Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze beleidsregels verstaan we onder:
Aanmeldfase
De periode tussen het indienen van een (ingevuld)aanvraagformulier en het ondertekenen van een trajectaanbod in een plan van aanpak.
Afloscapaciteit
Alle inkomsten boven het vastgestelde Vrij Te Laten Bedrag (VTLB) die door de belanghebbende kunnen worden afgedragen voor de aflossing van de schulden. Ook vermogensbestanddelen van de belanghebbende worden bij de berekening van de afloscapaciteit meegenomen. Indien het berekende VTLB geen afloscapaciteit oplevert wordt de aflostabel van de NVVK gehanteerd.
Awir
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Belanghebbende
De persoon zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid van de Algemene Wet Bestuursrecht.
Benadelingsbedrag
Het netto bedrag aan uitkering dat als gevolg van het niet, niet behoorlijk of niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht ten onrechte is ontvangen door belanghebbende;
Bijstandsnorm
De bijstandsnorm, zoals genoemd in artikel 5, onderdeel c van de wet.
Boete
De bestuurlijke boete bedoeld in artikel 18a, eerste lid van de PW, artikel 20a, eerste lid van de IOAW en artikel 20a, eerste lid van de IOAZ;
De gemeente
De gemeente Zaanstad.
De wet
De Participatiewet.
De wetten
Een verzamelnaam voor de volgende wetten en besluiten:
* de Participatiewet;
* de Ioaw;
* de Ioaz;
* de Bbz.
Eigen woning
De woning die eigendom van de belanghebbende is en door deze wordt bewoond.
Financiële zelfredzaamheid
Belanghebbende is aantoonbaar in staat om geen nieuwe schulden te maken en nieuwe betalingsachterstanden te laten ontstaan, indien noodzakelijk met behulp van het eigen netwerk en/of administratieve begeleiding en/of budgetcoaching en/of budgetbeheer en/of beschermingsbewind.
Het college
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad.
Inlichtingenplicht
De verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wetstructuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Inrichting
Een inrichting zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de wet.
Krediethypotheek
Een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op registergoederen.
Kredietnemer
De niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon waarmee de gemeente een overeenkomst tot kredietverlening sluit.
Minnelijke schuldregeling
Bemiddeling door de gemeente tussen de belanghebbende en de schuldeiser(s) om een minnelijke schuldregeling voor een problematische schuldsituatie te bewerkstelligen tegen finale kwijting.
Pandrecht
Een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op niet-registergoederen. Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.
Plan van aanpak aanvraag schulddienstverlening
Een plan dat de financiële gegevens omvat van de belanghebbende, een integrale analyse van de (schuld) situatie en een stappenplan dat toewerkt naar het maximaal haalbare eindresultaat ten aanzien van één of meerdere vastgestelde doelen. Indien van toepassing worden in het plan tevens de voorwaarden benoemd die zijn verbonden aan één of meerdere trajecten die in het kader van schulddienstverlening worden ingezet.
Rekennorm
De bijstandsnorm, zoals bedoeld in:
artikel 21, onderdeel b van de wet, indien de belanghebbende 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is;
artikel 22, onderdeel c van de wet, indien de belanghebbende 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is en zijn echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
artikel 22, onderdeel b van de wet, indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Saneringskrediet
Het afkopen van de problematische schuldenlast tegen finale kwijting door middel van het afsluiten van een kredietovereenkomst.
Schuldbemiddeling
Het afkopen van de problematische schuldenlast tegen finale kwijting door middel van een driejarig schuldtraject.
Schuldenlast
Het totale bedrag van betalingsachterstanden, kredieten en leningen, op afbetaling gekochte goederen, creditcard schulden en roodstanden.
Social return on investment
Een principe dat de gemeente hanteert bij de inkoop van producten en diensten. Dit houdt in dat opdrachtnemers voor een percentage van de omvang van de opdracht, werkloze werkzoekenden, mensen met een SW-indicatie, en leerlingen aan een (leer)werkplek helpen.
Toets
Toets die het college bij belanghebbende van een bijstandsuitkering, als bedoeld in artikel 18 b, tweede lid, van de wet, afneemt om te beoordelen of hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst.
Uitzendbeding
Bepaling dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer de inlener van de werknemer afziet van de diensten van de werknemer.
Vrij Te Laten Bedrag
Het Vrij Te laten bedrag (VTLB) is het deel van het inkomen waar de belanghebbende zelf over kan beschikken. Uit het VTLB kunnen in ieder geval de lopende vaste lasten en de kosten van het levensonderhoud worden voldaan. Het VTLB bestaat uit de beslagvrije voet (artikel 475d, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) plus een nominaal bedrag waarmee de beslagvrije voet wordt verhoogd. Om het VTLB te bepalen worden de richtlijnen van de Recofa toegepast die staan vermeld in het VTLB rapport.
Woning
Het huis of gedeelte van een huis waarin de belanghebbende zijn vaste verblijf houdt, waaronder begrepen de woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, als het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft.
WSNP verklaring
Een door het college afgegeven met redenen omklede verklaring (art. 285, onder f, Fw) waarin wordt vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een minnelijke schuldregeling te komen.
Artikel 1.2 Verklaring afkortingen
Anw
Algemene nabestaandenwet
Awb
Algemene wet bestuursrecht
Bbz
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
BRP
Wet basisregistratie personen
CJIB
Centraal Justitieel Incassobureau
DUO
Dienst Uitvoering Onderwijs
Fw
Faillissementswet
IOAW
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IOAZ
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Nibud
Nationaal instituut voor budgetvoorlichting
Nug-er
Niet uitkeringsgerechtigde
NVVK
Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet
PGB
Persoonsgebonden budget
Recofa
Landelijk overlegorgaan van Rechters-commissaris in faillissementen en surseances van betaling
SMI
sociaal medische indicatie
S.R.O.I.
Social return on investment
VTLB
Vrij Te Laten Bedrag
Wet Fido
Wet financiering decentrale overheden
Wet KB
Wet op het kindgebonden budget
Wft
Wet op het financieel toezicht.
WI
Wet Inburgering
WMO
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Wlz
Wet langdurige zorg
WSF
Wet studiefinanciering 2000
WSNP
Wet schuldsanering natuurlijke personen
Wtos
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
WW
Werkloosheidswet
Hoofdstuk 2 Algemene bijstand
Paragraaf 2.1 Inkomen
Artikel 2.1.1 Commerciële verhuur
1Onder een commerciële prijs, zoals bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b en c van de wet, wordt verstaan het bedrag gelijk aan of hoger dan de basishuur zoals omschreven in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de Huurtoeslag.
2Op grond van individuele omstandigheden kan de in het vorige lid bedoelde commerciële huurprijs lager worden vastgesteld, als een lagere commerciële huurprijs aantoonbaar in verhouding staat tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.
3De inkomsten uit commerciële verhuur, zoals bedoeld in artikel 33, vierde lid van de wet, worden op de uitkering in mindering gebracht, na aftrek van een forfaitair bedrag per huurder, gebaseerd op de kosten van nutsvoorzieningen zoals vastgesteld in de Recofa-richtlijnen Vrij Te Laten Bedrag 2017 (VTLB).
4De inkomsten van een of meerdere kostganger(s), zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 van de wet, worden op de uitkering in mindering gebracht na aftrek van een forfaitair bedrag per kostganger, gebaseerd op de kosten van nutsvoorzieningen en maaltijden, zoals vastgesteld in de Recofa-richtlijnen Vrij Te Laten Bedrag 2017 (VTLB).
5Ten aanzien van het derde en vierde lid moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
1De afspraken over de verhuur van de woning moeten op papier staan, in een huur- of kostgangersovereenkomst én;
2Belanghebbende toont het bij lid a genoemde aan door een kopie van navolgende gegevens in te leveren:
-een huur- of kostgangersovereenkomst én;
-bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de gevraagde prijs werkelijk wordt betaald.
6Het in het derde en vierde lid bedoelde forfaitaire bedrag dat wordt vrijgelaten wordt jaarlijks opnieuw berekend. De grondslag van de berekening vloeit voort uit de Recofa-richtlijnen Vrij Te Laten Bedrag 2017 (VTLB) en wordt telkens verhoogd op basis van de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het berekende forfaitaire bedrag word afgerond op € 5,00 naar boven.
Artikel 2.1.2 Verlaging bijstandsnorm in verband met de woonsituatie
De norm, zoals bedoeld in artikel 27 van de wet, wordt in verband met lage woonlasten verlaagd met:
120 procent van de rekennorm, als belanghebbende een woning bewoont, waaraan geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn;
210 procent van de rekennorm, als belanghebbende geen woning bewoont.
3Als bijstand wordt verstrek op grond van de jongerennormen, zoals genoemd in artikel 20 van de wet, wordt geen verlaging toegepast, omdat deze normen niet of voor slechts een gering deel voorzien in woonlasten.
Artikel 2.1.3 Kennismakingsperiode
1Op aanvraag kan aan één of aan beide belanghebbenden, die een uitkering ontvangt of ontvangen op grond van de wetten, een kennismakingsperiode worden verleend voor een periode van maximaal 3 maanden.
2De kennismakingsperiode kan met een periode van 3 maanden worden verlengd als er nog onvoldoende zekerheid bestaat om een duurzame gezamenlijke huishouding aan te nemen.
3De kennismakingsperiode vangt niet eerder aan dan nadat het college schriftelijk toestemming heeft verleend.
4Gedurende de kennismakingsperiode ontvangt de bijstandsgerechtigde een uitkering naar de norm die werd ontvangen ten tijde van de aanvraag van de kennismakingsperiode.
5De kennismakingsperiode moet worden aangevraagd in de gemeente waar de belanghebbenden, of de afzonderlijke belanghebbenden, de uitkering ontvang(en). Wanneer er sprake is van twee partners die ieder een bijstandsuitkering ontvangen in een andere gemeenten, dan bestaat het recht op de kennismakingsperiode alleen wanneer beide gemeenten hierin toestemmen.
6De inlichtingenplicht ligt op de belanghebbende die de uitkering ontvangt.
Artikel 2.1.4 Voorwaarden voor een kennismakingsperiode
1Belanghebbenden hebben niet eerder met elkaar samengewoond.
2Er is geen sprake (geweest) van kostgangerschap of onderhuur (van aanvragers).
3Belanghebbenden hebben in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag van de kennismakingsperiode geen gebruikgemaakt van de kennismakingsperiode.
4Aanvragers hebben nog geen voorbereidingen getroffen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
5Beide belanghebbenden houden hun eigen woonruimte aan en er is geen sprake van het aanhouden van woonruimte bij de ouders van belanghebbenden.
6Een eventuele verhuurder (wooncorporatie) is op de hoogte en akkoord met het tijdelijk niet bewonen van de woonruimte.
Artikel 2.1.5 Kenningsmakingsperiode bij bijzondere situaties
Indien één van de partners voor een periode van langer dan 28 dagen ten tijde van de kennismakingsperiode in een inrichting als bedoeld in artikel 1 onderdeel f van de Participatiewet verblijft, houdt het recht op de kennismakingsperiode op te bestaan. Wanneer de partner niet langer meer in de inrichting verblijft, kan de kennismakingsperiode opnieuw worden aangevraagd. Bij toekenning herleeft het recht op de kennismakingsperiode voor de periode dat van de oorspronkelijk toegekende periode resteert. Dit geldt ook wanneer één van beide partners langer dan 28 dagen in het buitenland verblijft en bij detentie.
Artikel 2.1.6 Criteria voor co-ouderschap als leefvorm
1Onder co-ouders wordt verstaan de ouders, die al dan niet gescheiden, niet bij elkaar wonen en met elkaar hebben afgesproken om hun kind(eren) gezamenlijk te (blijven) verzorgen en op te voeden.
2Er is sprake van co-ouderschap als beide ouders in een regelmatige afwisseling de zorg voor het kind of de kinderen hebben. Het kind of de kinderen verblijven regelmatig en met een vast patroon bij elk van de ouders. Er moet sprake zijn van een verblijf van minstens gemiddeld twee dagen per week.
3Bij co-ouderschap is de feitelijke situatie van het verblijf en de feitelijke verzorging doorslaggevend. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt.
4Van co-ouderschap kan slechts sprake zijn als beide ouders het co- ouderschap wensen en zij hun wens aan het college kenbaar maken.
5Er is geen sprake van co-ouderschap als het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie). Ook als de verdeling van het ouderschap zodanig is, dat deze niet afwijkt van een gebruikelijke omgangsregeling, is er geen sprake van co- ouderschap.
