Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Huidige tekst

Artikel 31 Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Geldt sinds 1 maart 1982

Indien een rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning van een getuige of deskundige, die zich op het grondgebied van een ander land bevindt, noodzakelijk oordeelt, kan zij deze door tussenkomst van het openbaar ministerie van het land waar de betrokkene verblijf houdt, doen dagvaarden. Een aldus gedagvaarde getuige is verplicht aan deze oproeping gevolg te geven. Artikel 34 stelt een sanctie op het niet-voldoen aan deze verplichting. Die verplichting bestaat slechts, indien de rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning noodzakelijk heeft geoordeeld en in verband daarmede een dagvaarding via het intermediair van het openbaar ministerie van het land waar de getuige verblijft, heeft doen uitbrengen. Dagvaardingen, die bijv. op verzoek van de verdachte zijn uitgebracht en waarbij de rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning niet noodzakelijk heeft geoordeeld, brengen geen verplichting tot verschijning mede en kunnen derhalve ook geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 34, indien de getuige aan de oproeping geen gevolg geeft.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.