Aanhef
DE RAAD VAN DE GEMEENTE DEURNE
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2024, nr.;
gehoord het advies van de commissie Samenleving en Bestuur, d.d. 28 november 2024;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
besluit:
1de “Algemene Plaatselijke Verordening Deurne 2018” vast te stellen overeenkomstig de geconsolideerde tekst na vierde wijziging, die als bijlage I is bijgevoegd. Dit beslispunt dient te worden gezien als een wijzigingsbesluit op de verordening tot derde wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Deurne 2018;
2de wijzigingsverordening als genoemd onder 1, na bekendmaking, per 1 januari 2025 in werking te laten treden.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 10 december 2024.
De griffier,
(R.J.C.M. Rutten)
De voorzitter,
(G.T. Buter)
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1:1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
a.openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
b.weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan;
c.bebouwde kom: het gebied gelegen binnen de grenzen van de gemeente Deurne dat is vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
d.rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
e.bouwwerk: hetgeen in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet daaronder wordt verstaan;
f.gebouw: hetgeen in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet daaronder wordt verstaan;
g.handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
h.bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester, ieder voor zover bevoegd;
i.college: het college van burgemeester en wethouders;
j.parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);
k.bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn
Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. De termijn kan voor ten hoogste acht weken worden verlengd.
Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen
1Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e.indien de houder dit verzoekt.
Artikel 1:6 Geldigheid vergunning of ontheffing
1De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2De aard van de vergunning verzet zich in ieder geval tegen de gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:7 Weigeringsgronden
1De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a.de openbare orde;
b.de openbare veiligheid;
c.de volksgezondheid;
d.de bescherming van het milieu.
2Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor niet tijdig of minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
1Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2Degene, die op een openbare plaats
a.aanwezig is bij een voorval waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing,
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3Het is verboden zich te begeven of zich te bevinden op openbare plaatsen, die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
6Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2De kennisgeving bevat:
a.naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.het doel van de betoging;
c.de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e.voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving, valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
5De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:17 Rookverbod in bossen en natuurgebieden
1Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden of binnen een afstand van 30 meter daarvan:
a.te roken gedurende de door het college aangewezen periode;
b.voor zover het de openlucht betreft brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2De verboden in het eerste lid gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:18 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Afdeling 3 Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
1°bioscoopvoorstellingen;
2°markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet;
3°kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
4°het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
5°betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
6°activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening;
7°sportwedstrijden in competitieverband georganiseerd door een sportorganisatie van een bij de NOC*NSF aangesloten bond of koepelorganisatie, die worden gehouden of gespeeld in of op accommodaties waarover de sportorganisatie vast de beschikking heeft, niet zijnde vechtsportevenementen of -gala’s zoals bedoeld in lid b. sub 6°.
b.onder evenement wordt mede verstaan:
1°een herdenkingsplechtigheid;
2°een braderie of snuffelmarkt;
3°een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening;
4°een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
5°een straatfeest of buurtbarbecue;
6°alle categorieën full contact vechtsportevenementen of vechtsportgala’s, waaronder in ieder geval:
-Free-, cage-, en ultimate fight of daarmee vergelijkbare vechtsporten;
-Mixed Martial Arts, ook wel genoemd gemengde vechtkunst, waaronder in ieder geval worden begrepen free fight (het vrije vechten), vale tudo (Braziliaans Mixed Martial Arts) en cage fight (kooigevecht);
-Boksen, kickboksen en Muay Thai (Thaiboksen) in al hun varianten.
c.organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een evenement organiseert, dan wel als eerst verantwoordelijke aan de organisatie leiding geeft.
d.vergunningsvrij evenement: een evenement dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2:25 lid 4 van deze verordening.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning en vergunningsvrije evenementen
1Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2Bij de indiening van een vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Besluit), aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit.