6Als het kind of de kinderen minder dan het aantal dagen, genoemd in het vierde lid, bij één van de ouders verblijven, wordt dit een als verblijf in het kader van een omgangsregeling beschouwd. De bepalingen met betrekking tot co-ouderschap zijn dan niet van toepassing.
Artikel 2.1.7 Co-ouderschap en vermogen
1In artikel 34, derde lid, van de wet is vastgelegd tot welke vermogensgrens het vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, van wet wordt vrijgelaten bij alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen. Het co- ouderschap is een niet bij wet geregelde leefvorm. Voor het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders geldt, dat de vermogensgrens voor een alleenstaande wordt verhoogd met een bepaald bedrag.
2De in het vorige lid bedoelde verhoging bestaat uit:
-Het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder, zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, onderdeel b, van de wet en die van een alleenstaande, zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, onderdeel a, van de wet;
-Dit verschil wordt omgerekend naar een evenredig deel op basis van het aantal dagen in de week dat de co-ouder de zorg voor het kind of de kinderen heeft.
Artikel 2.1.8 Afstemming alleenstaande ouderkop
1De bijstandsnorm wordt op grond van artikel 18, eerste lid van de wet afgestemd door deze te verhogen met algemene bijstand als de alleenstaande ouder een fiscaal partner heeft zoals bedoeld in artikel 3 van de Awir en daardoor niet in aanmerking komt voor de alleenstaande ouderkop bovenop het kindgebonden budget.
2De hoogte van de in het eerste lid genoemde afstemming van de algemene bijstand bedraagt 1/12 deel van de verhoging van het kindgebonden budget, genoemd in artikel 2, zesde lid van de Wet op het kindgebonden budget, per maand. Deze algemene bijstand is inclusief vakantietoeslag zoals genoemd in artikel 19, derde lid van de wet.
3Afhankelijk van de individuele situatie van de alleenstaande ouder kan het college extra verplichtingen verbinden aan het recht op de verhoging om zo de periode waarover de verhoging moet worden verstrekt zo kort mogelijk te houden.
Paragraaf 2.2 Vermogen
Artikel 2.2.1 Reikwijdte vermogensbepalingen
De bepalingen genoemd in deze paragraaf zijn tevens van toepassing op de hoofdstukken 3 en 5.
Artikel 2.2.2 Liquide middelen
In afwijking van artikel 31, eerste lid, van de wet, wordt het liquide vermogen van belanghebbende tot een bedrag gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet inclusief vakantiegeld, niet meegeteld voor de vaststelling van het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.
Artikel 2.2.3 Algemeen gebruikelijke bezittingen in natura
1Een auto van acht jaar of ouder wordt aangemerkt als een algemeen gebruikelijk goed, zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel a van de wet.
2In afwijking van het vorige lid, wordt een klassieke auto, exclusieve merken en modellen niet aangemerkt als een algemeen gebruikelijk goed.
3Voor het bepalen van de waarde van een auto, jonger dan acht jaar of zoals bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van de ANWB/Bovag Koerslijst.
4Als de auto niet genoemd wordt in de ANWB/Bovag Koerslijst, wordt de waardebepaling van de auto vastgesteld door een erkend of een voor dergelijke roerende zaak in elk geval als deskundig aan te merken taxateur.
Artikel 2.2.4 Reservering uitvaartkosten
1Als belanghebbende recht heeft op algemene of bijzondere bijstand wordt een bedrag vrijgelaten bestemd voor kosten van lijkbezorging van belanghebbende of diens partner.
2Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt eerst vrijgelaten, voordat toepassing wordt gegeven aan de vrijlatingen, zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet.
3Het vrij te laten bedrag kan alleen in aanmerking worden genomen, als van een zodanige voorziening sprake is voordat de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd zijn ontstaan en belanghebbende de gereserveerde middelen niet voor een ander doel kan gebruiken.
4Hoewel de vorm vrij is, is essentieel, dat er sprake is van een dusdanige aantoonbare blokkade, dat met zekerheid vastgesteld kan worden dat deze middelen niet voor een ander doel aangewend kunnen worden.
5Het maximaal vrij te laten bedrag bedraagt voor een alleenstaande € 7.500 en voor een echtpaar € 15.000.
6Andere voorzieningen die belanghebbende en diens partner getroffen hebben, met als bestemming het voorzien in de kosten van lijkbezorging, worden op de bedragen genoemd in het vorige lid in mindering gebracht, zoals een uitvaartverzekering, een deposito, geblokkeerde spaarrekening of koopsom.
Artikel 2.2.5 Vrijlating vergoeding voor toegebracht leed en financiële schade
1Niet tot de middelen van de belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid onder m van de wet, wordt gerekend een vergoeding voor immateriële schade tot het maximale bedrag zoals genoemd in artikel 1 van de ministeriële Regeling maximumbedragen uitkeringen schadefonds geweldsmisdrijven.
2Bij een vergoeding voor zowel immateriële- als materiele schade dient belanghebbende aan de hand van een schadestaat aan te tonen hoe de verdeling is van de schadevergoeding. Als belanghebbende niet over de informatie beschikt, waarmee hij de verdeling aan kan tonen, wordt de verdeling in redelijkheid door het college vastgesteld.
3Een schadevergoeding voor geleden (im)materiële schade moet binnen een redelijke termijn worden gebruikt. Bij het bepalen van een redelijke termijn wordt rekening gehouden met de aard van de te vervangen goederen en de individuele omstandigheden van belanghebbende en diens gezin.
4Een schadevergoeding bestemd voor het verlies aan arbeidsvermogen, c.q. om te kunnen voorzien in de kosten van levensonderhoud wordt niet vrijgelaten. Als de vergoeding voor de kosten van levensonderhoud hoger is vastgesteld in verband meerkosten, wordt dat deel van de vergoeding dat betrekking heeft op de meerkosten niet tot de middelen gerekend, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid onder m van de wet.
5Indien de immateriële schadevergoeding hoger is dan het maximum bedrag genoemd in artikel 1 van de ministeriële Regeling maximumbedragen uitkeringen schadefonds geweldsmisdrijven, wordt op individuele gronden bepaald of een hogere vrijlating uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.
Artikel 2.2.6 Taxatie bij eigen woningbezit
1Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de uitkering opnieuw recht op bijstand ontstaat, blijft een nieuw onderzoek voor een nieuw te vestigen krediethypotheek achterwege. De te verlenen bijstand wordt dan verleend met toepassing van de laatst gevestigde krediethypotheek
2In afwijking van het eerste lid wordt, als opnieuw recht op bijstand ontstaat, wel een nieuwe krediethypotheek gevestigd, als uit de taxatiewaarde op grond van de Onroerendezaakbelasting blijkt dat de waarde van de woning met € 50.000 of meer is toegenomen ten opzichte van de laatst gevestigde krediethypotheek.
3Als uit de taxatiewaarde op grond van de Onroerendezaakbelasting de waarde van de woning, gedurende de periode dat belanghebbende recht op bijstand heeft is toegenomen met € 50.000 of meer ten opzichte van de laatste vermogensbeoordeling, wordt een nieuwe aanvullende krediethypotheek gevestigd. Indien nog geen krediethypotheek is gevestigd, maar mogelijk wel sprake is van een vermogensvermeerdering van € 50.000 of meer, wordt op basis van een taxatie beoordeeld of een krediethypotheek gevestigd moet worden.
4Indien uit de taxatie blijkt, dat er geen sprake is van een waardevermeerdering van € 50.000 of meer, kunnen de kosten van taxatie worden vergoed door het verstrekken van bijzondere bijstand om niet.
Paragraaf 2.3 Vrijlating van giften
Artikel 2.3 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
1Onder een gift wordt verstaan een betaling van geld of schenking in natura uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of door een instelling waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichtend karakter.
2Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
a.giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand of een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verstrekt had moeten worden;
b.giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke of wenselijke kosten;
c.een gift die belanghebbende ontvangt in verband met de aflossing van een problematische schuld als door de aflossing van de schuld een belemmering voor re-integratie of schuldhulpverlening wordt weggenomen.
d.onder een problematische schuld wordt verstaan een schuld waarvan op basis van de afloscapaciteit van belanghebbende duidelijk is dat die niet binnen een termijn van 6 maanden kan worden afgelost.
e giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet;
f.producten van instellingen gericht op armoedebestrijding zoals de kledingbank en Stichting Leergeld.
Paragraaf 2.4 Aanvraag
Artikel 2.4 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
1Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:
a.dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;
b.de nieuwe aanvraag is ingediend binnen maximaal twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,
c.de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:
1°. werkaanvaarding;
2°. een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;
3°. beëindiging relatie;
2Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
a.het hoofdverblijf;
b.de gezinssituatie; en
c.het inkomen en het vermogen.
3Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.
Paragraaf 2.5 4-weken zoektermijn jongeren
Artikel 2.5 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
a.de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;
b.de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:
1°. in een inrichting verbleven;
2°. opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of
3°. bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.
c.voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;
d.de jongere een zorgbehoefte heeft;
e.de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;
f.de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;
g.de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast.
Paragraaf 2.6 Terugwerkende kracht
Artikel 2.6 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
1Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:
a.er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
1°. de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;
2°. de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;
3°. een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;
4°. een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;
5°. de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
6°. de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.
b er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding.
2Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
3Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.
Hoofdstuk 3 Bijzondere bijstand
Paragraaf 3.1 Draagkrachtbepalingen
Artikel 3.1.1 Middelen
1In afwijking artikel 31, eerste lid, van de wet, wordt vermogen in rekening-courant op de lopende rekening, tot een bedrag gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet inclusief vakantiegeld, niet meegeteld voor de vaststelling van het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.
2In afwijking van artikel 35, eerste lid van de wet wordt bij de toepassing van hoofdstuk 3 niet tot de middelen gerekend de middelen zoals opgenomen onder artikel 31, tweede lid van de wet en wordt niet tot het vermogen gerekend het vermogen zoals opgenomen onder artikel 34, tweede lid onder c van de wet tot de vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34, derde lid van de wet.
Artikel 3.1.2 Sociaal minimum
1Voor de toepassing van de voorzieningen, opgenomen in de hoofdstukken 3, 5 en 6, wordt het sociaal minimum gesteld op 110% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet, waarbij artikel 19a en 22a van de wet buiten toepassing blijven.
2Het sociaal minimum wordt gebaseerd op de actuele bijstandsnormen, zoals die geldt op het moment dat de aanvraag is ingediend. Dit sociaal minimum geldt vervolgens voor het gehele kalenderjaar; ook als het inkomen getoetst moet worden over eerdere maanden van het zelfde kalenderjaar.
3Bij het vaststellen van het recht op de Individuele inkomenstoeslag wordt bij de referteperiode uitgegaan van het sociaal minimum gebaseerd op de bijstandsnormen van januari van het betreffende jaar in de referteperiode.
Artikel 3.1.3 Individuele inkomenstoeslag als extra inkomen
Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt de individuele inkomenstoeslag, zoals bedoeld in de Verordening Individuele inkomenstoeslag Zaanstad 2022, binnen een periode van 12 maanden na toekenning als extra inkomen beschouwd en volledig gedurende deze periode als reserveringsruimte aangemerkt.
Artikel 3.1.4 Eigen woning
1Het vermogen in de eigen woning wordt niet betrokken bij de bepaling van het recht op bijzondere bijstand.
2In afwijking van het vorige lid wordt het vermogen in de woning wel betrokken bij de bepaling van het recht op bijzondere bijstand, als de bijstand verstrekt wordt voor woonkosten.
Artikel 3.1.5 Administratieve drempel
1Het drempelbedrag, zoals genoemd in artikel 35, tweede lid, van de wet wordt gehanteerd als administratieve drempel.
2De administratieve drempel heeft tot doel de werkzaamheden, verbonden aan het afhandelen van een aanvraag om bijstand met een relatief laag uitkeringsbedrag, te beperken.
3Zolang de kosten, waarvoor belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt, binnen een periode van 12 maanden, niet uit komen boven het drempelbedrag, wordt de indiening van de aanvraag uitgesteld tot het drempelbedrag is overschreden.
4Nadat het drempelbedrag wordt overschreden worden ook de kosten, die tot deze overschrijding hebben geleid, in aanmerking genomen.
5Wordt het drempelbedrag niet binnen de periode van 12 maanden overschreden, dan kan een aanvraag worden ingediend binnen twee maanden na afloop van deze periode.
Artikel 3.1.6 Draagkrachtloos inkomen
1De draagkracht wordt op nul gesteld, voor zover het inkomen niet hoger is dan het sociaal minimum, zoals genoemd in artikel 3.1.2.
2In afwijking van het voorgaande lid, wordt bij de verlening van bijstand voor woonkosten en aflossing van leenbijstand het draagkrachtloos inkomen bepaald op 100% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet.
