Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Participatie, terug- en invordering en boete 2026 gemeente Venray

Gemeente Venray · geldt sinds 17 april 2026

Aanhef

Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Venray

Gelet op de Verordening sociaal domein 2026 gemeente Venray;

Besluit vast te stellen:

Beleidsregels Participatie, terug- en invordering en boete 2026 gemeente Venray.

Hoofdstuk 2. Werken en meedoen in de samenleving.

Voorzieningen

Artikel 2.1 Bepalingen over voorzieningen

In aanvulling op artikel 3.4 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot voorzieningen.

1De gemeente kan voor de uitvoering van een re-integratievoorziening aanbieders uit het segment participatie individueel van de regionale aanbesteding Sociaal Domein benaderen om uitvoering te geven aan een re-integratietraject (https://sociaaldomein-limburgnoord.nl/). Naast deze aanbieders kan de gemeente afspraken maken met derden, waaronder werkgevers, maatschappelijke organisaties en vrijwilligersorganisaties.

2De gemeente maakt gebruik van www.matchvoorvrijwilligers.nl om inwoners te informeren welke mogelijkheden er zijn binnen sociale activering.

Artikel 2.2 Verzekeringen

In aanvulling op artikel 3.4.1 lid 4 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot verzekeringen.

1Bij de inzet van sociale activering door de gemeente is er onder voorwaarden vanuit de gemeente een vrijwilligersverzekering afgesloten. Deze is te vinden via www.matchvoorvrijwilligers.nl.

2Bij de inzet van de volgende voorzieningen heeft de werkgever ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering afgesloten voor de uren dat de inwoner aanwezig is:

a.Werkervaringsplaats

b.(leer)werkstage

c.Beschut werk

d.Leer-werktraject

e.Proefplaatsing

3Als de werkgever geen aansprakelijkheidsverzekering kan afsluiten, draagt de gemeente zorg voor een verzekering. Hierop is een eigen risico van toepassing.

Artikel 2.3 NUG’ers (Niet-uitkeringsgerechtigden)

In aanvulling op artikel 3.4.1 lid 11 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende voorwaarden met betrekking tot NUG’ers.

1Als het inkomen lager is dan 120% van de bijstandsnorm die op de inwoner van toepassing zou zijn, is er geen sprake van draagkracht. Als het vermogen hoger is dan het vermogen genoemd in artikel 34 van de Participatiewet, is het volledige vermogen boven deze vermogensgrens draagkracht.

2De draagkracht die volgt uit lid 1 kan als eigen bijdrage in rekening gebracht worden bij de inwoner.

3Als het vermogen lager is dan het vermogen genoemd in artikel 34 van de Participatiewet, wordt individueel beoordeeld of er draagkracht is.

4De inzet van voorzieningen is in beginsel maximaal voor de duur van 24 maanden per voorziening en legt de gemeente vast in overeenkomst(en).

5Bij het vroegtijdig afbreken van de aangeboden ondersteuning als gevolg van verwijtbaarheid en/of onvoldoende medewerking, kan de gemeente de gemaakte kosten (naar rato) terugvorderen.

Artikel 2.4 Opstapsubsidie

In aanvulling op artikel 3.4.8.2 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende voorwaarden met betrekking tot opstapsubsidie.

1De werkgever biedt aan de inwoner, die nog niet betaald werkzaam is bij de werkgever, een reguliere arbeidsovereenkomst aan met een ingangsdatum die ligt na de inwerkingtreding van deze beleidsregels.

2De arbeidsovereenkomst heeft een minimale omvang van 28 uur per week voor een periode van tenminste zes maanden (zonder proeftijd).

3De opstapsubsidie duurt maximaal 3 maanden bij een arbeidsovereenkomst tot zes maanden (zonder proeftijd) en duurt maximaal 6 maanden bij een arbeidsovereenkomst tot 12 maanden (zonder proeftijd).