3Een aanvraag om vergunning vindt plaats aan de hand van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
4Voor het organiseren van een evenement is geen vergunning vereist voor zover:
a.Het een ééndaags evenement is en er minder dan 250 personen gelijktijdig aanwezig zijn of worden verwacht;
b.het evenement niet wordt gehouden op door het college aangewezen openbare plaatsen of parkeerplaatsen aangewezen als blauwe zone of voor betaald parkeren;
c.de organisator ten minste 5 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan schriftelijk melding heeft gedaan aan de burgemeester;
d.het géén vechtsportevenement of -gala betreft zoals bedoeld in art. 2:24 onder b. 6° van deze verordening;
e.het evenement voldoet aan de nadere regels zoals bedoeld in het zevende lid van dit artikel.
5De burgemeester kan een vergunningsvrij evenement verbieden of beëindigen in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of ter bescherming van het milieu.
6Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
7Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het vijfde lid nadere regels stellen voor vergunningsvrije evenementen.
8Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:25a Aanvullende eisen organisator of promotor vechtsportevenement of -gala
1De organisator of promotor van een vechtsportevenement of vechtsportgala zoals bedoeld in art. 2:24 onder b. 6° van deze verordening:
a.staat op het moment van de aanvraag ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
b.is aangesloten bij een landelijke vechtsportbond;
c.is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.
2De vergunning kan alleen worden aangevraagd door de organisator of promotor.
3Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de evenementenvergunning voor zover de organisator of promotor niet voldoet aan de aanvullende eisen als genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:26a Verboden oplaten ballonnen tijdens evenementen
1Het is verboden om bij een evenement ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen.
2Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een heteluchtballon, zijnde een luchtvaartuig.
Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Begripspalingen
1In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.openbare inrichting:
1°een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;
2°elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;
b.terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden verstrekt of bereid;
a.bed and breakfast: een kleinschalig gastenverblijf gevestigd in een woonhuis of bijhuis gericht op het bieden van toeristisch en veelal kortdurend verblijf met ontbijt;
b.paracommerciële rechtspersoon: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
2Onder openbare inrichting wordt mede verstaan:
a.een bij de openbare inrichting behorend terras;
b.een bed and breakfast voor meer dan tien gasten.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting
1Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2De aanvraag om vergunning vindt plaats aan de hand van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
3De burgemeester weigert de vergunning indien:
a.de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of daarop gebaseerd beleid;
b.aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de exploitant overlegt, die uiterlijk 3 maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;
c.aanvrager desgevraagd geen document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met betrekking tot de exploitant overlegt;
d.de exploitant nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.
4In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
a.de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
b.de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
5Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het vierde lid nadere regels stellen ten aanzien van terrassen.
6Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:
a.een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit en er geen terras is;
b.een ziekenhuis of zorginstelling;
c.een museum; of
d.een bedrijfskantine of -restaurant.
7Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29 Sluitingstijden
1Het is verboden in een openbare inrichting, waarvoor op grond van de Alcoholwet een vergunning is vereist, bezoekers aanwezig te hebben: op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.
2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het verboden in een openbare inrichting waarvoor op grond van de Alcoholwet een vergunning is vereist en die wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon, bezoekers aanwezig te hebben buiten de uren als genoemd in artikel 2:34b.
3Het is verboden in een openbare inrichting waarvoor op grond van de Alcoholwet geen vergunning is vereist, bezoekers aanwezig te hebben: op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur.
4De burgemeester kan van het verbod als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen: op maandag tot en met vrijdag tot 02.00 uur, en op zaterdag en zondag tot 04.00 uur.
5Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel.
6De burgemeester kan door middel van een vergunningsvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.
7De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het derde lid.
8Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
9Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingsuren vaststellen of besluiten tot tijdelijke sluiting.
2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
a.de orde te verstoren;
b.zich als bezoeker te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting gesloten is of dient te zijn.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
1In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34 Verbod op gebruik van glas en blik
1Het is de vergunninghouder als bedoeld in artikel 2:28 verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door hem aangewezen periode in de openbare inrichting en op het terras alcoholhoudende en niet alcoholhoudende drank te verstrekken in glas of blik.
2Het verbod geldt niet:
a.in het inpandige gedeelte van een restaurant;
b.in het afgescheiden restaurantgedeelte van een hotel of van een pension;
c.voor een niet aan een openbare plaats gelegen terras van een restaurant.