Artikel 3.1.7 Draagkracht
Voor zover het inkomen van de belanghebbende hoger is dan de grens, zoals genoemd in artikel 3.1.2, wordt:
135% van het verschil aangewend als draagkracht.
2In afwijking van het voorgaande lid, wordt bijstand voor woonkosten 100% van het inkomen, voor zover dat hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet, aangewend als draagkracht.
3Voor zover het vermogen van de belanghebbende hoger is dan de grens, zoals genoemd in artikel 34, derde lid, van de wet, wordt 100% van het meerdere aangewend als draagkracht, na verrekening van het bedrag genoemd in artikel 3.1.3.
Artikel 3.1.8 Draagkrachtperiode
1De draagkrachtperiode wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden.
2In afwijking van lid 1 kan de draagkrachtperiode worden vastgesteld voor een kortere periode als de kosten zich over een kortere periode dan 12 maanden voordoen of als er binnen een kortere periode dan 12 maanden sprake is van een wijziging in het inkomen van meer dan 50 euro netto per maand.
3In afwijking van lid 1 kan de draagkrachtperiode worden vastgesteld voor een langere periode van ten hoogste 36 maanden, als vooraf vastgesteld is dat gedurende deze periode de kosten zich voor doen en blijven doen en aannemelijk is dat gedurende deze periode geen wijzigingen zullen optreden in het inkomen en of het vermogen.
4Als belanghebbende een uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de wet blijft bij een aanvraag om bijzondere bijstand een inkomens- en vermogenstoets achterwege en wordt aangenomen dat belanghebbende een inkomen heeft op of onder het sociaal minimum, zoals bedoeld in artikel 3.1.2 en een vermogen heeft dat niet uit komt boven de vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet.
5In afwijking van het eerste lid geldt dat bij een aanvraag voor deelname aan de collectieve zorgverzekering de draagkrachtperiode van de toekenning voortduurt zolang aan de voorwaarden daaraan wordt voldaan. Het college onderzoekt jaarlijks aan de hand van beschikbare gegevens, of het omstandigheden aanwezig acht om die deelname en vergoedingen te blijven voldoen. Onder ‘beschikbare gegevens’ wordt tevens begrepen het opvragen van inkomensgegevens bij het Inlichtingenbureau.
Paragraaf 3.2 Duurzame gebruiksgoederen
Artikel 3.2.1 Duurzame gebruiksgoederen
1De aanschaf- en reparatiekosten van duurzame gebruiksgoederen worden gerekend tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Belanghebbende wordt geacht deze kosten uit het aanwezige inkomen en vermogen te voldoen. Er wordt daarom voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt.
2In afwijking van het eerste lid, kan wegens het niet vooraf kunnen reserveren voor genoemde kosten bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt aan:
1Statushouders: Zij komen uit een opvangcentrum en hebben geen goederen.
2Personen uit de crisisopvang of uit een crisissituatie: voor zover zij een woning aangeboden krijgen en geen goederen kunnen verkrijgen uit de voormalige woning of aanspraak kunnen maken op het gezamenlijk vermogen of inkomen, waardoor zij geen mogelijkheden hebben of hebben gehad om vooraf te reserveren.
3Personen, die na een langdurige detentieperiode een zelfstandige woning betrekken.
4Personen, die op grond van een medische indicatie moeten verhuizen en niet door eigen toedoen buiten de werking van de voorliggende voorzieningen vallen.
5Personen, die vanwege sociale redenen met spoed moeten verhuizen, zonder dat er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (sociale redenen moeten worden onderbouwd met bewijsstukken van bijvoorbeeld de woningbouwvereniging of de politie).
6Personen, die in een WSNP-regeling zitten of in een minnelijk traject voor schuldregeling, voor zover in overleg met de bewindvoerder of schuldhulpverlener geen mogelijkheden kunnen worden gecreëerd om de kosten uit het actuele inkomen te voldoen en zij geen lening kunnen afsluiten of mogelijkheden hebben gehad om geld opzij te leggen.
7Personen, die na langdurig verblijf in bijvoorbeeld een verzorgings-, verpleeghuis of een psychiatrisch ziekenhuis, zelfstandig gaan wonen.
3In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand voor aanschaf- en reparatiekosten van duurzame gebruiksgoederen in de vorm van een geldlening verstrekt, als gelet op alle omstandigheden daarvoor zeer dringende redenen bestaan. Er dient sprake te zijn van een acute noodsituatie, waarbij belanghebbende in de behoeftige omstandigheid verkeert die op geen enkele andere wijze te verhelpen is.
4De personen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel 6, wordt de bijstand om niet verstrekt als een lening binnen de schuldregeling of het minnelijk traject niet mogelijk is.
Paragraaf 3.3 Leenbijstand
Artikel 3.3.1 Voorliggende voorziening bij verstrekking leenbijstand
Indien leenbijstand noodzakelijk wordt geacht, wordt een lening via kredietverlenende instanties en de Gemeentelijke Kredietband Nederland niet als voorliggende voorziening aangemerkt.
Artikel 3.3.2 Aflossing leenbijstand
De aflossing van leenbijstand vindt plaats conform de bepalingen in hoofdstuk 8.
Paragraaf 3.4 Aanvullende bijstand levensonderhoud
Artikel 3.4.1 Aanvullende bijstand op de jongerennormen
[vervallen i.v.m. nieuwe wetgeving]
Artikel 3.4.2 Overbruggingsuitkering voor vergunninghouders
1Een overbruggingsuitkering wordt verstrekt aan de vergunninghouder, die na toekenning van de verblijfvergunning in de gemeente gehuisvest wordt en per direct recht heeft op algemene bijstand.
2De overbruggingsuitkering wordt bij aanvang van de bijstandsuitkering verstrekt in de vorm van bijzondere bijstand om niet en is bedoeld om te kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die direct samenhangen met de eerste vestiging in Zaanstad.
3De bijstand wordt verleend aan de vergunninghouder, die voor vestiging in de gemeente verbleef in een Nederlands Asielzoekerscentrum of aangemerkt kan worden als uitgenodigde vluchteling. Onder een uitgenodigde vluchteling wordt verstaan de vluchteling die via de UNHCR door het Ministerie van Buitenlandse zaken wordt uitgenodigd zich in Nederland te hervestiging en direct op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd door de IND wordt toegelaten tot Nederland.
4De overbruggingsuitkering is als volgt opgebouwd:
1de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief de vakantietoeslag zoals genoemd in artikel 19, derde lid van de wet, minus 1 maand netto huur waarop de huurtoeslag in mindering is gebracht;
2de 1e verhuurnota tot een maximum van 2 maanden bruto huur.
5Een overbruggingsuitkering wordt niet verstrekt bij gezinshereniging.
Paragraaf 3.5 Hoogte verstrekkingen
Artikel 3.5.1 Bijzondere bijstand voor medische kosten
1De Zorgverzekeringswet wordt voor de verlening van bijstand voor medische kosten adequaat en toereikend geacht. Voor deze kosten wordt geen buitenwettelijk begunstigend beleid toegepast. Dit betekent dat alleen nog bijzondere bijstand voor medische kosten wordt verstrekt als dit een direct gevolg is van de toepassing van artikel 35, eerste lid van de wet.
2In afwijking van het eerste lid wordt op grond van artikel 35, derde lid van de wet, bijzondere bijstand voor medische kosten verstrekt via de "gemeentelijke collectieve aanvullende zorgverzekering voor de minima" van de gemeente bij Zilveren Kruis en Univé.
3De in het voorgaande lid vermelde bijzondere bijstand bestaat uit:
a.een bijdrage in de premie voor aanvullende zorg- en tandartsverzekering en;
b.de vergoeding van het wettelijk verplichte eigen risico.
4Voor verzekerden bij Zilveren Kruis gelden in 2026 de volgende bedragen:
Optimaal aanvullend 1 en de Optimaal Tand Extra 1 tezamen: € 15,43;
Optimaal aanvullend 2 en de Optimaal Tand Extra 2 tezamen: € 20,41;
Optimaal aanvullend 3 en de Optimaal Tand Extra 2 tezamen € 29,03.
Voor verzekerden bij Univé gelden de volgende bedragen:
a.Gemeentepakket Compact, aanvullende zorg- en tandartsverzekering: € 17,24 per verzekerde per maand. Geen bijdrage in het wettelijk verplichte eigen risico.
b.Gemeentepakket Compleet, aanvullende zorg- en tandartsverzekering en de vergoeding verzekering eigen bijdrage tezamen: € 60,40 per verzekerde per maand.
De bijdrage in de premie voor aanvullende zorg- en tandartsverzekering wordt vanaf 1 januari 2026 jaarlijks geïndexeerd met de gemeentelijke subsidie index.
5Als het inkomen gedurende het kalenderjaar stijgt tot boven het sociaal minimum blijft het recht op deelname aan de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, inclusief de aanvullende tandarts- en zorgverzekering, ongewijzigd tot en met de laatste maand van het kalenderjaar. Belanghebbende blijft gedurende deze periode tevens recht houden op de tegemoetkoming, zoals bedoeld in het derde lid.
6Het eerste lid is niet van toepassing:
a.gedurende de periode dat belanghebbende voor het eerst een beroep doet op algemene bijstand voor levensonderhoud of bijstand voor medische kosten tot het moment dat hij op grond van artikel 5 en artikel 6 van de Zorgverzekeringswet van Zorgverzekeraar kan veranderen;
b.als belanghebbende vanwege een aandoening zich voor ziektekosten bij een op deze aandoening gespecialiseerde Zorgverzekeraar verzekerd heeft;
c.als belanghebbende niet deel kan nemen aan de collectieve aanvullende zorgverzekering voor de minima of niet van Zorgverzekeringsmaatschappij kan veranderen vanwege een betalingsachterstand.
7Aan de personen, bedoeld in het vorige lid, kan op aanvraag bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van het wettelijk eigen risico.
8In de situatie waarop het zevende lid van toepassing is, wordt de hoogte van de te verstrekken bijstand ontleend aan de in het tweede lid genoemde verzekeringen, die vergelijkbaar is met het pakket op grond waarvan belanghebbende verzekerd is tegen zorgkosten.
Artikel 3.5.2 Richtbedragen duurzame gebruiksgoederen
1Voor de vaststelling van de maximale vergoeding van duurzame gebruiksgoederen wordt uitgegaan van de richtprijzen, zoals vastgesteld door het Nibud en gepubliceerd in de Prijzengids voor de bijzondere bijstand, uitgave september van de betreffende periode.
2Ten aanzien van de door het Nibud gehanteerde bedragen voor een totale woninginrichting, de zogenaamde “Inventarispakketten”, geldt een maximale vergoeding van 55% van het door het Nibud gehanteerde richtbedrag.
3Voor zover bijstand gevraagd wordt voor kosten, waarvoor het Nibud geen richtprijs heeft vastgesteld, wordt uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.
Artikel 3.5.3 Reiskosten vergunninghouders in verband met een inburgeringstraject
1Aan de vergunninghouder voor wie een inburgeringsverplichting geldt en die deelneemt aan een inburgeringstraject kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de noodzakelijke reiskosten naar het opleidingsinstituut.
2De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand voor reiskosten wordt gebaseerd op de daadwerkelijk gemaakte kosten op basis van het openbaar vervoer tussen het woonadres en het adres van het opleidingsinstituut.
Artikel 3.5.4 Gehandicaptenparkeerkaart
1In de kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart, zoals bedoeld in artikel 49, eerste lid van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), wordt een tegemoetkoming in de vorm van bijzondere bijstand verstrekt.
2De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt de in het eerste lid bedoelde kosten, minus een eigen bijdrage van € 30,70.
3De hoogte van de eigen bijdrage wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd, voor het eerst op 1 januari 2020, op basis van de indexatie die door de gemeente wordt gehanteerd voor de begroting van het betreffende kalenderjaar.
4De kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een medische keuring op eigen huisadres en de kosten voor de aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats komen volledig in aanmerking voor de verlening van bijzondere bijstand.
5De kosten van bijstand, genoemd in dit artikel, kunnen met terugwerkende kracht voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking gebracht, als belanghebbende of diens vertegenwoordiger de aanvraag binnen een termijn van een maand heeft ingediend gerekend vanaf de datum afgifte van de beschikking.
Paragraaf 3.6 Vergoeding kinderopvang o.g.v. sociaal medische indicatie (SMI)
Artikel 3.6.1 Doelgroep SMI
Belanghebbende in het kader van SMI is:
1De persoon die tijdelijk, vanwege lichamelijke of psychische beperking, niet in staat is zorg te dragen voor de dagelijkse zorg voor de eigen kinderen.
