Aanhef
Intitulé
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bunnik 2026
De raad van de gemeente Bunnik;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik 2026,
gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de
artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de
Alcoholwet, artikelen 18.1, 18.2, 18.3, 18.4, 18.4a, 18.5, 18.6, 18.7, 18.10, 18.11, 18.12, 18.13,
18.15, 18.15a, 18.16, 18.16a, 18.18 van de Omgevingswet, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g,
en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer juncto artikel 8.2.2 van
het Invoeringsbesluit Omgevingswet, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3
van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid, Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de
Wegenverkeerswet 1994
Besluit vast te stellen:
ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING GEMEENTE BUNNIK 2026
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a
Wegenverkeerswet 1994;
b.beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de
Omgevingswet
c.bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van
een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet of ten aanzien van een al verleende
omgevingsvergunning;
e.bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
f.college: het college van burgemeester en wethouders;
g.gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken
leefomgeving;
h.handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
i.openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
j.openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt
verstaan;
k.rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of
persoonlijk recht;
l.weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt
verstaan.
m.voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens,
en rolstoelen.
Artikel 1:2 Beslistermijn
1Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht
weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3
[Vervallen]
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
1Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze
voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in
verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
voorschriften en beperkingen na te komen.
3Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
1De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is
bepaald.
2Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
1De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a.ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin stelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijk termijn; of
e.de houder dit verzoekt of deze betrekking hebben op de houder dit verzoekt of deze betrekking heeft op artikel 5.40 van de omgevingswet.
2Het eerste lid is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen
1De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders
is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde
tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het
aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden
1De vergunning of ontheffing kan in ieder geval geweigerd worden in het belang van:
a.de openbare orde;
b.de openbare veiligheid;
c.de volksgezondheid;
d.de bescherming van het milieu.
2Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 8
weken, en bij evenementen 16 weken, voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
1Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te
dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2Degene die op een openbare plaats
a.aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
b.aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor
ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie en/of toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het
bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
ongeregeldheden zijn afgezet.
4De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en
godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
manifestaties.
6Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:1a Digitale verstoringen
1Het is verboden om via digitale middelen, onder andere via internet, virtuele ruimtes en sociale
media, uitingen te doen, te delen en/of in stand te laten, die kunnen leiden tot een fysieke
verstoring van de openbare orde binnen het grondgebied van de gemeente Bunnik, dan wel tot het
ontstaan van een ernstige vrees daarvoor.
2Onverminderd het bepaalde in artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht is het beheerders van
websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms verboden om uitingen,
als bedoeld in het eerste lid, die via hun communicatiedienst worden gedaan
a.te delen of verder te (laten) verspreiden;
b.in stand te laten; of
c.online toegankelijk en/of zichtbaar te houden.
3Beheerders van websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms zijn
verplicht om, op last van de burgemeester, uitingen als bedoeld in het eerste lid, te blokkeren, te
verwijderen en verwijderd te houden, al dan niet via hun eigen notice-and-takedown procedures.
Artikel 2:2 Optochten
[vervallen]
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder
begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties,
geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt
gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2De kennisgeving bevat:
a.naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.het doel van de betoging;
c.de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te
bevorderen.
3Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de
kennisgeving is vermeld.
4Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag,
een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de
werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling
nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 Afwijking termijn
(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)
Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens
(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden
dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van
gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.
[gereserveerd]
Artikel 2:8 Dienstverlening
[gereserveerd]
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
1Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of
gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare
veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats
1Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
functie daarvan, als dat gebruik:
a.schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b.niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten
minste een vrije doorgang wordt gelaten van 1,5 meter breed en 2,2 meter hoog op voetpaden en
van 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels
stellen voor terrassen, uitstallingen, spandoeken en reclameborden.
4Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
5Het verbod is niet van toepassing op:
a.evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
c.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
6Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedsactiviteiten met betrekking tot een
weg of waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale
omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel
5van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding
daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar
lichaam werkzaamheden worden verricht.
3Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een
weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale
omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel
5van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, of de Verordening werkzaamheden kabels en leidingen gemeente Bunnik.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
1Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken, te
hebben, te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.
2De vergunning kan worden geweigerd:
a.indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
b.indien de bruikbaarheid of het meest doelmatige gebruik van de weg daardoor wordt aangetast;
c.indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
d.indien het uiterlijk aanzien van de omgeving daardoor op onaanvaardbare wijze wordt
aangetast;
e.indien het openhaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
f.indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt
ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of
openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
4Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of
waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale
omgevingsverordening of waterschapsverordening.
5In afwijking van artikel 1.5 van deze verordening, is de vergunning zaak gebonden
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
[gereserveerd]
Artikel 2:14 Winkelwagentjes
1Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze
a.te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en
b.terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.
2Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het
wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of
gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een
andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te
dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke
1Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een
bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en
onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
1Het is verboden in bossen of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
a.te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel
429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
3De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en
aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
1Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg
op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te
brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere
scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,60 meter binnen de bebouwde kom of 0,90 meter
buiten de bebouwde kom uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
[gereserveerd]
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk
voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de
Omgevingswet.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
1Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding
bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2Het college kan ontheffing verlenen als de elektrische spanning van de bovengrondse
hoogspanningslijn dat toelaat.
3Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
4Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
1Het is verboden:
a.voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2Het is verplicht:
a.voor degenen die een bijt in het ijs in een van een voor het publiek toegankelijke ijsbaan of
b.ijsweg maakt dan wel heeft, anders dan een aangebrachte smalle opening in het ijs rondom een vaartuig, deze op opvallende wijze te omgeven door middel van planken, takken, schotsen ofandere voorwerpen;
c.voor rechthebbende op een inrichting voor afvoer van water, wanneer door uitstorting van dit water het ijs in de nabijheid van een ijsbaan of ijsweg onbetrouwbaar is, onverwijld de
gevaarlijke plaats aan te duiden door bakens, planken, palen of andere voorwerpen, door deze op opvallende wijze langs de rand daarvan te plaatsen.
3Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing voor situaties waarin wordt voorzien door
het Wetboek van Strafrecht of provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 3. Evenementen
Artikel 2:24 Definities
1In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van
2vermaak, met uitzondering van:
a.bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en
artikel 5:22 van deze verordening;
c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
d.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
e.activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening.
f.sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f;
g.activiteiten in openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 van deze verordening, die in
h.de uitoefening van de inrichting gebruikelijk zijn.
3Onder evenement wordt mede verstaan:
a.een herdenkingsplechtigheid;
b.een braderie;
c.een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze
verordening;
d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.een straatfeest of buurtbarbecue;
f.een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of vechtsportgala’s;
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
1Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te
organiseren.
2Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het
Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.
3Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien aan alle hieronder staande vereisten
worden voldaan:
a.het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen;
b.het evenement niet plaatsvindt op zon- en feestdagen vóór 13:00 uur;
c.geen ontheffing op basis van de Zondagswet is vereist;
d.geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 10.00 uur of na 22.00 uur;
e.het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins
f.een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;
g.slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per
h.object;
i.er een organisator is;
j.de organisator binnen 3 weken voorafgaand aan het evenement daarvan schriftelijk melding
k.heeft gedaan via het daarvoor vastgestelde meldingsformulier aan de burgemeester;
l.er geen kook- en/of bakactiviteiten in bak- of kraamwagens plaatsvindt.
4De burgemeester kan binnen 7 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren
van een klein evenement als bedoeld in het derde lid te verbieden, indien er aanleiding is te
vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu
in gevaar komt.
5Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
6Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f,
aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of vechtsportgala’s.
7Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een
vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24 tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of
de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
8Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
1openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar,
discotheek, afhaal- en bezorgcentrum, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek
toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid.
2terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken
of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid en verstrekt;
3vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in
artikel 2:28, eerste lid van deze verordening is verleend;
4leidinggevende:
a.de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;
b.de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een openbare inrichting;
c.de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft in een openbare inrichting;
5barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Alcoholwet, of de wet
die hiervoor in de plaats treedt.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
1Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren.
2De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met
3het omgevingsplan.
4In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of
5gedeeltelijk weigeren:
a.als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van
b.de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
c.de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
d.De exploitatievergunning van de openbare inrichting voor maximaal vijf jaar is ingetrokken; of
e.De exploitant of leidinggevende binnen de laatste vijf jaar een exploitant is geweest van een
f.openbare inrichting die voor tenminste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten
g.of waarvan de exploitatievergunning is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat de betreffende
h.persoon terzake geen verwijt treft.
6Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:
7een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
8openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
9een zorginstelling;
10een museum; of
11een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.
12Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
13bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28a
[gereserveerd]
Artikel 2:28b Eisen aan leidinggevenden
1De leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen:
a.zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
b.zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
c.zij staan niet onder curatele.
2Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de openbare
3inrichting niet aanwezig is:
a.een op de vergunning of het aanhangsel vermelde leidinggevende, of - indien de openbare
inrichting wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger;
b.een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28c, eerste lid, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.
Artikel 2:28c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning
1Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te
laten bijschrijven.
2Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
3De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk de ontvangst van de aanvraag.
4De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in het eerste lid van dit artikel, niet voldoet aan de in artikel 2:28b van deze verordening gestelde eisen.
Artikel 2:28d Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting
Indien een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in
overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht
bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien
aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning,
waarin de ingevolge artikel 2:28a van deze verordening vereiste omschrijving is aangepast aan de
nieuwe situatie.
Artikel 2:28e Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of
schorsen indien:
a.de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden;
b.aannemelijk is dat de vergunninghouder en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige
nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar
opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging
vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
c.de vergunninghouder en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de openbare inrichting
strafbare feiten worden gepleegd;
d.de vergunninghouder en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook;
e.zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het
(ongewijzigd) geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare
orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of
leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
f.een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel
2:28c, eerste lid van deze verordening om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij
de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste
driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde lid van deze verordening.
Artikel 2:28f Terrassen bij winkels
1De ingebruikname van een terras bij winkels met een openbare inrichting als nevenactiviteit is
toegestaan indien dit vooraf is gemeld aan de burgemeester en:
a.het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de weg dan wel geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b.het beoogde gebruik geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en
onderhoud van de weg;
c.het beoogde gebruik geen afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte,
inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
2De burgemeester kan aan het gebruik van het terras voorschriften en/of beperkingen verbinden,
onder andere ten aanzien van:
a.de inrichting, situering en het gebruik van het terras;
b.gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen;
c.de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras;
d.de brandveiligheid.
3Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semi-permanent zijn. Als voor het uitvoeren
van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn
de vergunninghouder en de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde
bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen.
4Het is verboden in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te
verstrekken.
Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in artikel 2:29 van deze verordening dient al het
meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden
dat het niet te verplaatsen is.
Artikel 2:29 Sluitingstijd
Het is de exploitant verboden het terras behorend bij het horecabedrijf voor bezoekers geopend te
hebben, of bezoekers op het terras te laten verblijven tussen 22.00 uur en 07.00 uur.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van
bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden
vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
1de orde te verstoren;
2zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond
van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
3op het terras dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van strafrecht, of een voor
hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van
artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op
als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel 2:34a Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
•alcoholhoudende drank;
•horecabedrijf;
•horecalokaliteit;
•inrichting;
•paracommerciële rechtspersoon;
•sterke drank;
•slijtersbedrijf;
•zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
1Het is een paracommerciële rechtspersoon verboden sterke drank te verstrekken.
2Een paracommerciële rechtspersoon kan uitsluitend zwak-alcoholhoudende drank verstrekken met
inachtneming van het volgende:
a.de drank wordt bij sportverenigingen uitsluitend verstrekt in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, vanaf twee uren voor de aanvang tot uiterlijk twee uren na afloop van een activiteit, met dien verstande dat de drank niet wordt verstrekt voor 13.00 uur;
b.de drank wordt bij overige paracommerciële rechtspersonen uitsluitend verstrekt in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, met dien verstande dat de drank niet wordt verstrekt voor 13.00 uur en na 01.00 uur;
c.de drank wordt verstrekt voor ten hoogste vier bijeenkomsten per kalenderjaar:
i.van persoonlijke aard of
ii.die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de
desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
3Een paracommerciële rechtspersoon kan tijdens een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid, onder c, zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken tussen 13.00 uur en 01.00 uur.
4Een paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 2 weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het
tweede lid, onder C, melding hiervan aan de burgemeester.
Artikel 2:34c Verbod ‘happy hours’
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet
alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van
24uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 2:34d Cursussen en proeverijen in slijtersbedrijven
1Het is een slijtersbedrijf toegestaan betaalde proeverijen of cursussen gerelateerd aan
alcoholhoudende dranken aan te bieden met inachtneming van het volgende:
a.er vinden ten hoogste twintig proeverijen of cursussen gerelateerd aan alcoholhoudende drank per kalender jaar plaats;
b.de proeverijen of cursussen vinden plaats buiten de reguliere openingsdagen en openingstijden
2Het slijtersbedrijf doet uiterlijk 2 weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid melding
hiervan aan de burgemeester.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een
inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister [Vervallen] Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk
leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de
dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:39 Definities
1In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke
gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden
gewonnen of verloren.
2In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben
dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39a Speelgelegenheden
In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid
waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig
spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
verloren.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te
doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
op de kansspelen;
De burgemeester weigert de vergunning:
als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
als de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Artikel 2:40a Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning
1In dit artikel wordt verstaan onder:
a.Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden
uitgeoefend;
b.Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
c.Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend
perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het
verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als
naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het
oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of kan komen te staan. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer
bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als
naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de
bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat of ernstige vrees
hiertoe bestaat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.
3Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
a.in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied; of
b.in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
c.in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het
derde lid weigeren:
a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of
dreigt te worden beïnvloed;
b.indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c.indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
d.indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
e.indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
f.indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een geldende
omgevingsvergunning in de zin van de omgevingswet en/of;
g.indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de
vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat
wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat
daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is
h.ingetrokken.
5Naast en in aanvulling op artikel 1:4 lid 1 APV kunnen voorschriften en beperkingen worden
verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleed krachtens het tweede lid van deze
bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.
6De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt
ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a.de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
b.het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
c.het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
d.indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
e.een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
f.een verklaring omtrent gedrag (VOG);
g.een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
h.naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft.
i.indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
7Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het
derde lid intrekken of wijzigen:
a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c.indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;
e.indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
f.indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een geldende
omgevingsvergunning in de zin van de omgevingswet en/of;
g.indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
h.indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
i.indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
j.indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd; en/of
k.indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.
8Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er
sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet.
Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in
artikel 9 van die wet worden gevraagd.
9De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het
daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt
geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zesde lid, sub a tot en met k, van
toepassing is.
10Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.
11De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.
12De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet
langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk,
doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn
vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan
de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een
aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.
13Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning
vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.
14Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de
aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit.
Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten,
dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken
waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal
6maanden en maximaal 1 jaar.
15Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40b Sluiting speelgelegenheid
1De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, het woon- en
leefklimaat of het voorkomen van ondermijning de speelgelegenheid voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
2Het is een ieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten speelgelegenheid te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven.
3De sluiting wordt tevens bekendgemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de
toegang(en) van de speelgelegenheid.
4De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven,
wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn
oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de gronden, die tot de sluiting
hebben geleid, zal plaatsvinden.
Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor
publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het
publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek
toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of
dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen
aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens
wettelijk voorschrift.
4De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens
eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
5Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daar.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
1Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of
verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2Het verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt
of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
1Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn
bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het
maken van sporen te voorkomen.
3Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben
voorwerpen, die kennelijk zijn bedoeld om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
4Het in het vorige lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in dat lid bedoelde
handelingen.
