (inkomstenvrijlating)
2.6.1 Verruiming bijverdienregeling in de nieuwe Pwet
In de nieuwe Participatiewet is besloten om voor alle bijstandsgerechtigden tussen de 18 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd één bijverdienregeling te introduceren voor de duur van één jaar. Ook wordt het mogelijk om de regeling te verlengen voor mensen voor wie het wegens individuele omstandigheden niet of nauwelijks mogelijk is om meer uren te gaan werken (nieuw artikel 34a Pw). Doel van het verruimen van de bijverdienregeling is om werken meer lonend te maken voor mensen die (deeltijd) werken met aanvulling vanuit de bijstand.
2.6.2. Bijverdienregelingen in de oude Pwet
De vorige wet kende de volgende inkomstenvrijlatingen:
1De algemene tijdelijke gedeeltelijke inkomstenvrijlating
Het ging om 25% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 215,– per maand. Deze vrijlating gold voor een periode van maximaal 6 maanden. Voorwaarde was dat de werkzaamheden naar het oordeel van de gemeente bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de bijstandsgerechtigde. Deze vrijlating gold niet voor personen jonger dan 27 jaar.
2De tijdelijke inkomstenvrijlating alleenstaande ouder
Het ging om 12,5% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 134,35 per maand. Deze vrijlating gold voor een periode van maximaal 30 aaneengesloten maanden. Ook deze vrijlating gold niet voorpersonen jonger dan 27 jaar.
3De structurele inkomstenvrijlating medisch uren beperkt
Het ging om 15% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 136,26 per maand. De gemeente moest op grond van een advies van UWV hebben vastgesteld dat de bijstandsgerechtigde een medische urenbeperking heeft. Deze vrijlating was structureel en was ook van toepassing op bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar.
4De tijdelijke inkomensvrijlating bij werken met loonkostensubsidie
Het ging om 15% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 155,56 per maand. Deze vrijlatingsregeling was specifiek van toepassing op inkomsten uit werkzaamheden die met toepassing van loonkostensubsidie worden verricht. Het ging om een tijdelijke vrijlating met de mogelijkheid van verlenging van deze vrijlatingsduur wanneer er naar het oordeel van de gemeente in de persoon gelegen omstandigheden zijn, die uitbreiding van de uren (vrijwel) onmogelijk maakt. Deze vrijlating was ook van toepassing op bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar.
Premies
Naast bovenstaande vrijlatingsregelingen kende de wet ook nog de mogelijkheid om via een zogenaamde stimuleringspremie de werkaanvaarding te bevorderen. De gemeente kan een- of tweemaal per jaar deze premie verstrekken. De totale premie kan jaarlijks maximaal € 2.570 bedragen. Vrijlating en premie kunnen los van elkaar worden ingezet. De vrijlating wordt belast. De premie is onbelast voor zover niet structureel ingezet en niet gecombineerd met een vrijwilligersvergoeding. Voor de premie gold dat deze voor personen jonger dan 27 jaar als uitzondering op de vrijlatingen is opgenomen.
2.6.3. Bijverdienregeling in de nieuwe Pwet
De vroegere vier vrijlatingen worden geharmoniseerd tot één bijverdienregeling. Die harmonisering heeft betrekking op verschillende onderdelen:
•Bij vrijlating van inkomen kan 15% van het netto inkomen uit arbeid in de desbetreffende maand (exclusief de reservering voor vakantiebijslag of keuzebudget), buiten beschouwing worden gelaten. Naast het reguliere inkomen uit arbeid, vallen ook inkomensbestanddelen zoals gratificaties, dertiende maand, bonussen e.d. onder inkomen uit arbeid en dus óók onder de vrijlatingsregeling op het moment van uitbetaling.
•Er is geen specifiek maximum aan de bijverdienregeling gekoppeld. Maar indien bijstandsgerechtigde over een inkomen beschikt boven de bijstandsnorm, is diegene, door het hoger inkomen, niet langer bijstandsafhankelijk (geen bijstandsrecht) en kan dus ook geen sprake meer zijn van op de bijstand in mindering te brengen inkomen of bij verrekening buiten beschouwing te laten inkomen.
NB De CRvB ( uitspraak ECLI:NL:CRVB:2021:2146, 24 augustus 2021) oordeelde dat wanneer een bijstandsgerechtigde naast bijstand ook inkomsten heeft, eerst de inkomstenvrijlating (art. 31 lid 2 sub n PW) wordt toegepast op die inkomsten. Daarna wordt beoordeeld of het resterende inkomen (na vrijlating) nog steeds beneden de bijstandsnorm ligt. Is dat het geval, dan blijft het recht op bijstand bestaan. Pas bij een overschrijding wordt het recht beëindigd. De nieuwe bijverdienregeling bepaalt dat vrijlating alleen van toepassing is indien het totale inkomen mét vrijlating onder of gelijk aan de bijstandsnorm blijft. Is het volledige inkomen boven de norm, dan vervalt direct het recht op bijstand en er is geen sprake meer van ‘verrekenen’ of ‘vrijlaten’. De nieuwe regeling schuift dus de vrijlating naar de achtergrond en keert de volgorde om. Daarmee wijkt zij fundamenteel af van de CRvB-logica, die stelt dat eerst de vrijlating toegepast moet worden en daarna getoetst aan de norm.
•De bijverdienregeling geldt voor 12 aaneengesloten maanden en kent een eenduidig afwegingskader voor eventuele verlenging, met dien verstande dat de structurele regeling voor medisch uren beperkten behouden blijft. Door de vrijlating wordt meer bijstand verstrekt. Rekening houdend met de huidige normen, betekent dit dat een alleenwonende alleenstaande max 15% van € 1.135,88 = € 170,38 per maand aan vrijlating kan ontvangen.
•De bijverdienregeling geldt – evenals de mogelijkheid van het buiten beschouwing laten van een premie arbeidsinschakeling– voor alle bijstandsgerechtigden van 18 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.
NB
De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van de Participatiewet in balans het amendement van het lid De Kort aangenomen. In dit amendement wordt bepaald dat de premie arbeidsinschakeling ook beschikbaar wordt voor jongeren onder de leeftijd van 27 jaar.
In Hollands Kroon kent men de uitstroompremie. De voorwaarden waaronder deze premie wordt toegekend, is geregeld in de re-integratieverordening. Deze premie wordt dus ook beschikbaar voor jongeren tot 27 jaar. Dit betekent dat genoemde verordening op dit punt moet worden aangepast.
NB Voor personen die pensioengerechtigd zijn blijft de huidige 25%-regeling binnen de AIO behouden.
De wijzigingen op een rijtje:
-De doelgroep die in aanmerking komt voor de bijverdienregeling is iedereen die een inkomen uit arbeid heeft dat niet uitstijgt boven de toepasselijke bijstandsnorm en dus complementair aan loon een bijstandsuitkering ontvangt.
-De regeling geldt in beginsel voor 12 aaneengesloten maanden. Dit is een verdubbeling van de duur ten opzichte van de huidige vrijlating. Omdat de voorgestelde regeling een verlengingsmogelijkheid kent, acht de regering het onwenselijk om de vroeger spreidingsmogelijkheid te behouden.
-Er is één standaardpercentage van 15%. Er geldt geen maximumbedrag meer. Voorwaarde voor de bijverdienregeling is dat bijstandsgerechtigde bijstandsafhankelijk is, wat inhoudt dat het inkomen – als de bijverdienregeling niet van toepassing is – lager is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De regeling kan in die zin maximaal 15% bedragen van de voor de bijstandsgerechtigde geldende bijstandsnorm. Door het percentage van 15% heeft de bijverdienregeling niet of nauwelijks effect op de toeslagen van de bijstandsgerechtigde. Toeslagen zijn inkomensafhankelijk.
-De huidige vrijlating voor mensen met een medische urenbeperking is – zij het als bijverdienregeling – gehandhaafd en wordt na vaststelling van een medische urenbeperking structureel toegekend. Mensen met een medische urenbeperking zijn vanwege medische belemmeringen alleen in staat tot werken in deeltijd.
-Bij personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd die bijstand in de vorm van AIO ontvangen (AIO-gerechtigden) werd vroeger 25% van de inkomsten uit arbeid in de middelentoets vrijgelaten. Dit percentage blijft in de nieuwe wet ongewijzigd. De regering heeft ervoor dit percentage niet aan te passen, omdat de toeslagen voor mensen boven de pensioengerechtigde leeftijd zodanig werken dat het percentage van 25% niet zorgt voor verminderd recht op toeslagen.