2De persoon, die een kind heeft waarvoor tijdelijke kinderopvang noodzakelijk is in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind.
Artikel 3.6.2 Te verstrekken gegevens en advisering
1Alvorens te besluiten op een aanvraag SMI kan het college zich laten adviseren door een onafhankelijk deskundige, dan wel de professionele begeleider van het gezin in de problematiek die leidt tot de aanvraag.
2De ouder en de partner zijn verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek van de adviseur als bedoeld in het vorige lid.
Artikel 3.6.3 Weigeringsgronden
Een tegemoetkoming kinderopvang op grond van een aanvraag SMI wordt geweigerd als:
1De ouder en/of de partner reeds anderszins een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen.
2De ouder en/of de partner weigert mee te werken aan het onderzoek als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, dan wel weigert toestemming te geven voor het opvragen van zijn gegevens door de adviseur zoals bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid.
Artikel 3.6.4 Akte van Cessie
Het college kan als voorwaarde voor verlening van de tegemoetkoming stellen dat belanghebbenden akkoord gaan met cessie van de tegemoetkoming aan het kindercentrum of gastouderbureau en dat zij daartoe een akte van cessie ondertekenen en inleveren bij het college.
Artikel 3.6.5 Ingangsdatum tegemoetkoming
Als op de aanvraagdatum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop kinderopvang zal starten.
Artikel 3.6.6 Omvang
1De tegemoetkoming omvat het aantal uren kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.
2In afwijking van het eerste lid omvat de tegemoetkoming het aantal uren kinderopvang dat naar het oordeel van de gemeente redelijk is om in de noodzakelijke omvang van de zorg te kunnen voorzien.
Artikel 3.6.7 Vaststelling van de tegemoetkoming
1Desgevraagd verstrekt de ouder binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.
2Wanneer de ouder niet heeft voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, kan het college de tegemoetkoming na verloop van vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend vaststellen.
Paragraaf 3.7 Bijstandsverlening met terugwerkende kracht
Artikel 3.7.1 Terugwerkende kracht geldend voor aanvragen van bewindvoerders, mentoren, advocaten en mediators
1De kosten van bewindvoering of mentorschap en het daarop van toepassing zijnde griffierecht worden met terugwerkende kracht tot de datum van de beschikking van de rechtbank voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking gebracht, als de bewindvoerder of mentor namens belanghebbende de aanvraag binnen een termijn van drie maanden heeft ingediend gerekend vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank.
2De kosten van de eigen bijdrage van advocaten en mediators worden met terugwerkende kracht tot de datum waarop de toevoeging is verleend door de Raad voor Rechtsbijstand voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking gebracht, als de advocaat of mediator namens belanghebbende de aanvraag binnen een termijn van drie maanden heeft ingediend gerekend vanaf de datum waarop de toevoeging is verleend door de Raad voor Rechtsbijstand.
3De kosten van het beheren van een PGB worden met terugwerkende kracht tot de datum waarop de bewindvoerder het PGB in beheer heeft gekregen voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking gebracht, als de bewindvoerder namens belanghebbende de aanvraag binnen een termijn van drie maanden heeft ingediend gerekend vanaf de datum waarop de Rechtbank toestemming heeft verleend.
4De kosten van griffierecht worden met terugwerkende kracht voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking gebracht, als belanghebbende of diens vertegenwoordiger de aanvraag binnen een termijn van drie maanden heeft ingediend gerekend vanaf de datum waarop de nota van de Rechtbank aan belanghebbende of diens vertegenwoordiger is verstuurd.
Paragraaf 3.8 Bijzondere bijstand, als maatwerk nodig is
Artikel 3.8.1 Maatwerk bij de verlening van bijzondere bijstand
1Als er naar oordeel van het college dringende omstandigheden aanwezig worden geacht om de alleenstaande of het gezin financiële ondersteuning te bieden, terwijl de kosten om deze financiële ondersteuning te verstrekken niet of niet geheel aangemerkt kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de wet, kan er ook sprake zijn van een noodzaak tot verlening van bijzondere bijstand als door deze bijzondere bijstand:
1hogere maatschappelijke kosten voor de gemeente in de toekomst worden voorkomen;
2een doorbraak wordt geforceerd in de omstandigheden van de persoon of het gezin of de situatie van de persoon of het gezin significant verbetert en de zelfredzaamheid daardoor wordt vergroot;
3escalatie van de problematiek, waar de persoon of het gezin mee wordt geconfronteerd, wordt opgelost dan wel wordt voorkomen.
2Als maatwerk in de vorm van bijzondere bijstand nodig is, dient er aan tenminste twee van de drie voorwaarden, zoals genoemd in het eerste lid, te worden voldaan.
3De te verstrekken bijzondere bijstand is aanvullend op de middelen waarover belanghebbende de beschikking heeft om in de betreffende kosten te voorzien en richt zich op de goedkoopste adequate voorziening.
4De in het eerste lid bedoelde bijzondere bijstand kan ook betrekking hebben op kosten die gerekend worden tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.
5De bijzondere bijstand wordt zo mogelijk in natura verstrekt.
Artikel 3.8.2 Draagkrachtbepalingen voor de verlening van maatwerk
1Als bijzondere bijstand noodzakelijk is op grond van artikel 3.8.1, wordt geen toepassing gegeven aan de draagkrachtbepalingen genoemd in paragraaf 3.1.
2In afwijking van het eerste lid:
1wordt een bedrag aan liquide middelen vrijgelaten om te kunnen voorzien in de dagelijkse kosten van het levensonderhoud, zoals bedoeld in artikel 2.2.2;
2worden de middelen, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid van de wet tot de middelen van belanghebbende gerekend.
3wordt de vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34, tweede lid, onderdeel b van de wet op nul gesteld;
Artikel 3.8.3 Verplichtingen verbonden aan de bijstand die als maatwerk wordt verstrekt
Aan de verstrekking van de bijzondere bijstand in de vorm van maatwerk kunnen verplichtingen verbonden worden. Deze verplichtingen kunnen gericht zijn op:
1het voorkomen dat belanghebbende binnen afzienbare tijd weer terugvalt in de situatie voor aanvang van de bijstandsverlening, zoals het accepteren van begeleiding in het beheer van de financiën;
2beheersing van de Nederlandse taal of specifieke computervaardigheden die nodig zijn om de financiën te kunnen beheren;
3begeleiding die voor belanghebbende van belang wordt geacht om een stabiele situatie te bereiken of in stand te houden.
Paragraaf 3.9 Woonkostentoeslag
Artikel 3.9 Bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag
Artikel 3.9.1 Begripsbepalingen
In deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a) bijzondere bijstand: bijstand voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 35, lid 1 van de wet;
b) rekenhuur: kale huur vermeerderd met de servicekosten waarvoor huurtoeslag kan worden verstrekt;
c) inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet;
d) vermogen: vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;
e) draagkracht: het deel van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt te gebruiken om in de bijzondere kosten te voorzien conform artikel 3.1.7 in deze beleidsregels;
f) voorliggende voorziening: de Wet op de huurtoeslag is een voorliggende voorziening voor huurkosten, zolang deze kosten de grens voor huurtoeslag niet overschrijden;
g) Wht: Wet op de huurtoeslag;
Artikel 3.9.2 Vorm van bijstand
1Woonkostentoeslag wordt in beginsel om niet (als gift) verstrekt.
2bepaalde voorwaarden Woonkostentoeslag kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht. Dit is alleen mogelijk als dit in de wet geregeld is. Voor de voorwaarden wordt verwezen naar de e bijzondere bijstand genoemde voorwaarden in artikel 3.7.5 derde lid, onder b, van deze beleidsregel wordt als lening verstrekt, omdat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, conform artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet.
3Onder bepaalde voorwaarden Woonkostentoeslag kan verleend worden in de vorm van een krediethypotheek. Voor deze voorwaarden wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze beleidsregels.
Artikel 3.9.3 Voorwaarden
1Aanvullend op artikel 3.1.6 van deze beleidsregels komen inwoners van Zaanstad met een laag inkomen, in aanmerking:
a) nadat voorliggende voorzieningen zijn benut;
b) als door onvoorziene omstandigheden zoals het verlies van werk, scheiding, ziekte of plotselinge inkomensdaling, een inwoner niet langer in staat is om de toerekenbare woonkosten te betalen.
Artikel 3.9.4 Hoogte
1De woonkostentoeslag wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht, beoordeeld volgens artikel 3.1.7 van deze beleidsregels.
2De hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning, betreft het niet-gesubsidieerde deel van de kale huur boven het rekenplafond.
3De hoogte van de woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt per maand vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag.
4Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning worden de volgende kosten van de door belanghebbende daadwerkelijk bewoonde woning in ogenschouw genomen:
a) de waarde van de woning, zoals vastgelegd in artikel 3.1.4 lid 2 en volgens de berekening zoals is vastgelegd in artikel 7.2.1;
b) de hypotheekrente voor de woning;
c) de onroerendezaakbelasting (eigenaarsgedeelte), de rioolretributie (eigenaarsgedeelte) en de waterschapslasten (eigenaarsgedeelte);
d) de premie van de opstalverzekering.
5Als de kosten genoemd in lid 2 meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de kosten voor de eigen woning.
Artikel 3.9.5 Duur
1De woonkostentoeslag wordt verleend voor een periode van maximaal 12 maanden vanaf datum aanvraag.
2Zolang de verhuisplicht, zoals omschreven in artikel 3.7.6, niet opgelegd is, geldt er geen maximale duur voor de woonkostentoeslag. Bij een aanvraag om verlenging kan ieder jaar deze met 12 maanden worden verlengd als de situatie onveranderd is.
3Bij woonkosten boven de maximale huurgrens kan de woonkostentoeslag echter worden verlengd met maximaal 12 maanden, totdat de maximale periode van 24 maanden bereikt is, als;
a) Belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks aantoonbaar voldoende inspanningen daartoe, of;
b) Belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, maar waarbij sprake is van dringende omstandigheden. De aanvraag om de verlenging van de woonkostentoeslag wordt dan niet afgewezen, maar toegekend in de vorm leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Artikel 3.9.6 Verhuisplicht
1Aan de verlening van woonkostentoeslag kan op grond van artikel 55 van de wet nadere voorwaarden worden verbonden in de vorm van een verhuisplicht. De verhuisplicht is gericht op het zoeken en accepteren van een (goedkopere) passende woning of woonruimte. Ook kan van belanghebbende worden verwacht dat hij of zij zich inspant om het inkomen te verhogen (arbeidsverplichting, zoals benoemd in artikel 9 van de wet).
2Van de verhuisplicht kan worden afgezien indien:
a) Belanghebbende of een persoon uit diens huishouden gehandicapt is en de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege de handicap;
b) Bij belanghebbende sprake is van door een deskundige vastgestelde geobjectiveerde sociale of medische problematiek waardoor verhuizen niet kan worden gevergd;
c) Aan belanghebbende algemene bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening in verband met een krediethypotheek, tot het moment dat het kredietplafond is bereikt;
d) Belanghebbende als zelfstandige wordt aangemerkt die gedurende een korte periode algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.
3Bij de verhuisplicht wordt van belanghebbende verwacht dat:
a) de aanvrager actief zoekt naar goedkopere woonruimte;
b) de aanvrager op aanvraag van de gemeente bewijs van inspanningen aanlevert.
Hoofdstuk 4 Beheersing van de Nederlandse taal Artikel 4.1 Aantonen beheersing Nederlandse taal.
Artikel 4.2 Beheersing taalniveau 1F
Belanghebbende wordt geacht de Nederlandse taal in voldoende mate te beheersen op taalniveau 1F, als belanghebbende een van de volgende opleidingen heeft gevolgd en dit met bewijsstukken kan aantonen:
1MBO-, VO-, HBO- of universitaire Nederlandstalige opleiding in Nederland, de Nederlandse Antillen, Suriname of België;
2een certificaat van een erkende/gecertificeerde opleiding/onderwijsinstelling waaruit blijkt dat de werkzoekende de Nederlandse taal op 1F (A2) niveau beheerst;
3een diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de vroegere Wet op het leerlingwezen of de vroegere Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
4het certificaat op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) alsmede de verklaring van het regionaal opleidingscentrum (ROC) op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald;
5certificaat voor oudkomers, zoals bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 voor de onderdelen luisteren, spreken, lezen en schrijven is behaald;
6diploma staatsexamen NT2;
7certificaat Nederlandse Naturalisatietoets van een in Bonaire, Sint Eustatius, Saba, Aruba, Curaçao of Sint Maarten;
8Of ander document waaruit blijkt dat belanghebbende de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst op niveau 1F.
