Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

Uitv.reg.IW

Huidige tekst

Artikel 16 Uitv.reg.IW

Geldt sinds 1 januari 2025

  1. 1

    De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen voor een belastingschuldige die wordt aangemerkt als: a.een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet: 90 percent van de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van die wet; b.een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet: 90 percent van de bijstandsnorm, bedoeld in artikel 21, onderdeel a, van die wet.

  2. 2

    De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van het eerste lid, voor een belastingschuldige die wordt aangemerkt als: a.een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, die, afgezien van zijn echtgenoot, niet met een of meer andere personen op wie de kostendelersnorm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is, in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en: 1°. die tezamen met zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel b, van de Participatiewet; 2°. die alleen of waarvan de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel c, van de Participatiewet; b.een echtgenoot als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, die zijn woning deelt met zijn echtgenoot en met een of meer andere personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is: 90 percent van de som van de norm, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van die wet, die voor ieder van de echtgenoten afzonderlijk geldt; c.een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet, die niet met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is, in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22, onderdeel a, van de Participatiewet; d.een alleenstaande of een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Participatiewet, die zijn woning deelt met een of meer personen op wie de norm, bedoeld in artikel 22a van die wet, van toepassing is: 90 percent van de norm, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van die wet.

  3. 3

    De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van de vorige leden, voor de belastingschuldige die ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen: de prijs die is verschuldigd voor verzorging dan wel verpleging, verhoogd met twee derden van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm, genoemd in artikel 23 van de Participatiewet.

  4. 4

    De kosten van bestaan, bedoeld in artikel 13, eerste lid, worden voor de belastingschuldige die buiten Nederland woont aangepast met het percentage dat in artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage bij die regeling is opgenomen voor het woonland van de belastingschuldige.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2012:BR6294Parket bij de Hoge Raad, 22 juni 2012 (belastingrecht)

    Vennootschapsbelasting. Artikel 4, letter a, Wet Vpb (tekst 2005) en artikel 6 Wet Vpb. Is belanghebbende, een stichting die eenmaal per jaar een tweedaags muziekfestival organiseert, onderworpen aan…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:20763Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026 (bestuursrecht)

    Beroep. Eiser heeft verweerder verzocht om een persoonlijke betalingsregeling om zijn toeslagenschuld terug te betalen. Verweerder mocht de aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling afwijzen.…

  • ECLI:NL:RBOVE:2026:2686Rechtbank Overijssel, 21 mei 2026 (belastingrecht)

    Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Uitvoeringsregeling Awir; Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; persoonlijke betalingsregeling; beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:RBNNE:2025:5659Rechtbank Noord-Nederland, 24 december 2025 (bestuursrecht)

    Persoonlijke betalingsregeling voor meerdere terugvorderingen van toeslagen. Verweerder heeft het maandelijkse aflossingsbedrag op juiste wijze vastgesteld. Beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:RBZWB:2025:2773Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 mei 2025 (socialezekerheidsrecht)

    Standaard betalingsregeling van 24 maanden is terecht vastgesteld.

  • ECLI:NL:RBDHA:2024:21764Rechtbank Den Haag, 11 december 2024 (bestuursrecht)

    Betalingsregeling voor de terugvorderingsbeschikkingen kinderopvangtoeslag. Een betalingsregeling kan niet voor langer dan 24 maanden worden afgesloten. Betalingscapaciteit op juiste wijze…

  • ECLI:NL:RBDHA:2023:9607Rechtbank Den Haag, 20 juni 2023 (bestuursrecht)

    Verzoek persoonlijke betalingsregeling. Verweerder heeft de betalingscapaciteit juist berekend.

  • ECLI:NL:RBZWB:2023:3499Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 mei 2023 (bestuursrecht)

    HUUR

17 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.