Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
a.
Weg:
1.
de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
2.
de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
3.
de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
4.
andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
5.
van de weg zoals bedoeld in sub a, onder 1 tot en met 4, maakt deel uit de daartoe behorende ondergrond.
b.
Openbaar water:
alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
c.
Rechthebbende:
eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
d.
Voertuigen:
alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:
1.
treinen en trams;
2.
kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.
e.
Vaartuigen:
alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.
f.
Bouwwerk:
hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.
g.
Gebouw:
hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.
h.
Vee:
dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II, behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.
i.
Handelsreclame:
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.
j.
Leiding:
een buis of kabel, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten.
k.
Winkeluitstalling:
voorwerpen op de weg (met uitzondering van terras) bedoeld om producten of diensten, dan wel het bedrijf zelf onder de aandacht te brengen.
l.
Trottoir:
een verhoogd of afgescheiden deel van de weg dat is bedoeld voor gebruik door voetgangers.
m.
Voetgangersgebied:
een zone met G7 RVV borden.
n.
Terras:
voorwerpen op de weg waarmee sta- of zitgelegenheid wordt geboden ten behoeve van het tegen vergoeding schenken van dranken of verstrekken van spijzen voor directe consumptie, en de daarbij behorende terraselementen;
o.
Terraselement:
terrasschotten, stoelen, tafels, bloembakken, aankondigingsborden, reclameborden, banken, picknicktafels, parasols e.d.
p.
Terrasafscheiding:
ieder terraselement dat feitelijk dient om de grens van het terras ten opzichte van de omliggende openbare weg te markeren, hieronder worden in ieder geval verstaan: terrasschotten, bloembakken, banken, e.d.
q.
Bebouwde kom
het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
r.
Vaste vistuigen
vaste tuigen of instrumenten om vis mee te vangen, waaronder in ieder geval begrepen visnetten, fuiken, warnetten, staande netten.
s.
Beperkingen-gebiedactiviteit:
hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.
t.
collectief warmtenet:
een of meer warmtebronnen die door middel van een warmtenet ontsloten worden voor de levering van warmte;
u.
warmte:
thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof;
v.
warmteleiding:
een buis of kabel, bestemd voor transport van warmte met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten;
w.
warmtenet:
geheel van tot elkaar behorende met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen ten behoeve van het transport van warmte van en naar een verbruiker of het transport van warmte van en naar een gebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte;
x.
Fossiele reclame:
reclame over de producten en diensten fossiele brandstoffen, vliegvakanties, vliegtickets, grijze stroomcontracten, gascontracten, cruisereizen of auto’s met een fossiele of hybride brandstofmotor.
y.
A-locatie:
één van de zeven populairste locaties voor het houden van een evenement in de gemeente Den Haag, zijnde het Malieveld, het Zuiderpark, de Grote Markt, het Lange Voorhout, Scheveningen Strand Noord, Scheveningen Haven en het Westbroekpark.
Z.
Natuurproducten:
alle van nature voorkomende of aanwezige plantaardige producten op of aan de weg.
Artikel 1:2 Beslistermijn
1Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
2Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
3Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 vervallen
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
1Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning , ontheffing of instemming kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning , ontheffing of instemming is vereist.
2Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning , ontheffing of instemming is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
3Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
1De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
2Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning , ontheffing of instemming
1De vergunning, ontheffing of instemming kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning , ontheffing of instemming , moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning , ontheffing of instemming is vereist;
c.indien de aan de vergunning , ontheffing of instemming verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.indien van de vergunning , ontheffing of instemming geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn,
binnen een redelijke termijn;
e.indien de houder dit verzoekt.
f.indien de houder of een persoon wiens gedraging aan hem kan worden toegerekend handelt in strijd met artikel 6:2A van deze verordening of 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:
-. Artikel 2:8 Dienstverlening;
-. Artikel 2:9: Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest;
-. Artikel 2:10: Vergunning voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg;
-. Artikel 2:11: Instemming voor het aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg;
-. Artikel 2:10A.: Leidingen;
-. Artikel 2:30: Ontheffing van sluitingstijden horeca;
-. Artikel 2:38B.: Ontheffing van het verbod inzake (nacht)verblijf aan de weg;
-. Artikel 2:63.:Ontheffing van het verbod op het uitvliegen van duiven;
-. Artikel 2:72: Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk;
-. Artikel 4:6: Ontheffing van het verbod inzake overige geluidhinder;
-. Artikel 5:2: Ontheffing van het verbod inzake parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.;
-. Artikel 5:6: Ontheffing van het verbod inzake parkeren caravans e.d.;
-. Artikel 5:7: Ontheffing van het verbod inzake parkeren reclamevoertuigen;
-. Artikel 5:8: Ontheffing van het verbod inzake parkeren grote voertuigen;
-. Artikel 5:42: Ontheffing van het verbod inzake rijden op het strand.
Artikel 1:8
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:
-Artikel 2:10B Warmtenetten en warmteleidingen.
-Artikel 2:25 Vergunning evenementen;
-Artikel 2:25C Vergunningplicht betaald voetbalwedstrijden;
-Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca;
-Artikel 2:39: Exploitatievergunning speelautomatenhal;
-Artikel: 2:98: Tegengaan onveiligheid, onleefbaarheid of malafide ondernemersklimaat;
-Artikel 3:4: Vergunning seksbedrijven.
Artikel 1:9 Weigeringsgronden
1Een vergunning, ontheffing of instemming kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Indien van de weigeringsgrond in dit lid gebruik wordt gemaakt, wordt dit besluit spoedig aan de aanvrager bekend gemaakt.
2In afwijking van het eerste lid kan een instemming voor een aanvraag als bedoeld in artikel 2:10A., zesde lid, onder b en artikel 2:11, vijfde lid, onder b worden geweigerd, als de aanvraag daarvoor minder dan drie werkdagen voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Indien van de weigeringsgrond in dit lid gebruik wordt gemaakt, wordt dit besluit spoedig aan de aanvrager bekend gemaakt.
Deel
Hoofdstuk 2 Openbare orde
Afdeling 1: Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
1Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
2Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3Het is verboden om, wanneer een voorval, gebeurtenis of samenscholing als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt, tezamen met anderen zich in de richting daarvan te begeven als daarbij voorwerpen worden medegevoerd, die plegen te worden gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt bij wanordelijkheden, zoals een ketting, knuppel, helm of bivakmuts.
4Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.
5De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
6Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Afdeling 2: Betoging
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten op openbare plaatsen
1Degene die een betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in artikel 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties wil houden op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties, doet daarvan ten minste 48 uur van tevoren schriftelijk kennisgeving aan de burgemeester, waarbij zaterdag, zondag en erkende feestdagen niet worden meegerekend.
2Voor de kennisgeving wordt gebruikgemaakt van een door de burgemeester vastgesteld formulier, dat ten minste de volgende gegevens bevat van de vergadering, betoging of samenkomst:
a.naam, adres en telefoonnummer en, zo mogelijk een e-mailadres van de kennisgever;
b.het doel;
c.de datum en het tijdstip van aanvang en beëindiging;
d.de plaats en, voor zover van toepassing, de gewenste route en de plaats van beëindiging;
e.het aantal te verwachten deelnemers en de wijze van samenstelling van de betoging, vergadering of samenkomst;
f.de middelen van vervoer van de deelnemers;
g.door de organisatie zelf te nemen maatregelen om een ordelijk verloop te bevorderen;
h.voor zover van toepassing, het voornemen om een petitie aan te bieden; en
i.de te gebruiken hulpmiddelen, waaronder geluidsversterkers, borden, spandoeken of andere materialen.
3De kennisgever ontvangt terstond een ontvangstbevestiging van de ingediende kennisgeving.
4De kennisgever krijgt zo spoedig mogelijk schriftelijk de afspraken over een ordelijk verloop en eventuele de door de burgemeester opgelegde voorschriften of beperkingen toegestuurd.
Afdeling 3: Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
1Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
2Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4vervalt
Afdeling 4: Vertoningen e.d. op de weg
Artikel 2:8 Dienstverlening
1Het is verboden zonder vergunning van het college een activiteit in uitoefening van beroep of bedrijf te ondernemen waarbij voertuigen op of aan de weg worden geplaatst met het doel die voor gebruik aan te bieden aan derden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, met uitzondering van deelvormen waarbij een besloten groep bewoners één of meerdere voertuigen onderling deelt in een groep of coöperatie en particuliere deelvormen waarbij bewoners hun privévoertuigen delen met derden.
2Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan de vergunning:
a.ter voorkoming van overlast;
b.in het belang van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;
c.in het belang van de veiligheid van het publiek;
d.in het belang van het milieu en de volksgezondheid;
e.in het belang van de doorstroming van het verkeer; of
f.ter voorkoming van onevenredig ruimtegebruik.
3Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het college de in het eerste lid bedoelde vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken als het ter gebruik aanbieden van de voertuigen:
a.gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen;
b.hinder veroorzaakt voor de omgeving of het woon- of leefklimaat;
c.een nadelige invloed heeft op het milieu;
d.onevenredig beslag legt op de openbare ruimte;
e.afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;
f.nadelige gevolgen heeft voor doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;
g.een door het college vastgesteld vergunningenplafond of voertuigenplafond door het verlenen van de vergunning zou worden overschreden; of
h.plaatsvindt door een aanbieder aan wie geen concessie voor het ter gebruik aanbieden van voertuigen is toegekend.
4Het college kan ter bescherming van de belangen in het tweede lid nadere regels vaststellen voor het verlenen van een vergunning.
5Het college wijst in de nadere regels voertuigcategorieën aan waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden verleend, en kan voertuigcategorieën aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is.
6Het college kan in de nadere regels beperkingen stellen met betrekking tot de duur van de vergunning, het aantal te verlenen vergunningen, het aantal op of aan de weg te plaatsen voertuigen per vergunning en het totaal aantal op of aan de weg te plaatsen voertuigen, en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende voertuigcategorieën.
7Indien op grond van het zesde lid wordt bepaald dat een beperkt aantal vergunningen wordt verleend, bepaalt het college in de nadere regels de procedure met betrekking tot de wijze van vergunningsverdeling.
8Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar voertuigen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend mogen worden geplaatst en ter gebruik mogen worden aangeboden, zogenaamde toelaatgebieden, en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende voertuigcategorieën.
9Het college kan besluiten om per toelaatgebied een maximumaantal te parkeren en aan te bieden voertuigen te bepalen, zogenaamde stallingsplafonds, en kan daarbij onderscheid maken tussen de verschillende voertuigcategorieën.
Artikel 2:9 Straatartiest en muziek
1Het is verboden, op door de Burgemeester aangewezen wegen en tijden ( Zie uitvoeringsbesluit ) op of aan de weg als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.
2Op andere dan de in het eerste lid vermelde plaatsen, is het verboden, zonder vergunning van de burgemeester als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.
3Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing mits degene die voornemens is deze activiteiten te verrichten voor aanvang daarvan naam en adres heeft opgegeven bij het politiebureau waar de plaats van uitvoering onder ressorteert, indien
a.met ten hoogste drie personen wordt opgetreden;
b.er geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo’s en dergelijke, worden gebruikt;
c.de activiteiten niet langer duren dan een half uur;
d.de activiteiten slechts worden verricht tussen 08.00 en 21.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 21.00 uur
e.er geen dieren worden gebruikt.