4Als de arbeidsovereenkomst tussentijds wordt beëindigd, wordt de opstapsubsidie enkel voor de periode tot einde arbeidsovereenkomst verstrekt.

5Dit artikel is niet van toepassing op NUG’ers.

Artikel 2.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk voor het organiseren van werkbegeleiding via subsidie

In aanvulling op artikel 3.4.6.5 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot subsidie voor interne werkbegeleiding.

1De werkgever bepaalt op welke wijze hij de interne werkbegeleiding vormgeeft. Hij kan dit doen door een eigen medewerker en/of een jobcoach te betrekken van een daartoe gespecialiseerd bedrijf.

2Alleen lichte begeleiding komt voor de subsidie voor interne werkbegeleiding in aanmerking. De subsidie wordt door de werkgever met akkoord van de werknemer aangevraagd bij de gemeente.

3Interne werkbegeleiding wordt ingezet voor de werknemer met als doel om zijn of haar werk zelfstandig(er) uit te voeren. Bij de werknemer is geen sprake van multiproblematiek

4De duur van de begeleiding is in beginsel maximaal 3 jaar.

5Aan de interne werkbegeleiding worden de onderstaande kwaliteitseisen gesteld. De interne werkbegeleiding dient:

a.Harrie-gecertificeerd te zijn; en

b.aantoonbare ervaring te hebben met het geven van werkinstructies; en

c.aantoonbare ervaring te hebben met de werkzaamheden die de persoon gaat uitvoeren; en

d.voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld te zijn om de begeleiding op zich te kunnen nemen.

6Voor de hoogte van de subsidie wordt aangesloten bij de door het UWV vastgestelde subsidies interne jobcoach (lichte begeleiding). De hoogte van de subsidie is:

a.Het eerste jaar: maximaal 6% van het aantal overeengekomen werkuren met een maximumbedrag aan subsidie zoals omschreven door het UWV als bedragen voor interne jobcoach – eerste jaar, uitgaande van dienstverband van 24 uur per week.

b.Het tweede jaar: maximaal 3% van het aantal overeengekomen werkuren met een maximumbedrag aan subsidie zoals omschreven door het UWV als bedragen voor interne jobcoach – tweede jaar, uitgaande van een dienstverband van 24 uur per week.

c.Het derde jaar en verder: maximaal 3% van het aantal overeengekomen werkuren met een maximumbedrag aan subsidie zoals omschreven door het UWV als bedragen voor interne jobcoach – derde jaar, uitgaande van een dienstverband van 24 uur per week.

7De bedragen gelden als een werknemer minimaal 24 uur per week werkt. Werkt een werknemer minder dan 24 uur, dan wordt de subsidie aangepast aan het aantal gewerkte uren.

Andere voorzieningen en vergoedingen

Artikel 2.6 Uitstroompremie

In aanvulling op artikel 3.5 lid 4 van de Verordening Sociaal Domein gelden de onderstaande bepalingen met betrekking tot de uitstroompremie.

1De uitstroompremie heeft tot doel duurzame uitstroom te bevorderen en compensatie van een eventuele armoedeval.

2De gemeente kan bij uitstroom uit de bijstandsuitkering naar algemeen geaccepteerde arbeid eenmalig een uitstroompremie toekennen aan de inwoner:

a.tussen de 27 en 55 jaar die 12 maanden of langer een uitkering ingevolge de Participatiewet heeft ontvangen; of

b.van 55 jaar of ouder en jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die 6 maanden of langer een uitkering ingevolge de Participatiewet heeft ontvangen; en

c.die de afgelopen 3 jaar geen uitstroompremie heeft ontvangen; en

d.die een arbeidsovereenkomst van minimaal 6 maanden heeft.

3De hoogte van de uitstroompremie wordt ter compensatie van de armoedeval op individuele basis bepaald en bedraagt ten hoogste € 1.600.

4De gemeente beoordeelt 3 maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst of de inwoner een uitstroompremie wordt toegekend.