-De oude, specifieke vrijlatingsregeling voor loonkostensubsidie blijft gehandhaafd — maar wordt hergewaardeerd en geïntegreerd binnen de nieuwe, generieke bijverdienregeling. Hierdoor ontstaat uniformiteit: iedereen – inclusief loonkostensubsidiewerkers – heeft nu recht op 15% vrijlating voor 12 maanden, met mogelijkheid tot verlenging.
-De regeling is vereenvoudigd én ruimhartiger, aangezien deze geldt ongeacht leeftijd of soort arbeid. Door de verruiming van bijverdienregeling op deze manier in te richten ontstaat er in de nieuwe over de hele linie een verruiming en dus een stimulans om vanuit de uitkering te gaan werken en mogelijk meer te gaan werken.
2.6.4. Wettekst bijverdienregeling Participatiewet en toelichting
Wettekst
Artikel 34 a PWet luidt als volgt:
"1. Inkomsten uit arbeid worden niet met de algemene bijstand verrekend ten aanzien van degene die:
a.de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: gedurende een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden voor 15 procent van deze inkomsten per maand, indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van deze persoon;
b.medisch urenbeperkt is: voor 15 procent van deze inkomsten per maand;
c.de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: voor 25 procent en tot € 226,00 van deze inkomsten per maand.
2Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht.
3Indien de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, is verstreken zonder dat deze is verlengd, kan het college nogmaals toepassing geven aan het eerste lid indien de persoon nadien een nieuw dienstverband is aangegaan. “
Toelichting op de wettekst
Het is aan de gemeente om te beoordelen of in de individuele situatie de deeltijdarbeid aan de arbeidsinschakeling bijdraagt.
In de constante jurisprudentie wordt bevestigd dat de vrijlating is bedoeld om mensen uit de bijstand te helpen, niet om tijdelijk of onzeker werk te ondersteunen. Als de baan geen vaste werkgelegenheid biedt, heeft de vrijlating geen nut en zorgt het alleen voor een tijdelijke verbetering van het inkomen zonder blijvend resultaat. De gemeente moet per persoon kijken naar het soort werk en hoe lang het duurt. Als de gemeente vindt dat het werk geen realistische kans biedt op volledige uitstroom, kan dit reden zijn om de vrijlating niet toe te passen. Bijvoorbeeld bij tijdelijke klusjes zonder kans op groei.
In de nieuwe Participatiewet lijkt de regering deze standpunten uit de rechtspraak te volgen. In de Memorie van Toelichting staat: “Het is uiteindelijk aan de gemeente om te beoordelen of in de individuele situatie de deeltijdarbeid aan de arbeidsinschakeling bijdraagt. De situatie kan zich echter voordoen dat sprake is van bijvoorbeeld een te beperkte bijdrage. Denk aan de situatie dat de bijstandsgerechtigde gezien zijn mogelijkheden meer arbeid zou kunnen verrichten dan via de door hem gekozen deeltijdarbeid. In die gevallen zou toepassing van de bijverdienregeling averechts werken. Op gelijke wijze is de gemeente niet gehouden de regeling toe te passen op niet of te laat gemelde inkomsten”.
Na afloop van de 12 maanden kan de gemeente de regeling ook verlengen, als het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht.
In dit verband kan nog worden gewezen op een uitspraak van de CRvB. De Raad bepaalde dat een vrijlating bij voortzetting van dezelfde reeds jarenlange verrichte deeltijdarbeid ook niet bijdraagt aan arbeidsinschakeling (ECLI:NL:CRVB:2015:1470, ECLI:NL:CRVB:2017:1552) .
2.6.5. Veel gestelde vragen met betrekking tot bijverdienregeling
Vraag1 Mag gemeente in het kader van de nieuwe bijverdienregeling tussentijds de vrijlating intrekken?
Antwoord
Ja, de gemeente mag de vrijlating intrekken wanneer blijkt dat het gedrag of werk van de belanghebbende niet langer bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Onder meer situaties zoals langdurige dezelfde deeltijdbaan of onvoldoende realistisch perspectief kunnen hiervoor aanleiding geven, in lijn met jurisprudentie (CRvB) én de toelichting op de Participatiewet.
Vraag 2 Heeft klant recht op vrijlating in het kader van bijverdienregeling als hij ziek wordt en ziektewet uitkering krijgt
Antwoord
Nee, als de werknemer ziek wordt en een ziekte‑/hersteluitkering ontvangt, dan vervalt de bijverdienregeling — inclusief de vrijlatingsconstructie onder artikel 34a Pw.
Enkel voor mensen die met ziektebeperkingen parttime blijven werken en nog steeds participatiewetgerechtigd zijn, blijft de medische vrijlatingsvorm gelden, en dat onbeperkt zolang de urenbeperking bestaat.
Vraag 3 Geldt de bijverdienregeling ook voor IOAW’ers en IOAZ’ers?
Antwoord
De Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ is per 1 januari 2026 aangepast om uniforme regels te bieden voor vrijlatingen en verrekeningen van inkomsten voor alle typen uitkeringen, inclusief IOAW en IOAZ. Bij de update via internetconsultatie in september 2024 is expliciet opgenomen dat de nieuw vormgegeven bijverdienregeling binnen de Participatiewet ook toegepast gaat worden op vangnetuitkeringen zoals IOAW en IOAZ.
Vraag 4 Hoe zit het overgangsecht in elkaar?
Antwoord
Overgangsrecht inkomensvrijlatingen
Er geldt bij inwerkingtreding van de nieuwe bijverdienregeling in 2 situaties overgangsrecht:
1Als de bijstandsgerechtigde nog één of meer maanden recht heeft op de inkomstenvrijlating van 25%, dan blijft dit recht doorlopen en bestaan tot uiterlijk één jaar na inwerkingtreding;
2Als de alleenstaande ouder nog één of meer maanden recht heeft op de inkomstenvrijlating van 12,5%, dan wordt dit percentage verhoogd naar 15% en loopt de regeling door voor de resterende duur (maximaal 30 maanden).
Voor de inkomensvrijlating voor bijstandsgerechtigden die werken met loonkostensubsidie geldt dat deze regeling zonder aanpassingen voor de resterende duur door kan lopen.
Vraag 5 Geldt bijverdienregeling ook voor inkomsten als zelfstandige?
Antwoord
De wet stelt dat "inkomsten uit arbeid" voor bijverdienvrijlating niet met de bijstand worden verrekend. De formulering is generiek gekozen en specifiek niet beperkt tot loondienst, zodat zelfstandig ondernemers – die werken op hun eigen bedrijf – er ook onder vallen. Artikel 34a Participatiewet bepaalt dat de gemeentelijke vrijlating geldt voor 15% van het netto-arbeidsinkomen, gedurende maximaal 12 maanden, voor iedereen jonger dan AOW‑leeftijd. Divosa benadrukt in de toelichting dat het gaat om “arbeidsinkomsten” in algemene zin – inclusief inkomsten uit zelfstandigheid.
Vraag 6 Vereist een bijverdienregeling een aanvraag?
Antwoord
De regeling is onderdeel van gemeentelijk maatwerk. De gemeente beslist, op individu‑niveau, of de bijverdienregeling passend is — ze moet vaststellen dat deze bijdraagt aan verdere arbeidsinschakeling. Er is geen sprake van ambtshalve toekenning (in tegenstelling tot de ambtshalve individuele inkomenstoeslag die vanaf 2027 mogelijk wordt, maar dat is een andere regeling)
Een bijverdienregeling wordt dus alleen toegepast na aanvraag én beoordeling. De gemeente neemt deze maatregel dus niet automatisch zonder initiatief van de cliënt. Ambtshalve toekenning is alleen mogelijk als de wet dit expliciet vermeld.
Vraag 7 Kan de bijverdienregeling achteraf (bijvoorbeeld bij uitstroom) nog toegepast worden?
Antwoord
Nee. De regeling is volgens Schulinck, Divosa en VNG niet retroactief toepasbaar, om meerdere redenen:
-Wetsregeling vereist dat vóór of bij de start van het werk wordt vastgesteld of iemand in aanmerking komt.
-Gemeenten zijn wettelijk gebonden aan een individuele, voorafgaand toetsmoment – niet bedoeld als regeling achteraf
-De regeling is zonder uitzondering beperkt tot maximaal 12 maanden, met eventuele verlenging alleen mogelijk als vooraf beoordeeld.