4Indien op grond van dit artikel een vergunning is vereist, kan de burgemeester te dien aanzien de belangen in aanmerking nemen die zijn bedoeld in artikel 2:25, zesde lid.
Afdeling 5: Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg
1Het is verboden zonder vergunning of instemming van het college van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben, of de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2Dit verbod is niet van toepassing op:
a.aan gebouwen bevestigde, niet voor commerciële doeleinden gebruikte vlaggen, wimpels, vlaggenstokken en dergelijke, voor zover deze voorwerpen zo zijn aangebracht, dat zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;
b.zonneschermen, mits aangebracht boven een trottoir en voldoen aan de voorwaarden:
1dat geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven het trottoir of minder dan 0,5 meter binnen de buitenkant daarvan bevindt;
2dat geen onderdeel verder dan 1,4 meter buiten de opgaande gevel reikt;
c.voorwerpen, met uitzondering van tenten, die gedurende korte tijd op de weg worden geplaatst en daar geen gevaar of hinder opleveren voor personen of goederen;
d.voertuigen, met uitzondering van:
-voertuigen die onderdeel uitmaken van het bouwverkeer of worden gebruikt bij bouwactiviteiten;
-fietsen, bromfietsen of motorfietsen die op de weg worden geplaatst met het kennelijk doel om deze te koop aan te bieden of te verhandelen.
e.winkeluitstallingen, mits die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1de uitstalling is slechts gedurende de openingstijden gesitueerd op het gedeelte van het trottoir/voetgangersgebied dat direct aan, en slechts voor, de gevel is gelegen van het pand van de ondernemer en is niet dieper dan 80 cm en niet hoger dan 2,00 m, en;
2a. op het trottoir blijft een obstakelvrije doorgang over van minimaal 1,50 m, en
b.het geval van een voetgangersgebied blijft een obstakelvrije doorgang over van minimaal 3,50 m, en;
3de uitstalling is niet verankerd in de bestrating en levert geen hinder op voor de omgeving en de gebruiksmogelijkheden van de weg, en;
4de uitstalling maakt geen inbreuk op doelmatig beheer en onderhoud van het trottoir/voetgangersgebied en brengt geen schade toe aan het trottoir/voetgangersgebied, en;
5in de Vlamingstraat, Spuistraat of Venestraat, wordt de uitstalling niet geplaatst gedurende koopavonden, op zaterdagen en zondagen, en;
6in de Frederik Hendriklaan en de Aert van der Goesstraat wordt de uitstalling niet geplaatst op de strook/loper op het trottoir die is uitgevoerd is grijs natuursteen, en;
7op de Haagse stranden, wordt de uitstalling niet geplaatst op het voetgangersbetonpad aangelegd door de gemeente.
f.terrassen, met uitzondering van terrassen in de Frederik Hendriklaan, de Wagenstraat en de Stationsweg, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1het terras is geplaatst op trottoirs en direct aan en voor de gevel van het bijbehorende bedrijfspand van waaruit het terras wordt geëxploiteerd;
2het terras neemt maximaal de helft van het trottoir in;
3op het trottoir blijft een obstakelvrije doorgang over van minimaal 1,50 m in een rechte lijn;
4voorafgaand aan de plaatsing van een nieuw terras, of de wijziging van de plaats van een bestaand terras op het trottoir, melding is gedaan met het hiervoor door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier;
5het terras voldoet aan de richtlijnen die door burgemeester en wethouders bij nader besluit zijn vastgesteld;
g.kleine voorwerpen met een publieke functie, die door burgemeester en wethouders bij nader besluit zijn aangewezen;
h.- vervallen -
i.voorwerpen geplaatst voor werkzaamheden en voorwerpen geplaatst ten behoeve van bouwwerkzaamheden, mits dit minimaal 24 uur vooraf is gemeld bij het college van burgemeester en wethouders met het daarvoor door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde meldingsformulier en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1voorwerp wordt geplaatst in een periode waarin op de betreffende weg volgens het door het college van burgemeester en wethouders beschikbaar gestelde register geen voornemen bestaat andere voorwerpen te plaatsen of activiteiten te laten plaatsvinden;
2het voorwerp wordt niet langer geplaatst dan voor het uitvoeren van de (bouw)werkzaamheden noodzakelijk is met een maximum duur van negen weken gerekend vanaf de eerste dag van de periode waarvoor de plaatsing wordt gemeld;
3het voorwerp levert geen hinder of gevaar op voor de omgeving en de gebruiksmogelijkheden van de weg. Hiertoe dient onder andere te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
-op het trottoir blijft een obstakelvrije doorgang van minimaal 1,50 m beschikbaar;
-het voorwerp wordt niet geplaatst rondom brandkranen, lichtmasten, verkeerspalen of ander straatmeubilair;
-het voorwerp wordt niet geplaatst op een parkeerplaats voor speciale doeleinden zoals een taxistandplaats, gehandicaptenparkeerplaats of laad- en losplaats;
-het voorwerp wordt zo geplaatst dat de rijbaan als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersborden en verkeerstekens 1990 het fietspad of fiets/bromfietspad, niet geheel of gedeeltelijk wordt geblokkeerd en omliggende gebouwen dienen direct bereikbaar te blijven voor het materieel van hulpdiensten, vuilniswagen en leveranciers;
4het voorwerp is niet verankerd in de weg, brengt verder geen schade toe aan de weg en maakt geen inbreuk op het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
j.voorwerpen in winkelportieken, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van de aan het portiek gelegen winkel(s) en voorzover deze voorwerpen geen hinder voor de omgeving opleveren;
k.voorwerpen in door burgemeester en wethouders aangewezen winkelpassages, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van in de passage gelegen winkels.
l.objecten in verband met evenementen als bedoeld in artikel 2:25, tweede lid, onder g;
m.voorwerpen bij standplaatsen als bedoeld in de Verordening straathandel Den Haag 2017;
n.voorwerpen bij beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
3Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:
-. doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;
-. bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand;
-. schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht, of;
-. te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 t/m 2:29 en artikel 4:6 van toepassing is.
4De aanvrager van een vergunning is verplicht daarvoor gebruik te maken van een door het college van burgemeester en wethouders voor bepaalde categorieën van voorwerpen vastgesteld aanvraagformulier (formulier A).
5Een aanvraag om vergunning wordt eerst in behandeling genomen, nadat de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde stukken zijn overgelegd conform de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde richtlijnen (formulier B).
6Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor de handelingen als bedoeld in het eerste lid. Deze nadere regels strekken ter bescherming van de belangen als genoemd in het derde lid. In deze nadere regels kan voor bepaalde categorieën van voorwerpen worden bepaald dat de uitzondering als genoemd in het tweede lid onder j. of k. niet van toepassing is.
Artikel 2:10A. Leidingen
1In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10, eerste lid, en onverminderd het bepaalde in artikel 2:11, eerste lid, is het verboden om zonder voorafgaande instemming van burgemeester en wethouders een leiding op, aan, in, boven of onder de weg te leggen, te hebben liggen of in enig opzicht te wijzigen.
2De aanvraag voor de vereiste instemming dient bij het leggen, hebben liggen of in enig opzicht te wijzigen van huisaansluitingen van leidingen, waarvan de lengte niet langer is dan 55 meter, ten minste drie werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden door het college te zijn ontvangen. In alle overige gevallen geldt een termijn van acht weken.
3De aanvraag om instemming dient te geschieden door de eigenaar van de leiding.
4Het college van burgemeester en wethouders stelt voor de aanvraag om instemming een formulier en voorwaarden vast waaraan de aanvraag om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van leidingen dient te voldoen.
5Het college van burgemeester en wethouders stelt voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van leidingen nadere regels vast.
6Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag:
a.om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van een leiding binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag;
b.om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van een huisaansluiting van een leiding, waarvan de lengte niet langer is dan 55 meter, binnen drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag.
7vervallen
8Een van rechtswege verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd, indien het aanvraagformulier onjuiste gegevens bevat of indien de werkzaamheden onvoorziene en ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b, geen oplossing biedt.
9Een verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd indien:
a.de werkzaamheden ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid, onder b, geen redelijke oplossing biedt;
b.dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden van de gemeente of derden;
10In spoedeisende gevallen kan, als de betrokken belangen dit vereisen:
a.de eigenaar van de leiding mondeling instemming vragen, en kan het college mondeling instemming verlenen;
b.het college van burgemeester en wethouders alsmede de in artikel 6:2 bedoelde toezichthouder de eigenaar van de leiding mondelinge of schriftelijke aanwijzingen geven, die terstond dienen te worden opgevolgd;
c.het college van burgemeester en wethouders haar instemming mondeling wijzigen of intrekken.
Een mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de eigenaar toegezonden.
11Het is verboden:
a.af te wijken van de nadere regels als bedoeld in het vijfde lid;
b.niet of niet onmiddellijk te voldoen aan de aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b.
12Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing:
a.voor het Rijk bij het uitvoeren van zijn of haar publiekrechtelijke taak;
b.op een bovengrondse hoogspanningskabel;
c.beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening, de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet.
13De in het eerste lid bedoelde instemming is zaaksgebonden. De eigenaar van de leiding dient een overdracht van de leiding binnen twee weken te melden aan het college van burgemeester en wethouders.
14De eigenaar die leidingen voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel op, aan, in, boven of onder de weg heeft gelegd, heeft liggen of in enig opzicht heeft gewijzigd, wordt geacht daarvoor instemming te hebben verkregen van het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 2:10B. Warmtenetten en warmteleidingen
1In afwijking van artikel 2:10A is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders in of op openbare gronden werkzaamheden uit te voeren die betrekking hebben op de aanleg, instandhouding, wijziging of opruiming van warmtenetten of warmteleidingen, of daarin of daarop warmtenetten of warmteleidingen te hebben en te houden.
2De eigenaar van warmteleidingen of warmtenetten dient een aanvraag om een vergunning in.
3De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het door het college van burgemeester en wethouders voor deze regeling vastgestelde aanvraagformulier.
4Het college van burgemeester en wethouders kan een verleende vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien:
a.de werkzaamheden ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid, onder b, geen redelijke oplossing biedt;
b.dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden van de gemeente of derden.
5In spoedeisende gevallen kan, als de betrokken belangen dit vereisen:
a.de eigenaar van de warmtenetten of warmteleidingen in afwijking van het derde lid mondeling een aanvraag om een vergunning doen, en kan het college mondeling vergunning verlenen;
b.het college van burgemeester en wethouders, alsmede de in artikel 6:2 bedoelde toezichthouder, geven de eigenaar van de warmteleiding mondelinge of schriftelijke aanwijzingen, die terstond moeten worden opgevolgd;
c.het college van burgemeester en wethouders kan de vergunning mondeling wijzigen of intrekken.
6Een mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de eigenaar toegezonden.
7De aanvrager en de vergunninghouder moeten de voorwaarden en nadere regels als bedoeld in artikel 2:10A, vierde en vijfde lid, naleven.