5De uitstroompremie wordt niet verrekend met gemeentelijke vorderingen.

6De inwoner die gezamenlijk met een partner een (bijstands)uitkering ontving, ontvangt het bedrag genoemd in lid 3 van dit artikel voor beide partners gezamenlijk.

7Een toekenning kan worden ingetrokken en de vergoeding kan worden teruggevorderd indien de inwoner onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt en dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van de uitstroompremie.

Artikel 2.7 Arbeids- en re-integratieverplichtingen

In aanvulling op artikel 3.6 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot de arbeids- en re-integratieverplichtingen.

1De ontheffing van artikel 9 lid 2 van de wet wordt in beginsel verleend voor de duur van maximaal 1 jaar.

2De gemeente verleent aan inwoners met een WLZ-indicatie die verblijven in een instelling ontheffing van de arbeidsplicht, de re-integratieplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 sub a en c van de Participatiewet. Deze ontheffing wordt verleend voor de duur van het verblijf in de instelling en maximaal 3 jaar.

3De gemeente informeert, op grond van artikel 9 lid 5 Participatiewet, de inwoner die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zoals bedoeld in artikel 4 WIA, dat de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 van de Participatiewet, niet van toepassing zijn.

Hoofdstuk 3. Afspraken tussen inwoner en gemeente

Bevoegdheid

Artikel 3.1. Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheden tot herziening, intrekking, terugvordering

1De gemeente maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid tot herziening of intrekking zoals deze haar op grond van artikel 54 derde lid van de Participatiewet alsmede artikel 17 van de IOAW en IOAZ toekomt.

2De gemeente maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening zoals deze haar op grond van artikel 58, tweede lid tot en met artikel 60c van de Participatiewet alsmede artikel 25, tweede lid tot en met artikel 28 van de IOAW en IOAZ toekomt.

3De gemeente maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 12, tweede lid, onderdeel c van het Bbz 2004, artikel 39 eerste lid, onderdeel a onder 3 van het Bbz 2004, artikel 39 tweede lid van het Bbz 2004, artikel 41, vierde lid en vijfde lid van het Bbz 2004 en artikel 43, derde lid van het Bbz 2004 toekomt.

Artikel 3.2 Hoofdelijke aansprakelijkheid

1De ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering die aan een gezin is verleend, wordt van alle gezinsleden teruggevorderd.

2Als de uitkering als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven omdat de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Participatiewet bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden, zoals bedoeld in artikel 59 van de Participatiewet.

3Als de uitkering terecht als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend, maar de inwoner toch de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Participatiewet bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Artikel 3.3 Brutering van de vordering

1De gemeente bruteert de vordering voor zover belasting en premies over de teruggevorderde uitkering niet verrekend kunnen worden met de door de gemeente aan de Belastingdienst af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft.

2De gemeente ziet af van brutering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de inwoner en diegene niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

Artikel 3.4 Uitzonderingen voortvloeiend uit de jurisprudentie

1In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste lid, vordert de gemeente, na ontvangst van een signaal van de inwoner, een door haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering terug, tot maximaal 6 maanden na ontvangst van dit signaal van de inwoner, voor zover de uitkering nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend.

2Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie, verkregen van de inwoner, waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat de gemeente op grond daarvan actie zou moeten ondernemen.

3De in het eerste lid genoemde beperking tot zes maanden geldt niet, indien:

a.De inwoner in dit kader de inlichtingenplicht geschonden heeft;

b.De verleende bijstand wordt teruggevorderd op grond van artikel 12, tweede lid, onder c Bbz 2004.

Afzien van (verdere) terugvordering

Artikel 3.5 Afzien van verdere invordering / kwijtschelding

1De gemeente ziet af van een terugvordering die ontstaat door een na beëindiging van de bijstandsuitkering ontstaan recht of gewijzigd positief recht op heffingskortingen.

