Rijkswet op het Nederlanderschap

RWN

Huidige tekst

Artikel 11 RWN

Geldt sinds 10 oktober 2010

  1. 1

    Het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend, deelt in deze verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het verzoek tot medeverlening wordt bij het verzoek tot verlening ingediend.

  2. 2

    Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind beneden de leeftijd van 16 jaar wordt ingewilligd indien het kind sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft.

  3. 3

    Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

  4. 4

    Aan het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie dat is verleend, dat in deze verkrijging of verlening niet deelde, wordt op zijn verzoek het Nederlanderschap verleend, indien het een onafgebroken periode van tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft. De termijn van toelating en hoofdverblijf is niet van toepassing op het kind dat geboren is nadat zijn ouder de verklaring bedoeld in artikel 6, eerste lid, of het verzoek, bedoeld in artikel 7, eerste lid, heeft ingediend. Aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, wordt het Nederlanderschap slechts verleend, indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

  5. 5

    Aan het niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie zulks is verleend, dat minderjarig was op het tijdstip van de verklaring of het verzoek van die ouder, en dat in deze verkrijging of verlening niet deelde wegens het bereiken van de meerderjarigheid, wordt het Nederlanderschap op zijn verzoek verleend: a.indien hij een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek en aanvangende vóór het bereiken van de meerderjarigheid toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, b.indien hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en c.ten aanzien van hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

  6. 6

    De vereisten van toelating en van hoofdverblijf van het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het minderjarige kind van een vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en die met toepassing van het tweede lid van artikel 8 het Nederlanderschap verkrijgt, mits het kind feitelijk tot het gezin van deze ouder behoort en zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is.

  7. 7

    Kinderen van een kind dat in de verlening deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verlening.

  8. 8

    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2018:1498Parket bij de Hoge Raad, 7 december 2018 (civiel recht)

    Art. 81 lid 1 RO. Nationaliteitsrecht. Vervolg op HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:756. Behoorde het kind feitelijk tot het gezin van haar grootouders? Art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud) in…

  • ECLI:NL:PHR:2017:1Parket bij de Hoge Raad, 6 januari 2017 (civiel recht)

    Nationaliteitsrecht. Mede-naturalisatie van kind met moeder? Was aan kind verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland toegestaan? Art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud) in verbinding met art. 47 lid 1…

  • ECLI:NL:HR:2012:BV9435Hoge Raad, 25 mei 2012 (civiel recht)

    Vaststelling Nederlandse nationaliteit. Gezinshereniging kinderen met oudere halfbroer in Nederland; delen zij in diens naturalisatie? Gelijkstelling met adoptie? Art. 11 lid 2 (oud) Rijkswet op het…

  • ECLI:NL:PHR:2012:BV9435Parket bij de Hoge Raad, 25 mei 2012 (civiel recht)

    Vaststelling Nederlandse nationaliteit. Gezinshereniging kinderen met oudere halfbroer in Nederland; delen zij in diens naturalisatie? Gelijkstelling met adoptie? Art. 11 lid 2 (oud) Rijkswet op het…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:20549Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026 (vreemdelingenrecht)

    Afwijzing aanvraag mvv voor het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ – wedertoelating als oud-Nederlander – extra eis 'als Nederlander geboren' volgt niet uit wet- en regelgeving - geslaagd…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:20553Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026 (vreemdelingenrecht)

    Afwijzing aanvraag mvv voor het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ – wedertoelating als oud-Nederlander – extra eis 'als Nederlander geboren' volgt niet uit wet- en regelgeving - geslaagd…

  • ECLI:NL:RBDHA:2026:9894Rechtbank Den Haag, 19 maart 2026 (personen- en familierecht)

    volgt

  • ECLI:NL:RBDHA:2025:17270Rechtbank Den Haag, 3 juli 2025 (personen- en familierecht)

    vaststellen geboortegegevens en voornaamswijziging

67 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.