Vraag 8 Waarom is de vrijlating van inkomen vastgesteld op 15%.
Antwoord
De 15% vrijlating is zo gekozen dat mensen die gebruikmaken van de bijverdienregeling hun recht op huurtoeslag en zorgtoeslag niet verliezen. Toeslagen zijn inkomensafhankelijk. Als iemand te veel verdient, vervallen huur- en zorgtoeslag. Met een vrijlating van 15% blijft het extra inkomen beperkt, zodat het totale inkomen nagenoeg altijd onder de toeslaggrenzen blijft. Dit voorkomt dat mensen die gaan werken er financieel op achteruitgaan door verlies van toeslagen. De 15% is dus een balans: genoeg om werken aantrekkelijk te maken, maar niet zo hoog dat mensen hun toeslagen kwijtraken. Dit sluit aan bij het doel van de Participatiewet in Balans: werken moet altijd lonen.
2.6.6. Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 34a van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit:
vast te stellen Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon
Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon
Artikel 1. Begripsbepaling
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.algemene bijstand: bijstand als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Participatiewet;
b.betaalde werkzaamheden: hieronder wordt verstaan:
✓ Arbeid in loondienst, ongeacht de aard, omvang of duur van het dienstverband;
✓ Zelfstandige arbeid, waarbij inkomsten worden gegenereerd uit een eigen onderneming of freelance activiteiten;
✓ Andersoortige werkzaamheden waarvoor een financiële vergoeding wordt ontvangen, zoals kluswerk, oppasdiensten, bezorgwerk, of andere vormen van informeel betaald werk.
Betaalde werkzaamheden worden geacht aanwezig te zijn zodra sprake is van een tegenprestatie in geld, ongeacht de hoogte van het bedrag of de frequentie van betaling. Vrijwillige of onbetaalde werkzaamheden vallen niet onder deze definitie, tenzij er sprake is van een vergoeding die als inkomen wordt aangemerkt op grond van de Participatiewet.
c.bijstandsgerechtigden: personen die een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAZ, IOAW of het Bbz ontvangen;
d.bijverdienregeling: de regeling bedoeld in artikel 34a van de Participatiewet;
e.college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
f.gemeente: gemeente Hollands Kroon;
g.netto inkomen: het inkomen dat overblijft uit betaalde werkzaamheden nadat belastingen, sociale premies en andere verplichte inhoudingen zijn afgetrokken;
h.uitkering: een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Ioaw, Ioaz of Bbz.
Artikel 2. Doelstelling
De bijverdienregeling heeft als doel om bijstandsgerechtigden te stimuleren om (meer) te gaan werken door een deel van hun arbeidsinkomsten tijdelijk niet te verrekenen met de bijstandsuitkering. Hiermee wordt de stap naar werk financieel aantrekkelijker gemaakt en wordt duurzame arbeidsinschakeling bevorderd.
Artikel 3. Reikwijdte
1De bijverdienregeling is van toepassing op alle bijstandsgerechtigden tussen 18 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd.
2De bijverdienregeling geldt voor inkomsten uit arbeid in loondienst of als zelfstandige, mits deze bijdragen aan arbeidsinschakeling.
3Voor de toepassing van de bijverdienregeling wordt uitgegaan van het netto-inkomen uit betaalde werkzaamheden, zoals vastgesteld conform de regels van de Participatiewet
Artikel 4. Procedure en toetsing
1De aanvraag voor toepassing van de bijverdienregeling wordt digitaal ingediend. In afwijking van deze digitale aanvraag is een schriftelijke aanvraag mogelijk indien naar het oordeel van het college bijzondere omstandigheden in het individuele geval hiertoe aanleiding geven.
2Het college beoordeelt de aanvraag op basis van de verstrekte gegevens en kan aanvullende informatie opvragen.
3De toepassing van de regeling wordt schriftelijk bevestigd aan de aanvrager.
Artikel 5. Voorwaarden voor toepassing
Onverminderd het bepaalde in artikel 10, past het college de bijverdienregeling in ieder geval wel toe, indien:
a.de bijstandsgerechtigde start met betaalde werkzaamheden, of bij aanvang van de uitkering al betaalde werkzaamheden verricht;
b.het totale inkomen, inclusief de inkomsten uit de onder a genoemde werkzaamheden, niet boven de toepasselijke bijstandsnorm uitkomt;
c.de onder a genoemde betaalde werkzaamheden naar zijn oordeel bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de bijstandsgerechtigde; en
d.de inkomsten uit de onder de a genoemde werkzaamheden tijdig en volledig door de bijstandsgerechtigde bij de gemeente zijn gemeld.
Artikel 6. Beoordeling arbeidsinschakeling
1Het college neemt bij de beoordeling of arbeid bijdraagt aan arbeidsinschakeling de volgende aspecten in aanmerking:
•de aard en duur van het werk;
•de mogelijkheid tot uitbreiding van uren of doorgroei;
•persoonlijke omstandigheden van betrokkene;
•de stabiliteit van het dienstverband;
•de motivatie en inzet van de betrokkene.
2Onder de in het eerste lid genoemde aspecten wordt het navolgende verstaan:
a.Aard en duur van het werk
Het gaat om de inhoud van het werk en de mate van continuïteit. Werk dat structureel is en aansluit bij de capaciteiten van de betrokkene draagt eerder bij aan arbeidsinschakeling dan incidenteel of seizoensgebonden werk.
Voorbeeld: Een bijstandsgerechtigde werkt 8 uur per week als vakkenvuller op oproepbasis. Dit werk is tijdelijk en zonder perspectief op uitbreiding. Het college kan oordelen dat dit onvoldoende bijdraagt aan duurzame arbeidsinschakeling.
b.Mogelijkheid tot uitbreiding van uren of doorgroei
Werk moet perspectief bieden op meer uren, een vast contract of doorgroei naar een hoger functieniveau.
Voorbeeld: Iemand werkt 16 uur per week in de thuiszorg met uitzicht op een opleiding tot verzorgende IG. Dit werk biedt doorgroeimogelijkheden en draagt bij aan arbeidsinschakeling.
c.Persoonlijke omstandigheden van betrokkene
Factoren zoals gezondheid, mantelzorgtaken, opvoeding, of taalbeheersing kunnen van invloed zijn op de mogelijkheid om meer te werken.
Voorbeeld: Een alleenstaande ouder met jonge kinderen werkt 12 uur per week in de horeca. Vanwege beperkte kinderopvang is uitbreiding niet mogelijk. Het college kan dit meewegen bij de beoordeling.
d.Stabiliteit van het dienstverband
Een stabiel dienstverband (bijvoorbeeld met vaste uren en contractduur) draagt meer bij aan arbeidsinschakeling dan een wisselend of onzeker dienstverband.
Voorbeeld: Een betrokkene werkt via een uitzendbureau met wekelijkse wisseling van werkplek en uren. Het college kan oordelen dat dit onvoldoende stabiel is om als arbeidsinschakeling te gelden.
e.Motivatie en inzet van de betrokkene
De houding van de betrokkene ten opzichte van werk, zoals bereidheid tot scholing, flexibiliteit en initiatief, is relevant.
Voorbeeld: Een betrokkene volgt vrijwillig een taalcursus naast parttime werk en zoekt actief naar uitbreiding van uren. Dit toont inzet en motivatie, wat positief meeweegt.
Artikel 7. Vrijlatingspercentage en duur
1Het college verrekent maximaal 15% van het netto inkomen uit arbeid per maand niet met de bijstandsuitkering.
2De bijverdienregeling, bedoeld in het eerste lid, geldt voor een periode van maximaal 12 maanden.
Artikel 8. Verlengingsmogelijkheid
1Het college kan de periode van 12 maanden verlengen met maximaal 12 maanden, indien het op basis van individuele omstandigheden aannemelijk acht dat uitbreiding van de arbeidsomvang niet mogelijk is.
2Onder omstandigheden die verlenging rechtvaardigen worden in ieder geval verstaan:
a.medische beperkingen die uitbreiding van arbeidsuren verhinderen, onderbouwd met een medische verklaring;
b.zorgverplichtingen, zoals intensieve mantelzorg of de zorg voor jonge kinderen, die uitbreiding van werkuren structureel beperken;
c.deelname aan scholing of re-integratietrajecten die tijdelijk een belemmering vormen voor uitbreiding van arbeidsuren;
d.structurele beperkingen op de regionale arbeidsmarkt, zoals een gebrek aan passende vacatures of vervoersproblemen.
