Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Huidige tekst

Artikel 42 Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Geldt sinds 1 maart 1982

Indien de rechterlijke autoriteiten van een land van oordeel zijn dat een zaak slechts berecht kan worden door de rechter van een ander land of dat berechting door de rechter van het andere land meer aangewezen is bijvoorbeeld door de aard van de zaak of de persoonlijkheid van de dader, kunnen zij door tussenkomst van de betrokken Ministers van Justitie een daartoe strekkend verzoek richten tot de rechterlijke autoriteiten van dat andere land, onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het aangezochte land zal het aanvragende land laten weten welk gevolg aan een dergelijk verzoek is gegeven. Door rechterlijke autoriteiten of politieambtenaren van het aanvragende land gestelde handelingen, hebben met betrekking tot de schorsing van de verjaring in het aangezochte land, dezelfde werking als waren zij door rechterlijke autoriteiten of opsporingsambtenaren van het aangezochte land verricht.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.