Besluit DNA-onderzoek in strafzaken

Bdos

Huidige tekst

Artikel 10 Bdos

Geldt sinds 1 november 2020

  1. 1

    De deskundige stelt een verslag op van de resultaten van het DNA-onderzoek en ondertekent het verslag.

  2. 2

    Het verslag bevat in ieder geval: a.een vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met c en e, b.de methode met behulp waarvan het DNA-profiel uit het DNA-onderzoek is verkregen, en c.de resultaten en de conclusies van het DNA-onderzoek.

  3. 3

    Na dagtekening van het verslag zorgt de deskundige ervoor dat: a.de DNA-profielen die uit het DNA-onderzoek zijn verkregen en die het instituut op grond van artikel 14, vierde lid, verplicht is in de DNA-databank vast te leggen, terstond aan het instituut worden gezonden, onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a tot en met c en e, b.binnen een week het verslag aan de opdrachtgever van het DNA-onderzoek wordt gezonden, c.binnen een week een afschrift van het verslag aan de opsporingsambtenaar wordt gezonden die betrokken is bij het opsporingsonderzoek of het uit hoofde van de artikelen 181 of 182 van de wet ingesteld onderzoek in het kader waarvan het DNA-onderzoek is verricht waarover de deskundige het verslag heeft opgesteld, met dien verstande dat dit afschrift geen DNA-profiel bevat, en d.binnen zes maanden het overgebleven celmateriaal aan het instituut wordt gezonden.

  4. 4

    Indien de opdrachtgever van het DNA-onderzoek de hulpofficier van justitie is, zendt de deskundige het verslag tevens aan de officier van justitie.

  5. 5

    Het derde lid, onder b en c, is niet van toepassing indien: a.het DNA-onderzoek ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is verricht en het DNA-profiel van de veroordeelde niet overeenkomt met een ander in de DNA-databank vastgelegd DNA-profiel, of b.het DNA-profiel van een onbekende verdachte na vergelijking in de DNA-databank geen overeenkomst met andere in die databank vastgelegde DNA-profielen oplevert en er in dezelfde strafzaak geen ander DNA-profiel van een onbekende verdachte een overeenkomst met die DNA-profielen heeft opgeleverd.

  6. 6

    Indien de deskundige aan een ander laboratorium is verbonden dan het laboratorium van het instituut, voorziet dat laboratorium het buisje met het celmateriaal, bedoeld in het derde lid, onder b, van een sporenidentificatienummer dat gelijk is aan het sporenidentificatienummer waarmee het laboratorium het celmateriaal heeft ontvangen, of het laboratoriumidentificatienummer en voorziet de verpakking van het buisje met het celmateriaal van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting.

  7. 7

    De directeur van het instituut meldt de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk of: a.het DNA-profiel dat is verkregen uit het celmateriaal van een persoon, bedoeld in het tweede lid, onder a, overeenkomt met het DNA-profiel dat in verband met hetzelfde strafbare feit is verkregen uit het celmateriaal van een onbekende verdachte, dan wel overeenkomt met een ander DNA-profiel dat is vastgelegd in de DNA-databank of b.het DNA-profiel dat is verkregen uit het celmateriaal van een onbekende verdachte overeenkomt met een DNA-profiel dat is vastgelegd in de DNA-databank.

  8. 8

    In geval van artikel 2, vijfde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geeft de officier van justitie de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen schriftelijk kennis van de uitslag van het DNA-onderzoek.

  9. 9

    De officier van justitie geeft een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder g, schriftelijk kennis van de uitslag van het DNA-onderzoek indien zijn DNA-profiel overeenkomt met een ander verwerkt DNA-profiel en het belang van het onderzoek dat toelaat.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2024:928Parket bij de Hoge Raad, 10 september 2024 (strafrecht)

    Conclusie AG. OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak van verkrachting (art. 242 Sr) en veroordeling wegens mishandeling (art. 300 Sr). Middelen OM richten zich tegen vrijspraak en gaan over…

  • ECLI:NL:HR:2007:BB2884Hoge Raad, 20 november 2007 (strafrecht)

    Gebruik DNA-vergelijking als bewijs; art. 151a en 151 b Sv en art. 16, 17 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (hierna: Besluit). Begrip verdachte a.b.i. art. 16.1 (oud) Besluit. De vergelijking van…

  • ECLI:NL:HR:2005:AU2250Hoge Raad, 22 november 2005 (strafrecht)

    Het ter terechtzitting in appèl gedane verzoek tot aanvulling van het dossier met “de piekprofielen behorende bij het DNA-onderzoek door het NFI” is een verzoek ex art. 328 jo. 331 jo. 315.1 Sv.…

  • ECLI:NL:PHR:2005:AU2250Parket bij de Hoge Raad, 22 november 2005 (strafrecht)

    Het ter terechtzitting in appèl gedane verzoek tot aanvulling van het dossier met “de piekprofielen behorende bij het DNA-onderzoek door het NFI” is een verzoek ex art. 328 jo. 331 jo. 315.1 Sv.…

  • ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8929Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 mei 2004 (strafrecht)

    Gelet op al het vorenstaande stelt het hof vast dat nabij de plaats van het delict en onmiddellijk na het delict, twee van verdachte afkomstige sporen zijn aangetroffen waarvan in ieder geval een…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.