3De belanghebbende dient uiterlijk één maand vóór het einde van de oorspronkelijke periode van twaalf maanden een gemotiveerd verzoek tot verlenging in bij het college, voorzien van relevante bewijsstukken.
4Het college beoordeelt het verzoek binnen vier weken en neemt een gemotiveerd besluit.
5De verlenging eindigt van rechtswege na afloop van de toegekende periode. Indien de omstandigheden wijzigen of wegvallen, kan het college de verlenging tussentijds beëindigen.
Artikel 9. Informatieplicht
1De bijstandsgerechtigde is op grond van artikel 17 Participatiewet verplicht om vooraf melding te maken van het werk en de verwachte inkomsten.
2De bijverdienregeling wordt niet met terugwerkende kracht toegepast.
3Bij schending van de inlichtingenplicht vervalt het recht op toepassing van de bijverdienregeling.
Artikel 10. Uitsluitingen
Het college past de bijverdienregeling in ieder geval niet toe, indien:
a.Er sprake is van niet of te laat gemelde inkomsten. De inkomsten uit arbeid moeten namelijk bijdragen aan de arbeidsinschakeling en dit vraagt om een individuele beoordeling die vooraf of bij aanvang van de werkzaamheden plaatsvindt. De bijverdienregeling kan dus niet achteraf, bijvoorbeeld bij uitstroom, worden toegepast.
b.Er sprake is van inkomsten uit criminele activiteiten of prostitutie.
c.Er sprake is van inkomsten uit vermogen of overige inkomsten die niet voortkomen uit arbeid.
Artikel 11. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 12. Inwerkingtreding, citeertitel en overgangsrecht
1Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2027 en zijn van toepassing op aanvragen die op of na die datum worden ingediend.
2Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon’.
3Bijstandsgerechtigden die op het moment van inwerkingtreding gebruikmaken van een vrijlating behouden deze tot het einde van de oorspronkelijk toegekende periode, met een maximum van twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels.
4Voor alleenstaande ouders geldt dat de huidige vrijlating (maximaal 30 maanden of tot het jongste kind 12 jaar is) blijft doorlopen tot het einde van de oorspronkelijke termijn, mits deze vóór 1 januari 2027 is toegekend.
5Voor de inkomensvrijlating voor bijstandsgerechtigden die werken met loonkostensubsidie geldt dat deze regeling zonder aanpassingen voor de resterende duur door kan lopen.
Toelichting beleidsregels
Artikel 1. Begripsbepaling
Dit artikel legt uit wat de belangrijkste termen betekenen:
Algemene bijstand: De standaarduitkering volgens de Participatiewet.
Betaalde werkzaamheden: Alle vormen van werk waarvoor je geld krijgt, zoals:
-werk in loondienst (ongeacht uren of contractvorm).
-zelfstandig werk (eigen bedrijf, freelance).
-informeel werk met vergoeding (bijv. oppassen, klussen).
Belangrijk: Zodra er een geldelijke tegenprestatie is, telt het als betaald werk. Vrijwilligerswerk telt alleen mee als er een vergoeding is die als inkomen geldt.
Bijstandsgerechtigden: Iedereen met een uitkering op basis van Participatiewet, IOAW, IOAZ of Bbz.
Bijverdienregeling: De regeling uit artikel 34a Participatiewet die tijdelijk toestaat dat een deel van inkomsten niet verrekend wordt.
Netto inkomen: Het bedrag na aftrek van belastingen en premies.
Uitkering: Levensonderhoud op basis van genoemde wetten.
Artikel 2. Doelstelling
De bijverdienregeling wil mensen in de bijstand stimuleren om (meer) te gaan werken. Door een deel van hun inkomsten tijdelijk niet te verrekenen, wordt werken financieel aantrekkelijker en bevordert het duurzame uitstroom naar werk.
Artikel 3. Reikwijdte
Geldt voor alle bijstandsgerechtigden van 18 jaar tot AOW-leeftijd.
Toepasbaar op inkomsten uit loondienst of zelfstandig werk, mits dit bijdraagt aan arbeidsinschakeling.
Het netto-inkomen uit werk is bepalend, volgens Participatiewet-regels.
Artikel 4. Procedure en toetsing
Aanvraag verloopt digitaal, tenzij bijzondere omstandigheden een schriftelijke aanvraag rechtvaardigen.
Het college beoordeelt de aanvraag en kan extra informatie opvragen.
De beslissing wordt schriftelijk bevestigd.
Artikel 5. Voorwaarden voor toepassing
De bijverdienregeling wordt toegepast als aan deze voorwaarden is voldaan:
-Start of voortzetting van werk: De bijstandsgerechtigde begint met betaald werk of werkte al bij aanvang van de uitkering.
-Inkomen onder bijstandsnorm: Het totale inkomen (uitkering + inkomsten) blijft onder de geldende bijstandsnorm.
-Werk draagt bij aan arbeidsinschakeling: Het college beoordeelt of het werk helpt om uiteindelijk uit de bijstand te komen.
-Inkomsten tijdig gemeld: De betrokkene moet alle inkomsten volledig en op tijd doorgeven aan de gemeente.
Artikel 6. Beoordeling arbeidsinschakeling
Het college kijkt naar vijf aspecten om te bepalen of werk bijdraagt aan arbeidsinschakeling:
Aard en duur van het werk
Structureel werk dat aansluit bij capaciteiten telt zwaarder dan tijdelijk of seizoenswerk.
Voorbeeld: Oproepwerk zonder perspectief draagt minder bij.
Mogelijkheid tot uitbreiding of doorgroei
Werk met kans op meer uren, vast contract of opleiding is positief.
Voorbeeld: Thuiszorg met opleidingskans is gunstig.
Persoonlijke omstandigheden
Gezondheid, zorgtaken of taalbeheersing kunnen invloed hebben.
Voorbeeld: Alleenstaande ouder met beperkte kinderopvang kan niet uitbreiden.
Stabiliteit van het dienstverband
Vaste uren en contractduur wegen zwaarder dan wisselende uitzendbanen.
Voorbeeld: Wekelijks wisselende werkplekken zijn minder stabiel.
Motivatie en inzet
Bereidheid tot scholing, flexibiliteit en actief zoeken naar werk tellen mee.
Voorbeeld: Vrijwillige taalcursus naast werk toont inzet.
Artikel 7. Kern van de bijverdienregeling
Maximaal 15% vrijlating: Van het netto-inkomen uit arbeid wordt 15% per maand niet verrekend met de bijstandsuitkering. Dit maakt werken financieel aantrekkelijker.
Duur: De regeling geldt maximaal 12 maanden vanaf de start van toepassing.
Artikel 8. Verlengingsmogelijkheid
Extra 12 maanden mogelijk: Het college kan verlengen tot in totaal 24 maanden, als uitbreiding van werkuren niet haalbaar is door persoonlijke of externe omstandigheden.
Redenen voor verlenging:
-Medische beperkingen (met verklaring).
-Zorgverplichtingen (mantelzorg, jonge kinderen).
-Scholing of re-integratie die tijdelijk uitbreiding belemmert.
-Structurele arbeidsmarktproblemen (bijv. weinig vacatures, vervoersproblemen).
Procedure:
Verzoek indienen 1 maand vóór einde van de eerste periode, met bewijsstukken.
College beslist binnen 4 weken.
Verlenging stopt automatisch na afloop, maar kan tussentijds worden beëindigd als omstandigheden veranderen.
Artikel 9. Informatieplicht
Melding vooraf verplicht: Werk en verwachte inkomsten moeten vooraf gemeld worden (Participatiewet art. 17).
Geen terugwerkende kracht: De regeling geldt alleen vanaf het moment van melding.
Schending inlichtingenplicht: Dan vervalt het recht op toepassing van de regeling.
Artikel 10. Uitsluitingen
De bijverdienregeling wordt niet toegepast in de volgende gevallen:
Niet of te laat gemelde inkomsten: De regeling kan alleen vooraf of bij aanvang van werkzaamheden worden beoordeeld, niet achteraf (bijvoorbeeld bij uitstroom).
Inkomsten uit criminele activiteiten of prostitutie: Deze worden uitgesloten.
Inkomsten uit vermogen of overige niet-arbeidsgerelateerde bronnen: Alleen inkomsten uit arbeid komen in aanmerking.