8De in het eerste lid bedoelde vergunning is zaaksgebonden. De eigenaar van de warmtenetten of warmteleidingen meldt de eigendomsoverdracht van de warmtenetten of warmteleidingen binnen twee weken aan het college van burgemeester en wethouders.
9Het college van burgemeester en wethouders kan de vergunning in ieder geval weigeren:
a.in het belang van de ondergrondse ordening;
b.in het belang van de realisatie van gemeentelijk beleid op het gebied van de energietransitie, waaronder in ieder geval (doch niet uitsluitend) begrepen de realisatie van gemeentelijk beleid gericht op de aanleg, beheer en exploitatie van warmtenetten of warmteleidingen;
c.binnen de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebieden, indien de aanvraag geen betrekking heeft op de realisatie van een (collectief) warmtenet ter uitvoering van een gemeentelijke (concessie)opdracht of aanwijzing door het daartoe voor dat gebied geselecteerde of aangewezen warmtebedrijf.
10Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
11In afwijking van artikel 1:2 beslist het college van burgemeester en wethouders op een aanvraag voor een vergunning krachtens dit artikel binnen twaalf weken na de dag waarop de volledige aanvraag ontvangen is.
12Het college van burgemeester en wethouders kan de beslistermijn voor ten hoogste twaalf weken verlengen.
Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg
1Onverminderd het bepaalde in artikel 2:83 is het verboden om zonder voorafgaande instemming van het college van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, of handelingen te verrichten die de gebruiksmogelijkheden van de weg beperken.
2Dit verbod is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van huisaansluitingen voor nutsvoorzieningen (telefoon, kabeltelevisie, gas, water, elektra, riool, stadsverwarming), voor zover die geen belemmerende invloed hebben op de doorstroming van verkeer, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg, of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
3De aanvraag om instemming dient te geschieden door degene die opdracht geeft tot het uitvoeren van de handelingen.
4Het college van burgemeester en wethouders kan voor de handelingen als bedoeld in het eerste lid nadere regels vaststellen.
5Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag:
a.om instemming voor handelingen als bedoeld in het eerste lid, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag;
b.om instemming voor handelingen als bedoeld in het eerste lid die maximaal een oppervlakte van 25 m2 beslaan en niet langer dan 60 uur duren, mits van niet ingrijpende aard, welke, gelet op de veiligheid en doelmatigheid van de weg, niet tot hinder leiden voor motorrijtuigen, bromfietsen, fietsen en trams binnen drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag.
6vervallen
7Het college van burgemeester en wethouders kan haar instemming weigeren:
a.indien de handeling als bedoeld in het eerste lid schade toebrengt aan de weg, een belemmerende invloed heeft op de doorstroming van verkeer, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg, of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b.indien de handeling hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand;
c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.
8De weigeringsgronden van het zevende lid, onder a, gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgronden van het zevende lid, onder b, gelden niet voor bouwwerken.
9Een verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd indien:
a.de handelingen als bedoeld in het eerste lid ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid, onder b, geen redelijke oplossing biedt.
b.dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden van de gemeente of derden.
10In spoedeisende gevallen kan, als de betrokken belangen dit vereisen:
a.de opdrachtgever van de handelingen als bedoeld in het eerste lid mondeling instemming vragen, en kan het college mondeling instemming verlenen;
b.het college van burgemeester en wethouders alsmede de in artikel 6:2 bedoelde toezichthouder de opdrachtgever en opdrachtnemer van de handelingen als bedoeld in het eerste lid mondelinge of schriftelijke aanwijzingen geven, die terstond dienen te worden opgevolgd;
c.het college van burgemeester en wethouders haar instemming mondeling wijzigen of intrekken.
11Een mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de opdrachtgever toegezonden.
12Het is verboden:
a.af te wijken van de nadere regels als bedoeld in het vierde lid;
b.niet of niet onmiddellijk te voldoen aan de aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b.
13De verplichtingen en de verboden in dit artikel gelden niet:
a.voor het Rijk bij het uitvoeren van zijn of haar publiekrechtelijke taak;
b.op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
1Het is verboden zonder vergunning van het college:
a.een uitweg te maken naar de weg;
b.van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
c.verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
3De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a.de bruikbaarheid van de weg;
b.het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d.de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
4Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Afdeling 6: Veiligheid op de weg
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
1Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeers-wet 1994.
Artikel 2:14 Winkelwagentjes
1De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
2Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
3Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.
4Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.
1Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
2Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
1Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.
2Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
3Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
4Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
1Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
3Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
3Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
1Het is verboden:
a.voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer; daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2:23A Beweegbare bruggen
Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn:
a.zich op een beweegbare brug te begeven of te bevinden, wanneer de toegang is of wordt afgesloten;
b.een afsluiting van een beweegbare brug te openen.
Afdeling 7: Toezicht op evenementen en sportwedstrijden
Artikel 2:24 Begripsomschrijving evenement
1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a.bioscoopvoorstellingen;
b.markten als bedoel in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.activiteiten als bedoeld in artikel 2:8, 2:9 en de Verordening op de kansspelen;
g.wedstrijden als bedoeld in artikel 2:25B en 2:25C.
2Onder evenement wordt mede verstaan:
a.een herdenkingsplechtigheid;
b.vervallen;
c.een optocht niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg;
d.een feest of een wedstrijd op of aan de weg.
3evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken en/of er aan deel te nemen.
4grote evenementen: evenementen waarbij naar het oordeel van de burgemeester meer dan 25.000 bezoekers worden verwacht en regelmatig terugkerende evenementen die door de burgemeester als zodanig worden aangemerkt.
Artikel 2:25 Vergunningplicht evenement
1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden.
2Het verbod genoemd in lid 1 geldt niet voor ééndaagse evenementen, mits:
a.het evenement een straatfeest, buurtbarbeque of kleinschalige activiteit in de open lucht betreft;
b.het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250;
c.het evenement tussen 10.00 en 23.00 plaatsvindt;
d.er geen samenloop is met andere evenementen in de wijk;
e.het evenement geen of een zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt, en het derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere verkeers-maatregel(en) te treffen;
f.er te allen tijde een rijloper van minimaal 3.50 meter beschikbaar blijft ten behoeve van de hulpdiensten;
g.er enkel gecertificeerde objecten van een geringe constructie worden geplaatst, bijv. een kleine partytent, springkussen, barbecue etc.;
h.er geen samenloop is met wegopbrekingen en/of de hoofdroutes van de hulpdiensten;
i.er bij het evenement geen dieren worden gebruikt los van de dieren die onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering.
3. Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
4. Op een evenemententerrein mogen geen activiteiten plaatsvinden, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, tenzij die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
5. Tenzij de burgemeester anders bepaalt, geldt het verbod in het vierde lid niet voor activiteiten, waarvan aannemelijk is dat zij krachtens een voor onbepaalde tijd of voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning ook op het evenemententerrein zouden plaatsvinden, als daar geen evenement gehouden zou worden.
6. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a.de openbare orde;
b.het voorkomen of beperken van overlast;
c.de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen;
d.de zedelijkheid of gezondheid.
7. Bij de toepassing van de in het zesde lid genoemde weigeringsgronden kan de burgemeester in aanmerking nemen:
a.of er behoefte bestaat aan het evenement waarvoor vergunning wordt gevraagd;
b.de mate waarin door het evenement beslag gelegd wordt op ruimte, tijd en hulpdiensten;
c.het aantal bezoekers dat verwacht wordt;
d.of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;
e.of gevaar bestaat voor wanordelijkheden;
f.of gevaar bestaat voor ernstige belemmeringen voor het verkeer;
g.of gevaar bestaat voor onaanvaardbare belasting voor de omgeving als gevolg van het plaatsvinden van het evenement.
8Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor door de burgemeester aan te wijzen categorieën van vechtsportwedstrijden of -gala's.
9Onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid weigert de burgemeester een vergunning voor een vechtsportwedstrijd, of –gala, dat valt binnen een categorie die krachtens het achtste lid door de burgemeester is aangewezen, indien de organisator van slecht levensgedrag is.
Artikel 2:25A. Aanvraag om vergunning
1Een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, dient door degene die voornemens is een evenement te organiseren, te worden aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
2De organisator van het evenement als bedoeld in artikel 2:25, tweede lid, stelt de burgemeester ten minste vier weken voorafgaand aan het evenement van het houden daarvan in kennis. Hij maakt hierbij tevens gebruik van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Indien de aanvrager binnen twee weken na de schriftelijke ontvangstbevestiging geen respons ontvangt van de gemeente, is de evenementenmelding akkoord.
3. Een aanvraag om vergunning als bedoeld artikel 2:25, eerste lid, moet uiterlijk acht weken voor de datum van het evenement worden ingediend, tenzij het om een groot evenement gaat. In dat laatste geval moet de aanvraag uiterlijk achttien weken voor de datum van het evenement worden ingediend.
4. In bijzondere gevallen kan de burgemeester bij een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid ontheffing verlenen van de eis dat de aanvraag binnen de in het derde lid gestelde termijnen ingediend moet zijn.
5. Op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, die betrekking heeft op een groot evenement als bedoeld in artikel 2:24, vierde lid, besluit de burgemeester uiterlijk vier weken voor de datum van het evenement.
Artikel 2:25B Sportwedstrijden
1De organisator van een sportwedstrijd, als omschreven in de bij deze verordening behorendelijst ( Zie bijgevoegde lijst ) , moet ten minste dertig dagen vóór de wedstrijddatum, de burgemeester van zijn voornemen tot het houden van de wedstrijd schriftelijk kennis geven.
2Als een kennisgeving, gelet op het tijdstip, waarop de wedstrijddatum wordt vastgesteld, niet dertig dagen tevoren kan worden gedaan, geeft de organisator hiervan kennis aan de burgemeester uiterlijk zeven dagen vóór de wedstrijddatum.
3De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
4De voorgeschreven kennisgeving is gedaan, zodra het in het derde lid bedoelde formuliervolledig en naar waarheid ingevuld, tijdig ingeleverd is ter plaatse als op dat formulier aangegeven en het in het vijfde lid bedoelde bewijs van ontvangst uitgereikt is.
5Degene, die de kennisgeving inlevert, ontvangt daarvan een bewijs, waarin het tijdstip van inlevering vermeld is.
6Een kennisgeving kan meerdere wedstrijden betreffen.
7Al dan niet in verband met de bij de kennisgeving verstrekte gegevens kan de burgemeester voorschriften geven ter beveiliging van personen en goederen, en ter voorkoming van wanordelijkheden, ernstige verkeersbelemmeringen of ernstige hinder voor toeschouwers of derden.
8Als de burgemeester van oordeel is, dat naar redelijke verwachting, noch door de door de organisator toegezegde maatregelen, noch door het geven van voorschriften, noch door de redelijkerwijs te nemen politiemaatregelen, onevenredige schade aan de in het zevende lid bedoelde belangen voorkomen kan worden, is de burgemeester bevoegd het houden van de wedstrijd te verbieden.
9Het is de organisator verboden een wedstrijd als bedoeld in het eerste lid te laten plaatsvinden, als:
a.de kennisgeving ervan niet overeenkomstig het bepaalde in het eerste tot en met zesde lid gedaan is;
b.gehandeld wordt in afwijking van de gegevens, die bij deze kennisgeving verstrekt zijn;
c.de door de burgemeester ingevolge het zevende lid gegeven voorschriften niet worden nagekomen;
d.de burgemeester het houden van de wedstrijd verboden heeft.