Artikel 4.3 Geen toets
Belanghebbende wordt geacht in voldoende mate de Nederlandse taal te beheersen, noodzakelijke voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, zoals bedoeld in artikel 18b, eerste lid van de wet, waardoor geen toets wordt afgenomen, als:
1bij belanghebbende tijdens een vorige uitkeringsperiode al een toets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst op het niveau 1F;
2belanghebbende die een uitkering had in een andere gemeente en in die gemeente al een toets met succes heeft afgelegd. De toetsresultaten kunnen worden overgenomen, tenzij deze onvoldoende zekerheid bieden over de actuele taalvaardigheid;
3uit zijn aard kortdurende bijstand wordt aangevraagd. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij op handen zijnde emigratie, bij een terminale ziekte of het op korte termijn bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
4belanghebbende bezig is met zijn inburgeringstraject in het kader van de Wet inburgering 2013;
5belanghebbende deelneemt aan een re-integratietraject, waarbij een taaltraject is opgenomen dat leidt tot tenminste het taalniveau 1F;
6belanghebbende een traject volgt gericht op oriëntatie op het zelfstandig ondernemerschap, waarbij een taaltraject is opgenomen dat leidt tot tenminste het taalniveau 1F;
7belanghebbende een taaltraject volgt bij Vluchtelingenwerk, waarbij het taaltraject opleidt tot tenminste het taalniveau 1F;
8zowel belanghebbende als het college van mening zijn dat belanghebbende de Nederlandse taal niet of niet in voldoende mate beheerst, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en belanghebbende zich bereid verklaart zich te willen inspannen om het vereiste niveau te behalen, zoals bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onderdeel a van de wet.
Artikel 4.4 Ontbreken verwijtbaarheid
Elke vorm van verwijtbaarheid, zoals bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onderdeel b van de wet, ontbreekt in elk geval bij de belanghebbende:
1die ontheven is van de inburgeringsplicht op grond van onvoldoende leervermogen na aantoonbare inspanning;
2die aantoonbaar niet over leervermogen beschikt;
3van wie om persoonlijke redenen blijvend niet verlangd kan worden dat hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst of zal beheersen, onder meer als belanghebbende om medische en/of psychosociale redenen niet leerbaar wordt geacht. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als er sprake is van: dyslexie, analfabetisme, cognitieve problemen, audiovisuele beperkingen, doofheid, leerproblemen, medische gronden en andere in de persoon gelegen factoren;
4die op grond van volledige arbeidsongeschiktheid een ontheffing om dringende redenen als bedoeld in artikel 9, vijfde lid van de wet heeft gekregen voor de verplichting tot het zoeken naar betaalde arbeid en tot het verrichten van een tegenprestatie;
5van wie op grond van individuele omstandigheden geen inspanningsverplichting verlangd kan worden;
6aan wie een ontheffing is verleend op grond van een andere regeling waarin een verplichting is opgenomen gericht op beheersing van de Nederlandse taal.
Artikel 4.5 Beoordelen en voortgang
1Als belanghebbende een taalcursus volgt bij een instelling of organisatie kunnen de onderstaande instrumenten (eventueel in combinatie) gehanteerd worden om de voortgang van de inspanning van belanghebbende te beoordelen:
a.presentielijsten;
b.voortgangsrapportage;
c.indrukken van de leerkracht/cursusleider;
d.en/of (voortgangs)toets.
2Als belanghebbende niet bij een instelling of organisatie aan de verbetering van zijn taalbeheersing werkt, kan de voortgang individueel beoordeeld worden door middel van:
a.reguliere gesprekken met de consulent/klantmanager die op basis van het gesprek toetst of belanghebbende voldoende inspanningen verricht;
b.het toetsen van het niveau met behulp van de Taalmeter;
c.portfolio;
d.inzet van de toets (de nulmeting of voortgangsmeting).
Hoofdstuk 5 Individuele inkomens- en studietoeslag Paragraaf 5.1 Individuele inkomenstoeslag
Artikel 5.1.1 Aanvraag
1Een verzoek voor een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet wordt ingediend met een door het college vastgesteld formulier.
2Belanghebbenden, die op grond van de wetten een uitkering levensonderhoud ontvangen, krijgen na de eerste toekenning van de toeslag, telkens na 12 maanden en bij ongewijzigde omstandigheden, opnieuw een individuele inkomenstoeslag. Deze vervolgtoekenningen worden ambtshalve verleend. Om over toereikende en actuele informatie te beschikken kan gebruikgemaakt worden van gegevens die via het Inlichtingenbureau kunnen worden verkregen.
3De individuele inkomenstoeslag kan slechts eenmaal per twaalf maanden worden toegekend. De periode van twaalf maanden vangt aan op de datum waarop eerder een inkomenstoeslag is aangevraagd.
Artikel 5.1.2. Beoordeling inkomensverbetering
1Voor de bepaling van het recht op een toeslag worden de volgende omstandigheden van de aanvrager beoordeeld:
a.de krachten en bekwaamheden van de persoon;
b.de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
2De omstandigheden, genoemd in het eerste lid onder a, worden beoordeeld naar de mate waarin belanghebbende zijn positie op de arbeidsmarkt heeft verbeterd, rekening houdend met de in de persoon gelegen factoren.
3De omstandigheden, genoemd in het eerste lid onder b, worden beoordeeld naar de mate waarin belanghebbende zich heeft ingezet om te participeren, rekening houdend met de in de persoon gelegen factoren.
Artikel 5.1.3 Gemiddeld inkomen
1Het inkomen tijdens de referteperiode, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel c van de Verordening individuele inkomenstoeslag Zaanstad 2022, wordt vastgesteld op basis van door belanghebbende te verstrekken jaaropgaven, jaarrekeningen of belastingaanslagen. Dit inkomen wordt omgerekend naar een netto inkomen.
2Voor zover het eerste jaar van de referteperiode een gebroken kalenderjaar is, wordt het inkomen over dat jaar bepaald door het gemiddeld inkomen per maand, berekend op grond van door belanghebbende te verstrekken jaaropgaven, jaarrekeningen of belastingaanslagen, tenzij wordt aangetoond of aannemelijk is dat deze berekeningswijze, in verband met sterk wisselende inkomsten, geen representatief beeld geeft van het inkomen in de referte periode.
3Het inkomen over de maanden die in het kalenderjaar van de peildatum vallen, wordt vastgesteld op basis van door belanghebbende te verstrekken overzichten van het netto inkomen. De hier bedoelde peildatum is de datum genoemd in artikel 1, lid 1, onderdeel b van de Verordening individuele inkomenstoeslag Zaanstad 2022.
4Met betrekking tot personen die vanuit een asielstatus recent een verblijfsvergunning hebben gekregen brengt een redelijke bewijslastverdeling met zich mee dat ervan uitgegaan mag worden dat deze groep gedurende de in het eerste lid genoemde periode niet over inkomsten of vermogen beschikt, tenzij naar het oordeel van het college het tegendeel aannemelijk is.
Paragraaf 5.2 Studietoeslag
Artikel 5.2.1 Hoogte van de studietoeslag
1De studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet bedraagt vanaf de leeftijd van 18 jaar een percentage van de bijstandsnorm voor gehuwden, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet. Dit percentage is voor personen in de leeftijd van:
a.18 tot en met 20 jaar: 11,5%;
b.21 jaar: 16%;
c.22 jaar: 18,5%;
d.23 jaar en ouder: 22%.
2Voor zover in artikel 7a Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021 een hoger bedrag per maand is bepaald, geldt in afwijking van het eerste lid dit hogere bedrag.
Artikel 5.2.2 Toekenning van de studietoeslag
Als door het college is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat over de aangevraagde periode, wordt de studietoeslag toegekend. De ingangsdatum voor de studietoeslag met eventueel terugwerkende kracht kan niet voor de ingangsdatum van de nieuwe regels per 1 april 2022 liggen of verder teruggaan dan 5 jaar in verband met de verjaringstermijn. Het is aan belanghebbende om aan te tonen dat hij/zij aan de voorwaarden voor studietoeslag voldoet.
Hoofdstuk 7 Zekerheidsstellingen
Paragraaf 7.1 Algemene bepalingen zekerheidsstellingen
Artikel 7.1.1 Vorm van de geldlening
1Aan de bijstandsverlening in de vorm van een geldlening worden verplichtingen verbonden gericht op meerdere zekerheid voor de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
2Een krediethypotheek wordt gevestigd, als sprake is van een woonhuis of woonboot.
3Een hypotheek wordt gevestigd bij bedrijfskapitaal en als belanghebbende een woning, woonboot, woonwagen of bedrijfspand in eigendom heeft.
4Pandrecht wordt gevestigd als sprake is van een woonwagen en/of andere roerende zaken
Artikel 7.1.2 Medewerkingsverplichting
1Bij verlening van bijstand onder verband van hypotheek, krediethypotheek of pandrecht dient belanghebbende mee te werken aan de vestiging van de hypotheek, de krediethypotheek of het pandrecht.
2Het niet verlenen van bedoelde medewerking heeft tot gevolg, dat een aanvraag voor bijstand wordt afgewezen en dat de al verstrekte bijstand direct opeisbaar is.
Paragraaf 7.2 Krediethypotheek
Artikel 7.2.1 Vaststelling waarde woning
1De hoogte van de geldlening wordt bepaald op de waarde van de eigen woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Voor de vaststelling van deze waarde wordt in eerste instantie uitgegaan van de waarde, zoals deze is vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde), onder aftrek van op de woning rustende zekerheidsstellingen en de vrijlatingen, zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.
2Op verzoek van de hypotheekgever kan van het vorige lid worden afgeweken en kan de waarde vastgesteld worden door een beëdigde taxateur op basis van de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering.
3Indien de hypotheekgever de voorkeur geeft aan een taxatie, zoals bedoeld in het vorige lid, dan is deze waardebepaling bindend.
4De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van de hypotheekgever.
De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand en wordt ten laste van de te vestigen krediethypotheek gebracht.
Artikel 7.2.2 Vaststelling waarde woonboot of woonwagen
1De waardebepaling van de woonboot of woonwagen wordt vastgesteld door een erkend of een voor dergelijke roerende zaken in elk geval als deskundig aan te merken taxateur op basis van de waarde van de woonboot of woonwagen in het economisch verkeer bij vrije oplevering.
2De in het vorige lid bedoelde deskundige wordt door belanghebbende in overleg met het college aangewezen.
3De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van de hypotheekgever of pandgever.
De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand en wordt ten laste van de te vestigen krediethypotheek of het pandrecht gebracht.
Artikel 7.2.3 Voorwaarden en bedingen
1Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in artikel 7.2.4 en artikel 7.2.5.
2De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
Artikel 7.2.4 Vaststelling aflossing
1De aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld in overeenstemming met de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand, zoals vastgelegd in Paragraaf 3.3 van deze beleidsregels.
2Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, dat niet uitgaat boven de 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt geen aflossing verlangd.
3Belanghebbende is verplicht wijzigingen in de omstandigheden binnen 14 dagen te melden aan het college.
4Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
5Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vorige lid wordt rekening gehouden met de noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
6Als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode in verzuim is met het voldoen van de vastgestelde aflossingen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar. Tevens is rente verschuldigd over de achterstallige aflossingstermijnen gedurende de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.
7De rente, bedoeld in het vorige lid, is de wettelijke rente.
Artikel 7.2.5 Verkoop van de woning
1Bij verkoop of vererving van de woning en als het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, evenals de op grond van artikel 7.2.4, achtste lid bijgeschreven rente, direct afgelost.
2Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende, dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
3Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
Artikel 7.2.6 Herleving recht op bijstand
Bij een hernieuwde aanvraag voor bijstand onder verband van krediethypotheek vindt een nieuwe waardebepaling plaats, als de periode tussen de beëindigde bijstand en de ingangsdatum van de daarop volgende bijstand meer dan twee jaar is. Als deze periode korter dan twee jaar is, dan wordt de bijstand verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.
Paragraaf 7.3 Hypotheek voor bedrijfskapitaal
Artikel 7.3.1 Vaststelling hoogte hypotheek
1De hoogte van de hypotheek is gelijk aan de in het kader van de Bbz te verstrekken geldlening voor bedrijfskapitaal of goederen.
2De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van de hypotheekgever.
Bedoelde kosten worden ten laste gebracht van het bedrijfskapitaal.
Artikel 7.3.2 Voorwaarden en bedingen
1Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in artikel 7.3.3 en artikel 7.3.4.
2De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
Artikel 7.3.3 Vaststelling aflossing
1De hoogte van de geldlening, het aflossingsbedrag, het rentepercentage en de betaalmomenten worden vastgelegd in een schuldbekentenis.