Artikel 11. Bijzondere omstandigheden
Het college volgt deze beleidsregels, tenzij toepassing in een individueel geval tot onevenredige gevolgen zou leiden. Dit biedt ruimte voor maatwerk bij uitzonderlijke situaties.
Artikel 12. Inwerkingtreding en overgangsrecht
Startdatum: Beleidsregels gelden vanaf 1 januari 2027 voor nieuwe aanvragen.
Citeertitel: Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon.
Overgangsrecht:
Lopende vrijlatingen blijven gelden tot einde van de oorspronkelijke periode (max. 12 maanden na 1 januari 2027).
Voor alleenstaande ouders blijft de huidige vrijlating (tot 30 maanden of tot jongste kind 12 jaar) doorlopen als deze vóór 1 januari 2027 is toegekend.
Voor vrijlating bij loonkostensubsidie blijft de regeling ongewijzigd tot einde van de oorspronkelijke termijn.
2.6.7. Beleidsregels bijverdienregeling jongeren Participatiewet – vooruitlopend op wetswijziging Participatiewet in Balans.
Het college heeft besloten om vooruitlopend op de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027 de bijverdienregeling voor jongeren tot 27 jaar al per 1 januari 2026 in te voeren. Aan dit besluit liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
1In de huidige Participatiewet mogen jongeren tot 27 jaar niets bijverdienen zonder dat hun uitkering wordt verlaagd. Dit belemmert hen om werkervaring op te doen en een stap naar zelfstandigheid te zetten.
2De bijverdienregeling laat 15% van het inkomen uit arbeid vrij voor maximaal 12 maanden (met verlenging mogelijk). Dit geeft jongeren een financiële prikkel om werk te accepteren, ook kleine banen. Een iets hoger en stabieler inkomen vermindert stress en helpt jongeren om schulden te voorkomen.
3Jongeren die kunnen bijverdienen, bouwen werkervaring op en vergroten hun kans op een vaste baan. Dit verkleint de kans op langdurige bijstand en armoede.
4Het past bij de doelen van de Participatiewet in Balans: vertrouwen, eenvoud en maatwerk. Gemeenten krijgen ruimte om jongeren in een kwetsbare positie beter te ondersteunen.
5De staatssecretaris heeft gemeenten expliciet toestemming gegeven om vooruit te lopen op deze maatregel. Dit voorkomt dat jongeren nog een jaar moeten wachten en helpt direct bij hun financiële en sociale stabiliteit.
Het college heeft hiertoe tijdelijke beleidsregels opgesteld. Zie hieronder.
Beleidsregels bijverdienregeling jongeren Participatiewet – vooruitlopend op wetswijziging Participatiewet in Balans.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 34a van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit:
vast te stellen Beleidsregels bijverdienregeling jongeren Participatiewet – vooruitlopend op wetswijziging Participatiewet in Balans.
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.jongere: belanghebbende die een beroep doet op algemene bijstand en de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt.
b.bijverdienregeling: het buiten beschouwing laten van een deel van inkomsten uit arbeid bij de vaststelling van de bijstandsuitkering.
c.bijstandsgerechtigden: personen die een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAZ, IOAW of het Bbz ontvangen
Artikel 2. Doel van de regeling
Het doel van deze beleidsregels is om jongeren tot 27 jaar te stimuleren om (meer) te gaan werken door een deel van hun inkomsten uit arbeid te mogen behouden, vooruitlopend op de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027.
Artikel 3. Voorwaarden voor toepassing
1De jongere is een bijstandsgerechtigde.
2De inkomsten komen uit arbeid in loondienst of als zelfstandige.
3Het college beoordeelt of toepassing van de regeling bijdraagt aan arbeidsinschakeling.
4De regeling geldt alleen als het totale inkomen van de jongere niet hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm.
Artikel 4. Omvang van de vrijlating
1Van het netto-inkomen uit arbeid wordt 15% per maand niet verrekend met de bijstandsuitkering.
2De vrijlating geldt voor een periode van maximaal 12 maanden.
Artikel 5. Procedure
1De aanvraag voor toepassing van de bijverdienregeling wordt digitaal ingediend. In afwijking van deze digitale aanvraag is een schriftelijke aanvraag mogelijk indien naar het oordeel van het college bijzondere omstandigheden in het individuele geval hiertoe aanleiding geven.
2Het college beoordeelt de aanvraag op basis van de verstrekte gegevens en kan aanvullende informatie opvragen.
3De toepassing van de regeling wordt schriftelijk bevestigd aan de aanvrager.
Artikel 6. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 7. Inwerkingtreding, duur en citeertitel
1Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026 en gelden tot de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027.
2Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijverdienregeling jongeren Participatiewet – vooruitlopend op wetswijziging Participatiewet in Balans’.
3Deze beleidsregels vervallen van rechtswege zodra de landelijke regeling in werking treedt.
Artikel 8. Overgangsbepaling
Indien een verzoek om toepassing van de bijverdienregeling vóór 1 januari 2027 is ingediend, wordt dit verzoek afgehandeld conform deze beleidsregels, ook indien de beslissing op het verzoek plaatsvindt na 1 januari 2027.
Artikel 9. Voortzetting van toegekende vrijlating
Indien een vrijlating op grond van deze beleidsregels is toegekend, blijft deze van toepassing tot het einde van de toegekende termijn, ook indien de landelijke regeling op 1 januari 2027 in werking treedt.
Toelichting beleidsregels
Algemene grondslag
Deze beleidsregels zijn gebaseerd op artikel 34a Participatiewet (vrijlating van inkomsten) en de bevoegdheid van het college om beleidsregels vast te stellen op grond van artikel 1:3 lid 4 en 4:81 Awb. De regeling wordt vooruitlopend op de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027 toegepast, zodat jongeren al eerder kunnen profiteren van deze stimulans.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Dit artikel verduidelijkt de kernbegrippen:
Jongere: belanghebbende tot 27 jaar, conform de doelgroep van de landelijke regeling.
Bijverdienregeling: het buiten beschouwing laten van een deel van inkomsten uit arbeid bij de vaststelling van de bijstandsuitkering.
Bijstandsgerechtigden: opgenomen voor volledigheid, omdat jongeren onder de Participatiewet vallen, maar ook IOAW, IOAZ en Bbz worden genoemd voor consistentie.
Artikel 2. Doel van de regeling
Het doel is om jongeren te stimuleren om (meer) te gaan werken door een deel van hun inkomsten te mogen behouden. Dit bevordert arbeidsinschakeling en voorkomt dat werken financieel onaantrekkelijk is. De regeling sluit aan bij de landelijke beleidswijziging in Participatiewet in balans.
Artikel 3. Voorwaarden voor toepassing
De voorwaarden waarborgen dat de regeling doelgericht wordt toegepast. Alleen jongeren die bijstand ontvangen komen in aanmerking. De inkomsten moeten uit arbeid komen (loondienst of zelfstandig). Het college beoordeelt of de regeling bijdraagt aan arbeidsinschakeling, zodat het instrument niet willekeurig wordt toegepast. Het totale inkomen mag niet boven de bijstandsnorm uitkomen, om te voorkomen dat er sprake is van overschrijding van het bestaansminimum.
Artikel 4. Omvang van de vrijlating
De vrijlating bedraagt 15% van het netto-inkomen uit arbeid per maand, voor maximaal 12 maanden. Dit percentage is gekozen om een merkbare stimulans te bieden, maar niet zodanig dat het een structurele inkomensvoorziening wordt. De termijn van 12 maanden sluit aan bij de landelijke regeling.
Artikel 5. Procedure
De aanvraag verloopt in principe digitaal, maar er is ruimte voor een schriftelijke aanvraag bij bijzondere omstandigheden. Dit biedt flexibiliteit en sluit aan bij de menselijke maat. Het college kan aanvullende informatie opvragen om een zorgvuldige beoordeling te waarborgen.
Artikel 6. Bijzondere omstandigheden
Het college kan afwijken van de beleidsregels als toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Dit voorkomt dat de regeling in uitzonderlijke situaties onredelijk uitpakt.
Artikel 7. Inwerkingtreding, duur en citeertitel
De regeling geldt tot de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027. Daarna vervalt zij van rechtswege. Dit voorkomt dubbele regelgeving en biedt duidelijkheid over de tijdelijke aard van deze beleidsregels.