10De burgemeester kan van het bepaalde in het negende lid onder a. ontheffing verlenen.
Artikel 2:25C – Vergunningplicht betaald voetbalwedstrijden
1In dit artikel wordt verstaan onder organisator:
a.de betaald voetbalorganisatie ADO Den Haag, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij ADO Den Haag of Jong ADO Den Haag als thuisspelende ploeg is betrokken;
b.de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Den Haag, dan wel in geval van voetbalwedstrijden tussen vertegenwoordigende elftallen;
c.degene die buiten de gevallen als bedoeld onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert.
2In dit artikel wordt verstaan onder voetbalwedstijd: wedstrijd waarbij ten minste één van de betaald voetbalteams van de mannen van een betaald voetbalorganisatie is betrokken en die wordt georganiseerd door een organisator als bedoeld in lid 1.
3Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden;
a.een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen;
b.paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
4De aanvraag om vergunning als bedoeld in het derde lid, dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier en kan meerdere wedstrijden betreffen.
5In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a.de gegevens van de organisator;
b.de deelnemende voetbalorganisaties;
c.de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd(en).
6De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator op te stellen veiligheidsplan waaruit blijkt dat aan de hand van het risicoprofiel van de wedstrijd(en) voldoende maatregelen zijn genomen voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd.
7Een aanvraag om vergunning als bedoeld in het derde lid, moet uiterlijk acht weken voor de speeldatum van de (eerste) voetbalwedstrijd worden ingediend.
8De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid, in het belang van de openbare orde en veiligheid weigeren indien:
a.de vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;
b.het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd;
c.de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd.
9De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in het derde lid indien niet voldaan is aan het bepaalde in het vierde tot en met het zevende lid.
Artikel 2:25D Reserveringskalender voor A-locaties
1Het college stelt ieder jaar een reserveringskalender voor evenementen op A-locaties vast voor het volgende kalenderjaar.
2Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de reserveringskalender en de invulling van de kalender.
3Het besluit op een aanvraag om vergunning voor een evenement op een A-locatie kan worden aangehouden tot na de vaststelling van de reserveringskalender voor het volgende kalenderjaar.
4Onverminderd artikel 2:25, zesde lid zal de burgemeester een aanvraag om vergunning voor een evenement op een A-locatie weigeren, indien op de door het college vastgestelde reserveringskalender een ander evenement de gevraagde tijd of locatie bezet.
5Een evenement dat is geplaatst op de reserveringskalender, maar waarvoor de vergunningaanvraag niet is ingediend voor 1 september van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de reserveringskalender geldt, wordt uit de reserveringskalender gehaald.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement als bedoeld in artikel 2:25 de orde te verstoren.
Artikel 2:26A. Ordeverstoring bij sportwedstrijden.
1Het is verboden bij een sportwedstrijd als bedoeld in artikel 2:25B. de orde te verstoren.
2Hij, die aanwezig is bij een sportwedstrijd als bedoeld in artikel 2:25B. is verplicht op last van een ambtenaar van politie de ruimte of locatie waar de sportwedstrijd plaatsvindt onmiddellijk te verlaten indien die wedstrijd plaatsvindt in strijd met het bepaalde in artikel 2:25B. of indien ter plaatse wanordelijkheden ontstaan dan wel dreigen te ontstaan.
Artikel 2:26B. Stadionomgevingsverbod.
1De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf vier uur vòòr het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden van de organisator ex artikel 2:25B. Het verbod geldt voor een bepaalde tijd welke niet langer is dan twee jaar.
2De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige lid bedoelde verbod, nadat is vast komen te staan dat de persoon de openbare orde in of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator wordt gespeeld. Tevens kan dit verbod worden opgelegd aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.
Afdeling 8: Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.Horeca-inrichting:
1een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende terrassen;
2voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 1 van de Straathandelsverordening voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:
I. gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken;
II. amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal, of
III. gelegenheid wordt gegeven anders dan tegen betaling tot het verrichten van seksuele handelingen;
b.Ondernemer: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de horeca-inrichting wordt gedreven en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Alcoholwet;
c.Leidinggevende: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf;
d.Bezoeker: een ieder die zich in een horeca-inrichting bevindt met uitzondering van:
1de leidinggevenden;
2dienstdoende personen, zoals barpersoneel, keukenhulpen, schoonmakers en portiers;
3personen van wie de aanwezigheid in de horeca-inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
e.Categorieën van horeca-inrichtingen:
a.Categorie 1: horeca-inrichtingen, die alleen zijn gericht op exploitatie gedurende de dag;
b.Categorie 2: alle overige horeca-inrichtingen;
c.Categorie 3: horeca-inrichtingen als bedoeld onder b die tevens zijn gericht op exploitatie in de nachtelijke uren en gelegen zijn in een uitgaanskern zoals aangegeven op een door burgemeester en wethouders vastgestelde kaart.
Artikel 2:28 Exploitatie horeca-inrichting
1Het is verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning van de burgemeester.
2Geen exploitatievergunning is vereist voor een horeca-inrichting die zich bevindt in:
a.een zorginstelling;
b.een museum;
c.een bedrijfskantine of -restaurant, of
d.rouwcentra, begraafplaatsen en crematoria.
3Een exploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd, tenzij in de exploitatievergunning anders staat vermeld.
4Een afschrift van de exploitatievergunning is in de horeca-inrichting aanwezig.
5De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in indien:
a.de vestiging of de exploitatie van de horeca-inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
b.de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c.de ondernemer of de leidinggevende onder curatele staat;
d.de ondernemer of de leidinggevende niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
e.de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing;
f.voor de horeca-inrichting een vergunning krachtens artikel 3 van de Alcoholwet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten.
6De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:
a.naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed;
b.de ondernemer of de leidinggevende het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt;
c.de ondernemer of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de horeca-inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horeca-inrichting activiteiten plaatsvinden, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
d.de ondernemer of de leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie;
e.er sprake is van een gewijzigde exploitatie, met uitzondering van een wijziging in het beheer als bedoeld in artikel 2:30C, tweede lid, of een wijziging in de ondernemer, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd;
f.zich in of vanuit de horeca-inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de horeca-inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting;
g.er aanwijzingen zijn dat in de horeca-inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
7Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28A Vrijstelling
1De burgemeester kan:
a.bepalen dat het exploiteren van categorieën van horeca-inrichtingen geheel of gedeeltelijk van de exploitatie-vergunningplicht wordt vrijgesteld;
b.voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a;
c.een locatie, pand of gebied aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld onder a niet geldt.
2De exploitatie van een horeca-inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.
Artikel 2:28B Vergunningaanvraag
1De vergunning kan uitsluitend door de ondernemer worden aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
2De aanvraag vermeldt welke categorie, als bedoeld in artikel 2:27, onder e, op de horeca-inrichting van toepassing is.
3Bij de aanvraag om de vergunning moeten in ieder geval worden overgelegd:
a.een locatietekening (plattegrond) in een schaal van maximaal 1:100 met de afmetingen van de horeca-inrichting en een eventueel terras;
b.een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van de ondernemer met het desbetreffende perceel tot uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst, pachtovereenkomst of eigendomsbewijs;
c.een ondernemingsplan met informatie over de aard van de werkzaamheden, alsmede informatie over de te verkopen producten, de exploitatievorm en de beoogde doelgroep;
d.indien de aanvraag een alcoholhoudende horeca-inrichting betreft, een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet;
e.indien de aanvraag een alcoholvrije horeca-inrichting betreft, een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet op de Justitiële Documentatie, betrekking hebbend op de ondernemer(s) en leidinggevende(n);
f.een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.
Artikel 2:28C Beslistermijn
In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester binnen 13 weken na de datum waarop de burgemeester de aanvraag heeft ontvangen.
Artikel 2:28D Tijdelijke vergunning
1De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend:
a.indien niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde kan worden beoordeeld;
b.indien de inrichting een tijdelijk karakter heeft.
2De burgemeester kan de termijn, als bedoeld in het vorige lid, verlengen; de termijn kan, al dan niet verlengd, de duur van drie jaar niet te boven gaan.
Artikel 2:28E. Beslistermijn
Vervallen
Artikel 2:28F. Vervallen van de vergunning / mutaties
1Een vergunning ex artikel 2:28 vervalt, zodra het exploiteren van de horeca-inrichting is beëindigd en op een volledige aanvraag om een nieuwe vergunning voor het exploiteren van dezelfde horeca-inrichting is beslist, of, indien zodanige aanvraag niet is ingediend binnen 13 weken na het beëindigen van het exploiteren van de horeca-inrichting, bij het verstrijken van deze termijn.
2Van beëindiging van het exploiteren van de horeca-inrichting is sprake, indien:
a.de horeca-inrichting blijkens de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd;
b.op grond van andere informatie blijkt, dat de horeca-inrichting niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd.
3Van de beëindiging van het exploiteren van de horeca-inrichting doet de ondernemer op wiens naam de vergunning is gesteld onverwijld schriftelijk mededeling aan de burgemeester.
Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden
1Het is de ondernemer of de leidinggevende verboden een horeca-inrichting, die behoort tot categorie 1, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23.00 uur en 07.00 uur, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3.
2Het is verboden een horeca-inrichting, die behoort tot categorie 2, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op vrijdagen, zaterdagen en zondagen tussen 02.30 uur en 07.00 uur en op de overige dagen van de week tussen 02.00 uur en 07.00 uur, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3, 5 of 7.
3De burgemeester kan voor een horeca-inrichting, waarvan de ondernemer ten genoegen van de burgemeester heeft aangetoond, dat de exploitatie van die horeca-inrichting geen nadelige invloed heeft op de openbare orde of op het woon- of leefklimaat in de naaste omgeving van die horeca-inrichting, ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod, zij het met die beperking, dat:
a.alleen een horeca-inrichting behorende tot categorie 1 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren welke zijn gelegen tussen 05.00 uur en 07.00 uur;
b.alleen een horeca-inrichting behorende tot categorie 2 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren gelegen tussen 02.00 uur en 04.00 uur of tussen 02.30 en 07.00 uur.
4De burgemeester kan de ontheffing bedoeld in het derde lid weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien een van de in artikel 2:28, vijfde en zesde lid, genoemde situaties zich voordoet.
5De ondernemer van een horeca-inrichting die beschikt over een exploitatievergunning met categorie 2 sluitingstijden, kan maximaal twaalf festiviteiten per jaar houden, waarbij het de ondernemer of leidinggevende is toegestaan de horeca-inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tot 06.00 uur, mits de ondernemer uiterlijk zeven werkdagen voor de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, de burgemeester van de festiviteit kennis heeft gegeven.
6De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of het woon- of leefklimaat voor een of meer horeca-inrichtingen, categorieën van horeca-inrichtingen of voor de tot de horeca-inrichting behorende terrassen de in het eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden – al dan niet tijdelijk – beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen.