3De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel 2:34a Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder alcoholhoudende drank, paracommerciële rechtspersoon, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
1Een paracommerciële rechtspersoon dat zich richt op activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, uitsluitend verstrekken op:
a.Voetbal- hockey- en korfbalverenigingen:
1°maandag tot en met donderdag van 07.00 tot 23.00 uur;
2°vrijdag van 07.00 tot 01.00 uur van de daaropvolgende dag;
3°zaterdag en zondag van 07.00 tot 20.00 uur.
b.Atletiek- en handboogverenigingen:
maandag tot en met zondag van 07.00 tot 00.00 uur.
c.Tennisverenigingen:
1°maandag tot en met zondag van 07.00 tot 00.00 uur;
2°zaterdag en zondag van 07.00 tot 01.00 van de daaropvolgende dag
gedurende de tenniscompetitie zoals vastgesteld door de KNLTB.
2Onder activiteiten van sportieve aard als bedoeld in het eerste lid wordt in iedere geval verstaan wedstrijden, oefenwedstrijden, collectieve trainingen en clubavonden.
3In jeugdcentra, educatieve en maatschappelijke instellingen, kan alcoholhoudende drank uitsluitend worden verstrekt op:
a.maandag tot en met vrijdag van 07.00 tot 01.00 uur van de daaropvolgende dag;
b.zaterdag en zondag tussen 07.00 en 02.00 uur van de daaropvolgende dag,
voor zover de activiteiten gericht zijn op sociale interactie of educatie en plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van de paracommerciële rechtspersoon.
4Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, bijeenkomsten die niet rechtstreeks gericht zijn op de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon en bijeenkomsten die geen verband houden met de hoofddoelstelling van de paracommerciële rechtspersoon.
Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten
1Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.
2De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Begripsbepalingen
1In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
2De burgemeester weigert de vergunning, onverminderd het bepaalde in artikel 1:7:
a.indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
3Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
1In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
2In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar en schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.met kalk, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen of laten aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5Het is verboden aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering direct ter inzage af te geven.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
1Het is verboden op de weg of openbaar water een aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
1Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1Het is verboden op een openbare plaats:
a.te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.zich zodanig op te houden dat andere gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen hiervan overlast of hinder ondervinden.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47 Vechten in het openbaar
1Het is verboden in het openbaar te vechten of iemand lastig te vallen.
2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426bis van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
1Het is voor personen van 18 jaar en ouder verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
1Het is verboden:
a.zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b.zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder ruimten worden in ieder geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek, indien:
a.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
b.daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats
1Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:
a.tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden;
b.in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover:
1°. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving;
2°. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of
3°. het woon- of leefklimaat wordt aangetast.
2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3Het verbod geldt niet:
a.voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van het omgevingsplan is toegestaan;
b.voor woonwagens met een woonbestemming;
c.op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;
d.op kampeerplaatsen die zijn aangewezen op grond van artikel 4:19 van H6 afd. 3 Verordening fysieke leefomgeving Deurne 2021.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3De eigenaar of houder van de hond aan wie een muilkorfgebod is opgelegd, is verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a.vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft medegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a.op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b.het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
c.het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee), die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Gevaar door houtopstand
Het is verboden om een houtopstand in een zodanige staat te hebben dat daardoor direct gevaar voor goederen of personen ontstaat.
Afdeling 9 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1De handelaar is verplicht van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, aantekening te houden in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register. In dat register vermeldt hij onmiddellijk:
a.het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d.de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed.
2De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a.de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1°dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2°van een verandering van de onder a, onder 1° bedoelde adressen;
3°als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4°dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
b.de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
c.aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
d.een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Afdeling 10 Carbidschieten
Artikel 2:71 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.carbid: calciumcarbide (CaC2);
b.carbidschieten: het in een bus, container, opslagvat of ander object op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid en een vloeistof (water) of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen en waarbij als gevolg van die verbranding een voorwerp kan worden afgeschoten.
