Rijkswet op het Nederlanderschap

RWN

Huidige tekst

Artikel 2 RWN

Geldt sinds 1 maart 2009

  1. 1

    Tenzij de wet anders bepaalt, hebben de verkrijging en het verlies van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht.

  2. 2

    Behoudens in de bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen gevallen worden verklaringen en verzoeken in persoon afgelegd en ingediend.

  3. 3

    Tenzij anders bepaald, worden verklaringen en verzoeken van minderjarigen door hun wettelijke vertegenwoordigers afgelegd en ingediend.

  4. 4

    Het kind, mits het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, en zijn wettelijke vertegenwoordiger worden op hun verzoek in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging of medeverkrijging, of verlening of medeverlening van het Nederlanderschap. Indien de vertegenwoordiging van het kind van rechtswege is opgedragen aan één der ouders kan de andere ouder eenzelfde verzoek doen. Indien het kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt bedenkingen heeft tegen de verkrijging of medeverkrijging, of tegen de verlening of medeverlening, of indien zowel het kind als zijn wettelijk vertegenwoordiger of de in dit lid bedoelde andere ouder bedenkingen hebben tegen de medeverkrijging of medeverlening, deelt het kind daarin niet.

  5. 5

    De verklaring van verbondenheid wordt door minderjarigen van zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Tenzij anders bepaald kunnen zij daarin niet worden vertegenwoordigd.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2025:579Parket bij de Hoge Raad, 23 mei 2025 (internationaal privaatrecht)

    Nationaliteitsrecht. Internationaal Privaatrecht. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap op voet art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap. Kind geboren uit polygaam huwelijk in Ghana; erkenning…

  • ECLI:NL:HR:2023:27Hoge Raad, 13 januari 2023 (civiel recht)

    Nationaliteitsrecht; IPR. Verkrijging van Nederlanderschap. Erkenning in 2010 in Dominicaanse Republiek van minderjarige door Nederlandse man die kort voordien gehuwd was met ander dan moeder van…

  • ECLI:NL:HR:2018:2377Hoge Raad, 21 december 2018 (personen- en familierecht)

    Familierecht; nationaliteit; IPR. Erkenning in Congo van minderjarigen door Nederlandse man die gehuwd was met een ander dan moeder. Tot 1 april 2014 geldend wettelijk beletsel van art. 1:204 BW lid…

  • ECLI:NL:PHR:2018:1426Parket bij de Hoge Raad, 12 oktober 2018 (personen- en familierecht)

    Familierecht; nationaliteit; IPR. Erkenning in Congo van minderjarigen door Nederlandse man die gehuwd was met een ander dan moeder. Tot 1 april 2014 geldend wettelijk beletsel van art. 1:204 BW lid…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:16521Rechtbank Den Haag, 19 mei 2026 (civiel recht)

    Rijkswet op het Nederlanderschap. Vaststelling Nederlanderschap minderjarige door erkenning Nederlandse vader. Artikel 1:204 oud BW. Nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en de minderjarige.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:16522Rechtbank Den Haag, 19 mei 2026 (personen- en familierecht)

    Rijkswet op het Nederlanderschap. Verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:3871Rechtbank Den Haag, 27 januari 2026 (personen- en familierecht)

    Vaststellen nauwe persoonlijke betrekking tussen man en kind. Vaststellen band gelijk aan huwelijk man en moeder. Kind heeft Nederlandse nationaliteit.

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:25755Rechtbank Den Haag, 12 december 2025 (bestuursrecht)

    Ongegrond. Wet BRP en RWN correct toegepast. Geen discriminatoir onderscheid.

49 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.