2Kwijtschelding van (het restant van) een vordering die niet is ontstaan als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht, wordt ambtshalve verleend als de inwoner:

a.gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of;

b.gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan (waarbij dit niet aan de inwoner te verwijten is) en de inwoner het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft voldaan, of;

c.gedurende drie jaar de betalingsverplichtingen niet of niet volledig is nagekomen en niet aannemelijk is dat de inwoner hier op enig moment nog aan zal kunnen voldoen, of;

d.gedurende minimaal twee jaar (na het terugvorderingsbesluit) niet aan de betalingsverplichting heeft voldaan (waarbij dit niet aan de inwoner te verwijten is) en de inwoner een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.

3De gemeente maakt in beginsel gebruik van de kwijtscheldingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 58 lid 7 van de Participatiewet, indien aan een van de daarin genoemde voorwaarden is voldaan.

4De bepalingen zoals omschreven in lid 2 en 3 zijn niet van toepassing:

a.op vorderingen die voortvloeien uit verstrekt bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004;

b.als de vordering is gedekt door een zakelijk recht als pand of hypotheek dan wel de vordering het gevolg is van een eerder verstrekte geldlening vanwege vermogen in eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de Participatiewet;

c.Indien ter invordering van de betreffende vordering(en) door of namens de gemeente beslag is gelegd op het inkomen of goederen van de inwoner.

5De verstrekte leenbijstand voor inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen:

a.Wordt ambtshalve kwijtgescholden indien gedurende 36 maandtermijnen volledig aan de betalingsverplichtingen is voldaan.

b.Wordt teruggevorderd indien niet (langer) wordt voldaan aan de terugbetalingsverplichting.

Artikel 3.6 Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2 ziet de gemeente af van het nemen van een besluit tot terugvordering indien het terug te vorderen bedrag, na beëindiging van de uitkering, niet meer bedraagt dan € 150,00 (netto). Dit artikel is niet van toepassing op verplichte terugvordering op grond van artikel 58 lid 1 van de Participatiewet.

Artikel 3.7 Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij een schuldregeling

1Op grond van artikel 60c van de Participatiewet, artikel 29a IOAW en IOAZ en artikel 3 lid 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) werkt de gemeente mee aan een schuldregeling en ziet af van (verdere) terugvordering, als:

a.de gemeente verwacht dat de inwoner zijn schulden niet kan aflossen; en

b.de medewerking van de gemeente nodig is voor een schuldregeling; en

c.de vordering van de gemeente volgens dezelfde verdeelsleutel wordt betaald als andere vorderingen van gelijke rang.

2Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a.de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner dan wel de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48 lid 2, aanhef en onder b van de Participatiewet;

b.de vordering is gedekt door pand of hypotheek dan wel de vordering het gevolg is van een eerder verstrekte geldlening vanwege vermogen in eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de Participatiewet, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

3In afwachting van het tot stand komen van een schuldregeling wordt na ontvangst van een verzoek om medewerking hieraan de invordering van teruggevorderde uitkering opgeschort.

4De gemeente aanvaardt het minnelijk voorstel altijd, tenzij belemmeringen zijn aangegeven bij de saldo-opgave. Wanneer een minnelijk voorstel bij voorbaat wordt aanvaard, wordt het minnelijk voorstel zelf niet verstuurd aan de gemeente. De gemeente ontvangt alleen de definitieve uitkomst van het minnelijk voorstel.

5Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:

a.niet binnen 12 maanden nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen als bedoeld in het eerste lid;

b.de inwoner de aan de schuldregeling verbonden verplichtingen ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; dan wel

c.Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Invordering

Artikel 3.8 Algemeen en het invorderingsbesluit

1De gemeente start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. De vordering moet in beginsel binnen 6 weken worden voldaan, gerekend vanaf de dag nadat het terugvorderingsbesluit aan de debiteur is toegezonden.