7De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het eerste en tweede lid geldende openings- en sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer bepaalde horeca-inrichtingen.
8De burgemeester kan een verbod opleggen een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Artikel 2:30 Sluiting horeca-inrichting
1De burgemeester kan een horeca-inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien:
a.die horeca-inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;
b.die horeca-inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;
c.een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet.
2Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de horeca- inrichting aangebracht.
3Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
4Het is de ondernemer of de leidinggevende van de horeca-inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de horeca-inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.
5Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten horeca-inrichting als bezoeker te verblijven.
Artikel 2:30A Aanwezigheid van en toezicht door ondernemer en leidinggevende
1Het is verboden een horeca-inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de ondernemer of leidinggevende in de horeca-inrichting aanwezig is.
2De ondernemer en de leidinggevende zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de horeca-inrichting en/of buiten de horeca-inrichting doch in directe relatie daarmee, geen strafbare feiten plaatsvinden.
3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door de burgemeester aangewezen horeca-inrichtingen of categorieën van horeca-inrichtingen.
Artikel 2:30B Beëindiging exploitatie
Vervallen
Artikel 2:30C Wijziging leidinggevende
1Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien de ondernemer of leidinggevende kan aantonen dat de nieuwe leidinggevende op de exploitatievergunning is bijgeschreven.
2In afwijking van het eerste lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien de ondernemer of leidinggevende een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe leidinggevende ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een horeca-inrichting:
a.de orde te verstoren, dan wel strafbare feiten te plegen;
b.zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:29, eerste of tweede lid.
Artikel 2:32 Handel binnen horeca-inrichtingen
1In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2De ondernemer van een horeca-inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een horeca-inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:27 tot en met 2:30C en de daarop rustende bepalingen.
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een horeca-inrichting als bedoeld in artikel 2:27 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:28 tot en met 2:28E. en artikel 2:29. tot en met 2:30.
Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Artikel 2:34a Begripsbepaling
In deze afdeling en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
-alcoholhoudende drank,
-horecabedrijf,
-horecalocaliteit,
-inrichting,
-paracommerciële rechtspersoon,
-sterke drank,
-slijtersbedrijf en
-zwak-alcoholhoudende drank,
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
1Een paracommercieel rechtspersoon kan maximaal 12 bijeenkomsten per jaar organiseren van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
2Artikel 2:30, eerste en tweede lid is overeenkomstig van toepassing.
3Artikel 2:30 derde en vijfde lid is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten.
4Een paracommercieel rechtspersoon doet ten minste twee weken voorafgaand aan de bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.
5De burgemeester kan een paracommercieel rechtspersoon verbieden een bijeenkomst te organiseren als bedoeld in het eerste lid of aanvullende voorschriften stellen indien naar zijn oordeel:
a.dit in het belang is van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, dan wel het woon- en leefklimaat;
b.het tweede, derde of vierde lid is overtreden;
c.bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid bedrijfsmatig worden georganiseerd;
d.artikel 20, eerste of twee lid van de Alcoholwet is overtreden.
Artikel 2:34c Beperkingen ten aanzien van het verstrekken van sterke drank
1Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting van de volgende aard:
a.inrichting waar onderwijs wordt gegeven;
b.inrichting die geheel of gedeeltelijk uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen;
c.inrichting die geheel of gedeeltelijk uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen.
2De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 2:34d Proeverijen in slijtlokaliteiten
1Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.
2De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
Afdeling 9: Nachtverblijf en toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Begripsomschrijvingen inzake nachtverblijf
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;
2houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
vervallen
Artikel 2:37 Nachtregister
De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2:38A. Aanbieden logeergelegenheid
Het is verboden op of aan de weg op te treden tot het verschaffen of doen verschaffen van tijdelijke woon- of logeergelegenheden, ongeacht of dit gebeurt door deze gelegenheden bij het publiek aan te bevelen, of door aan het publiek hulp bij het verkrijgen daarvan aan te bieden.
Artikel 2:38B. (Nacht)verblijf aan de weg
1Het is verboden om -al dan niet gebruikmakend van enige vorm van beschutting, waar onder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto- op of aan de weg tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen, danwel tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of veiligheid is aangezegd dat dit moet worden beëindigd.
2Het is verboden op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten danwel gelegenheid daartoe te bieden.
3Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste en tweede lid gestelde ontheffing verlenen.
Afdeling 10: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:39 Gebiedsontzegging
1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten pleegt of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
2Van openbare orde verstorende handelingen als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake bij het overtreden van:
a.artikel 2:1;
b.artikel 2:26;
c.artikel 2:47, eerste lid;
d.artikel 2:48, eerste lid;
e.artikel 2:49;
f.artikel 2:52;
3Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw tweemaal strafbare feiten pleegt of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste een maand in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
4De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of derde lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
5Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of derde lid opgelegd verbod.
6Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of derde lid.
Artikel 2:40 Woonoverlast
1Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de Basisregistratie Personen is ingeschreven, is verplicht er zorg voor te dragen dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt;
2De burgemeester is bevoegd om de naleving van de in lid 1. opgenomen bepaling af te dwingen door middel van het opleggen van een gedragsaanwijzing, maar slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
4De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:
a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.met kalk, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
8Het college kan gedeelten van onroerende zaken die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
1Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
2Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
1Het is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen
1Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
2Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden en beschadiging van plantsoenen e.d.
1Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
2Het is verboden op de weg:
a.enige schade toe te brengen aan bomen, heesters, planten of bloemen
b.op plaatsen, welke bij besluit van het college zijn aangewezen, te handelen in strijd met de aan deze kennisgeving vermelde nadere voorschriften ter voorkoming van schade als bedoeld onder a;
c.natuurproducten van bomen, heesters, planten of bloemen te plukken, bij zich te hebben of te vervoeren;
d.het verbod, genoemd in artikel 2:45, tweede lid, onderdeel c, geldt niet voor vruchten, bladeren, stengels, zaden of takken van bomen, heesters, planten of bloemen:
1°op door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan, voor zover dit een totaalgewicht van maximaal 50 gram per etmaal betreft, of
2°indien deze natuurproducten met toestemming van de rechthebbende ter plaatse zijn verkregen of van elders afkomstig zijn.
3Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod.
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
1Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.
2Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
3Het verbod geldt niet indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.
4Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan de weg
1Het is verboden:
a.op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.zich op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.
2Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47A. Skaten en skateboarden
1Onder skates wordt in dit artikel verstaan: rolschaatsen en de moderne varianten van rolschaatsen zoals rollerskates, (in-line-) skates, skeelers etc.
2Burgemeester en wethouders kunnen delen van de weg aanwijzen waar het is verboden om:
-te skaten; en
-te skateboarden.
3De in het eerste lid bedoelde plaatsen kunnen worden aangewezen in het belang van:
-het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling vande gebruiksmogelijkheden van de weg;
-de voorkoming of opheffing van hinder, anders dan in artikel 4:6 of;
-de voorkoming van schade aan de weg en straatmeubilair.
4Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat het verbod, zoals vervat in het tweede lid, ook geldt ten aanzien van andere, met skates en skateboards vergelijkbare voorwerpen.
Artikel 2:48 Verboden gebruik van drank of softdrugs
1Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
3Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied softdrugs te gebruiken.
4Onder softdrugs worden verstaan: de middelen genoemd in lijst II behorende bij de Opiumwet.
5vervallen
6vervallen
Artikel 2.48A Messen en steekwapens
1Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen gebruiksmessen zonder duidelijk en legitiem doel bij zich te hebben.
2Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
3Het verbod geldt niet voor gebruiksmessen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik geschikt zijn.
Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
1Het is verboden:
a.zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b.zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarmee op enigerlei wijze de orde te verstoren in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:
a.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
b.waardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Bedelarij
Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door de burgemeester ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Artikel 2:53 Bespieden van personen
1Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.
2Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.
Artikel 2:56
[vervallen]
Artikel 2:57 Loslopende honden
1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
2Het eerste lid, onderdeel b., is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3Het college kan bij besluit plaatsen aanwijzen, waar het in het eerste lid gestelde verbod gedurende het gehele jaar of een gedeelte daarvan niet geldt.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
1De eigenaar of houder van een hond, is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op de weg.
2Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of degene die de hond onder zijn hoede heeft er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
4De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft is verplicht, indien hij zich op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van de uitwerpselen. Het college stelt hiervoor geschikt hulpmiddelen vast, wil het doeltreffend zijn.
5De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft, die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a.vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4Een hond als bedoeld in het eerste lid dient voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Artikel 2:63 Duiven
Artikel 2:64 Bijen
Artikel 2:65 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:65A. Verbod voeren van dieren
1Het is verboden op de weg of openbaar water dieren te voeren.
2Dit verbod geldt niet voor:
a.het voeren of bijvoeren van dieren in opdracht van de beheerder van een publiek toegankelijke plaats of het openbaar water;
b.het voeren voor het lokken van vissen door sportvissers die in bezit zijn van een geldige vispas;
c.het voeren van eigen huisdier, mits het voer direct en volledig wordt opgegeten.
Afdeling 11: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsomschrijvingen inzake heling
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
b.verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
a.het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d.de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a.wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;
b.de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
c.aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;
d.indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;
e.zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;
f.wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.
Afdeling 12: Vuurwerk
Artikel 2:71 Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F2 of F3, dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk, zoals genoemd in bijlage II van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
1Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
2Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.
3Een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid kan voorts worden geweigerd, indien een persoon verbonden aan de desbetreffende inrichting binnen de laatste drie en een half (3½) jaar een overtreding heeft begaan van hetgeen bij of krachtens de wet is geregeld omtrent het vervoer, de opslag en/of verkoop van vuurwerk.
4Het aantal vergunningen als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal 75.
Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
4Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2:73A. Vreugdevuren
1Het is verboden op de weg te vervoeren, op de weg bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben kerstbomen, autobanden en andere voorwerpen of stoffen, met het kennelijk doel deze op de weg te verbranden.
2Dit verbod geldt niet als ter plaatse en naar het bevredigend oordeel van een ambtenaar van politie wordt aangetoond, dat het vervoer en/of de opslag van de genoemde voorwerpen of stoffen gebeurt voor andere handelingen dan in het eerste lid worden genoemd.
Artikel 2:73B Verbod carbid te schieten
1Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
2Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 13: Drugsoverlast
Artikel 2:74 Handel in en gebruik van verdovende middelen
1Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of
zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden, of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
2Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in de artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voor handen te hebben.
3Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen en activiteiten die in het belang van de Volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd.
Artikel 2:74A. Overlastgevende woonpanden
1Onverminderd het bepaalde in artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden een op basis van artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden, nadat dat door de burgemeester in het openbaar bekend is gemaakt.
2De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen aan door hem daartoe aangewezen rechthebbende(n) en hun bloed- en aanverwanten.
3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor personen wier tegenwoordigheid in het perceel of op het erf om dringende reden vereist is.
Artikel 2:74B. Verzameling van personen in verband met harddrugs of heling
1Het is verboden op of aan wegen die door de burgemeester zijn aangewezen ( Zie bijgevoegd besluit ) omdat deopenbare orde dit in verband met het openlijk gebruik van of de handel in harddrugs dan heling naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, deel te nemen aan een verzameling van meer dan 4 personen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verzameling verband houdt met het gebruik van of de handel in harddrugs dan wel heling.