Artikel 2:44a Technische hulpmiddelen
1Onverminderd het bepaalde in artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet, artikel 139d, tweede lid
onder a en artikel 350d van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op een openbare plaats
technische hulpmiddelen te vervoeren, te gebruiken of bij zich te hebben die tot doel hebben het
voorbereiden, faciliteren, plegen, afschermen of verhullen van strafbare feiten waarmee de
openbare orde kan worden verstoord.
2Het verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het technische
hulpmiddel niet is bestemd of gebruikt voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
[gereserveerd]
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
[gereserveerd]
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1Het is verboden op een openbare plaats:
a.te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die
openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431
van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47a Liggen of slapen op of aan een openbare plaats
Het is verboden –al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder
geval begrepen het gebruik van een auto, of caravan e.d.– op of aan een openbare plaats:
•tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
1Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare
2plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
hebben.
3Het verbod is niet van toepassing op:
a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en
b.een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik
1Het is verboden op een openbare plaats lachgas als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen
daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben,
indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het
woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.
2Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter
bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas als
roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik
voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.
3Het college kan in het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het in het tweede lid van dit artikel het
verbod beperken tot bepaalde tijden.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
1Het is verboden zonder redelijk doel:
a.zich in een portiek of poort op te houden;
b.zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een
soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich
zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat
gebouw.
3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 138 Wetboek van
Strafrecht.
Artikel 2:49a Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
1Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik
geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de
onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor
omwonenden wordt veroorzaakt.
2Onder ernstige en herhaaldelijke hinder zoals bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan
3het herhaaldelijk vertonen of veroorzaken van:
a.intimiderend gedrag;
b.geluidsoverlast;
c.vuilnisoverlast;
d.overlast door dieren;
e.overlast door bezoekers.
4Bij overtreding van het bepaalde in het eerste lid kan de burgemeester de gebruiker van de woning
of het gebouw een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 151d tweede lid en derde lid
Gemeentewet opleggen. De last bestaat uit het opleggen van aanwijzingen aan de overtreder ten
behoeve van het voorkomen van verdere ernstige hinder.
5De burgemeester stelt beleidsregels op ten behoeve van de uitvoering van het derde lid.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op
een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander
doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen,
wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a Hinderlijk gedrag op of bij een jongeren ontmoetingsplaats (JOP)
1In dit artikel wordt verstaan onder een jongeren ontmoetingsplaats: een door de gemeente als
zodanig ingerichte plaats in de openbare ruimte, waar tieners en jongeren elkaar kunnen ontmoeten
en recreëren.
2Het is verboden zich op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden op of bij een jongeren
ontmoetingsplaats, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende plaats is bestemd.
3Het is verboden zich tussen 23.00 uur en 7.00 uur te bevinden op een jongeren ontmoetingsplaats.
Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
[vervallen]
Artikel 2:50c Sluiting gebouw of ruimte
1De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat, de
sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:
a.is gehandeld in strijd met artikel 1van de Wet op de kansspelen;
b.door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
c.discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op
welke grond dan ook;
d.wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend, of
e.zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het
geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de
openbare orde of het woon- en leefklimaat.
2De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde
belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.
3De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van een afschrift van het sluitingsbevel bij de
toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.
4De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
5Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.
6Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te
laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.
7Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester
krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot
sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.
Artikel 2:50d Messen en steekwapens
1Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen
voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden
gebruikt bij zich te hebben.
2Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en
evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig
zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een
raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:
1dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of
2daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met
een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar
een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit
verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen
1Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op
te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze
woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
2Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die
zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur
[Vervallen]
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren
[Vervallen]
Artikel 2:56 Alarminstallaties
[Vervallen]
Artikel 2:57 Loslopende honden
1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats,
zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
c.buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; of
d.op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van
4een hond:
a.die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
b.die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
1De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht om de uitwerpselen van de hond op te
ruimen en deze te deponeren in eigen of gemeentelijke afvalbakken:
a.in de openbare ruimte binnen de bebouwde kom;
b.op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers buiten de bebouwde kom en
c.op een andere door het college aangewezen plaats buiten de bebouwde kom.
2Het is verboden om zich binnen de bebouwde kom van de gemeente met een hond te begeven
zonder dat men aantoonbaar de beschikking heeft over adequaat materiaal om de uitwerpselen van de hond op te ruimen; onder adequaat materiaal wordt minimaal verstaan een opruimzakje of
schepje.
3De eigenaar, houder of verzorger van een hond die zich met de hond op of aan de weg bevindt, is
verplicht de schep, het zakje of een ander doeltreffend hulpmiddel op verzoek te laten zien aan de
toezichthoudend ambtenaar.
4De opruimplicht zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing ingeval sprake is van:
a.personen die zich vanwege hun handicap zich door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
b.personen die aantoonbaar een fysieke beperking hebben, zoals blinden en slechtzienden,
rolstoelgebruikers en personen die zich moeten voortbewegen met een rollator.
5Het college kan plaatsen aanwijzen waar het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid niet geldt.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de
eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor
zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort
aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste
1,50 meter.
3De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de
verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a.vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
1Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te
laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a.op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar
b.waarschuwingsbord is aangebracht;
c.het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
d.het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet
zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging of schade aan de openbare
gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a.aanwezig te hebben;
b.aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;
c.aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of
2Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
3Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren
[Vervallen]
Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een
weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht
ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Duiven
1De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen
tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1
juni.
2Het college kan ontheffing verlenen van het gebod in het eerste lid.
3Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale
omgevingsverordening.
4Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:64 Bijen
1Het is verboden bijen te houden:
a.binnen een afstand 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen
verblijven;
b.binnen een afstand 30 meter van de weg.
2Het verbod, bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste
zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder
die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
4Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of
krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
5Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.
6Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij
Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter
voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
a.het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
d.de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
e.de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a.de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van
2de bij zijn onderneming behorende vestiging;
3van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;
4dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
5dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de
6rechthebbende verloren is gegaan;
b.de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
c.aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
d.een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat
waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
[gereserveerd]
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32]
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Artikel 2:71 Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat
op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking
mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
1Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter
beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een
vergunning van het college.
2Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de
voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade
of overlast kan veroorzaken.
3Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.73a Carbidschieten
1Carbid schieten in de openlucht is verboden.
2Het verbod gesteld in het eerste lid geldt niet als het carbidschieten plaatsvindt op 31 december
tussen 10.00 uur en 20.00 uur op een terrein gelegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde de
openbare weg.
3Het college kan nadere regels opstellen betreffende het carbidschieten zoals bepaald in het tweede
lid.
4Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de
natuurbescherming plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het tweede en vijfde lid niet van toepassing is.
5Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid opgenomen verbod.
6Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer
gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden
met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn
of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk
gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te
gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik
voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het
tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1; 2:1A; 2:10; 2:11; 2:16; 2:26; 2:47; 2:18;
2:49; 2:50; 2:50A; 2:73 of 5:34 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de
openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing
van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere
voor het publiek toegankelijke door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast,
het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van
personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of
openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan
wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van
de bovengenoemde overtredingen begaat, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 4 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen 6
maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid,
plaatsvindt.
4De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in
verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De
burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:79 Begripsbepalingen
1In dit artikel wordt verstaan onder:
a.exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van
toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
c.bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:79a Aanwijzing gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor bepaalde bedrijvigheid
1De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat of als er bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven een gebied, straat, gebouw of
bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod van artikel 2:79b van toepassing is. Een
aanwijzing kan zich tot één of meer bedrijfsactiviteiten beperken.
2De burgemeester wijst in het besluit de activiteiten aan waarvoor de vergunningplicht geldt en geeft
desgewenst aan welke specifieke voorwaarden aan de vergunningplicht worden verbonden.
3De burgemeester kan de aanwijzing intrekken zodra deze bedrijfsmatige activiteiten naar zijn
oordeel niet langer de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins
ondermijning veroorzaken.
Artikel 2:79b Exploitatie van een bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in een door de
burgemeester aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester benoemde
bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.79a.
Artikel 2:79c Aanvraag vergunning bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
1De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant.
2Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de
burgemeester vastgesteld formulier.
3Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag kan hij verlangen dat
aanvullende gegevens worden overgelegd.
4Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de
vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien
deze aanvraag niet binnen één maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 2:79d Bijzondere weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren als:
a.naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare
orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed of er om andere redenen sprake is van
ondermijning door het bedrijf;
b.indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of
dreigt te worden beïnvloed;
c.de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft;
d.indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de
aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
f.er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de
Vreemdelingenwet 2000; of
g.indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend
ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend
voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet, of een
omgevingsplan.
Artikel 2:79e Bijzondere gronden voor intrekking en wijziging
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde
lid intrekken of wijzigen indien:
a.door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
b.door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt
beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
c.de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of
d.de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
e.de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat
strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt
beïnvloed; of
f.er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
g.de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een
gewijzigde exploitatie; of
h.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de
vergunning vermelde in overeenstemming is;
i.er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de
Vreemdelingenwet 2000; of
j.indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer, zoals die
wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een
omgevingsplan.
Artikel 2:79f Overgangsbepaling bestaande bedrijven
Voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds worden
uitgeoefend stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel
2:79b in werking treedt.
Artikel 2:79g Sluiting bedrijf
1De burgemeester kan, indien een bedrijf in strijd met artikel 2:79b wordt geëxploiteerd of indien
een van de situaties als bedoeld in artikel 2:79e, onder a tot en met j, van toepassing is, het bedrijf
voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
2Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten bedrijf te betreden of daarin te
verblijven of te laten verblijven.
3De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de
toegang(en) van het bedrijf.
4De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven,
wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn
oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de gronden, die tot de sluiting
hebben geleid, zal plaatsvinden.
Hoofdstuk 3 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Afdeling 1 Algemene bepalingen
Artikel 3.1 Afbakening
De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk
bepaalde.
Artikel 3:2 Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a.advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder
de aandacht van het publiek brengt;
b.beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding
van een seksbedrijf;
c.bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
burgemeester;
d.escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in
de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;
e.exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van
toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor
wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;
f.klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een
prostituee aangeboden seksuele diensten;
g.prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met
een ander tegen betaling;
h.prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een
ander tegen betaling;
i.prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;
j.raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot
prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit
een voor publiek toegankelijke plaats;
k.seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot
het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig
aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen
betaling;
l.seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
m.werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele
handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.
Afdeling 2 Vergunning seksbedrijf
Artikel 3:3 Vergunning
1Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
2Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van
beschikbare vergunningen.
3Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten
hoogste twaalf weken worden verlengd.
4Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
beslissen) is niet van toepassing.
5Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.
6De vergunning wordt voor bepaalde tijd verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De
vergunning is niet overdraagbaar.
7De vergunning kan ten hoogste tweemaal worden verlengd.
Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen
Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting
geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor
seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.
Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen
Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het aantal vergunningen voor een
seksinrichting dat kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor
seksinrichtingen van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.
Artikel 3:6 Aanvraag
1Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan
vastgesteld formulier.
2Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder
geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a.de persoonsgegevens van de exploitant;
b.het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
c.of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;
d.het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;
f.het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
g.een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;
h.voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;
i.een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de
Belastingdienst;
j.bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;
k.voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;
l.voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt
aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.
3Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, tot en met c, g en h, van
overeenkomstige toepassing op de beheerder.
4Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel 3:7 Weigeringsgronden
1Een vergunning wordt geweigerd als:
a.de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
b.de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
c.de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
d.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
f.er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van
mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de
g.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
h.de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
i.bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
ii.de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
iii.artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
iv.de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de
Wegenverkeerswet 1994;
v.de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
vi.de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
i.een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld of dit maximum al is bereikt;
j.de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
2Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijk gesteld:
a.een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
b.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het
Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, onder a, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt.
3De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een
vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
4Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de
5periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
6Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
a.voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en
onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de
voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
b.als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de
aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het
bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;
c.als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een
prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;
d.als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van
prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting
waarvoor de vergunning is aangevraagd;
e.als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;
f.als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;
g.als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
1De vergunning vermeldt in ieder geval:
a.de naam van de exploitant;
b.voor zover van toepassing, die van de beheerder;
c.voor welke activiteit de vergunning is verleend;
d.het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
f.voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting
waarvoor de vergunning mede is verleend;
g.de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
h.voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;
i.het nummer van de vergunning.
2De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de
3seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
1De vergunning wordt ingetrokken als:
a.de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een
andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
b.de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
c.is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, eerste lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;
d.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het va kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;
e.zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;
f.de vergunninghouder dat verzoekt;
g.de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
2De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:
a.is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
b.in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
c.een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;
d.is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;
e.is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;
f.zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;
g.de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde
belemmert of bemoeilijkt;
h.er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
i.gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden
De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming
is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig
mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf
aan de vereisten voldoet.
Artikel 3:11 Verlenging vergunning
1Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en
3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en
bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd
dienen te worden.
2Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.
Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven
Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
1Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag tussen 01:00 uur en 06:00 uur en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 07:00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.
2Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die
inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.
3Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben
bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Artikel 3:13 Adverteren
Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:
a.geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder
e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;
b.vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en
als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat
c.prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare
aandoeningen.
Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees
Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees, verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf
1Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:
nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;
a.in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
2Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning
voor een prostitutiebedrijf is verleend.
Artikel 3:15 Bedrijfsplan
1Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke
maatregelen de exploitant treft:
a.op het gebied van hygiëne;
b.ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de
prostituees;
c.ter bescherming van de gezondheid van de klanten;
d.ter voorkoming van strafbare feiten.
2De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
waarborgen dat:
a.de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche
gelden en dat dit controleerbaar is;
b.inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en
inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor
prostituees;
c.in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik
beschikbaar zijn;
d.in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;
e.de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;
f.de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;
g.de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;
h.de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere
werkzaamheden gevolgen heeft;
i.de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar
werkzaamheden gevolgen heeft;
j.aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;
k.de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee
voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;
l.de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;
m.de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;
n.de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;
o.de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.
3Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.
4De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde
bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.
5De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.
6In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt
dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te
gebruiken.
Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte
[gereserveerd]
Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk
wordt uitgeoefend.
De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:
a.de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden
kunnen bepalen;
b.er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn
opgenomen van in ieder geval;
•de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;
•de verhuuradministratie;
•met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de
documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van
zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;
•de werkroosters van de beheerders.
c.de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen
tijde beschikbaar is voor toezichthouders;
d.medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of
het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens
zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;
e.onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van
dwang en uitbuiting;
f.onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand
geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de
verwachte duur;
g.gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.
Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie
Artikel 3:18 Raamprostitutie
Het is een prostituee verboden:
zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de
weg bevinden beschikbaar te stellen; en
passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of
vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting
op te houden.
Artikel 3:19 Straatprostitutie
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde
een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, zich op te houden met het kennelijke doel
prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.
Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie
Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19 van deze verordening, kan door een
politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
te verwijderen.
Afdeling 4. Overige bepalingen
Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten
1Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen
vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.
2Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats
gebruik te maken van de diensten van een prostituee.
3Het verbod, bedoeld in het tweede lid geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is
verleend.
Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften,
1aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
2Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot
het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Afdeling 5 Overgangsbepaling
Artikel 3:23 Overgangsbepaling
[gereserveerd]
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1: Voorkomen of beperking geluidhinder en hinder door verlichting
Artikel 4:1 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.activiteitenbesluit milieubeheer: zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de Omgevingswet;
b.collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één inrichting is verbonden en door het
college als zodanig wordt aangewezen. Bijvoorbeeld Koningsdag, Carnaval, enz;
c.gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit
milieubeheer;
d.gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit
milieubeheer;
e.houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een
inrichting drijft;
f.incidentele festiviteit: specifiek aan één inrichting gebonden activiteit met een incidenteel
karakter, die plaats vindt binnen de inrichtingsgrenzen van een inrichting. Bijvoorbeeld open dag,
jubileumfeest, personeelsfeest, etc.;
g.inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die
wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien
verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type
A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
h.onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
1De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit
milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar
aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
dagdelen.