2Als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode in verzuim is met het voldoen van de vastgestelde aflossingen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar. Tevens is rente verschuldigd over de achterstallige aflossingstermijnen gedurende de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.
3De rente, bedoeld in het vorige lid, is de wettelijke rente.
Artikel 7.3.4 Verkoop van de woning
1Bij verkoop of vererving van de woning en als het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, evenals de op grond van artikel 7.2.4, achtste lid bijgeschreven rente direct afgelost.
2Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende, dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het eerst lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
Paragraaf 7.4 Pandrecht
Artikel 7.4.1 Vaststelling waarde woonwagen
1De waardebepaling van de woonwagen wordt vastgesteld door een erkend of een in elk geval als voor dergelijke roerende zaken deskundig aan te merken taxateur op basis van de waarde van de woonwagen in het economisch verkeer bij vrije oplevering.
2De in het vorige lid bedoelde deskundige wordt door belanghebbende in overleg met het college aangewezen.
3De kosten verbonden aan de taxatie en de inschrijving van het pandrecht, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van pandgever.
Artikel 7.4.2 Pandrecht voor bedrijfskapitaal
1Ter meerdere zekerheid van een verstrekte geldlening voor bedrijfskapitaal wordt in geval van bezittingen in de vorm van roerende goederen en vorderingen op grond van artikel 39, derde lid Bbz pandrecht gevestigd op deze zaken en vorderingen.
2Vestiging van pandrecht vindt plaats bij geregistreerde onderhandse akte.
3De akte wordt geregistreerd bij het kantoor van de Belastingdienst te Amsterdam.
4Pandgever en diens eventuele meerderjarige gezinsleden dienen de pandakte te ondertekenen.
Artikel 7.4.3 Pandrecht voor woonwagen
1Ter meerdere zekerheid van een verstrekte geldlening voor een woonwagen wordt pandrecht gevestigd.
2Vestiging van pandrecht vindt plaats bij geregistreerde onderhandse akte.
3De akte wordt geregistreerd bij het kantoor van de Belastingdienst te Amsterdam.
4Pandgever en diens eventuele meerderjarige gezinsleden dienen de pandakte te ondertekenen.
Artikel 7.4.4 Rente uit pandrecht
Tenzij anders is bedongen, strekt het pandrecht van een of meer bepaalde vorderingen tevens tot zekerheid voor drie jaren rente, die over deze vorderingen krachtens overeenkomst of wet verschuldigd is.
Artikel 7.4.5 In de akte op te nemen bedingen
In de akte pandrecht worde de volgende bedingen opgenomen:
1het moment waarop het pandrecht vervalt;
2onder welke voorwaarden de pandhouder gebruik mag maken van zijn bevoegdheid;
3welke verplichtingen de pandgever heeft, zoals verzekeringsplicht en mededelingsplicht.
Hoofdstuk 8 Terugvordering
Paragraaf 8.1 Matiging
Artikel 8.1.1 Bevoegdheid
1Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om op grond van wetten, uitkeringsbesluiten te herzien of in te trekken, een uitkering terug te vorderen en teruggevorderde bedragen in te vorderen of door verrekening te innen. Aan de hand van een belangenafweging bepaalt het college of en zo ja, in hoeverre zij afziet van deze bevoegdheid. Daarbij worden de belangen van de belanghebbende en die van het college tegen elkaar afgewogen.
2De ten onrechte ontvangen of te veel verstrekte uitkering wordt teruggevorderd inclusief de door de gemeente afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen, voor zover deze niet kunnen worden verrekend met de Belastingdienst.
3Het college ziet af van brutering van de vordering als bedoeld in het tweede lid en beperkt de vordering tot een nettobedrag, als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en belanghebbende niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft.
4In afwijking van het eerste lid kan het college geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering als dringende redenen dit rechtvaardigen, of indien en voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk een bijzondere grond voor matiging opleveren.
5Het college ziet af van terugvordering indien het totaalbedrag van de vordering niet meer bedraagt dan €150,-. Het zo genoemde kruimelbedrag.
6In afwijking van het vijfde besluit het college tot terugvordering over te gaan indien:
a.sprake is van verrekening;
b.sprake is van recidive of structureel onjuist gedrag;
c.het bedrag onderdeel is van een grotere vordering wat betreft een aansluitende periode;
d.er sprake is van opzettelijke schending van de inlichtingenplicht;
e.er sprake is van een boetevordering.
Artikel 8.1.2 Kwijtschelding in verband met schuldsanering
1In verband met een te treffen schuldsanering tegen finale kwijting kan het college besluiten tot gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand als:
a.redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende wegens zijn grote schuldenlast niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en;
b.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 8.1.5, eerste lid, bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en;
c.de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
2Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.
3Er wordt geen kwijtschelding verleend in verband met schuldsanering als de terugvordering van bijstand het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid en artikel 58, eerste lid van de wet, artikel 17, eerste lid en artikel 25, eerste lid van de IOAZ, artikel 17, eerste lid en artikel 25, eerste lid van de IOAW of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.
4Als sprak is van een situatie, genoemd in het vorige lid, kan gedurende het traject van de schuldsanering de terugvordering tijdelijk wel op een lager bedrag worden gesteld naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
5Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een bestuurlijke boete als wordt voldaan aan de vereisten, zoals genoemd in artikel 18a, dertiende en veertiende lid van de wet.
Artikel 8.1.3 Intrekking kwijtscheldingsbesluit
Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering, zoals bedoeld in artikel 8.1.2 wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd als:
1Niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen.
2De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet.
3De belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en deze informatie tot een ander besluit zou hebben geleid.
Artikel 8.1.4 Kwijtschelding restant vordering
Het college besluit van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, als de belanghebbende:
1gedurende 36 maanden volledig en via het minnelijke traject aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en tenminste 75% van de bruto vordering is afgelost.
2gedurende 36 maanden volledig en via het minnelijke traject aan zijn aflossingsverplichtingen op de leenbijstand heeft voldaan.
3Afgezien van het bepaalde in artikel 8.1.3, derde lid wordt geen kwijtschelding verleend als de terugvordering het gevolg is van door belanghebbende verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens en deze informatie tot een ander besluit zou hebben geleid.
Artikel 8.1.5 Afzien van kwijtschelding
Van kwijtschelding wordt afgezien als:
1De vordering is ontstaan door schending van de informatieplicht.
2De vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een zaak of zaken, behoudens voor zover de vordering niet op die zaak of zaken verhaald kan worden.
3Een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen, dan wel als een dergelijk verzoek, indien het is, of zou worden gedaan, zou moeten worden afgewezen op de gronden genoemd in artikel 288 Faillissementswet.
Paragraaf 8.2 Invordering van teruggevorderde bijstand
Artikel 8.2.1 Wijze van terugvordering
1Ieder teruggevorderd bedrag dient ineens, binnen 6 weken na bekendmaking van het terugvorderingsbesluit te worden terugbetaald, tenzij de belanghebbende binnen deze termijn om een betalingsregeling heeft verzocht.
2Een betalingsregeling wordt geweigerd als belanghebbende over voldoende vermogen en/of inkomen beschikt om het teruggevorderde bedrag ineens te voldoen.
Artikel 8.2.2 Hoogte aflossingsbedrag
Als een betalingsregeling wordt vastgesteld, wordt de maandelijkse betalingsverplichting bepaald in overleg met belanghebbende. De beslagvrije voet van artikel 475d, vijfde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt in acht genomen waarbij geldt dat:
1voor de belanghebbende die algemene bijstand ontvangt ten laste van de gemeente Zaanstad een bedrag ter hoogte van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt afgelost;
2voor de belanghebbende die geen algemene bijstand ontvangt een bedrag ter hoogte van ten minste 5% van de, zou belanghebbende uitkeringsgerechtigd zijn, van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt afgelost.
Artikel 8.2.3 Niet meewerken aan betalingsregeling
1Als de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of de betalingsregeling niet meer nakomt dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd met toepassing van alle mogelijke rechtsmiddelen, daaronder begrepen:
a.verrekening met de maandelijks verleende bijstand;
b.een executoriaal beslag conform het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
c.het college kan de wijzen van tenuitvoerlegging omschreven in onderdeel a en b, zo nodig tegelijkertijd toepassen.
2Indien er vrees voor verduistering van vermogensbestanddelen bestaat kan het college voorafgaand aan de bekendmaking van het terugvorderingsbesluit overgaan tot het leggen van conservatoir beslag en direct na de bekendmaking van het terugvorderingsbesluit overgaan tot tenuitvoerlegging.
3Als terugvordering op grond van de voorgaande leden niet mogelijk is en het terug te vorderen bedrag of het restant van de vordering niet hoger is dan € 250 wordt het terugvorderingsbesluit niet ten uitvoer gelegd.
Paragraaf 8.3 Terugvorderingsbepalingen Bbz 2004
Artikel 8.3.1 Aanvullende bepalingen terugvordering
In aanvulling op de algemene terugvorderingsbepalingen, geldt voor de uitvoering van de Bbz de aanvullende bepalingen genoemd in deze paragraaf.
Artikel 8.3.2 Bevoegdheden op grond van de Bbz
Het college maakt in volle omvang van haar bevoegdheden gebruik om besluiten te herzien of in te trekken, een uitkering terug te vorderen en teruggevorderde bedragen in te vorderen of door verrekening te innen.
Artikel 8.3.3 Moment van terugvordering verstrekt bedrijfskapitaal
Het college vordert toegekend bedrijfskapitaal terug als belanghebbende na een herinnering en een aanmaning niet aan zijn rente- en/of aflossingsverplichtingen voldoet.
Artikel 8.3.4 Verwijtbare bedrijfsbeëindiging
1Er is in ieder geval sprake van verwijtbare bedrijfsbeëindiging. zoals bedoeld in artikel 43, tweede lid van de Bbz 2004, als er sprake is van:
a.bestuurdersaansprakelijkheid;
b.privébestedingen die niet in lijn liggen met de inkomsten en een inkomen op bijstandsniveau en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen;
c.Er sprake is van het beëindigen van een levensvatbaar bedrijf zonder dat daar gegronde redenen voor zijn;
2De lening wordt gecontinueerd tegen dezelfde condities als het bedrijfskapitaal is verstrekt. Dat betekent met hetzelfde aflossingsbedrag en rentetarief.
Paragraaf 8.4 Overige bepalingen
Artikel 8.3.1 Verhoging vordering met kosten
1Als het college over kan gaan tot tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 8.2.3, dan wordt de vordering verhoogd met rente en kosten. Het totaal van de verhoging bedraagt 10% van de vordering met een minimum van € 50 en met een maximum van € 1.000.
2Als het college de inning van de vordering overdraagt aan een derde dan worden de door deze derde te maken kosten doorberekend aan de debiteur.
Hoofdstuk 9 Arbeidsinschakeling
Paragraaf 9.1 Vrijlating inkomsten
Artikel 9.1.1 Inkomsten uit arbeid
1Alle inkomsten uit arbeid worden geacht bij te dragen aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende en worden niet tot de middelen gerekend, overeenkomst artikel 31, tweede lid onder n en r van de Wet.
2In afwijking op het eerste lid dragen de volgende inkomsten uit arbeid niet bij aan de arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n en r van de wet als er sprake is van inkomsten uit:
1fraude;
2illegale arbeid.
Paragraaf 9.2 Instrumenten ter bevordering van arbeidsinschakeling
Artikel 9.2.1 Alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar
1De scholingsplicht, die ontstaat als de alleenstaande ouder ontheffing vraagt van de arbeidsverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de wet, artikel 38, lid 1, van de IOAW en artikel 38, lid 1, van de IOAZ, wordt op grond van een individuele beoordeling ingevuld.
2Richtlijn hierbij is, dat de scholingsplicht met tenminste 24 uur scholing per week wordt ingevuld. Daarbij wordt rekening gehouden met de belastbaarheid van belanghebbende en de individuele omstandigheden.
3Toekenning van scholing is gerelateerd aan: arbeidsmarktrelevantie, haalbaarheid en motivatie van belanghebbende.
4Voor toekenning van de scholing dienen minimaal drie recente vacatures met opleidingsvereiste uit de regio overlegd te worden.
5Op basis van een keuring of een erkende test wordt bepaald of de in artikel 9a, tiende lid, bedoelde krachten en bekwaamheden de ouder te boven gaan.