2De aanwijzing van wegen, zoals bedoeld in het eerste lid wordt gegeven voor ten hoogste zesmaanden, welke termijn telkenmale kan worden verlengd.
3Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
Artikel 2:74C.
Afdeling 14: Bestuurlijke ophouding
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:26, 2:26B., 2:45, 2:48, 2:49, 2:73, 2:73A., 2:79 of 5:34 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Afdeling 15: Veiligheidsrisicogebieden
Artikel 2:76 Aanwijzing veiligheidsrisicogebied ten behoeve van preventief fouilleren
1De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
2Alvorens de burgemeester overgaat tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied, hoort de burgemeester de betreffende raadscommissie.
3Het in het tweede lid gestelde is niet van toepassing, indien naar het oordeel van de burgemeester sprake is van een spoedeisend belang op grond waarvan zijn besluit tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied niet kan worden uitgesteld. De burgemeester hoort de betreffende raadscommissie zo spoedig mogelijk over het genomen besluit.
Afdeling 16: Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
1De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen:
a.parkeerterreinen;
b.plaatsen die vanwege doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen.
Afdeling 17: Toegankelijkheid gebouwen in geval van calamiteiten
Artikel 2:78 Sleuteladres
vervallen
Artikel 2:79 Openbare orde
1De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet.
2Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.
3Het bevel tot sluiting geldt voor bepaalde of onbepaalde tijd; in het laatste geval wordt het bevel tot sluiting opgeheven bij openbaar te maken besluit.
4Een ieder is verplicht toe te laten, dat het in het tweede lid bedoelde besluit ter plaatse wordt aangebracht en daar aangebracht blijft, zolang het bevel van kracht is.
5Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
6Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
Afdeling 18 Vellen van houtopstanden en handelsreclame
Artikel 2:80
Op de in deze afdeling geregelde activiteiten is tevens van toepassing de Omgevingswet.
Artikel 2:81
Op de in deze afdeling geregelde activiteiten zijn niet van toepassing de artikelen 1:2 en 1:5.
Artikel 2:82 Algemene bepalingen
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.
a.houtopstand: één of meer bomen, hakhout of een houtwal;
b.boom: een houtachtig overblijvend gewas met een omtrek van de stam van minimaal 30 centimeter op 1.30 meter boven het maaiveld gerekend langs de stam, indien het bomen betreft op achtererven van woningen niet groter dan 50 vierkante meter en niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied, geldt een omtrek van de stam van minimaal 90 centimeter op 1,3 meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht of vanwege de plaatsing op de lijst met monumentale bomen worden als bomen ook aangemerkt, bomen met een omtrek van kleiner dan 30 centimeter respectievelijk 90 centimeter bij voornoemde achtererven niet groter dan 50 vierkante meter;
c.dunning: velling, die uitsluitend als een voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei en instandhouding van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd indien deze houtopstand als bosperceel kan worden aangemerkt;
d.bosperceel: houtopstanden, die een zelfstandige eenheid vormen en zijn vastgelegd op de kaart “Buiten bebouwde kom Wet natuurbescherming Den Haag 2018”.
e.eigenaar: de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van of een beperkt zakelijk recht heeft op de houtopstand;
f.hakhout: één of meer bomen, die na geveld te zijn opnieuw op de stronk uitlopen;
g.herplantwaarde: monetaire waardering van houtopstand conform de meest recente richtlijnen van de Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen;
h.bomenfonds: het tijdelijk fonds voor gelden ten behoeve van herplant van houtopstanden;
i.boomziekte: een biologische aantasting van bomen of andere houtopstand door bacteriën, schimmels, insecten of ander natuurlijke oorzaak;
j.Adviesraad: de Adviesraad Monumentale Bomen, bestaande uit vertegenwoordigers van de landelijke Bomenstichting, de Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor ‘s-Gravenhage en omstreken en onafhankelijke boomdeskundigen;
k.monumentale houtopstand: houtopstand als bedoeld in artikel 2:85 van deze verordening;
l.kandelaberen: het terugsnoeien van een kroon met meer dan 50% tot eventueel een hoofdstam met takstompen;
m.vellen: kappen, rooien, met in begrip van verplanten, kandelaberen, het snoeien van meer dan 30% tot maximaal 50%, van het kroonvolume, alsmede het verrichten van handelingen zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
n.Vervallen
Artikel 2:83 Veranderen van de weg
Vervallen
Artikel 2:84 Uitweg
Vervallen
Artikel 2:85 Lijst van monumentale en bijzondere bomen
1Het college stelt een lijst vast met monumentale en bijzondere houtopstand, die verder wordt aangeduid als: lijst van monumentale en bijzondere bomen. Deze lijst omvat de plaatselijke en kadastrale aanduiding, de tenaamstelling, twee foto’s met zomer- en winterbeeld van de houtopstand en een beschrijving van de houtopstand. Er wordt een kaart bijgevoegd met daarop aangeduid de beschermde houtopstand.
2De eigenaar van een houtopstand, die op de lijst staat vermeld, is verplicht schriftelijk aan de gemeente mededeling te doen van:
-de eigendomsoverdracht van de houtopstand;
-het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand anders dan door velling op grond van een verleende ontheffing.
De mededeling dient te geschieden binnen vier weken na de eigendomsoverdracht c.q. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan.
Artikel 2:86 Adviezen en inspraak
1Alvorens het college tot vaststelling of wijziging van de lijst van monumentale bomen overgaat, wint zij omtrent haar voornemen advies in bij de Adviesraad.
2Bij het voornemen tot de vaststelling en wijziging van de lijst met monumentale bomen wordt de gelegenheid geboden om binnen 4 weken na bekendmaking van dit voornemen zienswijzen kenbaar te maken.
Artikel 2:87 Kapverbod
1Het is verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.
2Het verbod is niet van toepassing op:
a.een houtopstand,gelegen in de groengebieden die zijn vastgelegd op de kaart “Buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming Den Haag 2018”, die bij wijze van dunning of vanwege boomveiligheid moet worden geveld;
b.een houtopstand, die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of het bepaalde in het artikel 2:94;
c.het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;
d.het periodiek terugzetten van reeds geknotte, gekandelaberde of andere lei- of snoeivormen zonder wijziging van de periodieke snoeiplaatsen;
e.het direct vellen van een houtopstand indien hiervoor door de burgemeester mondeling toestemming is gegeven vanwege acuut gevaar voor veiligheid van personen en zaken. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk gemotiveerd en aan de aanvrager alsmede belanghebbenden toegezonden.
Artikel 2:88 Weigering vergunning/ontheffing
1Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:
-natuur-, educatieve en milieuwaarden;
-klimaatadaptieve waarden;
-cultuurhistorische waarden;
-belevings- en gebruikswaarden.
2De aanvrager van een vergunning wordt erop gewezen dat hij dient te voldoen aan de verplichtingen van het vigerende omgevingsplan en de regelgeving gericht op natuurbescherming.
3Bij een aanvraag die ziet op meer dan vijf bomen of bij een aanvraag die gevolgen heeft voor bomen in de openbare ruimte is het verplicht een Boom Effect Analyse (BEA), zoals opgesteld volgens de landelijke richtlijnen, bij de aanvraag te voegen.
Artikel 2:89
Op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, beslist het bevoegd gezag niet alvorens zij de in artikel 2:86 genoemde Adviesraad over de aanvraag heeft gehoord. Artikel 2:86, eerste en tweede lid, is op de aanvraag van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:90
1Een ontheffing of een vergunning dient te worden aangevraagd door, namens of met toestemming van de eigenaar of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
2In aanvulling op artikel 22.299 van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan moet een aanvraag om ontheffing of vergunning vergezeld gaan van drie verschillende foto’s van de houtopstand van minimaal 10x15 centimeter en niet ouder dan twee maanden, waarvan tenminste twee een beeld van de houtopstand in zijn omgeving geven.
3Een vergunning vervalt indien daarvan niet binnen maximaal anderhalf jaar na het onherroepelijk zijn van die vergunning, gebruik is gemaakt.
Artikel 2:91 Bijzondere vergunningvoorschriften ter bescherming van de houtopstand
1Aan een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in de artikelen 2:87, eerste lid, kunnen in het belang van de bescherming en het behoud van nabije houtopstanden voorschriften worden verbonden.
2Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kan behoren het voorschrift:
a.dat binnen een bepaalde termijn van de vergunning gebruik dient te worden gemaakt;
b.dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de daarbij te geven aanwijzingen moet worden herplant;
c.dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien vergunningen inzake bouw, aanleg of andere ruimtelijke herinrichting onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële uitvoering van deze werken voldoende gewaarborgd is;
d.dat ter bescherming van flora of fauna op een aangewezen locatie gedurende een bepaalde periode niet mag worden geveld;
e.vervallen
3Wordt een voorschrift tot herplant gegeven, dan wordt daarbij tevens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet geslaagde herplant moet worden vervangen.
4Wordt een voorschrift tot herplant gegeven, dan dient bij bosplantsoenen, struwelen en hagen sprake te zijn van compensatie met een gelijk oppervlak met gelijkende beplanting en dient bij bomen sprake te zijn van compensatie van gelijkwaardige boomgrootte. Indien het laatste niet mogelijk blijkt, vindt compensatie van eerste grootte bomen met twee tweede grootte bomen en een tweede grootte boom met twee derde grootte bomen plaats.
5Indien uitvoering van een herplant niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand wordt aan de ontheffing of vergunning het voorschrift verbonden, dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort.
6Tot de aan de vergunning of ontheffing te verbinden voorschriften behoort het voorschrift dat ook alle rechtsopvolgers van degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, verplicht zijn daaraan te voldoen.
Artikel 2:92 Herplant-/instandhoudingsplicht
1Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, zonder ontheffing of vergunning is geveld anders dan bij wijze van dunning, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het met betrekking tot die houtopstand tot vergunningverlening het college aan de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde van de grond, waarop de houtopstand zich bevond, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn. Artikel 2:91, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
2Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, is de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt, verplicht om overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen binnen een door haar te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
3Ook alle rechtsopvolgers van degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, zijn verplicht daaraan te voldoen.
Artikel 2:93 Bomenfonds
1De bedragen gestort in het bomenfonds mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van herplanten van houtopstanden ten genoegen van de vergunningverlener.
2Het college informeert de raad jaarlijks over de besteding van het bomenfonds.
Artikel 2:94 Bestrijding van boomziekten
1Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar daarbij te stellen termijn verplicht:
a.de houtopstand te vellen;
b.de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;
c.de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;
d.in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen;
e.alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld.
f.tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen.
2Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.
3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 2:95 Afstand tot de erfgrens
De afstand tot de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0.5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.
Artikel 2:96 Schadevergoeding
vervallen
Artikel 2:97 Handelsreclame
1Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats
2Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats
3Het verbod geldt niet voor onverlichte:
a.opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats;
b.opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:
-een openbare verkoping of een aanleiding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
-het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor de zaak is bestemd;
c.opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uivoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;
d.opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer;
e.opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken waarvoor voor de oprichting van die onroerende zaken geen omgevingsvergunning is vereist.
4Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.