Artikel 8. Overgangsbepaling
Verzoeken die vóór 1 januari 2027 zijn ingediend, worden afgehandeld volgens deze beleidsregels, ook als de beslissing na die datum plaatsvindt. Dit waarborgt rechtszekerheid voor de aanvrager.
Artikel 9. Voortzetting van toegekende vrijlating
Als een vrijlating al is toegekend, blijft deze gelden tot het einde van de toegekende termijn, ook als de landelijke regeling in werking treedt. Dit voorkomt dat lopende rechten tussentijds worden beëindigd.
2.14. Bufferbudget
2.14.1. Wat is een bufferbudget?
Het bufferbudget beoogt financiële problemen te voorkomen door financiële stabiliteit te creëren voor wie in deeltijd werkt naast een aanvullende bijstandsuitkering, zodat er een stabiel maandinkomen ontstaat dat niet lager is dat het sociaal minimum. Met het bufferbudget kunnen inkomstenschommelingen die ontstaan door het verrekenen van inkomsten zoveel mogelijk worden voorkomen zodat dit geen financiële problemen en betaalproblemen tot gevolg heeft. Met het bufferbudget beschikt de gemeente over een instrument om hiermee bij te kunnen dragen aan het creëren van bestaanszekerheid voor mensen met een bijstandsuitkering. Het bufferbudget is niet als generiek instrument bedoeld.
Het bufferbudget is als instrument toegevoegd aan de Participatiewet in een nieuw artikel 34b en maakt onderdeel uit van de gebundelde uitkering die gemeenten ontvangen van het Rijk zoals bedoeld in artikel 69 van de Participatiewet.
2.14.2. Het bufferbudget is geen bijzondere bijstand
De inzet van het bufferbudget is niet vergelijkbaar met de bijzondere bijstand. Het doel van het bufferbudget onderscheidt zich van het recht van de burger op bijzondere bijstand. Bijzondere bijstand kan immers worden verleend als gevolg iemand niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin de algemene bijstand niet voorziet.
2.14.3. Het bufferbudget is vatbaar voor beslag
Het bufferbudget is vatbaar voor beslag en de beslagvrije voet ex. artikel 475c, eerste lid, onder a, Rv is van toepassing.
2.14.4. Welke regels gelden er bij toepassing van het bufferbudget
Voor de inzet van het bufferbudget gelden de volgende regels:
•Het bufferbudget betreft een budget dat belast wordt via een eindheffing. Dat betekent dat gemeenten belasting afdragen over het bufferbudget en niet de bijstandsgerechtigde, waardoor het bufferbudget voor de bijstandsgerechtigde geen gevolgen heeft voor het belastbaar inkomen en de afbouw van toeslagen. Dit draagt bij aan het creëren van financiële zekerheid voor de bijstandsgerechtigde.
•Het bufferbudget wordt beheerd door de gemeente. Het wordt op individueel niveau ambtshalve toegekend en bedraagt maximaal € 1.000 per jaar.
•De gemeente kan het bufferbudget voor de duur van 12 maanden toekennen op het moment dat daar naar het oordeel van de gemeente noodzaak toe is.
•Het bufferbudget kan niet aangevraagd worden door de bijstandsgerechtigde zelf.
•De gemeente neemt een gemotiveerd besluit bij het toekennen van het bufferbudget. Het bedrag van € 1.000 is een maximumbedrag, gemeenten kunnen aan de hand van de individuele situatie van een bijstandsgerechtigde het bufferbudget lager vaststellen.
•De gemeente kan besluiten het bufferbudget voor een nieuwe periode van 12 maanden toe te kennen op het moment dat de noodzaak daartoe bestaat. Het bufferbudget kan in ongelijke delen periodiek uitgekeerd worden bij het ontstaan van inkomenshiaten waardoor bijstandsgerechtigden op maandbasis onder bijstandsniveau komen en financiële problemen (dreigen te) ontstaan. Ook kan het aangewend worden om bijstandsvorderingen die het gevolg zijn van (te lage of latere) inkomstenverrekening te voldoen via het bufferbudget.
•Het bufferbudget wordt niet eenmalig in één keer uitbetaald aan de bijstandsgerechtigde, maar alleen ingezet als dit naar het oordeel van de gemeente nodig is. Hiermee draagt het bij aan het stimuleren van de arbeidsinschakeling én het voorkomen dat bijstandsgerechtigden op maandbasis niet onder het sociaal minimum terecht komen en daardoor financieel in de problemen komen.
Omdat het bufferbudget een instrument is dat door gemeenten ingezet kan worden, maar ook niet bedoeld is als generiek instrument, heeft dit tot gevolg dat er uitvoeringsverschillen kunnen ontstaan. Het instrument heeft een specifiek doel en het is aan gemeenten om het instrument toe te passen in de gevallen dat het nodig is. Dit levert een ongelijke situatie op tussen bijstandsgerechtigden met onwenselijke schommelingen in inkomen en bijstandsgerechtigden met een stabiel inkomen. De regering is van mening dat het creëren van een stabiel inkomen voor zoveel mogelijk bijstandsgerechtigden hiertegen opweegt. het bufferbudget door de gemeente wordt vastgesteld (zie onder het kopje ‘het uitvoeren van het bufferbudget’). De regeling van het bufferbudget kan eenvoudig bestaan naast een gemeentelijk ‘doorbraakbudget' dat aangewend kan worden voor (bestaanszekerheids)problemen van andere aard of van andere doelgroepen (zoals niet-werkenden).
2.14.5.Beleidsregels (In welke gevallen wordt het bufferbudget ingezet)
De gemeente beoordeelt wie in aanmerking komt voor een bufferbudget en of er noodzaak is om het bufferbudget in te zetten. Het bufferbudget wordt niet generiek ingezet, de gemeente kan het bufferbudget inzetten als individuele omstandigheden daartoe nopen bij:
a.bijstandsgerechtigden die inkomen uit arbeid ontvangen en daarnaast een aanvullende bijstandsuitkering, waarbij er financiële instabiliteit in het inkomen is ontstaan of dreigt te ontstaan als gevolg van de inkomstenverrekening; en
Financiële instabiliteit in het inkomen kan bijvoorbeeld ontstaan doordat het inkomen van mensen maandelijks kan schommelen, een uitkering te laat wordt betaald door te late loongegevens vanuit de werkgever of door correcties op het inkomen achteraf door bijvoorbeeld overwerkuren. Anderzijds kan het bufferbudget worden ingezet om vorderingen die ontstaan door het verrekenen van inkomen te vereffenen. De vordering wordt dus niet kwijtgescholden, maar voldaan vanuit het bufferbudget. Vorderingen kunnen bijvoorbeeld ontstaan doordat iemand de uitkering verlaat en er nog inkomen uit arbeid verrekend moet worden. Door deze verrekening van inkomen, dat ontvangen is nadat iemand uit de uitkering is gestroomd maar dat betrekking heeft op de bijstandsperiode, ontstaat een vordering.
b.waarbij het inkomen waarover de bijstandsgerechtigde beschikt of redelijkerwijs kan beschikken in het tijdvak van een maand lager is dan 100% van de voor deze bijstandsgerechtigde geldende bijstandsnorm; en
c.het bufferbudget naar het oordeel van de gemeente bijdraagt aan de stimulering van het deeltijd (blijven) werken en/of de arbeidsinschakeling van deze persoon.
Het bufferbudget wordt alleen ingezet als andere instrumenten of oplossingen, zoals de bijverdienregeling en de premie voor arbeidsinschakeling of een betalingsregeling, niet toepasbaar zijn of het probleem niet oplossen in de individuele situatie van de bijstandsgerechtigde.
Hoofdstuk 3 Vermogen
3.4. Waardebepaling auto’s, caravans, motoren, etc.
3.4.1. Wettelijke context
Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet worden bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, alsook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt.
Daarbij bepaalt artikel 34 lid 1 onderdeel a Participatiewet dat de waarde van de bezittingen (in natura) waarvan de tegeldemaking wordt gevergd, moet worden vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.
Voorbeelden
Huishoudelijke en dagelijkse gebruiksvoorwerpen
-Koelkast – noodzakelijk voor voedselbewaring.
-Was- en droogmachine – algemeen gebruikelijk voor huishoudens.
-Kooktoestel (gasfornuis/inductieplaat) – noodzakelijk voor maaltijdbereiding.
-Bedden en matrassen – basisbehoefte voor slapen.
-Eettafel en stoelen – algemeen gebruikelijk meubilair.
