Rijkswet op het Nederlanderschap

RWN

Huidige tekst

Artikel 16 RWN

Geldt sinds 1 april 2014

  1. 1

    Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren: a.door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit; b.door het afleggen van een verklaring van afstand, indien hij de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid; c.indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit; d.indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A; e.indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder. Voor de toepassing van de onderdelen c, d en e wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder aan wie de minderjarige het Nederlanderschap ontleent, en de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent. De in onderdeel b bedoelde verklaring van afstand heeft geen rechtsgevolg dan nadat de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en, op diens verzoek, de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is, daarover zijn gehoord. Geen afstand is mogelijk indien het kind en die ouder daartegen bedenkingen hebben. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand zelfstandig af en kan daarin niet worden vertegenwoordigd.

  2. 2

    Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in: a.indien en zolang een ouder het Nederlanderschap bezit; b.door het overlijden van een ouder na het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden; c.indien een ouder als Nederlander is overleden vóór het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden; d.indien de minderjarige voldoet aan artikel 3, derde lid, of artikel 2, onder a, van de wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb.268), behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b; e.indien de minderjarige in het land van de door hem verkregen nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b; f.indien de minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van de door hem verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft of gehad heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b; of g.indien in het geval in het eerste lid, onder e, bedoeld een ouder op het tijdstip van de verkrijging Nederlander is. Voor de toepassing van de onderdelen a, b, c en g wordt onder een ouder mede verstaan de adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, en de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:24082Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2026 (bestuursrecht)

    Paspoortaanvraag buiten behandeling gesteld. Grootouderbepaling van artikel 3, derde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:22675Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2026 (vreemdelingenrecht)

    Afwijzing aanvraag van een moeder voor afgeleid verblijf bij haar Nederlandse kind op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister gaat uit van schijnerkenning en heeft bij de gemeente een…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:23116Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2026 (vreemdelingenrecht)

    Afwijzing aanvraag van een moeder voor afgeleid verblijf bij haar Nederlandse kind op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister gaat uit van schijnerkenning en heeft bij de gemeente een…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:6975Rechtbank Den Haag, 26 februari 2026 (personen- en familierecht)

    Verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker, dan wel dat verzoeker met terugwerkende kracht het Nederlanderschap dient te herkrijgen is afgewezen.

  • ECLI:NL:RVS:2025:6000Raad van State, 10 december 2025 (vreemdelingenrecht)

    Bij besluit van 15 februari 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd de optieverklaring van [appellant] te bevestigen. Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de minister het door…

  • ECLI:NL:RVS:2025:6011Raad van State, 10 december 2025 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 13 juli 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de voor [appellante] ingediende aanvraag om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. [appellante] is op…

  • ECLI:NL:RVS:2025:6012Raad van State, 10 december 2025 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 13 juli 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de voor [kind] ingediende aanvraag om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. [kind] is op [geboortedatum] 2006…

  • ECLI:NL:RVS:2025:6013Raad van State, 10 december 2025 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 13 juli 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag van [appellante] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld.[appellante] is in Nederland geboren. Zij…

48 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.