5Een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden geweigerd:
a.indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
b.in het belang van de verkeersveiligheid;
c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
a.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening;
b.De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken;
c.De weigeringsgrond van het vijfde lid onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
7Fossiele reclame, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, is verboden, tenzij het gaat om:
a.Bedrijfsnamen, bedrijfslogo’s en reclames aan of in de directe nabijheid van het pand waar de activiteiten plaatsvinden waar de reclame betrekking op heeft;
b.Wegwijzers op bedrijventerreinen.
Afdeling 19 Tegengaan onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat.
Artikel 2:98
1In dit artikel wordt verstaan onder:
a.exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
c.bedrijf:het in een voor het publiek toegankelijk gebouw, uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, die niet vallen onder de vergunningplicht van APV artikelen 2:28 (horeca-inrichting) en 3:4 (seksinrichting);
2De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend voor een bepaalde termijn aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk komt te staan. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
3Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
a.in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester aangewezen bedrijfsmatige activiteiten; of.
b.indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed;
c.de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
f.indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
g.indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet of de Wet milieubeheer.
h.vervallen
5De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a.de NAW-gegevens
b.het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
c.het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
d.indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
e.een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
f.een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd:
g.een op grond van de wet bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet Bibob) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.
6Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
7Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in derde lid tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien:
a.door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
b.door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c.de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
e.er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
f.er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
g.de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie;
h.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;
i.het bedrijf in strijd met het verbod uit het twaalfde lid wordt geëxploiteerd; of
j.de vestiging of de exploitatie in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet of de Wet milieubeheer.
8De burgemeester kan de sluiting van een bedrijf bevelen indien:
a.het bedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met het verbod uit het derde lid;
b.de aan de vergunning, ontheffing of instemming verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; of
c.er sprake is van een situatie als bedoeld in onder lid, sub a tot en met i.
9Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
10De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
11De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.
12Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
13De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
14Het derde lid is niet van toepassing in de volgend situaties:
a.er zijn nog geen acht weken verstreken sinds de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit;
b.een exploitant vestigt zich in een gebouw, gebied of binnen een bedrijfsmatige activiteit nadat het aanwijzingsbesluit in werking is getreden en er zijn nog geen acht weken verstreken sinds de exploitant voor het eerst is aangevangen met de bedrijfsactiviteiten; of
c.een exploitant heeft een volledige aanvraag ingediend en heeft hiervan een schriftelijke bevestiging van ontvangen.
15In afwijking van het vorige lid is het derde lid wel van toepassing in de volgende situaties:
a.aan de exploitant is eerder een vergunning als bedoeld in het derde lid geweigerd, ingetrokken of buiten behandeling gelaten; of
b.de aanvraag heeft betrekking op een feitelijke voortzetting van dezelfde bedrijfsmatige activiteiten waarvoor eerder een vergunning als bedoeld in het derde lid is geweigerd, ingetrokken of buiten behandeling gelaten.
16De vergunning wordt verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit.
17In afwijking van het vijftiende lid, kan de vergunning voor een bepaalde tijd worden verleend indien niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding op de leefbaarheid dan wel de openbare orde en veiligheid, kan worden beoordeeld.
Hoofdstuk 3 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
Afdeling 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 3:1 Afbakening
De artikelen 1:2, 1:5 en 1:6 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel 3:2 Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
-
advertentie:
elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;
-
beheerder:
de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;
-
bevoegd bestuursorgaan:
het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;
-
bezoeker:
degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
1de exploitant;
2de beheerder;
3de schoonmaker;
4de prostituee,
5de toezichthouder(s) krachtens artikel 6:2;
6andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
-
escortbedrijf:
de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;
-
exploitant:
de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;
-
klant:
degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;
-
prostituee:
degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
-
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
-
prostitutiebedrijf:
de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;
-
raamprostitutiebedrijf:
de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;
-
seksbedrijf:
de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;
-
seksinrichting:
voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
-
werkruimte:
als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.
Afdeling 2: VERGUNNING SEKSBEDRIJF
Artikel 3:3 Vergunning
1Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen of te wijzigen zonder vergunning.
2Het bevoegde bestuursorgaan beslist binnen twaalf weken op de aanvraag om een vergunning.
3De in het tweede lid gestelde termijn kan door de burgemeester met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
4Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend.
5De vergunning wordt voor de duur van één jaar verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.
6De vergunning kan worden verlengd.
Artikel 3:4 Aanvraag
1Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.
2Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a.de persoonsgegevens van de exploitant;
b.het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
c.of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;
d.het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;
f.het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
g.een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;
h.indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;
i.een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;
j.bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;
k.indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;
l.indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding;
m.een op grond van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden;
n.een recent (maximaal drie maanden oud) uittreksel uit de Basisregistratie personen ter onderbouwing van het opgegeven adres van de exploitant en/of beheerder.
3Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, c, g, h en n, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.
4Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
Artikel 3:5 Weigeringsgronden
1Een vergunning wordt geweigerd als:
a.de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
b.de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;
c.de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
d.de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
e.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
f.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
g.er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
h.de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
i.de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de APV Den Haag];
2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
3°. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;
4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
j.de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan.
2Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijk gesteld:
a.een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
b.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt.
3De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
4Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
5Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
a.voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
b.als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:4 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;
c.als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;
d.als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;
e.als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:13, eerste en tweede lid;
f.als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:14 gestelde verplichtingen zal naleven.
Artikel 3:6 Eisen met betrekking tot vergunning
1De vergunning vermeldt in ieder geval:
a.de naam van de exploitant;
b.indien van toepassing, die van de beheerder(s);
c.voor welke activiteit de vergunning is verleend;
d.het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
f.indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
g.de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
h.de geldigheidsduur van de vergunning;
i.het nummer van de vergunning.
2De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
Artikel 3:7 Intrekkingsgronden
1De vergunning wordt ingetrokken als:
a.de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
b.de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
c.is gehandeld in strijd met de artikelen 3:8, 3:11, aanhef en onder a, 3:12, eerste lid, 3:13 en 3:14, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;
d.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;
e.zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, onder a tot en met i;
f.de vergunninghouder dat verzoekt;
g.de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan.
2De vergunning kan tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken als:
a.is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
b.in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
c.een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;
d.is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;
e.is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;
f.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;
g.de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;
h.er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
i.gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning;
j.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd.
Artikel 3:8 Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:6, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.
Artikel 3:9 Verlenging vergunning
1Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:4, 3:5, 3:6 en 3:13, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.
2Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.
Afdeling 3: UITOEFENEN SEKSBEDRIJF
PARAGRAAF 3.1 REGELS VOOR ALLE SEKSBEDRIJVEN
Artikel 3:10 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
1Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 07.00 uur tenzij bij vergunning anders is bepaald.
2Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.
3Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Artikel 3:11 Adverteren
1Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
a.geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;
b.vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en
c.als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.
PARAGRAAF 3.2 REGELS VOOR ALLE PROSTITUTIEBEDRIJVEN EN PROSTITUEES
Artikel 3:12 Leeftijd en verblijfstitel prostituees
1Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:
a.nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;
b.in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3:13 Bedrijfsplan
1Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:
a.op het gebied van hygiëne;
b.ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;
c.ter bescherming van de gezondheid van de klanten;
d.ter voorkoming van strafbare feiten.
2De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:
a.de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;
b.inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;
c.in de seksinrichting te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;
d.in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;
e.de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;
f.de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;
g.de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;
h.de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;
i.de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;
j.aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;
k.de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;
l.de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;
m.de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;
n.de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;
o.de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.
3Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.
4De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
5De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.
6In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.
Artikel 3:14 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
1De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.
2De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:
a.de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;
b.er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;
1°de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;
2°de verhuuradministratie;
3°met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:13, tweede lid, onder k;
4°de werkroosters van de beheerders.
c.de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;
d.medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;
e.onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;
f.onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;
g.gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf;
h.geen strafbare feiten plaatsvinden in of vanuit het prostitutiebedrijf.
PARAGRAAF 3.3 RAAM- EN STRAATPROSTITUTIE
Artikel 3:15 Raamprostitutie
1Het is een prostituee verboden:
a.zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en
b.passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.
2Het verbod van het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een prostituee die werkzaam is in onder een raamprostitutiebedrijf vallende een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.
Artikel 3:16 Straatprostitutie
Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op te houden met het kennelijke doel zich door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.
Artikel 3:17 Handhaving straatprostitutie
1Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:16, kan door een politieambtenaar of toezichthouder aan personen het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen en zich gedurende een tijdvak van vierentwintig uur niet te bevinden op bepaalde wegen.
2Met het oog op de in artikel 3:5, vijfde lid, sub d, genoemde belangen kan door politieambtenaren of toezichthouders aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden als bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk van de aangewezen wegen te verwijderen.
3De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:5, vijfde lid, sub d, genoemde belangen aan personen aan wie in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten minste driemaal een bevel is gegeven als bedoeld in het tweede lid bij besluit verbieden zich gedurende een tijdvak van 1 maand te bevinden op of aan de wegen bedoeld in het eerste lid.
4Degene die een bevel van de burgemeester, als bedoeld in het derde lid, heeft gekregen en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer het verbod, bedoeld in artikel 3:16, overtreedt, is verplicht zich terstond zich te verwijderen van de aangewezen wegen gedurende een tijdvak van 2 maanden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.
5Degene die een bevel van de burgemeester als bedoeld in het vierde lid heeft gekregen en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer het verbod, bedoeld in artikel 3:16, overtreedt, is verplicht zich terstond te verwijderen van de aangewezen wegen en zich daar gedurende een tijdvak van 3 maanden niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.
6De burgemeester beperkt het in het derde, vierde en vijfde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
7Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid.
Afdeling 4: Overige bepalingen
Artikel 3:18 Verbodsbepalingen klanten
1Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.
2Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.
Artikel 3:19 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
1Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
2Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Artikel 3:20 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
1In geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan van een afzonderlijke seksinrichting -al dan niet tijdelijk- de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
2Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.
3Het is verboden voor de exploitant of de beheerder van een seksinrichting om bezoekers toe te laten of aldaar te laten verblijven gedurende de periode dat de inrichting overeenkomstig het eerste lid gesloten is.
4Van het bevel tot sluiting wordt een afschrift aangebracht op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. Een ieder is verplicht dit toe te laten en het afschrift te laten hangen zolang de sluiting van kracht is.
Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1: Geluid- en lichthinder
Artikel 4:1 Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
b.inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 en 4:3 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Besluit en vallend onder hoofdcategorie horeca, categorie 18 van bijlage 1, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht, zoals dit besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
c.houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
d.collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
e.individuele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
f.toeristische gebieden en uitgaanskernen: toeristische gebieden (binnenstad, Scheveningen Bad en Scheveningen Haven) en uitgaanskernen zoals genoemd in de Horecavisie Den Haag;
g.seizoensgebonden strandpaviljoen: een niet voor bewoning bestemd gebouw of overdekte stellage geplaatst op het strand tussen 1 maart en 1 november, ten behoeve van de verstrekking van etenswaren en dranken voor gebruik ter plaatse en zaalexploitatie in de vorm van een horeca-inrichting.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
1De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2,17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor ten hoogste zes door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.