-Bank/sofa – standaard in een woonkamer.
-Kleding en schoenen – noodzakelijk, mits geen luxe designerartikelen.
Elektronica en communicatie
-Televisie – algemeen gebruikelijk, mits geen extreem luxe uitvoering.
-Laptop of tablet – nodig voor administratie, communicatie en schoolgaande kinderen.
-Smartphone – algemeen gebruikelijk voor communicatie.
Mobiliteit en vervoer
-Fiets – noodzakelijk voor vervoer, zeker in gebieden met beperkt OV.
-Kinderfiets of bakfiets – algemeen gebruikelijk voor gezinnen.
-Auto – een eenvoudige, gangbare auto die nodig is voor woon-werkverkeer of medische afspraken, bijvoorbeeld in een regio zonder goed openbaar vervoer. Deze wordt in principe niet als vermogen aangemerkt, mits de waarde niet uitzonderlijk hoog is en het gebruik noodzakelijk is.
3.4.2. Richtlijnen waardebepaling auto’s.
De waarde van een auto telt mee bij de vermogensvaststelling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken, indien:
•de auto, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig lichamelijk gehandicapt is);
•de auto noodzakelijk is in verband met werk, scholing of re-integratie;
•de auto ouder is dan 10 jaar (lees: bouwjaar auto) ;
•de waarde van de auto minder is dan € 3.350,00 (hierbij is aangesloten bij de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden). Het bedrag van € 3.350,- wordt jaarlijks geïndexeerd.
De auto (niet ouder dan 10 jaar) wordt gewaardeerd aan de hand van de ANWB/BOVAG autokoerslijst op internet: http://www.anwb.nl/auto/koerslijst
Dit gaat als volgt:
•vul kenteken in;
•kies de van toepassing zijnde uitvoering;
•klik verder ( je krijgt dan pagina met nieuwprijzen);
•klik verder;
•vul kilometerstand in ( houd 15000 km per jaar aan, dus auto van 4 jaar = 60000 km, auto van 4,5 jaar = 75000 km(= afronding naar boven);
•klik op bereken;
•kies in kolom "situatie bij kopen van een auto" de laagste richtprijs;
•laat € 3.350,00 van de waarde vrij.
Als richtlijn voor de waardebepaling van een auto kan dus worden gebruikt:
•de verkoopwaarde volgens de ANWB/BOVAG koerslijst (zie CRvB 10-1-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:35);
Tenzij:
•er voldoende gegevens voorhanden zijn waaruit volgt dat de waarde van de auto afwijkt van de waarde die de ANWB-koerslijst aangeeft; (zie CRvB 31-10-2006, nr. 05/6403 WWB en CRvB 08-03-2011, nrs. 08/7253 WWB e.a.).
Hoewel Suwinet een tellerstand toont, gebruiken we die voorlopig niet als uitgangspunt. De reden: deze stand komt van de laatste APK-keuring en kan verouderd zijn. Bij auto’s van 4 tot 8 jaar kan dit al 2 jaar geleden zijn. Bij auto’s ouder dan 8 jaar meestal 1 jaar geleden. Is de exacte kilometerstand belangrijk voor het recht op uitkering of betwist de klant de waarde? Dan kan altijd de actuele kilometerstand worden gecontroleerd en gebruikt.
Indien de auto niet is opgenomen in de koerslijst en bij een vermoedelijke aanzienlijke waarde (old- timers) kan een auto-taxateur worden ingeschakeld.
NB: het is niet algemeen gebruikelijk meer dan één auto te hebben, dus bij het in het bezit/op naam hebben van meer dan één auto, maar eenmalig € 3.350,00 aan waarde vrij laten.
Als iemand een auto krijgt als gift dan geldt de "vrijlating" van € 3.350,00 van de waarde niet.
Ingeval een auto niet (meer) is opgenomen in de ANWB/BOVAG -autokoerslijst is het toelaatbaar de waarde ervan vast te stellen op basis van bij een erkende dealer per telefoon ingewonnen toereikende informatie. Is de auto recent aangeschaft, dan kan voor de waardebepaling uitgegaan worden van de recent betaalde aankoopprijs, indien niet gesteld of gebleken is dat die prijs niet reëel zou zijn.
3.4.3. Richtlijnen waardebepaling motoren, boten, campers, caravans, scooter, bromfietsen, e-bike en fiets
Motoren, boten, campers en caravans
Voor motoren, caravans, campers en boten kan een taxatie, verkoopadvertentie of marktvergelijking worden gebruikt.
Motoren, caravans, campers, boten en vergelijkbare recreatiemiddelen worden in beginsel volledig als vermogen aangemerkt.
Echter, op grond van artikel 34, tweede lid, onderdeel a, Participatiewet worden bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, alsmede bezittingen die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt.
Voorbeeld 1
Een eenvoudige caravan die algemeen gebruikelijk is voor recreatie en past bij de omstandigheden van het gezin. Deze wordt niet als vermogen gezien.
Voorbeeld 2
Een motor voor woon-werkverkeer die noodzakelijk is om naar werk of afspraken te gaan, bijvoorbeeld omdat er geen goed openbaar vervoer beschikbaar is. Deze valt onder noodzakelijke bezittingen.
Voorbeeld 3
Een bescheiden camper die algemeen gebruikelijk is voor vakanties en niet luxe of uitzonderlijk van waarde. Ook deze wordt niet als vermogen aangemerkt. Het gaat om gebruikelijke of noodzakelijke bezittingen, niet om luxe varianten (bijvoorbeeld een zeer dure camper van € 150.000 kan wél als vermogen worden gezien). De beoordeling gebeurt altijd gelet op de omstandigheden van persoon en gezin.
Voorbeeld 4
Een kleine roeiboot die wordt gebruikt om vanaf een eilandwoning naar het vasteland te komen, omdat er geen brug of veerdienst is. Deze boot is noodzakelijk voor het dagelijks leven van het gezin en wordt daarom niet als vermogen gezien.
Voorbeeld 5
Een eenvoudige tweedehands motorboot van geringe waarde (bijvoorbeeld € 1.500) die wordt gebruikt voor recreatie in een regio waar waterrecreatie normaal is, zoals Friesland. Deze boot is algemeen gebruikelijk en niet luxe, dus wordt niet als vermogen aangemerkt.
Let op:
Luxe jachten of boten van hoge waarde vallen hier niet onder en worden wél als vermogen aangemerkt (waarde in economisch verkeer). De beoordeling gebeurt altijd op basis van aard, waarde en omstandigheden van persoon en gezin.
Indien de waarde van boten, campers, caravans en motoren ertoe leidt dat de vermogensgrens wordt overschreden, kan de gemeente een verplichting tot verkoop opleggen, tenzij sprake is van zwaarwegende omstandigheden die zich daartegen verzetten.
Voorbeelden van zwaarwegende omstandigheden:
Medische noodzaak
Het recreatiemiddel is aangepast voor een lichamelijke beperking (bijv. een camper met speciale voorzieningen voor rolstoelgebruik).
Sociale of zorggerelateerde noodzaak
Het middel wordt gebruikt om mantelzorg te verlenen, bijvoorbeeld een camper die dient als tijdelijk verblijf bij een zorgbehoevend familielid.
Beperkte verkoopbaarheid / disproportionele gevolgen
Het recreatiemiddel heeft een zeer lage marktwaarde, waardoor verkoop nauwelijks bijdraagt aan het vermogen, maar wel grote praktische gevolgen heeft.
Tijdelijke situatie met uitzicht op beëindiging van bijstand
Belanghebbende heeft aantoonbaar uitzicht op werk of inkomen binnen korte termijn, waardoor verkoop niet proportioneel is.
Emotionele of culturele binding in uitzonderlijke gevallen
Bijvoorbeeld een erfstuk met bijzondere betekenis, mits de waarde niet extreem hoog is.
Scooter, bromfiets, e-bike en fiets
De scooter, bromfiets, e-bike en fiets worden beschouwd als algemeen gebruikelijk. De waarde wordt niet tot het vermogen gerekend.
3.4.4. Auto, motor, camper, boot of caravan geleased
Als een motor, auto, boot, caravan of camper is geleased, dan is het voertuig niet direct eigendom van de cliënt. In het kader van de Participatiewet moet je dan zorgvuldig bepalen of en in hoeverre het voertuig als vermogen moet worden aangemerkt. Hier volgt een overzicht van hoe je dit kunt beoordelen:
Type lease: operationeel vs. financieel
•Operationele lease: het voertuig blijft eigendom van de leasemaatschappij. De cliënt huurt het voertuig feitelijk. In dit geval is er geen sprake van vermogen.