2Het gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende informatie:

a.het bedrag van de vordering;

b.de reden en de rechtsgrond van de vordering;

c.de termijn of termijnen waarbinnen de bijstand moet worden terugbetaald;

d.de mogelijkheid om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4:87 Awb een betalingsregeling te treffen;

e.de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 van de Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 van de Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel.

f.de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden;

g.Vermelding van de mogelijkheden van schuldhulpverlening binnen de gemeente Venray.

Artikel 3.9 Invordering door verrekening

Ongeacht de in artikel 3.8 genoemde betalingstermijn gaat de gemeente met inachtneming van artikel 3.1 van deze beleidsregels meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op bijstand of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ.

Artikel 3.10 Uitstel van betaling

1De gemeente verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van de inwoner duidelijk is dat de inwoner geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot aflossing van de vordering over te gaan dan wel uitstel bijdraagt tot de oplossing van een schuldenprobleem. De gemeente wijst de inwoner op de mogelijkheid van schuldhulpverlening. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor het doen van een aanvraag bij schuldhulpverlening of het opstarten van een andere (vervolg) actie.

2Voor zover de inwoner beschikt of gaat beschikken over aflossingscapaciteit verbindt de gemeente aan het verleende uitstel de voorwaarde dat de inwoner deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.

3Bij de beoordeling of de inwoner over aflossingscapaciteit beschikt als bedoeld in het tweede lid is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing.

4Voorafgaand aan de vaststelling van de aflossingscapaciteit wordt de inwoner verzocht om alle noodzakelijke inlichtingen te verstrekken omtrent zijn vermogen, inkomen en vaste lasten.

5Bij vorderingen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht kan de invordering gedurende het minnelijke traject voor maximaal 1,5 jaar opgeschort worden.

6Het uitstel wordt ingetrokken indien de inwoner de nader overeengekomen aflossing niet nakomt.

Artikel 3.11 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren met een uitkering

1Indien de inwoner een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ bedraagt de aflossingsverplichting 5% inclusief vakantietoeslag van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 3.5, derde lid en de volgende, van de IOAW en IOAZ per maand, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475da-dc van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.

2In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing ten minste € 25,00 per maand bedraagt.

3Ingeval van beslaglegging door een derde, niet zijnde de gemeente, kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475da-dc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 3.12 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering krachtens de Participatiewet, IOAW of IOAZ

1De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat de inwoner maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode of periode waarin een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ is ontvangen. Indien de inwoner met dit aflossingsbedrag binnen 24 maanden de vordering zal hebben afgelost, zal de hoogte van het aflossingsbedrag, in beginsel, niet worden aangepast. Bij niet nakoming van de betalingsverplichting kan de gemeente het bedrag eenzijdig wijzigen conform de overige bepalingen in dit artikel.

2Indien duidelijk is dat de vordering met het aflossingsbedrag zoals bedoeld in lid 1 niet binnen 24 maanden zal zijn afgelost, zal na afloop van de termijn van zes maanden zoals bedoeld in lid 1 bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld worden op het bedrag als bedoeld in artikel 3.11 eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.

3Indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.

4In afwijking van het derde lid wordt, indien de inwoner een inkomen heeft tot 105% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. Bij geen of een lager inkomen dan de bijstandsnorm kan de gemeente akkoord gaan met een individueel te bepalen aflossingsbedrag dan wel uitstel van betaling.

5In afwijking van het tweede tot en met vierde lid wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd, indien er nog geen beslag is gelegd zoals bedoeld in artikel 3.15, en voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt. Indien uit de beschikbare gegevens blijkt dat er aanzienlijk meer aflossingsruimte beschikbaar is dan waarmee het betalingsvoorstel rekening houdt, kan door de gemeente een tegenvoorstel worden gedaan.

Artikel 3.13 Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting

1Bij een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van de inwoner is gewijzigd, kan de gemeente een onderzoek instellen.

2Wanneer de gemeente als gevolg van een draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt de inwoner hiervan in kennis gesteld bij beschikking.