Artikel 2:73a Schieten met carbid of soortgelijke stoffen
1Het is verboden binnen de bebouwde kom carbid te schieten.
2Het is verboden in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast op een door het college aangewezen plaats of deel van de gemeente gelegen buiten de bebouwde kom carbid te schieten.
3Het is verboden in een verbodsgebied carbid of een andere grondstof of vloeistof waarmee een explosie kan worden veroorzaakt op een openbare plaats voorhanden te hebben, te vervoeren of onbeheerd achter te laten.
4Het verbod om carbid of een andere stof als bedoeld in het derde lid voorhanden te hebben en te vervoeren is niet van toepassing op degene die aannemelijk maakt dat hij die stof of stoffen nodig heeft in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
5Het college kan gelet op de belangen als vermeld in het tweede lid voor de niet verboden plaatsen en delen van de gemeente nadere regels stellen.
6De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11 Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats aanwezig te zijn met het kennelijke doel om middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is in het belang van de openbare orde verboden op een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:26, 2:45, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73, 2:73a APV Deurne 2018 of 6.2.2. Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken in de Verordening fysieke leefomgeving Deurne 2021 groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht
1De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2De burgemeester heeft de bevoegdheid, als bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of de openbare veiligheid aan een persoon die zich gedraagt in strijd met een of meer bepalingen als vermeld in de bijlage bij deze verordening, bij besluit een tijdelijk verbod opleggen om in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats en de daar gelegen voor het publiek openstaande gebouwen aanwezig te zijn.
2Het verbod geldt gedurende de in het besluit genoemde periode met een maximale duur van twee weken.
3De burgemeester kan aan een persoon aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en die opnieuw binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod een of meer bepalingen uit de bijlage overtreedt, een verbod opleggen voor de maximale duur van twaalf weken.
4Aan een gebiedsontzegging kunnen voorschriften worden verbonden.
5De burgemeester kan bij het nemen van zijn besluit rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene voor zover hij dat noodzakelijk acht.
6Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of derde lid opgelegd verbod.
7Indien de officier van justitie een persoon als bedoeld in het eerste lid of derde lid een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid onder a, van het Wetboek van strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied geen tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of derde lid.
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid van deze verordening, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
3De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
4Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
5Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
6De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
1In dit artikel wordt verstaan onder:
a.bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:4 van deze verordening;
b.beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;
c.exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
2De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.
3Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.
4De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:
a.voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;
b.de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;
c.het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
d.het nummer van inschrijving in het Handelsregister;
e.voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;
f.voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
g.een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
h.een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.
5Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
a.als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
b.als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c.als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
d.als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;
e.als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
f.als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
6De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.
7Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
8De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.
9Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 van deze verordening kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:
a.de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
b.de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
c.er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
d.er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
e.de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of
f.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
10Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80 van deze verordening, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
11De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.
12Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
13Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.
14De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
15In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.
16Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 13 Huisvesting arbeidsmigranten
Artikel 2:82 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
1Arbeidsmigranten: personen die hun vaste woon- of verblijfplaats niet in Nederland hebben, maar die tijdelijk (maximaal één jaar) in Nederland verblijven om hier betaalde werkzaamheden te verrichten.
2Beheer: alle activiteiten van de exploitant/beheerder die gericht zijn op, dan wel verband houden met, de bescherming van de belangen als bedoeld in artikel 1:7 en artikel 2:86 van deze verordening.
3Beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de onmiddellijke feitelijke dagelijkse leiding in de huisvestingsvoorziening;
4Exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige exploitatie activiteiten feitelijk worden uitgeoefend.
5Exploitatievergunning:
a.Een exploitatievergunning voor de huisvesting arbeidsmigranten volgens artikel 2:83 van deze verordening;
b.Een exploitatievergunning verleend volgens de Verordening huisvesting arbeidsmigranten Deurne 2021;
c.Een exploitatievergunning voor huisvesting arbeidsmigranten verleend vóór 2021 volgens de toenmalige Algemene plaatselijke verordening van Deurne.