•Financiële lease: de cliënt is economisch eigenaar en betaalt het voertuig in termijnen af. Het voertuig wordt uiteindelijk eigendom van de cliënt. In dit geval kan er wel sprake zijn van vermogen.
2Netto vermogenswaarde bepalen
Bij financiële lease geldt:
•Dagwaarde van het voertuig (bijvoorbeeld via ANWB/BOVAG koerslijst);
•Min de openstaande leenschuld (volgens het leasecontract);
•= Netto vermogenswaarde.
Alleen deze netto waarde telt mee als vermogen.
3Bewijsstukken opvragen
Vraag de cliënt om:
•Het leasecontract (met type lease, looptijd, restwaarde);
•Een recente saldo-opgave van de openstaande schuld;
•Eventueel een waardebepaling van het voertuig.
3.4.5. Richtlijnen waardebepaling antiek, kunst, juwelen en sieraden
Bij de vaststelling van het vermogen op grond van artikel 34 Participatiewet moeten alle bezittingen worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Dit geldt ook voor juwelen, antiek en kunstvoorwerpen. Omdat deze objecten vaak een bijzondere waarde hebben en niet eenvoudig op geld waardeerbaar zijn, gelden de volgende richtlijnen:
1Algemeen uitgangspunt
De waarde wordt vastgesteld op basis van de verkoopwaarde bij vrije oplevering (marktwaarde), niet op basis van emotionele waarde of verzekeringswaarde.
De waardebepaling is een momentopname en kan fluctueren door trends, vraag en aanbod.
2Waardebepaling
Juwelen en sieraden:
Waarde wordt bepaald op basis van materiaal (goud, zilver, edelstenen), gewicht, merk en staat van onderhoud. Indien het gaat om standaard sieraden zonder bijzondere kenmerken, kan een indicatieve waarde worden vastgesteld op basis van goud- of zilverprijs. Bij bijzondere of exclusieve sieraden (design, antiek, merkhorloges) is een taxatie door een erkend taxateur noodzakelijk.
Antiek en kunst:
Waarde wordt bepaald door:
-Authenticiteit en herkomst (signatuur, maker, periode).
-Conditie (schade, restauraties).
-Zeldzaamheid en courantheid (vraag op de markt).
Voorwerpen ouder dan 100 jaar of met een bijzondere kunstwaarde moeten worden getaxeerd door een gecertificeerd registertaxateur (TMV of RICS-norm). Bij twijfel over authenticiteit of waarde: altijd een deskundige inschakelen.
3Taxatieprocedure
Bij een geschatte waarde boven € 500 per object of bij twijfel over de waarde:
Vraag een schriftelijk taxatierapport van een erkend taxateur.
Het rapport moet de waarde in het economisch verkeer vermelden en voorzien zijn van foto’s en een beschrijving. Gemeente kan bij twijfel een contra-expertise laten uitvoeren.
4Documentatie
Leg vast:
-Foto’s van het object.
-Beschrijving (materiaal, afmetingen, signatuur).
-Taxatierapport of onderbouwing van de waarde.
Bewaar deze gegevens in het dossier van de belanghebbende.
5Bijzondere aandachtspunten
-Verzekeringswaarde ≠ marktwaarde: gebruik altijd marktwaarde.
-Emotionele waarde speelt geen rol bij vermogensvaststelling.
-Veilingwaarde kan als indicatie dienen, mits onderbouwd.
Hoofdstuk 4 Inwerkingtreding en intrekking
Inwerkingtreding handboek
Het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon treedt gefaseerd in werking:
1Hoofdstuk 1 en 3, paragraaf 2.1, paragraaf 2.3 tot en met 2.5 en paragraaf 2.7 tot en met 2.13 van genoemd handboek treden in werking op 1 januari 2026.
2De paragrafen 2.2.1 t/m 2.2.5b, 2.6 en 2.14 van genoemd handboek treden op 1 januari 2027 in werking. De paragrafen 2.2.1 t/m 2.2.5b hebben betrekking op de automatisering en uniformering van de inkomstenverrekening, paragraaf 2.6 op de bijverdienregeling en paragraaf 2.14 op het bufferbudget.
3In afwijking van punt 2 treedt paragraaf 2.6.7. van genoemd handboek reeds op 1 januari 2026 in werking.
Toelichting op inwerkingtreding handboek
Het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon treedt -zoals vermeld-gefaseerd in werking, in lijn met de gefaseerde invoering van de Participatiewet in Balans. Het gelijktijdig doorvoeren van 23 wetswijzigingen is voor gemeenten complex en tijdrovend. Daarom verloopt de invoering van de Participatiewet in Balans in drie stappen:
Fase 1: Inwerking per 1 januari 2026
Fase 2: Gedoogjaar in 2026, verplicht per 1 januari 2027
Fase 3: Inwerking per 1 januari 2027
De zes volgende wijzigingen binnen de Participatiewet in Balans hebben betrekking op vermogen, inkomen en middelen:
1Vrijlating van giften en kostenbesparende bijdragen tot € 1.200 per jaar
2Ruimte voor mantelzorg: bij intensieve mantelzorg kan de kostendelersnorm buiten toepassing blijven
3Vereenvoudiging en verduidelijking van de vermogenstoets
4Automatische en uniforme verrekening van inkomsten uit arbeid
5Introductie van het bufferbudget voor onvoorziene uitgaven
6Verruiming van de bijverdiengrenzen
Wijzigingen 1, 2 en 3 treden in werking op 1 januari 2026; wijzigingen 4, 5 en 6 op 1 januari 2027.
Bovengenoemd handboek sluit hierop aan:
-Per 1 januari 2026 treden in werking de hoofdstukken 1 en 3, paragraaf 2.1, 2.3 t/m 2.5 en 2.7 t/m 2.13.
-Per 1 januari 2027 treden in werking de paragrafen 2.2.1 t/m 2.2.5b, 2.6 en 2.14. De paragrafen 2.2.1 t/m 2.2.5b hebben betrekking op de automatisering en uniformering van de inkomstenverrekening, paragraaf 2.6 op de bijverdienregeling en paragraaf 2.14 op het bufferbudget.
-In afwijking van punt 2 treedt paragraaf 2.6.7. van genoemd handboek reeds op 1 januari 2026 in werking.
Aan het voorstel om het beleid voor de bijverdienregeling voor jongeren tot 27 jaar al per 1 januari 2026 in te voeren, liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
1In de huidige Participatiewet mogen jongeren tot 27 jaar niets bijverdienen zonder dat hun uitkering wordt verlaagd. Dit belemmert hen om werkervaring op te doen en een stap naar zelfstandigheid te zetten.
2De bijverdienregeling laat 15% van het inkomen uit arbeid vrij voor maximaal 12 maanden (met verlenging mogelijk). Dit geeft jongeren een financiële prikkel om werk te accepteren, ook kleine banen. Een iets hoger en stabieler inkomen vermindert stress en helpt jongeren om schulden te voorkomen.
3Jongeren die kunnen bijverdienen, bouwen werkervaring op en vergroten hun kans op een vaste baan. Dit verkleint de kans op langdurige bijstand en armoede.
4Het past bij de doelen van de Participatiewet in Balans: vertrouwen, eenvoud en maatwerk. Gemeenten krijgen ruimte om jongeren in een kwetsbare positie beter te ondersteunen.
5De staatssecretaris heeft gemeenten expliciet toestemming gegeven om vooruit te lopen op deze maatregel. Dit voorkomt dat jongeren nog een jaar moeten wachten en helpt direct bij hun financiële en sociale stabiliteit.
Intrekking
Het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon wordt vastgesteld, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregel commerciële huur en lage woonlasten Pwet HK 2016, Beleidsregel Vermogen P-wet HK 2015, Beleidsregel bijstand aan minderjarigen HK 2015 en Beleidsregel Premie en vrijlating HK 2015.
De Beleidsregel commerciële huur en lage woonlasten Pwet HK 2016, Beleidsregel bijstand aan minderjarigen Pwet HK 2015 en Beleidsregel Vermogen P-wet HK 2025 worden ingetrokken op 1 januari 2026.
De Beleidsregel Premie en vrijlating HK 2015 wordt ingetrokken op 1 januari 2027.