3De gewijzigde betalingsverplichting wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

Artikel 3.14 Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door de inwoner

1De inwoner kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot:

a.wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting; of

b.tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de inwoner meent de eerder vastgestelde periodieke betalingsverplichting niet te kunnen voldoen.

2Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt de gemeente een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid en deelt dit aan de inwoner mee.

3Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting in beginsel niet op.

Artikel 3.15 Niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting

1Als de inwoner zijn betalingsverplichting niet of niet meer nakomt, gaat de gemeente, na aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb, over tot het uitvaardigen van een dwangbevel c.q. het leggen van (executoriaal) beslag conform artikel 60, tweede en vijfde lid van de Participatiewet, de bepalingen uit artikel 4.4.4.2 van de Awb (voor zover van toepassing) en de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (voor zover van toepassing).

2Het leggen van derdenbeslag vindt plaats door het uitvaardigen van een dwangbevel gevolgd door het direct (binnen 1 week) leggen van beslag onder derden en/of het direct (binnen 1 week) leggen van beslag onder de inwoner zelf.

Artikel 3.16 Kosten en termijnen voor aanmaning en invordering

1Voor het verzenden van een aanmaning worden geen kosten in rekening gebracht. De betalingstermijn betreft 14 dagen.

2Voor het verzenden van een dwangbevel worden geen kosten in rekening gebracht. De betalingstermijn betreft 7 dagen.

3Indien moet worden overgegaan tot derdenbeslag wordt de invordering verhoogd met kosten ten bedrage van 10% van de vordering met een minimum van € 25,00 en een maximum van € 600,00, afgerond op hele euro’s.

4Als de invordering is overdragen aan een gerechtsdeurwaarder, komen de op de invordering betrekking hebbende kosten van deze deurwaarder volledig voor rekening van de inwoner.

Terugvordering inzake de Bbz 2004

Artikel 3.17 Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal

1De gemeente stelt het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004 opeisbaar en vordert dit terug indien:

a.bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed;

b.er sprake is van bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf;

c.er sprake is van faillissement of surseance van de zelfstandige, van één van de vennoten of leden waarmee het bedrijf of zelfstandig beroep in een samenwerkingsverband wordt uitgeoefend, of van de rechtspersoon.

2De gemeente vordert het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004 of de achterstanden in betaling, aflossing en rente terug indien:

a.de termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente als genoemd in artikel 41 lid 2 van het Bbz 2004 is verlopen;

b.de financiële omstandigheden van de zelfstandige zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd.

c.de inwoner ook na een tweede aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 van het Bbz 2004 indien het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 van het Bbz 2004 en er geen bijstand “om niet” mogelijk is.

3De terugvordering van het bedrijfskapitaal vindt plaats bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor de terugbetaling van de hoofdsom en de rente.

Artikel 3.18 Verwijtbare bedrijfsbeëindiging

Er is sprake van verwijtbare bedrijfsbeëindiging als er sprake is van:

a.bestuurdersaansprakelijkheid;

b.privébestedingen die niet in lijn liggen met de inkomsten en een inkomen op bijstandsniveau; en

c.er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.

De lening wordt in die gevallen gecontinueerd tegen dezelfde condities als het bedrijfskapitaal is verstrekt. Dat betekent met hetzelfde aflossingsbedrag en rentetarief.

Boete

Artikel 3.19 Algemene bepaling met betrekking tot gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

1Bij het niet of niet behoorlijk voldoen aan de inlichtingenplicht wordt een boete opgelegd of een waarschuwing gegeven.

2Er wordt tijdig aan de inlichtingenplicht voldaan indien de vereiste inlichtingen verstrekt worden binnen een termijn van 2 weken nadat het feit waarop de inlichtingen betrekking hebben zich heeft voorgedaan.

3Wanneer de mogelijkheid bestaat op wettelijke verrekening op grond van de Participatiewet, is er alsnog sprake van een benadelingsbedrag.