6Huisvestingsvoorziening: een voor (tijdelijke) bewoning van arbeidsmigranten geschikt gemaakte woning of gebouw of tijdelijke bouwwerken, waar 5 of meer arbeidsmigranten verblijven of kunnen verblijven.
7Nachtregister: de exploitant heeft de verplichting gegevens uit het nachtregister te verschaffen, zoals bedoeld in artikel 2:38 van deze verordening.
8Omgevingsvergunning: een verleende omgevingsvergunning (hoeft nog niet onherroepelijk te zijn).
9SNF: Stichting Normering Flexwonen.
Artikel 2:83 Exploitatievergunning
1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een huisvestingsvoorziening te exploiteren voor de huisvesting van meer dan vier arbeidsmigranten.
2Een vergunning wordt per huisvestingsvoorziening aangevraagd door de exploitant.
3In de aanvraag voor de vergunning wordt in ieder geval toegevoegd of vermeld:
a.de persoonsgegevens en contactgegevens van de exploitant en beheerder;
b.het adres van de huisvestingsvoorziening;
c.het aantal arbeidsmigranten dat in de huisvestingvoorziening verblijf wordt verschaft;
d.of de arbeidsmigranten naar verwachting meer of minder dan 4 maanden in de huisvestingsvoorziening verblijven;
e.een verklaring omtrent gedrag of daarmee gelijk te stellen verklaring uit het buitenland, als de beheerder en/of de exploitant afkomstig is uit het buitenland en pas sinds drie jaar of korter in Nederland verblijft of nog in het buitenland woonachtig is;
f.een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de huisvestingsvoorziening te beschikken.
4Een vergunning wordt verleend voor één bepaalde huisvestingsvoorziening-locatie. Per huisvestingsvoorziening (adres) is maximum één vergunning mogelijk.
5Het college kan ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 1:7 van deze verordening nadere regels stellen.
6Bij de uitleg van afdeling 13 van deze verordening wordt gelet op het Beleidskader Huisvesting Tijdelijke Arbeidsmigranten Deurne 2026.
7Op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:84 exploitant en de beheerder
1De exploitant en de beheerder:
a.staan niet onder curatele;
b.zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zulks ter beoordeling van de burgemeester;
c.hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
2Het college kan ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 1:7 van deze verordening nadere regels stellen.
Artikel 2:85 Weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de exploitatievergunning als:
a.de aanvrager feitelijk geen exploitant is of wordt van de huisvestingsvoorziening.
b.de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2:83 gestelde eisen;
c.de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:84 gestelde eisen;
d.niet voldaan wordt aan de voorwaarden dan wel uitgangspunten uit het Beleidskader Tijdelijke Arbeidsmigranten 2026.
Artikel 2:86 Intrekking exploitatievergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de exploitatievergunning intrekken als:
a.Er aanhoudende openbare ordeproblemen in of direct rond de huisvestingsvoorziening optreden.
b.Als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de huisvestingsvoorziening op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
c.Bij gebleken overtreding van de landelijke regels zoals bedoeld in artikel 2 (intimidatie en discriminatie) van de Wet goed verhuurderschap.
d.Bij weigering om gegevens uit het nachtregister te verstrekken.
e.Als de vergunning twee jaar niet voor huisvesting arbeidsmigranten wordt gebruikt.
f.Als vastgesteld wordt dat de vergunninghouder geen exploitant meer is van de huisvestingsvoorziening.
g.Als vastgesteld wordt dat werkloze arbeidsmigranten, binnen één week uit de huisvestingsvoorziening worden verwijderd, zonder dat alternatieve huisvesting geregeld wordt;
h.de exploitant of de beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:84 gestelde eisen.
Artikel 2:87 Afbakeningsbepalingen
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Huisvestingswet, de Omgevingswet en het omgevingsplan.
Artikel 2:88 Overgangsrecht
In aanvulling op overgangsbepalingen van artikel 6:5 geldt: Besluiten exploitatievergunning huisvesting arbeidsmigranten, genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Deurne 2018 of Verordening Huisvesting arbeidsmigranten Deurne 2021, die golden op of vóór het moment van de inwerkingtreding van Afdeling 13 ‘Huisvesting arbeidsmigranten’ van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, ESCORTBEDRIJVEN E.D.
