Algemeen militair ambtenarenreglement

AMAR

Huidige tekst

Artikel 120 AMAR

Geldt sinds 1 oktober 2006

Doorbetaling van bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid na ontslag 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.gewezen militair: de militair die is ontslagen uit de dienst bij het beroepspersoneel; b.laatstelijk genoten bezoldiging: de som van de geldelijke inkomsten per maand, die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag van de militair, zulks naar de toestand op de dag voorafgaande aan het ontslag. 2 De gewezen militair die wegens ziekte of een gebrek, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft gedurende een termijn van twaalf maanden na zijn ontslag aanspraak op zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak op 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Het in de vorige volzin bepaalde geldt slechts voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is verstreken. 3 De gewezen militair die binnen een maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft, mits hij gedurende twee maanden onmiddellijk aan evenbedoeld tijdstip voorafgaande in werkelijke dienst is geweest, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, gedurende die ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang daarvan, aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging. 4 Indien de gewezen militair binnen een tijdvak van vier weken, nadat de volgens het tweede en derde lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van in die leden bedoelde ongeschiktheid welke elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken zijn opgevolgd, samengeteld. 5 a. Het tweede, derde en vierde lid zijn eveneens van toepassing op de gewezen vrouwelijke militair die na afloop van de periode gedurende welke zij in verband met zwangerschap of bevalling aanspraak heeft op een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg nog wegens ziekte arbeidsongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht. b. De in het derde lid bedoelde termijn van een jaar vangt aan op de dag na die van de bevalling. 6 De voorgaande leden vinden geen toepassing op de gewezen militair die op het tijdstip van ingang van zijn ontslag ongeschikt is dan wel binnen een maand daarna ongeschikt wordt, en op de gewezen vrouwelijke militair wier ongeschiktheid na het tijdstip, bedoeld in het vorige lid onder b, voortduurt, vanaf de dag met ingang waarvan zij na evenbedoelde tijdstippen in verband met de aanvaarding van een volledige betrekking aanspraak kunnen maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet. 7 De aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging bestaat niet indien de betrokkene: a.de ziekte of het gebrek heeft voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, niet kan worden aangenomen; of b.de ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt. 8 De uitbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang de betrokkene de door Onze Minister krachtens het tweede of derde lid vastgestelde voorschriften niet nakomt. 9 Het bedrag van de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in dit artikel, wordt in voorkomende gevallen: a.gewijzigd overeenkomstig een algemene herziening die voor de betrokkene zou hebben gegolden, ware hij niet ontslagen; b.verminderd na toepassing van artikel 120a; c.verminderd met: 1° de periodieke inkomsten waarop hij uit hoofde van het laatstelijk door hem beklede ambt na het ontslag aanspraak kan maken; 2° inkomsten die hij inmiddels mocht zijn gaan genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenoten bezoldiging.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2771Centrale Raad van Beroep, 5 november 2020 (socialezekerheidsrecht)

    Weigering een WAO-uitkering toe te kennen. Niet is gebleken of op enige wijze aannemelijk geworden dat appellant vanaf 16 april 2003 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en dat hij ten…

  • ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8801Rechtbank 's-Gravenhage, 28 december 2012 (ambtenarenrecht)

    militair ambtenarenrecht schadestaatprocedure na heropening in de zaak AWB 06/3310 MAW Verweerder heeft met zijn besluit van 3 maart 2006, gelet op de latere vernietiging van dat besluit, jegens…

  • ECLI:NL:CRVB:2011:BT6829Centrale Raad van Beroep, 22 september 2011 (ambtenarenrecht)

    Toekenning van militair invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit van 10%. Omgaan met medisch-psychiatrische kwesties kan niet zorgvuldig en transparant genoeg. (Ook) de Raad…

  • ECLI:NL:RBSGR:2007:BK4494Rechtbank 's-Gravenhage, 11 december 2007 (bestuursrecht)

    Militair ambtenarenrecht. Verweerder 3 was bevoegd eiser per 1 mei 2006 ontslag te verlenen op de grondslag dat hij is ontheven van de initiële opleiding om reden dat hij niet voldoet aan de bij de…

  • ECLI:NL:RBMID:2006:AY9168Rechtbank Middelburg, 20 september 2006 (ambtenarenrecht)

    Zodoende komt de rechtbank toe aan het beroep van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] op verrekening. Hetgeen [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie]…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.