Huidige tekst
Artikel 11.40 Bal
Aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: wijze vangen of doden
- 1
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor: a.het vangen of doden van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn met: 1°. middelen die worden genoemd in bijlage IV, onder a, bij die richtlijn; 2°. middelen, installaties of methoden voor het massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels; of 3°. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen; en b.het achtervolgen van vogels van deze soorten met behulp van vervoermiddelen die worden genoemd in bijlage IV, onder b, bij de vogelrichtlijn, op de daar beschreven wijze.
- 2
Tot de middelen, installaties of methoden, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 2° en 3°, worden in ieder geval gerekend: a.eendenkooien die worden gebruikt anders dan voor de uitoefening van de jacht; b.bal-chatri; c.het doden met middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld; d.het vangen of doden met een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en e.het vangen of doden met een geweer dat is voorzien van een geluiddemper.