Afdeling 1 Begripsbepalingen
Artikel 3:1 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a.prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
b.prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
c.seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een (raam)prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
d.escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
e.exploitant: de natuurlijke persoon of bestuurder van een rechtspersoon die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert;
f.beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;
g.bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
1de exploitant;
2de beheerder;
3de prostituee;
4het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
5toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening;
6andere personen van wie aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3:3 Nadere regels
Met het oog op de in artikel 3:7 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.
Afdeling 2 Seksinrichtingen en escortbedrijven
Artikel 3:4 Vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven
1Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
2Het bevoegd bestuursorgaan verleent voor maximaal één seksinrichting vergunning, niet zijnde een raamprostitutiebedrijf.
3Het college verleent voor maximaal één escortbedrijf vergunning.
4Het bevoegd bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.
5De vergunning als bedoeld in het tweede lid wordt voor de duur van maximaal tien jaar verleend. De vergunning als bedoeld in het derde lid wordt voor de duur van maximaal vijf jaar verleend.
6De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.
7In de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a.de persoonsgegevens van de exploitant;
b.de persoonsgegevens van de beheerder; en
c.de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
8Op een aanvraag om vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
9Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3:5 Aanvraag
1Een aanvraag om vergunning wordt ingediend aan de hand van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier.
2In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a.de persoonsgegevens van de exploitant;
b.de persoonsgegevens van de beheerder;
c.de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
d.het aantal werkzame prostituee(é)s;
e.de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening waarop ten minste twee straten staan aangewezen met een schaal van ten minste 1:1000:
f.de plattegrond van de inrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100;
g.bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
h.bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting;
i.verklaring omtrent gedrag van de exploitant en beheerder.
3Het bevoegd bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel 3:6 Gedragseisen exploitant en beheerder
1De exploitant en de beheerder:
a.staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
b.is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
c.heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt.
2Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:
a.met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
b.binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland (inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius), Aruba, Curaçao en Sint Maarten dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
c.binnen de laatste vijf jaar bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
1°bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen of hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Deurne 2018;
2°de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240, 242 tot en met 254d, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
3°de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jº artikel 8 of jº artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
4°de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;
5°de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
6°de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie;
7°artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld:
a.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt;
b.een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
4De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
a.bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
b.bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
5De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegd bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.
Artikel 3:7 Weigeringsgronden
1De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:
a.de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:6 gestelde eisen;
b.de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan;
c.er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
d.met de vestiging of exploitatie het maximum aantal toegestane vergunningen als genoemd in artikel 3:4 wordt overschreden;
2In aanvulling op artikel 1:7 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:
a.het voorkomen of beperken van overlast;
b.het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
c.de veiligheid van personen of goederen;
d.de verkeersvrijheid of -veiligheid;
e.de gezondheid of zedelijkheid;
f.de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
Artikel 3:8 Sluitingstijden
1Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
a.op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00 uur;
b.op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00 uur.
2Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:3 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.
3Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:9, eerste lid, gesloten dient te zijn.
Artikel 3:9 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
1Met het oog op de in artikel 1:7 en 3:7, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
a.tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:8, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;
b.een seksinrichting al dan niet tijdelijk gedeeltelijk of volledig sluiten.
2Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:10 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
1Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.
2De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:
a.geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (seksuele misdrijven), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en
b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
Afdeling 3 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer en verlenging vergunning
Artikel 3:11 Beëindiging exploitatie
1De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
2Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 3:12 Wijziging beheer
1Indien een beheerder het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
2Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
3In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Artikel 3:12a Verlenging vergunning
1Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:4 tot en met 3:7 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegd bestuursorgaan al de beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.
2Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.
Afdeling 4 Overige bepalingen
Artikel 3:13 Straatprostitutie en ontuchtige handelingen
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, aanwezig te zijn met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.
Artikel 3:14 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
1Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:
a.indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;
b.anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
2Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.
HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUUR- SCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
1Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of het omgevingsplan, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
4Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1 Parkeerexcessen en stopverbod
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
2Dit verbod is niet van toepassing op:
a.de weg;
b.voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c.voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Afdeling 3 Venten
Artikel 5:14 Begripsbepaling
1In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de openlucht gelegen plaats of aan huis.
2Onder venten wordt niet verstaan:
a.het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in het omgevingsplan.
Artikel 5:15 Ventverbod
1Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
2Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 en 09.00 uur of op de door het college aangewezen openbare plaatsen.
3Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op:
a.situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van het Wegenverkeerswet 1994;
b.het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.
4Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.
5Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
HOOFDSTUK 6 SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 6:1 Sanctiebepaling
1Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.
2In geval van overtreding van de bij of krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 6:2 Toezichthouders
1Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast:
a.opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering;
b.ambtenaren van de gemeente Deurne, de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, de afdeling Preventie van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost en het Peelland Interventie Team voor zover het taakvelden betreft die aan hen zijn toevertrouwd;
c.de door het college aangewezen buitengewoon opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld; en
d.de overige bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
1Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die waarop zij is bekendgemaakt.
2De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Deurne 2010 wordt ingetrokken gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 6:5 Overgangsbepalingen
1Besluiten, genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Deurne 2010, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
2Op aanvragen om een besluit ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, wordt beslist met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.
3Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift gericht tegen een besluit dat genomen is voor de inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist met toepassing van deze verordening.
4De inwerkingtreding van deze verordening heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de nadere regels, beleidsregels en uitvoeringsbesluiten (aanwijzingsbesluiten) genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Deurne 2010, voor zover de rechtsgrond waarop deze besluiten van algemene strekking zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.
Artikel 6:6 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening Deurne 2018.
Bijlage 1 (Behorende bij Algemene Plaatselijke Verordening Deurne 2018)
Een gebiedsontzegging ingevolge artikel 2:78 APV Deurne 2018 kan uitsluitend worden gegeven bij de volgende geconstateerde feiten en voor de daarbij vermelde duur:
Duur eerste ontzegging maximaal één week:
-Lokaalvredebreuk (artikel 138 Wetboek van Strafrecht)
-Niet voldoen aan bevel of vordering (artikel 184 Wetboek van Strafrecht)
-Belediging van ambtenaar in functie (artikel 267 Wetboek van Strafrecht)
-Deelnemen aan vechtpartijen (artikel 306 Wetboek van Strafrecht)
-Baldadigheid (artikel 424 Wetboek van Strafrecht)
-Dronken de orde verstoren (artikel 426 Wetboek van Strafrecht)
-Openbare dronkenschap (artikel 453 Wetboek van Strafrecht)
-Samenscholingen en ongeregeldheden (artikel 2:1 APV Deurne 2018)
-Ordeverstoring bij evenementen (artikel 2:26 APV Deurne 2018)
-Verboden gedragingen in openbare inrichtingen (artikel 2:31 APV Deurne 2018)
-Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen (artikel 2:45 APV Deurne 2018)
-Vechten in het openbaar (artikel 2:47 APV Deurne 2018)
Duur eerste ontzegging maximaal twee weken:
-Openlijke geweldpleging (artikel 141 Wetboek van Strafrecht)
-Wederspannigheid (artikel 180 Wetboek van Strafrecht)
-Mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht)
-Zware mishandeling (artikel 302 Wetboek van Strafrecht)
-Vernieling en vandalisme (artikel 350 Wetboek van Strafrecht)
-Verboden wapenbezit (Wet wapens en munitie)
-Overtreding van artikel 2 of 3 van de Opiumwet
-Drugshandel op straat (artikel 2:74 APV Deurne 2018)
-Openlijk drugsgebruik (artikel 2:74a APV Deurne 2018)
-Straatprostitutie c.a. (artikel 3:13 APV Deurne 2018)
Duur tweede ontzegging e.v. maximaal twaalf weken:
-Overtreding van gebiedsontzegging (artikel 2:78 APV Deurne 2018)