4De hoogte van de boete wordt in elk individueel geval afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner(s).

5De gemeente kan op grond van artikel 18a, dertiende lid van de Participatiewet op verzoek van de inwoner kwijtschelding van een opgelegde boete verlenen in verband met toegang tot een minnelijke schuldenregeling mits voldaan aan de voorwaarden.

Artikel 3.20 Hoogte van de boete

Voor het bepalen van de hoogte van de boete wordt aangesloten bij het Boetebesluit sociale zekerheidswetten.

Artikel 3.21 Mate van verwijtbaarheid

1Bij het vaststellen van de mate van verwijtbaarheid wordt aangesloten bij de criteria van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten.

2Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid indien:

a.een inwoner de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet begrijpt;

b.een inwoner niet in staat is voor zichzelf te zorgen.

Artikel 3.22 Ontbreken van verwijtbaarheid

1Bij het ontbreken van enige verwijtbaarheid wordt er geen boete opgelegd of waarschuwing gegeven.

2In de volgende situatie ontbreekt het in ieder geval aan verwijtbaarheid:

a.indien de inwoner uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt binnen 60 dagen voordat de gemeente de overtreding constateert, tenzij de inwoner deze informatie deelt vanwege een (her)controle;

b.indien er bij de inwoner sprake is van een zodanige psychische stoornis dat hij niet (tijdig) aan de inlichtingenplicht kon voldoen, of dat hij door zijn geestelijke vermogens feitelijk handelingsonbekwaam is en er (nog) geen sprake is van adequate begeleiding of hulpverlening;

c.indien er bij de inwoner een onvoorziene omstandigheid heeft voorgedaan die het hem onmogelijk maakte om zijn inlichtingenplicht te voldoen.

Artikel 3.23 Geen benadelingsbedrag of een benadelingsbedrag van minder dan € 150,-

1Er wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing in plaats van een bestuurlijke boete als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.Er is sprake van normale verwijtbaarheid, verminderde verwijtbaarheid of grove schuld.

b.Aan de inwoner is in de afgelopen 24 maanden niet eerder een waarschuwing of boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.

c.Er is geen sprake van een benadelingsbedrag of een benadelingsbedrag van minder dan € 150,- of de inwoner heeft binnen 60 dagen na de overtreding alsnog uit eigen beweging juiste en volledige informatie verstrekt vóórdat de gemeente de overtreding heeft geconstateerd.

2Er wordt een boete opgelegd van € 150,- als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a.Er is sprake van opzet.

b.Er is geen sprake van een benadelingsbedrag of een benadelingsbedrag van minder dan € 150,- of de inwoner heeft binnen 60 dagen na de overtreding alsnog uit eigen beweging juiste en volledige informatie verstrekt vóórdat de gemeente de overtreding heeft geconstateerd.

Artikel 3.24 Dringende redenen

1De gemeente ziet af van het opleggen van een boete als er in de individuele situatie van de inwoner op het moment waarop over de oplegging van de boete moet worden besloten, sprake is van zo ernstige omstandigheden dat een oplegging van verdere lasten niet aanvaardbaar kan worden geacht.

Artikel 3.25 Draagkracht

1De boete wordt afgestemd op de draagkracht van de inwoner door de fictieve draagkracht te vermenigvuldigen met 24 maanden in geval van opzet, 18 maanden in geval van grove schuld, 12 maanden in geval van normale verwijtbaarheid en 6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid.

2De boete bij recidive wordt afgestemd op de draagkracht van de inwoner door de fictieve draagkracht te vermenigvuldigen met 36 maanden in geval van opzet, 27 maanden in geval van grove schuld, 18 maanden in geval van normale verwijtbaarheid en 9 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid.

3Onder fictieve draagkracht wordt verstaan de financiële ruimte boven 95% van de toepasselijke bijstandsnorm op het moment van het opleggen van de boete.