3In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing
slechts geldt in bepaalde gebieden van de gemeente.
4Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar
bekend.
5Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
6Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting mag 30 dB(A) hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm die op de inrichting van toepassing is conform de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het Besluit. Voor de beoordeling van de geluidsniveaus geldt de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999.
7Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger
dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel van deze verordening - uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
1Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het
Activiteitenbesluit milieubeheer en van artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing is, mits
de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
daarvan middels het doen van een melding in kennis heeft gesteld.
2Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan middels het doen van een melding in kennis heeft gesteld.
3Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.
4De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld,
tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
5De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van
een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
6Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting mag 20 dB(A) hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm die op de inrichting van toepassing is conform de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het Besluit. Voor de beoordeling van de geluidsniveaus geldt de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999.
7Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger
dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het besluit en artikel van deze verordening - uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.
8Het college kan geluidsnormen stellen die afwijken van de in lid 6 genoemde waarden en kunnen
9afwijken van het eindtijdstip zoals aangegeven in lid 7.
10De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.
11Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten
Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel
te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer
naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op
ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
1Bij onversterkte muziek zoals bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het
Activiteitenbesluit milieubeheer, bedragen de waarden voor het langtijdgemiddeldbeoordelingsniveau LAr, LT op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer dan 55 dB(A), 50 dB(A) en 40 dB(A) tussen respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. De bedrijfsduurcorrectie wordt op onversterkte muziek toegepast.
2Bij onversterkte muziek zoals bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het
Activiteitenbesluit milieubeheer, bedragen de waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT in geluidsgevoelige ruimten niet meer dan 40 dB(A), 35 dB(A) en 25 dB(A) tussen respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. De bedrijfsduurcorrectie wordt op onversterkte muziek toegepast.
3Het college kan geluidsnormen stellen die afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde
waarden.
4De in het eerste lid aangegeven waarden gelden ook bij geluidgevoelige terreinen op de grens van
het terrein.
5Het eerste lid en het tweede lid zijn niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4.2 en 4.3 van deze verordening.
Artikel 4:6 Overige geluid- en lichthinder
1Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluids- of lichtapparaten in werking te hebben, of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
geluids- of lichthinder wordt veroorzaakt.
2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien .bij of krachtens de
Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de
provinciale omgevingsverordening.
4Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:6a Mosquito
1In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren
hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van
plaatsen waar zij overlast veroorzaken.
2In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.
3De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is
aangebracht.
4Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.
5Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 3 maanden. De burgemeester
kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 3 maanden verlengen.
Artikel 4:6b Geluidhinder door dieren
Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of
overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:7 Straatvegen
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke
reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten
staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen
buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden
in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de
gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
1In dit artikel wordt onder een ballon verstaan: een van rubber, latex, papier of ander materiaal
vervaardigde met gas of hete lucht gevulde, bolvormige of ander vormige, zak of hulsel.
2Het is verboden een ballon op te laten of in de lucht te brengen waardoor zwerfafval ontstaat of kan
ontstaan.
3Het verbod geldt ook biologisch afbreekbare ballonnen;
4Het verbod geldt niet voor ballonnen die door mensen bestuurd worden (luchtballon) of ballonnen die nodig zijn voor wetenschappelijk onderzoek.
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10 Definities
[gereserveerd]
Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
[gereserveerd]
Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege
[gereserveerd]
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
1Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
voorkoming of beëindiging dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid
aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde
direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of
onderdelen daarvan;
b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
d.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
2Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
3Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de
Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
[Vervallen]
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame
1Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel
van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het
gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
Artikel 4:15a Borden, vlaggen, spandoeken en andere objecten
(vervallen)
Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame
[gereserveerd]
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4:17 Definitie
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig,
dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst
te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede
bestemd.
2Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de
rechthebbende op een terrein.
3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht.
5Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
1Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen
plaatsen.
2Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishoudingvan de gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke
1Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
a.het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b.het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
2Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
a.voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b.voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
3Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen,
te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
b.de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
4Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
5Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
1Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het
kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
3Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet
kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken
1Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een
kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet
milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
1Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden
wordt gebruikt:
a.langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b.op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a.
3Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking
tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
4Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:7 Reclamevoertuigen
1Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:8 Grote voertuigen
1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6
meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen
plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6
meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag,
dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s,
caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende
dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
5Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
6Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
1Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het
uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk
is.
Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (vervallen) Artikel 5:10a Voertuigen met stankverspreidende stoffen
1Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of
gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege
aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
2Dit verbod is niet van toepassing:
a.op de weg;
b.op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en
c.op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
4Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets
1Het is verboden om een fiets of bromfiets, op een door het college aangewezen op de weg gelegen
plaats, onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimte of plaats te laten staan.
2Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat en in een verwaarloosde
toestand verkeren, op de weg te laten staan.
3Het is verboden om op een door het college aangewezen op de weg gelegen plaats, langer dan een door het college te bepalen periode zonder wezenlijke tijdsonderbreking gebruik te maken van
voorzieningen voor het stallen van fietsen en bromfietsen.
4De aanwijzing van plaatsen als bedoeld in het eerste en derde lid, wordt bepaald door één of meer
5van de volgende belangen:
a.het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b.het belang van voorkoming of opheffing van overlast;
c.het belang van voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
Artikel 5:12a Overlast van weesfietsen
1Het is verboden in een door het college aangewezen openbaar (brom)fietsstallingsgebied fietsen of bromfietsen langer dan een door het college bepaalde periode onafgebroken te stallen.
