Huidige tekst
Artikel B-4 BWM 2004
Voorschrift B-4 Wisseling van ballastwater 1. Schepen die ballastwater wisselen teneinde te voldoen aan de normen in voorschrift D-1, dienen: .1 het ballastwater waar mogelijk te wisselen ten minste op 200 zeemijl van het dichtstbijzijnde land en in water met een diepte van ten minste 200 meter, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; .2 in gevallen waarin het schip geen ballastwater kan wisselen in overeenstemming met punt 1.1, dient dit te geschieden met inachtneming van de richtlijnen beschreven in punt 1.1 en zo ver mogelijk verwijderd van het dichtstbijzijnde land, en in alle gevallen ten minste 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land en in water met een diepte van ten minste 200 meter. 2. In zeegebieden op een afstand van het dichtstbijzijnde land of met een diepte die niet overeenkomen met de parameters omschreven in de punten 1.1 of 1.2, kan de havenstaat in overleg met aangrenzende of andere Staten, naar gelang hetgeen van toepassing is, gebieden aanwijzen waar een schip ballastwater kan wisselen met inachtneming van de richtlijnen omschreven in punt 1.1. 3. Van schepen zal niet verlangd worden dat zij afwijken van de beoogde reis of deze vertragen teneinde te voldoen aan een specifiek vereiste van punt 1. 4 Van schepen die ballastwater wisselen wordt niet verlangd dat zij voldoen aan punt 1 of 2, naar gelang hetgeen van toepassing is, indien de kapitein redelijkerwijs oordeelt dat een dergelijke wisseling de veiligheid of stabiliteit van het schip, zijn bemanning of passagiers in gevaar zou brengen ten gevolge van ongunstige weersomstandigheden, het ontwerp van of krachten op het schip, uitval van uitrusting of andere uitzonderlijke omstandigheden. 5 Indien een schip ballastwater dient te wisselen en zulks nalaat in strijd met dit voorschrift, worden de redenen vermeld in het ballastwaterjournaal.