4Indien de inwoner geen inkomen heeft of het inkomen minder bedraagt dan 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, wordt uitgegaan van een boete van € 45,- het toepasselijke aantal maanden.

5Het vermogen wordt betrokken bij de vaststelling van de draagkracht als één of meer van de volgende situaties van toepassing is:

a.er is sprake van opzet of grove schuld;

b.de schending van de inlichtingenplicht bestaat uit het verzwijgen van in aanmerking te nemen vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens conform Participatiewet artikel 34.

Artikel 3.26 Zienswijze

De inwoner wordt altijd in de gelegenheid gesteld om schriftelijk dan wel mondeling een zienswijze te geven; daarbij wordt de inwoner bij de keuze voor het geven van een mondelinge zienswijze gewezen op de cautie en – in een zware boeteprocedure – gewezen op de mogelijkheid tot rechtsbijstand.

Hoofdstuk 4. Begrippenlijst

Artikel 4.1 Begrippen

1Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2004, de Awb en de Verordening.

2In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

a.Armoedeval: het fenomeen dat inwoners die aan het werk gaan of meer gaan werken, financieel niet beter af zijn maar er op achteruit gaan;

b.Benadelingsbedrag: het bedrag dat als gevolg van overtreding van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering, toeslag, bijslag of voorziening is ontvangen;

c.Boete: bestuurlijke boete genoemd in artikel 18a Participatiewet en 20a IOAW/IOAZ.

d.Debiteur: degene van wie wordt teruggevorderd;

e.Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a van de Participatiewet, of artikel 7a van de Participatiewet;

f.Inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ, artikel 38, tweede lid van het Bbz 2004 en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

g.Invordering: alle handelingen, inclusief dwangvordering, die de gemeente verricht om de vordering te innen;

h.Minnelijk voorstel: een voorstel, vanuit een schuldhulpverlenende organisatie die geregistreerd is als NVVK-lid;

i.NUG’ers: niet-uitkeringsgerechtigden inwoners, jonger dan de Aow-gerechtigde leeftijd, die geen hulp (of een uitkering) kunnen krijgen van andere instanties, zoals Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, Sociale Verzekeringsbank of werkgevers;

j.Organisatie: een samenwerkingsverband met een bepaald doel, met óf zonder winstoogmerk;

k.Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Participatiewet;

l.Schuldregeling: een regeling om schulden op te lossen, welke kan bestaan uit een schuldbemiddeling of saneringskrediet;

m.Terugvordering: door de gemeente ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering of lening die teruggevorderd wordt op basis van een terugvorderingsbesluit;

n.Uitkeringsgerechtigde: inwoner van de gemeente Venray die een uitkering levensonderhoud op grond van de wet ontvangt;

o.Uitkering: de door de gemeente verleende bijstand in het kader van de PW en de uitkering in het kader van de IOAW, IOAZ en Bbz 2004;

p.Verordening: Verordening Sociaal Domein gemeente Venray;

q.Verwijtbare vordering: vordering in verband met verwijtbaar ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

r.Voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag, of een combinatie daarvan;

s.Waarschuwing: de waarschuwing bedoeld in artikel 18a lid 4 PW;

t.Werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in haar organisatie. Voor de Wet sociale werkvoorziening-doelgroep kan de inlener gezien worden als werkgever;

u.Werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever of aan wie de werkgever van plan is een dienstverband aan te bieden;

v.Wet: Participatiewet.

Hoofdstuk 5. Van oud naar nieuw

Artikel 5.1 Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule)

De gemeente kan afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel, indien strikte toepassing daarvan leidt tot gevolgen voor een inwoner die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 5.2 Ingangsdatum en naam

1Deze beleidsregels worden genoemd: Beleidsregels Participatie, terug- en invordering en boete 2026 gemeente Venray.

2Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026 onder gelijke intrekking van de ‘Beleidsregels participatie 2025 gemeente Venray’.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.