2Het college kan openbare (brom) fietsstallingsgebieden aanwijzen, waar het, in belang van het
beheer van de openbare ruimte, verboden is een fiets of bromfiets langer dan een door het college te bepalen periode onafgebroken te stallen.
Afdeling 2. Collecteren
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurswerving
1Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen
te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te
werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of
ten dele voor een liefdadig of ideëel doel bestemd is.
2Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:
a.in besloten kring; of
b.door een andere, door het college aangewezen instelling.
4Op de aanvraag van een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 3. Venten
Artikel 5:14 Definitie
1In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te
koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de
open lucht gelegen plaats of aan huis.
2Onder venten wordt niet verstaan:
a.het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.
Artikel 5:15 Ventverbod
1Het is verboden te venten:
a.op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen; of
b.dagen of uren.
2Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 22.00 en 8.30 uur.
3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4Op de aanvraag van een ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
5Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
a.situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet;
b.het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
geopenbaard.
Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting
[Vervallen]
Afdeling 4. Standplaatsen
Artikel 5:17 Definitie
1In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
2Onder standplaats wordt niet verstaan:
a.een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en
onder g, van de Gemeentewet;
b.een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning, weigerings- en intrekkingsgronden
1Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2Het college kan locaties in de gemeente aanwijzen waar een standplaats mag worden ingenomen.
3Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning eveneens worden geweigerd:
a.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
redelijke eisen van welstand;
b.indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de
gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een
standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
c.indien een persoon, als zelfstandig ondernemer, niet als hoofdberoep het verkopen van waren of het aanbieden van diensten heeft, dan wel wenst te hebben en hiertoe niet is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
d.indien een onderneming of persoon reeds beschikt over twee vergunningen voor het innemen van een standplaats dan wel de beschikking heeft over een standplaatsvergunning.
5Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning worden ingetrokken:
a.de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
b.de vergunninghouder niet of bij herhaling niet tijdig de leges en/of de huur voor gebruik
gemeentegrond voldoet.
6Op de aanvraag van een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene Wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het
college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
1Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met
betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de
Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
2De weigeringsgrond van artikel 5:18, vierde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
3Het verbod in artikel 5:18 eerste lid en artikel 5:19 geldt niet voor standplaatsen op percelen, buiten
de bebouwde kom, voor de verkoop van producten die op datzelfde perceel worden voortgebracht,
mits op dat perceel voldoende parkeergelegenheid is voor de klanten van de standplaats.
Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht
[Vervallen]
Afdeling 5. Snuffelmarkten
Artikel 5:22 Definitie
1In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk
gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
worden aangeboden vanaf een standplaats.
2Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:
a.een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de
Gemeentewet;
b.een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
1Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
2Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in
gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
4Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
[Gereserveerd]
Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
[Gereserveerd]
Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats
[Vervallen]
Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats
[Vervallen]
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
[Gereserveerd]
Artikel 5:29 Reddingsmiddelen
[Gereserveerd]
Artikel 5:30 Veiligheid op het water
[Gereserveerd]
Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
[Gereserveerd]
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:31a Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990;
b.bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de
Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 5:32 Crossterreinen
1Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen
buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainingsof proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig
of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij
nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
b.in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c.in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
3Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het Besluit geluidproductie
sportmotoren.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
1Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor
recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een
bromfiets, een fiets of een paard.
2Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het
college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
a.het voorkomen van overlast;
b.de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.de veiligheid van het publiek.
3Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en
paarden:
a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde
personen.
4Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing:
a.op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;
b.binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
5Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
6Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8. Vuurverbod
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van
toepassing op:
a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
c.vuur voor koken, bakken en braden.
3Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd:
a.ter bescherming van de flora en fauna;
b.ter bescherming van de woon- en leefomgeving;
c.op advies van de veiligheidsregio Utrecht.
5Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
6Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 9. Asverstrooiing
Artikel 5:35 Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in
de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5:36 Verboden plaatsen
1Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a.verharde delen van de weg;
b.gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
2Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
3Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van
bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
4Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:37 Hinder of overlast
Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Afdeling 10 Detectieverbod
Artikel 5:38 Detectieverbod
1Het is verboden om zich, zonder vergunning van het college, met een metaaldetector te bevinden op een door het college aangewezen plaats.
2Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing
Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6:1 Sanctiebepaling
1Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze Verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:6 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4
daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan tevens worden gestraft met openbaarmaking van rechterlijke uitspraak.
3In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van
toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is
van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, artikel 2:12, eerste lid, en artikel 4:11, tweede lid.
4In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde
regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in
artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 6:2 Toezichthouders
1Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:
a.de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering;
b.buitengewoon opsporingsambtenaar;
c.toezichthouders, aangewezen op grond van de Awb, tot wiens taak het APV-toezicht behoort;
d.de toezichthouders van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) regio Utrecht, voor zover het toezicht betrekking heeft op de taken van de GGD;
e.milieu- en parkwachters voor zover het toezicht betrekking heeft op hun taken;
2Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of
krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het
binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6:4 Intrekking oude verordening
De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bunnik 2024 wordt ingetrokken.
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
1Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het
moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening
overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
2Overgangsrecht omgevingsvergunning Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van
toepassing.
3Overgangsrecht activiteitenbesluit milieubeheer is van toepassing.
Artikel 6:6 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
Artikel 6:7 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bunnik 2026.