Artikel 9.2.2 Premie arbeidsinschakeling
1Het college kan een of maximaal twee maal per kalenderjaar een premie toekennen aan iemand van de doelgroep die via de voorziening Flexwerken parttime of tijdelijk werk aanvaardt, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
2De werkwijze voor de premie is als volgt:
a.Het bedrag van de premie is € 1,50 per gewerkt uur. Dit wordt uitbetaald bovenop de uitkering;
b.bij een flexopdracht van meer dan 24 uur per week is de werktermijn maximaal drie maanden;
c.bij een flexopdracht van minder dan 24 uur per week is de werktermijn maximaal zes maanden;
d.de hoogte van de premie wordt aan het eind van een flexwerkperiode vastgesteld en bedraagt ten hoogste het bedrag bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder j, van de Participatiewet.
Artikel 9.2.3 Tarief persoonlijke ondersteuning bij werk
1De vergoeding voor een externe jobcoach waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht volgt uit het geldende Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV.
2De vergoeding voor een jobcoach die door de werkgever is ingehuurd volgt uit het geldende Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV.
3Het uurtarief voor de interne jobcoach in dienst van de werkgever, respectievelijk de intern werkbegeleider wordt vastgesteld op diens bruto uurloon plus een opslag van 30%. Het uurtarief mag niet hoger zijn dan de vergoeding voor een jobcoach zoals bedoeld in de leden 1 en 2.
Artikel 9.2.4. Scholingsvoucher
[Vervallen]
Artikel 9.2.5. Vervoersvoorziening
[Vervallen]
Artikel 9.2.6. Werplekaanpassingen
[Vervallen]
Artikel 9.2.7 Subsidie Beschut Werk
[Vervallen]
Paragraaf 9.3 Vergoeding Verwervingskosten
Artikel 9.3.1 Vergoeding
1Voor verwervingskosten wordt geen bijstand verstrekt.
2Bij uitzondering bestaat aanspraak op een vergoeding van verwervingskosten, namelijk als:
1de belanghebbende voldoende besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, zoals een beroep op het eigen netwerk en sociale omgeving;
2de belanghebbende geen beroep kan doen op voorliggende voorzieningen.
3Afspraken over de kosten, vastgelegd in de CAO van het bedrijf of de bedrijfstak worden als voorliggende voorziening gezien.
4Er kan slechts aanspraak gemaakt worden op een vergoeding als dit belanghebbende zal ondersteunen om werkzaamheden bij een werkgever te verrichten.
5Het college beoordeelt of de aanvraag tot de uitzondering behoort, gebaseerd op een kosten/baten analyse vanuit het perspectief van de gemeente.
Artikel 9.3.2 Hoogte van de vergoeding
1Als de gevraagde vergoeding een vergoeding betreft waarbij er in voorliggende of aanpalende wetgeving, zoals de WKO, beperkingen zijn opgenomen met betrekking tot doelgroep, duur, omvang en kosten, dan gelden deze beperkingen ook bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding.
2Als de gevraagde vergoeding reiskosten betreft dan wordt de vergoeding gebaseerd op de kosten van openbaar vervoer.
Paragraaf 9.4 Reiskostenvergoeding in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling
Artikel 9.4.1 Begrippen
1In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a.reisafstand: de kortste afstand tussen woonadres en trajectlocatie gemeten door gebruikmaking van de ANWB routeplanner (afstand met auto).
b.traject gericht op arbeidsinschakeling: alle voorzieningen en activiteiten gericht op arbeidsinschakeling, waaronder participatietrajecten in het kader van inburgering op grond van de Wet inburgering 2021;
c.trajectlocatie: locatie waar het traject gericht op arbeidsinschakeling wordt gevolgd.
2Begrippen die in deze paragraaf worden gebruikt en die niet nader omschreven worden, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad 2025.
Artikel 9.4.2 Doelgroep
De doelgroep zijn personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgen.
Artikel 9.4.3 Reiskostenvergoeding
1Het college kan een reiskostenvergoeding in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling verstrekken als:
a.de belanghebbende geen beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
b.de belanghebbende een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, en de reisafstand naar de trajectlocatie minimaal 10 kilometer enkele reis bedraagt en de belanghebbende reist met openbaar vervoer of eigen vervoer.
Artikel 9.4.4 De aanvraagprocedure en beslistermijn
1Een aanvraag voor reiskostenvergoeding kan bij het college worden ingediend door de belanghebbende. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.
2Het college beslist binnen uiterlijk acht weken na ontvangst van de aanvraag of de belanghebbende in aanmerking komt voor reiskostenvergoeding.
Artikel 9.4.5 Hoogte van de vergoeding en uitbetaling
1De reiskostenvergoeding wordt betaald voor de duur van het traject van arbeidsinschakeling.
2De hoogte van de reiskostenvergoeding wordt als volgt berekend:
a.bij gebruik van het openbaar vervoer wordt voor de reiskostenvergoeding uitgegaan van de kosten op basis van het goedkoopste tarief voor het openbaar vervoer van woonadres naar trajectlocatie, met behulp van 9292.nl;
b.bij eigen vervoer is de reiskostenvergoeding gelijk aan de fiscaal vrijgelaten kilometervergoeding. De afstand wordt gemeten van woonadres tot trajectlocatie, met behulp van de ANWB routeplanner (kortste route auto).
3De reiskostenvergoeding wordt maandelijks achteraf uitbetaald, bij gebruik van het openbaar vervoer na overlegging van de OV-vervoersbewijzen en bij eigen vervoer na overlegging van een overzicht van de gereisde dagen, en de adresgegevens van het woonadres en de trajectlocatie.
4De reiskostenvergoeding wordt geheel of gedeeltelijk teruggevorderd als de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven.
Artikel 9.4.6 Overgangsrecht
Alle bestaande reiskostenvergoedingen in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling vallen onder de werking van deze beleidsregels, tenzij dit voor de belanghebbende leidt tot een nadelige situatie. Dan geldt de reiskostenvergoeding zoals die nu binnen het traject gericht op arbeidsinschakeling is overeengekomen voor de duur van dit traject.
Hoofdstuk 11 Schulddienstverlening
Artikel 11.1 Doel en doelgroep schulddienstverlening
1Schulddienstverlening heeft tot doel de belanghebbende te ondersteunen bij het bereiken of behouden van financiële zelfredzaamheid.
2Alle inwoners van de Gemeente Zaanstad van 18 jaar en ouder kunnen zich tot het college wenden voor schulddienstverlening.
Artikel 11.2 Aanbod schulddienstverlening
1Een aanbod schulddienstverlening kan bestaan uit één of meerdere van de onderstaande trajecten:
a.het geven van informatie en advies over het zelfstandig bereiken of behouden van financiële zelfredzaamheid en/of het zelfstandig oplossen van niet problematische schulden;
b.het ondersteunen bij het inzetten van een stabilisatietraject welke bestaat uit het bereiken van het in evenwicht brengen van inkomsten en uitgaven en/of het bereiken van financiële zelfredzaamheid.
c.het ondersteunen bij het oplossen van niet problematische schulden: het treffen van betalingsregelingen of het regelen van herfinanciering of het overnemen van schulden en/of het afwenden van een (crisis) situatie die een bedreiging vormt ten aanzien van het op kunnen lossen van de betalingsachterstanden;
d.ondersteunen bij het oplossen van problematische schulden: het inzetten van een schuldbemiddeling of saneringskrediet of het overnemen van schulden en/of het afgeven van een WSNP verklaring en/of het afwenden van een (crisis)situatie die een bedreiging vormt ten aanzien van het op kunnen lossen van de schuldenlast;
2Er is sprake van een problematische schuld als een belanghebbende redelijkerwijs niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of wanneer hij heeft opgehouden te betalen. Hiervan is sprake als:
a.het totale bedrag van rekeningen waarvan de betalingstermijn is verstreken niet binnen 3 jaar volledig kan worden ingelopen door het inzetten van de maandelijkse afloscapaciteit en/of;
b.gebleken is dat er geen (reëel) uitzicht bestaat om de aanwezige schuldenlast volledig af te kunnen lossen als gevolg van een wijziging in de financiële omstandigheden die ten tijde van het aangaan van de financiële verplichtingen (bijvoorbeeld een lening) redelijkerwijs niet was te voorzien.
3Een nazorg traject wordt standaard ingezet na afloop van een traject schulddienstverlening, genoemd in het eerste lid, onder c en d, en is gericht op het voorkomen van nieuwe schulden. Binnen 6 maanden na beëindiging van de dienstverlening wordt het initiatief genomen tot één of meer contactmomenten met de belanghebbende waarin wordt bekeken of er sprake is van een situatie waarin de inkomsten en uitgaven in evenwicht zijn.
Artikel 11.3 Beoordelingskader aanvraag schulddienstverlening
1Het college verleent een traject schulddienstverlening, zoals bedoeld in artikel 11.2, eerste lid, onderdeel c en d, op basis van een aanvraag.
2In het plan van aanpak wordt het traject uitgewerkt in concrete stappen en zijn de inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen opgenomen. Factoren die bij het bepalen van het aanbod een rol kunnen spelen zijn:
a.de zwaarte en/of omvang van de schulden;
b.de financiële situatie van de belanghebbende;
c.het niveau van de financiële zelfredzaamheid;
d.de oorzaak van de schulden;
e.de (psycho)sociale omstandigheden;
f.houding en gedrag van de belanghebbende;
g.recidive.
3Het college kan een ondertekend plan van aanpak aanmerken als aanvraag als dat is aangegeven in het plan.
Artikel 11.4 Informatieplicht belanghebbende
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de door de gemeente verleende ondersteuning schulddienstverlening. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
1wijzigingen in de inkomsten (bijvoorbeeld uitkering) en de uitgaven (bijvoorbeeld hoogte van de huur);
2wijzigingen in de gezinssituatie (kinderen die uit huis gaan, of thuis komen wonen, vertrek partner, of inwoning nieuwe partner, dan wel andere personen);
3wijzigingen met betrekking tot onderhuurders en/of kostgangers en/of woningdelers;
4wijzigingen met betrekking tot de huisvestingssituatie, verhuizing;
5wijzigingen in vermogen (waaronder auto’s, spaarrekeningen) en schulden;
6wijzigingen die van invloed zijn op de gemaakte afspraken in het plan van aanpak;
7overige wijzigingen die van invloed zijn op de berekening van het VTLB en het betalingsvoorstel aan de schuldeisers (bijvoorbeeld de verkoop van een auto, inkomsten uit een loterij etc.).
Artikel 11.5 Medewerkingsplicht belanghebbende
Er geldt een medewerkingsplicht om de financiële en onderliggende problematiek op te lossen. Aan schulddienstverlening zijn, afhankelijk van het gekozen traject, de volgende voorwaarden verbonden:
1De belanghebbende werkt toe naar het bereiken of behouden van financiële zelfredzaamheid. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan:
a.het werken aan het wegnemen van de oorzaak van de schulden, bijvoorbeeld een verslaving of het ontbreken van financiële vaardigheden;
b.het volgen van een budgetcursus;
c.het gebruik maken van administratieve begeleiding en/of budgetcoaching;
d.het bespreken van de inkomsten en uitgaven op basis van een budgetplan en ingeleverde bankafschriften.
e.het (tijdelijk) gebruik maken van budgetbeheer, of beschermingsbewind;
f.het nakomen van andere afspraken die voortvloeien uit het plan van aanpak om financiële zelfredzaamheid te bereiken, of te behouden.
2De belanghebbende laat, voor zover dit redelijkerwijs verwacht kan worden, geen nieuwe betalingsachterstanden ontstaan en beperkt het risico hierop, bijvoorbeeld door:
a.het indienen van de noodzakelijke belastingaangiften als een teruggave of een aanslag verwacht kan worden;
b.het starten van een procedure om de alimentatieverplichting te verlagen;
c.het ontbinden of opheffen van de gemeenschap van goederen;
d.het beëindigen van een niet levensvatbare onderneming door middel van een uitschrijving bij de Kamer van Koophandel, het op orde hebben van de boekhouding en bijbehorende administratie en het hebben ingediend van een slotaangifte;
e.het aanvragen van inkomensondersteunende voorzieningen;
f.het verlagen van alle uitgaven tot het VTLB plus de inkomsten die volgens het VTLB rapport van de Recofa niet als inkomsten aangemerkt worden;
g.het verlagen van alle uitgaven tot de beslagvrije voet plus de inkomsten die volgens het VTLB rapport van de Recofa niet als inkomsten aangemerkt worden;
h.het (laten) indienen van een verzoek bij een beslaglegger om de beslagvrije voet te respecteren;
i.het verkopen van een auto;
j.te verhuizen naar een betaalbare woning;
k.geen nieuwe kredieten en leningen af te sluiten en/of te benutten.
3De belanghebbende werkt, indien er sprake is van arbeidsgeschiktheid en voor zover dit redelijkerwijs verwacht kan worden, mee aan het zoeken naar en accepteren van werk om het inkomen te verhogen, of neemt deel aan een re-integratie- of participatie traject- om de kansen op een baan te vergroten.
4De belanghebbende tracht, voor zover dit redelijkerwijs verwacht kan worden, andere (financiële) hulpbronnen in te zetten als schuldeisers daarmee een hogere aflossing tegemoet kunnen zien, bijvoorbeeld door:
a.parttime werk uit te breiden naar fulltime werk;
b.belastingteruggaven aan te vragen;
c.aanwezige vermogensbestanddelen in te zetten zoals een auto, of een spaarrekening;
d.te verhuizen naar een goedkopere woning;
e.het verkopen van een koopwoning;
f.kostgeld te vragen aan inwonende kinderen.
5De belanghebbende die een beroep doet op schulddienstverlening verschijnt bij een afspraak op tijd op de afgesproken plaats. Als een afspraak vanwege dringende redenen niet kan worden nagekomen wordt dit tijdig, indien mogelijk binnen 24 uur voor de afspraak, gemeld.
6Formulieren worden volledig ingevuld en op het afgesproken moment ingeleverd en voorzien van (kopieën van) de benodigde bewijsstukken.
7De belanghebbende geeft te allen tijde volledige openheid van zaken aangaande (de oorzaak van) de schulden en handelt te goeder trouw.
8Partijen houden zich aan de gemaakte afspraken uit het plan van aanpak en andere noodzakelijke overeenkomsten en vastgelegde afspraken die nodig zijn voor de uitvoering van het traject schulddienstverlening.
Artikel 11.6 Weigeringsgronden voor het oplossen van (problematische) schulden
1Een traject als bedoeld in artikel 11.2, eerste lid, onderdeel c en d kan worden geweigerd als blijkt dat:
a.binnen 1 jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoek is ingediend een aanvraag schulddienstverlening is beëindigd op grond van de medewerking en/of informatieplicht;
b.binnen 5 jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoek is ingediend een traject schulddienstverlening is beëindigd dat gericht is op het oplossen van (niet) problematische schulden;
c.de belanghebbende niet financieel zelfredzaam wordt geacht;
d.de belanghebbende failliet is verklaard;
e.de belanghebbende zich niet houdt aan de informatieplicht;
f.de belanghebbende zich niet houdt aan de medewerkingsplicht;
g.de belanghebbende is veroordeeld voor fraude of daarvoor een bestuurlijke sanctie opgelegd heeft gekregen;
h.er geen sprake (meer) is van een (problematische) schuldsituatie;
i.niet regelbare schulden deel uitmaken van de schuldenlast. Dit zijn schulden die niet meegenomen kunnen worden in het kader van een minnelijke schuldregeling omdat de (juridische) aard van de schuld zich tegen een minnelijke schuldregeling verzet;
j.als belanghebbende geen natuurlijk persoon is. Ondernemers worden doorverwezen naar de BBZ regeling.
2In afwijking van het gestelde in het eerste lid onder a en b kan het college een verzoek niet weigeren als blijkt dat verwijtbaarheid ten aanzien van de beëindiging en/of recidive ontbreekt.
Artikel 11.7 (Tussentijdse) beëindiging van de schulddienstverlening
1Een traject als bedoeld in artikel 11.2, eerste lid, onderdeel c en d kan worden beëindigd als:
a.een kredietovereenkomst herfinanciering is afgesloten of betalingsregelingen zijn getroffen en/of schulden zijn overgenomen waarmee de niet problematische schulden kunnen worden opgelost;
b.de problematische schuldsituatie is opgelost door het verstrekken van een saneringskrediet en de uitbetaling aan de schuldeiser(s) heeft plaatsgevonden;
c.de problematische schuldsituatie is opgelost nadat een 3 jarige schuldbemiddeling succesvol is doorlopen. De belanghebbende heeft zich gehouden aan de informatie- en medewerkingsplicht en de uitbetaling aan de schuldeisers heeft plaatsgevonden;
d.de problematische schuldsituatie is opgelost door het overnemen van schulden en de uitbetaling aan de schuldeiser(s) heeft plaatsgevonden;
e.een gemeentelijke schuldregeling niet mogelijk is gebleken of is geweigerd en een wsnp verklaring is afgegeven;
f.een gemeentelijke schuldregeling niet mogelijk is gebleken of is geweigerd en de belanghebbende niet verzoekt om een WSNP verklaring af te geven;
g.het stabilisatietraject is afgrond en het oplossen van (problematische) schulden niet nodig is, of niet mogelijk is gebleken, of is geweigerd;
h.informatie en advies is gegeven en de overige diensten niet ingezet worden omdat dit niet nodig is, of niet mogelijk is gebleken, of is geweigerd;
i.tijdens een traject schulddienstverlening als door het handelen of het nalaten van handelen van de belanghebbende blijkt dat niet of niet meer aan de informatie- en/of medewerkingsplicht wordt voldaan;
j.de belanghebbende verhuist naar een andere gemeente, tenzij er door middel van een minnelijke schuldregeling een akkoord is bereikt tussen de belanghebbende en de schuldeiser(s);
k.de belanghebbende komt te overlijden;
l.de belanghebbende daartoe zelf een verzoek indient.
Hoofdstuk 12 Bestuurlijke boete
Artikel 12.1 Termijn waarbinnen inlichtingen worden verstrekt
Onder ‘onverwijld’ zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 30c, derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 13, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 13, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, bedraagt een termijn van vier weken, gerekend vanaf het moment dat de inlichtingen voor belanghebbende beschikbaar zijn.
Artikel 12.2 Waarschuwing
Als sprake is van schending van de inlichtingenplicht wordt van een boete afgezien en volstaan met een schriftelijke waarschuwing in de situaties zoals genoemd in artikel 2aa, eerste lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. De redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 2aa, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, bedraagt 60 dagen.
Artikel 12.3 Criteria verminderde verwijtbaarheid
Naast de in artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidsrechten genoemde criteria die leiden tot verminderde verwijtbaarheid bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten kunnen er ook anderszins sprake zijn van omstandigheden die leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
Artikel 12.4 Dringende redenen
1Van dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 18a, zevende lid, onderdeel b, van de wet kan sprake zijn bij individueel bepaalde bijzondere omstandigheden. Zeker bij opzet dan wel bij grove schuld wordt zeer terughoudend omgegaan met het aannemen van dringende redenen en kan daarvan slechts sprake van zijn in zeer exceptionele omstandigheden.
2Als wordt afgezien van het opleggen van een boete wegens dringende redenen, kan deze schending van de inlichtingenplicht wel gevolgen hebben bij het opleggen van een boete in geval van een toekomstige schending van de inlichtingenplicht (recidive).
Artikel 12.5 Matiging wegens inspanningsverplichting tot gedragsverandering
1Bij het voornemen tot het opleggen van een boete wegens normale verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid kan belanghebbende in de gelegenheid gesteld worden om onder begeleiding van het sociaal wijkteam en binnen het kader van de maatwerkgedachte hulp te aanvaarden gericht op het wegnemen van de omstandigheden die geleid hebben tot de informatiefraude.
2De mate waarin belanghebbende zich heeft ingespannen om tot gedragsverandering te komen om zijn situatie of die van zijn gezin te verbeteren wordt betrokken bij de definitieve vaststelling van de boete, waarbij deze verlaagd kan worden tot minimaal 10 euro.
3Als het sociaal wijkteam met belanghebbende een hulpverleningstraject opzet, wordt de boete binnen een termijn van maximaal zes maanden vastgesteld na verzenddatum van het voornemen tot het opleggen van een boete.
4Op advies van het sociaal wijkteam kan de in het vorige lid bedoelde termijn eenmalig verlengd worden met een termijn van drie maanden.
5Indien belanghebbende geen of onvoldoende inspanning heeft verricht om het aangeboden hulpverleningstraject te laten slagen, wordt een boete opgelegd zoals beschreven in het voornemen tot het opleggen van de boete.
Artikel 12.6 Schuldregeling
Het college maakt van de mogelijkheid gebruik om op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd de boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, zoals bedoeld in artikel 18a, dertiende lid van de wet, bij medewerking aan een schuldregeling, als er geen sprake is geweest van opzet of grove schuld en belanghebbende niet binnen één jaar nogmaals een boete heeft gekregen. Hierbij geldt bij de bepaling van mate van kwijtschelding als uitgangspunt:
a.normale gemiddelde verwijtbaarheid: 50% kwijtschelding;
b.verminderde verwijtbaarheid: 100% kwijtschelding.
Hoofdstuk 13 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz)
Paragraaf 13.1 Reikwijdte van de bepalingen in dit hoofdstuk
Artikel 13.1.1 Reikwijdte
Aanvullend op de algemene bepalingen opgenomen in deze beleidsregels gelden de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen voor de verlening van bijstand op grond van de Bbz.
Paragraaf 13.2 Onderzoek resultaat
Artikel 13.2.1 Juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens
1Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand, zoals bedoeld in artikel 53a, zesde lid van de wet.
2Voor het vaststellen van de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens controleert het college ten minste elke zes maanden de inkomsten van de zelfstandige. Als uit deze controle blijkt dat de inkomsten boven de bijstandsnorm liggen, wordt met belanghebbende besproken of de gerealiseerde resultaten maatgevend zijn voor het resterende deel van het jaar. Met dit onderzoek wordt beoogd te voorkomen dat de zelfstandig na afloop van het boekjaar geconfronteerd wordt met terug te betalen bijstand.
Paragraaf 13.3. Heronderzoeken
Artikel 13.3.1 (her) Onderzoek beginnende en gevestigde zelfstandige
Het college onderzoekt ten minste elke 6 maanden of het bedrijf of de werkzaamheden van de zelfstandige nog levensvatbaar zijn.
Artikel 13.3.2 Periodiek heronderzoek levensvatbaarheid
De gemeente stelt een (verkort) heronderzoek in naar de levensvatbaarheid van het bedrijf als:
1de zelfstandige een verlengingsaanvraag indient;
2een tussentijdse controle op de inkomsten uit bedrijf een afwijkend beeld geeft van de omzet en resultaatontwikkeling dan bij toekenning van de bijstand ingeschat was;
3een toekenningsbesluit onder opschortende voorwaarden is afgegeven en er niet volledig aan deze voorwaarden is voldaan, de termijn om aan de voorwaarden te voldoen is verlengd, of er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Artikel 13.3.3 (her)Onderzoek debiteuren
1De gemeente kan een onderzoek instellen naar de financiële situatie van de zelfstandige (of de voormalig zelfstandige op wie de gemeente nog een vordering heeft) als er sprake is van
a.het niet of niet tijdig voldoen aan de met de debiteur afgesproken rente-en aflossingsverplichting;
b.een aanvraag om uitstel van aflossing en/of rente.
2Als de debiteur zijn betalingsverplichtingen nakomt wordt in beginsel geen debiteurenonderzoek uitgevoerd.
Artikel 13.3.4 Beëindigingsonderzoek i.v.m. renteloos stellen rentedragende geldlening
Als een zelfstandige zijn bedrijf beëindigt terwijl er nog een rentedragende geldlening openstaat, stelt de gemeente uiterlijk binnen zes maanden nadat bekend is geworden dat het bedrijf is beëindigd een beëindigingsonderzoek in. Als uit dit onderzoek blijkt dat er sprake is van een verwijtbare beëindiging blijven de bestaande aflossingsafspraken en het rentepercentage gelijk. De gemeente beschouwt een beëindiging in ieder geval als verwijtbaar als er sprake is van een situatie, zoals bedoeld in artikel 8.3.1. Is de beëindiging niet verwijtbaar dan zet de gemeente de lening om in een renteloze lening.
Hoofdstuk 14 Inwerkingtreding
Artikel 14.1 Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze beleidsregels treden in werking twee dagen na publicatie in het Gemeenteblad.
2In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 3.5.1 Bijzondere bijstand voor medische kosten met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 in werking.
3Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019”.
4Deze beleidsregels worden bekend gemaakt door het plaatsen van dit besluit in het Gemeenteblad.
Artikel 14.2 Overgangsregeling
Deze beleidsregels zijn van toepassing op besluiten die op of na inwerkingtreding van dit beleid genomen worden.
Artikel 14.2 In te trekken beleidsregels
Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregels, worden de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2015, gepubliceerd in Gemeenteblad 2014/84037, d.d. 18 december 2014 ingetrokken.
Aldus vastgesteld door het college van Zaanstad.
drs. J. Hamming, burgemeester
drs. F.H.M. Apeldoorn, gemeentesecretaris,