Rijksoctrooiwet 1995

ROW 1995

Huidige tekst

Artikel 12 ROW 1995

Geldt sinds 1 september 2001

  1. 1

    Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in dienst van een ander een betrekking bekleedt, heeft hij aanspraak op octrooi, tenzij de aard van de betrekking medebrengt, dat hij zijn bijzondere kennis aanwendt tot het doen van uitvindingen van dezelfde soort als die waarop de octrooiaanvrage betrekking heeft. In het laatstbedoelde geval komt de aanspraak op octrooi toe aan de werkgever.

  2. 2

    Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in het kader van een opleiding bij een ander werkzaamheden verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan degene bij wie de werkzaamheden worden verricht, tenzij de uitvinding geen verband houdt met het onderwerp van de werkzaamheden.

  3. 3

    Indien de uitvinding is gedaan door iemand die in dienst van een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling onderzoek verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan de betrokken universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling.

  4. 4

    Voor de toepassing van artikel 4, derde en vierde lid, op het onderwerp van een aanvrage, ingediend door de in het eerste lid, laatste volzin, bedoelde werkgever dan wel door degene die de gelegenheid biedt om werkzaamheden te verrichten als bedoeld in het tweede lid, blijft een door de niet gerechtigde ingediende octrooiaanvrage buiten beschouwing.

  5. 5

    Van het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde kan bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken.

  6. 6

    Ingeval de uitvinder niet geacht kan worden in het door hem genoten loon of de door hem genoten geldelijke toelage of in een bijzondere door hem te ontvangen uitkering vergoeding te vinden voor het gemis aan octrooi, is degene aan wie krachtens het eerste, tweede of derde lid, de aanspraak op octrooi toekomt, verplicht hem een, in verband met het geldelijke belang van de uitvinding en met de omstandigheden waaronder zij plaatshad, billijk bedrag toe te kennen. Een vorderingsrecht van de uitvinder krachtens dit lid vervalt na verloop van drie jaren sedert de datum waarop het octrooi is verleend.

  7. 7

    Elk beding, waarbij van het zesde lid wordt afgeweken, is nietig.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2008:BD2416Parket bij de Hoge Raad, 11 juli 2008 (civiel recht)

    Octrooirecht. Geschil over het recht op een octrooi (81 RO).

  • ECLI:NL:HR:2002:AD7342Hoge Raad, 1 maart 2002 (civiel recht)

    -

  • ECLI:NL:PHR:2002:AD7342Parket bij de Hoge Raad, 1 maart 2002 (civiel recht)

    -

  • ECLI:NL:RBDHA:2024:14305Rechtbank Den Haag, 8 mei 2024 (arbeidsrecht)

    Arbeidszaak. Het ontslag op staande voet is terecht gegeven. Werknemer heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en is het vertrouwen van werkgever onwaardig geworden. Het verzoek tot vernietiging van het…

  • ECLI:NL:RBMNE:2013:4881Rechtbank Midden-Nederland, 30 september 2013 (bestuursrecht)

    Ambtenaar, gemis aan octrooi Samenvatting: Eiser was tussen 1983 en 1987 werkzaam als promovendus bij de ZWO en heeft in die hoedanigheid (mee)gewerkt aan een - later geoctrooieerde – uitvinding. Hij…

  • ECLI:NL:RBOBR:2013:5555Rechtbank Oost-Brabant, 25 september 2013 (civiel recht)

    Contradictoir.doorspelen geheime bedrijfsinformatie, doorwerking art. 39 TRIPS

  • ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2117Centrale Raad van Beroep, 8 juli 2004 (ambtenarenrecht)

    Is terecht geweigerd om aan betrokkene een vergoeding toe te kennen voor gemis aan octrooi op grond van artikel 12 van de ROW 1995?

  • ECLI:NL:RBMAA:2004:AO5858Rechtbank Maastricht, 3 maart 2004 (civiel recht)

    UItvinding "guide wire"; recht op octrooi?

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.