Huidige tekst
Artikel 8.24 Bal
Ligging van de kabel of leiding
- 1
Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd: a.buiten de verharding van de weg; b.op een afstand van ten minste 2,5 m van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is; c.op een afstand van ten minste 1,5 m van andere beplanting, met uitzondering van gras; d.als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de insteek van de bermsloot; e.als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf de teen van het talud; en f.als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 m vanaf die constructie.
- 2
De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding.
- 3
Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden.
- 4
In de berm van de weg is de gronddekking boven een kabel of leiding ten minste 0,8 m. De gronddekking bestaat uit twee lagen.
- 5
Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 m.