Artikel 4:3 Kennisgeving individuele festiviteiten
1Het is een inrichting, niet zijnde een seizoensgebonden strandpaviljoen, toegestaan maximaal zes individuele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2Het is een seizoensgebonden strandpaviljoen toegestaan maximaal twee individuele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
3Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.
4De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, ten minste vijf werkdagen voor aanvang van de festiviteit door het college is ontvangen.
5De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een individuele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
6Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt door inrichtingen als bedoeld in het eerste lid het ten gehore brengen van muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – niet eerder dan 12 uur gestart, en
in de toeristische gebieden en uitgaanskernen en op Scheveningen strand - van Zwarte pad tot Noordelijk havenhoofd uiterlijk: donderdag/vrijdag/zaterdag: om 02.00 uur; zondag/maandag/dinsdag/woensdag: om 24.00 uur;
ingeval de volgende dag een feestdag is: om 02.00 uur;
in de rest van de stad, 24.00 uur beëindigd.
7Op de dagen als bedoeld in het tweede lid wordt door seizoensgebonden strandpaviljoens het ten gehore brengen van muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – niet eerder dan 12 uur gestart, en
op Scheveningen strand - van Zwarte pad tot Noordelijk havenhoofd uiterlijk: donderdag/vrijdag/zaterdag: om 02.00 uur; zondag/maandag/dinsdag/woensdag: om 24.00 uur;
ingeval de volgende dag een feestdag is: om 02.00 uur;
en overige strandpaviljoens: 24.00 uur; beëindigd.
8Het bepaalde in het zesde en zevende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.
9Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren van de betreffende inrichting gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
10Binnen de inrichting mag maximaal eens in de veertien dagen een individuele festiviteit zoals genoemd in het eerste en tweede lid worden gehouden.
Artikel 4:4
Reserveren
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
1Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel4:10 Verbod op het oplaten van ballonnen
1In dit artikel wordt onder ballon verstaan: een ballon of lampion van welk materiaal dan ook die door hete lucht, helium of gas in de lucht wegdrijft.
2Het is verboden om opzettelijk een ballon op te laten of in de lucht te brengen.
Afdeling 3: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
1Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
d.mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;
2In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.\
3Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduide voorwerp of stof:
a.op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel
b.op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.
4Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
Artikel 4:16
[vervallen]
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1: Parkeerexcessen
Artikel 5:1 Begripsomschrijvingen inzake parkeerexcessen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
b.voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:
1treinen en trams;
2fietsen, bromfietsen;
3invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
4kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen;
c.parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
1Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel
b.de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
2Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:
a.het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b.het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
3Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:
a.voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b.voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.
4Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
1Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
1Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6 Caravans e.d.
1Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:
a.langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;
b.op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar voor bepaalde categorieën voor bepaalde perioden, het onder het eerste lid onder a bedoelde verbod niet geldt
3Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
4Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
1Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 tot 18.00 uur.
4Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
1Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
2Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5:10A Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan
1Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.
2Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aanlegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
2Dit verbod is niet van toepassing op:
a.de weg;
b.voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c.voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets
1Het is verboden fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen te laten staan op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen weg of weggedeelte.
2Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.
3Het is verboden fietsen of bromfietsen te laten staan in parkeervoorzieningen op een door het college aangewezen weg of weggedeelten, langer dan een door het college te bepalen periode.
4Het is verboden fietsen of bromfietsen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te laten staan op een door het college aangewezen weg of weggedeelte, langer dan een door het college te bepalen periode.
Afdeling 2: Collecteren
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen
1Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
2Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
4Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:
a.instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode, of;
b.in de gemeente Den Haag gevestigde verenigingen en stichtingen, die krachtens statuten en activiteiten een doel nastreven dat van algemeen (gemeenschaps)belang is en die geld of goederen inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen;
en indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
1De gebruikte collectebussen moeten zijn voorzien van een duidelijk opschrift waaruit de naam en doelstelling van de instelling blijkt;
2Op de weg mag niet na zonsondergang en aan de huizen niet na 21.00 uur worden gecollecteerd;
3Uiterlijk een week voor aanvang van de inzameling moet aan het college melding worden gedaan van de inzameling onder vermelding van de naam van de inzamelende instelling, naam contactpersoon en het doel, de plaats, datum en het tijdstip van de inzameling;
4De verplichtingen en de verboden in dit artikel gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer of de op deze wet gebaseerde Afvalstoffenverordening.
Afdeling 3: Openbaar water
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
1Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
2Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.
3De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
4Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
1Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:29 Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water
1Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
1Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
2Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Afdeling 4: Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:31A Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
-. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-. motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
1Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.
3Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
a.het voorkomen van overlast;
b.de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.de veiligheid van het publiek.
4Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:
a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
5Het verbod is voorts niet van toepassing:
a.op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;
b.binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.
6Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Afdeling 5: Verbod vuur te stoken
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven;
c.vuur voor koken, bakken en braden,
alles voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
3De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen.
4De ontheffing kan worden geweigerd:
a.in het belang van de openbare orde en veiligheid;
b.ter bescherming van de woon- en leefomgeving;
5Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 6: Verstrooiing van as
Artikel 5:35 Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5:36 Verboden plaatsen
1Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a.verharde delen van de weg;
b.gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;
c.op het strand en in zee, gedurende de periode van 15 mei tot 1 oktober, tussen zonsopgang en zonsondergang;
d.speel- en ligweiden;
e.kinderspeelplaatsen.
2Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
3Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Artikel 5:37 Hinder of overlast
Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Afdeling 7: Aangelegenheden betreffende het toezicht op het strand
Artikel 5:38 Zwemmen in zee.
Het is verboden:
a.zich bij het baden of zwemmen in zee te bevinden met een voorwerp bestemd of gebruikt om zich daarmede drijvende te houden;
b.zich van een strandhoofd af in zee te begeven of in de naaste omgeving daarvan te baden of te zwemmen.
Artikel 5:39 Strandstoelen e.d.
vervallen
Artikel 5:40 Spelen op het strand
Het is verboden op het strand of bij het baden of zwemmen in zee enig spel of enige sport te beoefenen als daarvan gevaar of overlast voor personen dan wel beschadiging van goederen is te duchten.
Artikel 5:41 Varen in zee.
1Het is verboden:
a.een vaartuig op het strand te hebben of te brengen;
b.zich met een vaartuig in zee tussen de strandhoofden te bevinden.
c.om tot een afstand van 1000 meter, loodrecht gemeten vanaf de laagwaterlijn richting zee, te waterskiën, een waterscooter (jetski) te gebruiken en/of te parasailen.
2Dit verbod geldt niet op de door burgemeester en wethouders bij besluit ( Zie uitvoeringsbesluit ) vastgestelde plaatsen en tijden ten aanzien van de in dat besluit genoemde categorie van vaartuigen, mits daarbij de door burgemeester en wethouders vastgestelde voorschriften in acht worden genomen.
3Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:42 Rijden op het strand.
1Het is verboden:
a.het strand te berijden met een motorvoertuig;
b.een motorvoertuig op het strand te plaatsen of te laten staan.
c.het strand te berijden met een door wind voortbewogen voertuig;
d.op het strand bromfietsen te berijden, te plaatsen of te laten staan;
e.tussen 19.00 uur en 10.00 uur te slapen op het strand.
2Het is verboden gedurende het tijdvak van 15 mei tot 1 oktober op het strand:
a.fietsen te berijden, te plaatsen of te laten staan, tussen 07.00 uur en 19.00 uur;
b.te rijden met rij- of trekdieren of wagens tussen 07.00 uur en 19.00 uur.
3Onverminderd het bepaalde in lid 2 onder b. is het verboden anders dan stapvoets het strand te berijden met rij- of trekdieren of bespannen wagens.
4Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, en van het verbod, neergelegd in het tweede lid en het derde lid.
Artikel 5:43
1Het is verboden te vissen met vaste vistuigen indien het gebruik van die vaste vistuigen kan leiden tot gevaar voor zwemmers en andere gebruikers van het strand.
2Het gebruik van vaste vistuigen wordt in ieder geval geacht te kunnen leiden tot gevaar als bedoeld in het eerste lid indien deze vistuigen:
a.zich binnen een afstand van 300 meter van een van de havenhoofden bevinden;
b.zich binnen 300 meter zeewaartse afstand van de laagwaterlijn tussen het Noordelijk Havenhoofd en de Scheveningse Pier bevinden.
Hoofdstuk 6 Straf-, boete-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6:1 Strafbepaling
1Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1, 2:6, 2:8, 2:10, 2:10B, 2:11, 2:12, 2:18, 2:25, 2:25B, 2:25C, 2:26, 2:26A, 2:26B, 2:28, 2:29, 2:30, 2:30A, 2:31, 2:32, 2:33, 2:37, 2:38, 2:38A, 2:38B, 2:39, 2:41, 2:44, 2:48, 2:48A, 2:49, 2:50, 2:52, 2:67, 2:68, 2:69, 2:72, 2:73, 2:73A, 2:73B, 2:74, 2:74A, 2:74B, 2:75, 2:79, 2:97, zevende lid, 2:98, 3:3, 3:8, 3:10, 3:11, 3:12, 3:13, 3:14, 3:15, 3:16, 3:17, 3:18, 3:19, 3:20, 4:3, 4:4, 4:6, 4:13, 5:2, 5:3, 5:7, 5:8, 5:9, 5:10A, 5:13, 5:24, 5:33, 5:34, 5:36, 5:37, 5:39, 5:42, eerste lid, 5:42, derde lid, 5:43.
2Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikel 2:9, 2:13, 2:14, 2:15, 2:16, 2:17, 2:19, 2:20, 2:21, 2:23, 2:23A., 2:42, 2:43, 2:45, 2:46, 2:47, 2:47A., 2:51, 2:53, 2:56, 2:57, 2:58, 2:59, 2:65, 2:65A., 4:8, 4:9, 4:10, 5:4, 5:5, 5:6, 5:10, 5:11, 5:12, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:38, 5:40, 5:41, 5:42, tweede lid.
3In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, [2:12, eerste lid,] en 4:11, eerste lid.
Artikel 6:1A Boetebepaling bestuurlijke boete
Vervallen
Artikel 6:2 Toezichthouders
1Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, zijn belast: de Inspecteurs Openbare Ruimte, de Boswachters, Controleurs Binnenwateren en de Controleurs Openbare Ruimte werkzaam bij de Dienst Stadsbeheer.
2Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht .
Artikel 6:2A
Een ieder is verplicht om de door de in artikel 6:2 bedoelde toezichthouder gegeven aanwijzingen na te leven.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening, gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
1Deze verordening treedt in werking met ingang van een door burgemeester en wethouders nader te bepalen datum.
2Met ingang van de in het lid 1 bedoelde datum wordt de Algemene politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 (5/1982) ingetrokken.
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
1Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de termijn, waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij met inachtneming van hetgeen terzake in de vergunning of ontheffing is bepaald worden ingetrokken.
2Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de termijn, waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij met inachtneming van hetgeen terzake in het voorschrift of de beperking is bepaald worden ingetrokken.
3Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.
4Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid.
5In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.
6Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, zijn niet van toepassing:
a.gedurende acht weken na het in werking treden van deze verordening;
b.ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
7De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.
Artikel 6:6 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag.