Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:20763Zaaknummer SGR 25/1561

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
14 augustus 2026
Zaaknummer
SGR 25/1561
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep. Eiser heeft verweerder verzocht om een persoonlijke betalingsregeling om zijn toeslagenschuld terug te betalen. Verweerder mocht de aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling afwijzen. Eiser heeft niet met bewijsstukken aangetoond dat hij niet langer beschikt over zijn vermogen. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van T.P. Pot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 28. Betalingstermijn bij terugvordering

1. De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan Dienst Toeslagen.

(…).

Artikel 31.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 7. Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen

1. Dienst Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 20 mits hij voldoet aan door Dienst Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

(…)

4. Een betaling van de terugvordering of bestuurlijke boete in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering of bestuurlijke boete geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering of bestuurlijke boete betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 20 niet toelaat, kan Dienst Toeslagen, in afwijking van het eerste, tweede en derde lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 20 verlangen.

5. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn een of meer terugvorderingen of bestuurlijke boetes overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan Dienst Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat Dienst Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.

Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

Artikel 12

1. Onder vermogen als bedoeld in artikel 11 wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.

2. Onder bezittingen wordt niet begrepen:

a. de inboedel voor zover deze niet bovenmatig is;

b. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaaluitkering bij overlijden van de belastingschuldige of zijn echtgenoot, mits deze kapitaaluitkering is bestemd voor de verzorging van de uitvaart van de belastingschuldige of zijn echtgenoot, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart van de belastingschuldige of zijn echtgenoot;

c. een auto die op het moment van het verzoek een waarde heeft van € 3.350 of minder; een auto met een waarde van meer dan € 3.350 wordt niet als vermogen beschouwd indien jegens de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van een beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit;

d. het totale bedrag aan financiële middelen, andere dan de onder f bedoelde, voor zover dat bedrag de ingevolge artikel 16 in aanmerking te nemen kosten van bestaan vermeerderd met een bedrag ter grootte van het per maand gemiddelde bedrag van de uitgaven bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b, c en g, niet te boven gaat, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met de in die onderdelen bedoelde vermindering met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget;

e. het bedrag op een bankrekening dat in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten is verkregen in de vorm van leningen;

f. een bedrag van € 3.350 aan financiële middelen per persoon voor personen die op 31 december 1999 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;

g. de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening;

h. een oudedagsvoorziening in de vorm van een levens- of spaarverzekering of lijfrente voor zover deze niet bovenmatig is.

3. Onder waarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt verstaan de prijs die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto.

4. Indien de uitgaven, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b en c, verschuldigd zijn over een termijn van langer dan een maand wordt in plaats van het per maand gemiddelde bedrag in aanmerking genomen het deel van het termijnbedrag voor zover dat, gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling, op het moment van het verzoek om kwijtschelding redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.

5. Een bezitting van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, wordt buiten beschouwing gelaten indien het onredelijk bezwarend is deze terstond liquide te maken, mits een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van de betreffende bezitting, verminderd met de op die bezitting betrekking hebbende schulden van de belastingschuldige en zijn echtgenoot die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen, is of wordt voldaan binnen een door de ontvanger gestelde termijn en volgens de door de ontvanger gestelde voorwaarden.

Leidraad Invordering 2008

Artikel 79.7. Standaardbetalingsregeling toeslagschuld

Uitgangspunt is dat de belanghebbende die te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling.

De standaardbetalingsregeling gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk. Als een terugvordering meer bedraagt dan € 480, wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maandelijkse termijnen mogelijk is. De belanghebbende lost de toeslagschuld af door maandelijks het termijnbedrag over te maken naar de rekening van de Dienst Toeslagen.

De standaardbetalingsregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door de Dienst Toeslagen in de terugvorderingsbeschikking aangeboden. Wanneer een belanghebbende instemt met een door de Dienst Toeslagen aangeboden betalingsregeling moet de eerste termijn zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking, zodat de regeling start. Na het verstrijken van de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking wordt een standaardbetalingsregeling op aanvraag van de belanghebbende verleend.

De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking of de datum van de beschikking waarbij de Dienst Toeslagen de betalingsregeling toestaat. De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardbetalingsregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering. Er wordt dan een afzonderlijke standaardbetalingsregeling aangeboden voor de nieuwe terugvordering. Op verzoek van de belanghebbende kunnen deze afzonderlijke standaardbetalingsregelingen worden gebundeld tot een gezamenlijke standaardbetalingsregeling. Voor het totaalbedrag geldt dan weer de aflossingssystematiek van ten minste € 20 per maand per terugvordering gedurende maximaal 24 maanden gerekend vanaf de datum van het besluit waarbij de gebundelde betalingsregeling wordt toegekend.

De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een betalingsregeling af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.

Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet wordt de betalingsregeling beëindigd.

Artikel 79.8. Betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit

De Dienst Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardbetalingsregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardbetalingsregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan de Dienst Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardbetalingsregeling te voldoen.

De artikelen 11 tot en met 16 van de regeling en de artikelen 25.5.5 tot en met 25.5.9 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

– naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir, met dien verstande dat met het netto besteedbaar inkomen van de partner alleen rekening wordt gehouden als die partner ook de partner van de belanghebbende was gedurende de periode waarop de toeslagschuld van de belanghebbende betrekking heeft;

– bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht.

Als een verzoek van een belanghebbende als bedoeld in artikel 3a van de Awir is toegewezen, dan wordt de eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir niet als partner aangemerkt voor de toepassing van dit artikel. Dit geldt voor zover de belanghebbende ten tijde van het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling nog steeds verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 3a van de Awir.

Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagschuld af te lossen volgens de standaardbetalingsregeling, zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan waarbij de openstaande toeslagschuld in maximaal 24 maanden wordt voldaan.

Als blijkt dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand, maar voldoende om het bedrag van de toeslagschuld in maximaal 24 maanden te voldoen – zij het met een lager bedrag dan € 20 – dan zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan die is gebaseerd op die betalingscapaciteit.

Als de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar deze is niet voldoende om de toeslagschuld af te lossen in 24 maanden, dan zal de Dienst Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op die betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden.

Na twaalf maanden kan de Dienst Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Als na ontvangst van het formulier een inkomensverbetering wordt geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.

Een persoonlijke betalingsregeling wordt afgewezen als de belanghebbende of de in artikel 3 van de Awir bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling beschikt voor de voldoening van de toeslagschuld, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.

De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling eveneens af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.

Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet, wordt de betalingsregeling beëindigd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  2. Dienst Toeslagen, verweerder
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Wat vindt eiser in beroep?
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep
  9. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/1561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: D. van der Heijden en I. Luijten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de betalingsregeling voor de ontstane schuld als gevolg van de terugvordering van de zorgtoeslag over het jaar 2023 en 2024 en de huurtoeslag over het jaar 2024.

1.1.

Verweerder heeft bij besluit van 4 september 2024 (primair besluit) de betalingsregeling vastgesteld op € 80,- per maand.

1.2.

Met het bestreden besluit van 28 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, omdat verweerder eiser een lagere betalingsregeling kon aanbieden door de eerdere afboekingen. Verweerder heeft de betalingsregeling aangepast naar € 56,- per maand.

1.3.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich kort voor de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft verweerder verzocht om een persoonlijke betalingsregeling om zijn toeslagenschuld terug te betalen. Eiser heeft op het aanvraagformulier voor dit verzoek aangegeven dat hij een banksaldo van € 7800,- heeft. Omdat eiser niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat hij niet langer beschikt over dit vermogen, heeft verweerder de aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen. Verweerder heeft een maandelijkse betalingsregeling van € 56,- vastgesteld, waarbij eiser de terugvordering in 24 maanden kon afbetalen.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser stelt dat hij het voorgestelde maandbedrag van de betalingsregeling niet kan betalen. Zijn verblijfvergunning is ingetrokken waardoor hij niet meer kan en mag werken en geen inkomsten meer heeft. Eiser ontkent daarnaast dat hij vermogen heeft. Hij heeft zijn banksaldo gebruikt om zijn vaste lasten te betalen. Ook geeft eiser aan dat verweerder hem nooit om aanvullende informatie heeft gevraagd. Tot slot stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord.

Wat zijn de regels?

4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een betalingsregeling van

€ 56,- per maand heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

6. Op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)[_0e147ba9-f3c0-4663-9e1b-764122d763a7] moet het bedrag van een terugvordering binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering worden terugbetaald. De wet biedt de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.[_43dd7ac9-4375-4b23-abe8-8d056eddf0c4] Hiervan is gebruik gemaakt in de Uitvoeringsregeling Awir.[_75bd78d7-43d4-4c44-9692-e0c08c4dcde7] Een betalingsregeling kan worden vastgesteld waarbij de terugvorderingen in 24 maanden moeten worden terugbetaald.[_a499e171-a795-437e-b5b1-9cc2b88f1b66] Op schriftelijk verzoek van een belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn een of meer terugvorderingen terug te betalen kan een persoonlijke betalingsregeling worden vastgesteld. Hierbij wordt de hoogte van de maandelijks te betalen bedragen vastgesteld op basis van de betalingscapaciteit van een belanghebbende en zijn of haar partner.[_651a73d4-d73d-4701-ac26-7f5034b7eb1b] De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op grond van artikel 13 tot met artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Daarnaast wordt rekening gehouden met de gegevens die nader zijn benoemd in de Leidraad Invordering 2008.

7. Eiser heeft op 16 juli 2024 een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling bij verweerder ingediend. In dit verzoek heeft eiser aangegeven dat hij op het moment van verzoek een bedrag van € 7800,- op zijn bankrekening heeft staan. Op grond van artikel 79.8 van de Leidraad Invordering 2008 wordt een verzoek om een betalingsregeling toeslagenschuld op basis van betalingscapaciteit afgewezen, als de betrokkene over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 beschikt voor de voldoening van de terugvordering. Omdat eiser tijdens de aanvraag over voldoende vermogen beschikte en uit de systemen van verweerder bleek dat eiser op 31 december 2023 een banksaldo had van € 24.024,- is de aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling afgewezen en is er een betalingsregeling vastgesteld, waarbij eiser de terugvordering in 24 maanden kon terugbetalen.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser meerdere malen in de gelegenheid heeft gesteld om aan te tonen dat hij de betalingsregeling niet kan betalen en dat hij niet (meer) beschikt over het banksaldo. Uit de dossierstukken volgt dat verweerder eiser met de brieven van 31 oktober 2024 en 21 november 2024 heeft verzocht om toezending van de bewijsstukken. Daarnaast heeft verweerder de gemachtigde van eiser op 7 januari 2025 gemaild met het verzoek bewijsstukken aan te leveren en daarbij de eerder verzonden brieven bijgevoegd. Uit de dossierstukken volgt niet dat eiser, dan wel de gemachtigde van eiser, op de brieven van verweerder heeft gereageerd.

9. Aangezien eiser niet met documenten of op andere wijze heeft onderbouwd dat hij niet beschikte over vermogen in de zin van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 ten tijde van zijn verzoek, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht het verzoek om een betalingsregeling toeslagenschuld op basis van betalingscapaciteit heeft afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de bij hem bekende gegevens kunnen volstaan met het toekennen van een standaardbetalingsregeling van € 56,- gedurende 24 maanden.

9.1.

Verweerder heeft op zitting overigens toegelicht dat eiser het terugvorderingsbedrag inmiddels geheel heeft afgelost.

10. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat een bestuursorgaan de belanghebbende in de gelegenheid stelt om te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. Verweerder heeft eiser in de brief van 31 oktober 2024 verzocht vóór 14 november 2024 contact op te nemen indien eiser gehoord wil worden. In de brief van 21 november 2024 heeft verweerder eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om vóór 6 december 2024 aan te geven of hij gehoord wenst te worden. Omdat daar geen reactie op is gekomen heeft verweerder op 10 december 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Deze beslissing op bezwaar heeft verweerder ingetrokken, omdat de gemachtigde van eiser met de brief van 9 december 2024 heeft aangegeven dat hij alsnog gehoord wenste te worden. Verweerder heeft de gemachtigde van eiser op 7 januari 2025 gemaild en daarmee eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om vóór 22 januari 2025 aan te geven hoe hij gehoord wilde worden. Ook hier heeft verweerder geen reactie op ontvangen. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder mocht afzien van het houden van een hoorzitting. Het hoorrecht is daarom niet geschonden.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van T.P. Pot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 28. Betalingstermijn bij terugvordering

1. De belanghebbende heeft de verplichting om het bedrag van een terugvordering alsmede de op de voet van artikel 27 verschuldigde rente binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering te betalen aan Dienst Toeslagen.

(…).

Artikel 31.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling.

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 7. Uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen

1. Dienst Toeslagen stelt de belanghebbende in de gelegenheid een terugvordering te betalen in maandelijkse termijnen van € 20 mits hij voldoet aan door Dienst Toeslagen nader te stellen voorwaarden.

(…)

4. Een betaling van de terugvordering of bestuurlijke boete in maandelijkse termijnen eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de terugvordering of bestuurlijke boete geldende betalingstermijn 24 maanden zijn verstreken. Indien de omvang van de terugvordering of bestuurlijke boete betaling in 24 maandelijkse termijnen van € 20 niet toelaat, kan Dienst Toeslagen, in afwijking van het eerste, tweede en derde lid, een betaling in maandelijkse termijnen van meer dan € 20 verlangen.

5. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn een of meer terugvorderingen of bestuurlijke boetes overeenkomstig de voorgaande leden te betalen kan Dienst Toeslagen, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op de betalingscapaciteit. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op de voet van artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met dien verstande dat Dienst Toeslagen het netto-besteedbare inkomen van de belanghebbende vermeerdert met het netto-besteedbare inkomen van de persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek als partner in de zin van artikel 3 van de wet kan worden beschouwd.

Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

Artikel 12

1. Onder vermogen als bedoeld in artikel 11 wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en van zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.

2. Onder bezittingen wordt niet begrepen:

a. de inboedel voor zover deze niet bovenmatig is;

b. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaaluitkering bij overlijden van de belastingschuldige of zijn echtgenoot, mits deze kapitaaluitkering is bestemd voor de verzorging van de uitvaart van de belastingschuldige of zijn echtgenoot, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart van de belastingschuldige of zijn echtgenoot;

c. een auto die op het moment van het verzoek een waarde heeft van € 3.350 of minder; een auto met een waarde van meer dan € 3.350 wordt niet als vermogen beschouwd indien jegens de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van een beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit;

d. het totale bedrag aan financiële middelen, andere dan de onder f bedoelde, voor zover dat bedrag de ingevolge artikel 16 in aanmerking te nemen kosten van bestaan vermeerderd met een bedrag ter grootte van het per maand gemiddelde bedrag van de uitgaven bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b, c en g, niet te boven gaat, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met de in die onderdelen bedoelde vermindering met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, zorgtoeslag, onderscheidenlijk kindgebonden budget;

e. het bedrag op een bankrekening dat in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten is verkregen in de vorm van leningen;

f. een bedrag van € 3.350 aan financiële middelen per persoon voor personen die op 31 december 1999 de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;

g. de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening;

h. een oudedagsvoorziening in de vorm van een levens- of spaarverzekering of lijfrente voor zover deze niet bovenmatig is.

3. Onder waarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt verstaan de prijs die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto.

4. Indien de uitgaven, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b en c, verschuldigd zijn over een termijn van langer dan een maand wordt in plaats van het per maand gemiddelde bedrag in aanmerking genomen het deel van het termijnbedrag voor zover dat, gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling, op het moment van het verzoek om kwijtschelding redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.

5. Een bezitting van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, wordt buiten beschouwing gelaten indien het onredelijk bezwarend is deze terstond liquide te maken, mits een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van de betreffende bezitting, verminderd met de op die bezitting betrekking hebbende schulden van de belastingschuldige en zijn echtgenoot die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen, is of wordt voldaan binnen een door de ontvanger gestelde termijn en volgens de door de ontvanger gestelde voorwaarden.

Leidraad Invordering 2008

Artikel 79.7. Standaardbetalingsregeling toeslagschuld

Uitgangspunt is dat de belanghebbende die te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling.

De standaardbetalingsregeling gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk. Als een terugvordering meer bedraagt dan € 480, wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maandelijkse termijnen mogelijk is. De belanghebbende lost de toeslagschuld af door maandelijks het termijnbedrag over te maken naar de rekening van de Dienst Toeslagen.

De standaardbetalingsregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door de Dienst Toeslagen in de terugvorderingsbeschikking aangeboden. Wanneer een belanghebbende instemt met een door de Dienst Toeslagen aangeboden betalingsregeling moet de eerste termijn zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking, zodat de regeling start. Na het verstrijken van de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking wordt een standaardbetalingsregeling op aanvraag van de belanghebbende verleend.

De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking of de datum van de beschikking waarbij de Dienst Toeslagen de betalingsregeling toestaat. De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardbetalingsregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering. Er wordt dan een afzonderlijke standaardbetalingsregeling aangeboden voor de nieuwe terugvordering. Op verzoek van de belanghebbende kunnen deze afzonderlijke standaardbetalingsregelingen worden gebundeld tot een gezamenlijke standaardbetalingsregeling. Voor het totaalbedrag geldt dan weer de aflossingssystematiek van ten minste € 20 per maand per terugvordering gedurende maximaal 24 maanden gerekend vanaf de datum van het besluit waarbij de gebundelde betalingsregeling wordt toegekend.

De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een betalingsregeling af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.

Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet wordt de betalingsregeling beëindigd.

Artikel 79.8. Betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit

De Dienst Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardbetalingsregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardbetalingsregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan de Dienst Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardbetalingsregeling te voldoen.

De artikelen 11 tot en met 16 van de regeling en de artikelen 25.5.5 tot en met 25.5.9 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

– naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir, met dien verstande dat met het netto besteedbaar inkomen van de partner alleen rekening wordt gehouden als die partner ook de partner van de belanghebbende was gedurende de periode waarop de toeslagschuld van de belanghebbende betrekking heeft;

– bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht.

Als een verzoek van een belanghebbende als bedoeld in artikel 3a van de Awir is toegewezen, dan wordt de eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir niet als partner aangemerkt voor de toepassing van dit artikel. Dit geldt voor zover de belanghebbende ten tijde van het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling nog steeds verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 3a van de Awir.

Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagschuld af te lossen volgens de standaardbetalingsregeling, zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan waarbij de openstaande toeslagschuld in maximaal 24 maanden wordt voldaan.

Als blijkt dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand, maar voldoende om het bedrag van de toeslagschuld in maximaal 24 maanden te voldoen – zij het met een lager bedrag dan € 20 – dan zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan die is gebaseerd op die betalingscapaciteit.

Als de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar deze is niet voldoende om de toeslagschuld af te lossen in 24 maanden, dan zal de Dienst Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op die betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden.

Na twaalf maanden kan de Dienst Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Als na ontvangst van het formulier een inkomensverbetering wordt geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.

Een persoonlijke betalingsregeling wordt afgewezen als de belanghebbende of de in artikel 3 van de Awir bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling beschikt voor de voldoening van de toeslagschuld, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.

De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling eveneens af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.

Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet, wordt de betalingsregeling beëindigd.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.