Huidige tekst
Artikel B-3 BWM 2004
Voorschrift B-3 Ballastwaterbeheer voor schepen 1. Op schepen gebouwd vóór 2009: .1 met een ballastwatercapaciteit van 1.500 tot en met 5.000 kubieke meter, dient het ballastwater tot de herkeuring omschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-1 of in voorschrift D-2, en nadien ten minste aan de normen beschreven in voorschrift D-2; .2 met een ballastwatercapaciteit van minder dan 1.500 of meer dan 5.000 kubieke meter, dient het ballastwater tot de herkeuring beschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-1 of in voorschrift D-2 en nadien ten minste aan de normen beschreven in voorschrift D-2. 2. Op schepen gebouwd in of na 2009 en vóór 8 september 2017 met een ballastwatercapaciteit van minder dan 5.000 kubieke meter dient het ballastwater vanaf de datum van de herkeuring beschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2. 3. Op schepen gebouwd in of na 2009, maar vóór 2012, met een ballastwatercapaciteit van 5.000 kubieke meter of meer dient het ballastwater te worden beheerd in overeenstemming met punt 1.2. 4. Op schepen gebouwd in of na 2012 en vóór 8 september 2017 met een ballastwatercapaciteit van 5.000 kubieke meter of meer dient het ballastwater vanaf de datum van de herkeuring beschreven in punt 10 te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2. 5. Op schepen gebouwd op of na 8 september 2017 dient het ballastwater te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2. 6. De vereisten van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen die ballastwater lozen bij een ontvangstinrichting die overeenkomstig de door de Organisatie voor dergelijke inrichtingen opgestelde richtlijnen is ontworpen. 7. Andere methoden voor ballastwaterbeheer kunnen worden aanvaard als alternatief voor de vereisten beschreven in de punten 1 tot en met 5 en punt 8, mits deze methoden ten minste dezelfde mate van bescherming van het milieu, de gezondheid van de mens, van goederen of hulpbronnen waarborgen en deze in beginsel zijn goedgekeurd door de Commissie. 8. Op schepen gebouwd vóór 8 september 2017 waarop de in punt 10 beschreven herkeuring niet van toepassing is, dient het ballastwater te worden beheerd op een wijze die ten minste voldoet aan de normen beschreven in voorschrift D-2 vanaf de door de Administratie te bepalen datum, maar niet later dan 8 september 2024. 9. Schepen waarop de punten 2, 4 of 8 van toepassing zijn dienen te voldoen aan hetzij voorschrift D-1, hetzij voorschrift D-2 tot het moment waarop zij dienen te voldoen aan voorschrift D-2. 10. Niettegenstaande voorschrift E-1.1.2 wordt onder de in de punten 1.1, 1.2, 2 en 4 bedoelde herkeuring verstaan: .1 de eerste herkeuring, zoals bepaald door de Commissie, op of na 8 september 2017 indien: .1 deze is voltooid op of na 8 september 2019; of .2 een herkeuring is voltooid op of na 8 september 2014 maar vóór 8 september 2017;en .2 de tweede herkeuring, zoals bepaald door de Commissie, op of na 8 september 2017 indien de eerste herkeuring op of na 8 september 2017 is voltooid vóór 8 september 2019, mits niet is voldaan aan de voorwaarden van punt 10.1.2.