Conclusie · Goederenrecht

Parket bij de Hoge Raad, 23 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:1007Zaaknummer 26/00661

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23 oktober 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
26/00661
Rechtsgebied
Civiel recht, Goederenrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Rangregeling; bevelschrift tegen notaris; art. 485 Rv; opbrengst waarop de staat van verdeling berust is hoger dan de werkelijke opbrengst; reparatiemogelijkheden; gesloten stelsel van rechtsmiddelen; art. 6 en 13 EVRM; art. 1 EP EVRM; ontvankelijkheid notaris in cassatie; derdenverzet; executiegeschil

72. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de notaris in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nummer26/00661
  2. Inleiding
  3. De feiten en de procedure
  4. De juridische context
  5. De rangregeling
  6. Heeft de notaris nog belang in cassatie?
  7. De ‘heropening’ van de rangregeling en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
  8. Een alternatieve duiding: een tweede, correctieve rangregeling
  9. Ontvankelijkheid: kan de notaris cassatieberoep instellen?
  10. De mogelijkheid van derdenverzet
  11. De mogelijkheid van een executiegeschil
  12. Afsluitende opmerkingen

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer26/00661

Zitting 23 oktober 2026

CONCLUSIE

S.E. Bartels

In de zaak

1. [de notaris]

hierna: de notaris,

2. RoX Legal B.V.

hierna gezamenlijk: de notaris c.s.,

tegen

1. mr. R.J.C. Florijn in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van RepairExpert B.V.

hierna: de curator,

2. Mensink Capital B.V.

3. Vinea Vakanties B.V.

4. [verweerder 4]

5. European Merchant Finance B.V.

6. [verweerder 6]

7. de ambtenaar belast met de invordering van de gemeente Laren

hierna gezamenlijk: de curator c.s.

Inleiding

  • Deze bijzondere (en hopelijk ook tamelijk unieke) zaak gaat in de kern over het herstel van een cijfermatige fout in een rangregeling die het gevolg is van namens de notaris aangeleverde onjuiste informatie. De rechter-commissaris is uitgegaan van een aanzienlijk grotere netto executie-opbrengst dan in werkelijkheid bij de notaris aanwezig is. Bij de rangregeling was de notaris mijns inziens geen partij en ook geen belanghebbende, maar de beschikking van de rechter-commissaris beveelt hem, overeenkomstig de wettelijke regeling, wel tot uitkering (een zogenoemd bevelschrift). Dit kan ertoe leiden dat de notaris – afhankelijk van hoe de wet op dat punt wordt uitgelegd – méér moet uitkeren aan schuldeisers dan er aan executie-opbrengst op zijn kwaliteitsrekening beschikbaar is, wat dan het vermogen van de notaris zou raken. De notaris moet daarom mijns inziens – mede gelet op art. 6 lid 1 EVRM en art. 13 EVRM i.v.m. art. 1 Eerste Protocol EVRM – de gelegenheid krijgen om tegen de beschikking op te komen. Het is daarom begrijpelijk dat de notaris beproeft of hij daartoe een cassatieberoep kan benutten.
  • De rechter-commissaris heeft – ná het geven van de beschikking en ná het instellen van dit cassatieberoep – op verzoek van de notaris getracht de fout pragmatisch te herstellen door ‘heropening van de rangregeling’ en het geven van een ‘nieuwe beschikking’. In deze nieuwe beschikking wordt uitgegaan van de daadwerkelijke (of: juiste) executie-opbrengst, wat betekent dat elk van de zes (voormalig) beslagleggers een lager bedrag toekomt dan eerder is bepaald.
  • Je zou denken: eind goed, al goed. De notaris vertrouwt echter het zaakje nog niet helemaal. Hij maakt zich begrijpelijkerwijs zorgen dat wellicht de ‘heropening van de rangregeling’ in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Mocht dat zo zijn, dan moet de ‘nieuwe beschikking’ voor de hier te maken beoordeling mogelijk worden weggedacht en kan het bevelschrift uit de ‘oude beschikking’ mogelijk nog tegen hem ten uitvoer worden gelegd (daargelaten een executiegeschil). In deze cassatieprocedure wordt (dus) de oude beschikking aangevallen, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de nieuwe buiten beschouwing moet worden gelaten (wat niet zeker is, zo zal blijken). Op basis van de stukken is mij overigens niet duidelijk of de notaris conform de nieuwe beschikking heeft uitbetaald. Hoewel ik zeker niet uitsluit dat dat is gebeurd, ga ik er in het navolgende veronderstellenderwijs van uit dat het niet is gebeurd.
  • De zorg van de notaris is niet op voorhand te beschouwen als een spook. Ik zie het potentiële probleem met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het is inderdaad de vraag of het handelen van de rechter-commissaris niet té pragmatisch is geweest, gelet op dat gesloten stelsel, waaraan op goede gronden in de rechtspraak strikt de hand wordt gehouden. Gelet hierop kan in ieder geval niet meteen aan de notaris worden tegengeworpen dat hij geen belang heeft bij het cassatieberoep. Het hangt ervan af hoe dat wat is voorgevallen, moet worden geduid.
  • Hoewel de notaris naar mijn mening dus wel moeten kunnen opkomen tegen de beschikking, aannemende dat het eerste bevelschrift mogelijk betalingsverplichtingen op hem legt, is een cassatieberoep volgens mij niet het (meest) geëigende rechtsmiddel, vooral aangezien de notaris geen partij of belanghebbende was (vgl. art. 426 lid 1 Rv). Ik ben verschillende paden ingeslagen in mijn zoektocht naar een antwoord op de vraag of de notaris in deze zaak een rechtsingang nodig heeft en zo ja, welke dat dan zou kunnen zijn. Ik kom tot de slotsom dat de notaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep en geef de Hoge Raad uitdrukkelijk in overweging om zich uit te laten over wat (indien nodig) in deze kwestie de juiste rechtsingang is voor de notaris.

De feiten en de procedure

6. Een registergoed dat op naam stond van RepairExpert B.V. en [verweerder 6] – verweerder in cassatie onder 6 – is executoriaal verkocht en vervolgens geleverd aan de executiekoper. De hypotheekhouder is volledig uit de verkoopopbrengst voldaan. Er resteert nog executieopbrengst.

7. De curator van RepairExpert B.V. heeft bij verzoekschrift van 24 juli 2025 de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland verzocht een rechter-commissaris te benoemen te wiens overstaan de verdeling van de restantopbrengst zal plaatsvinden (een rangregeling). Behalve de curator zijn zes beslagleggers als belanghebbenden aangemerkt. Betrokkenen zijn niet tot overeenstemming gekomen over de verdeling van de restantopbrengst. Op 13 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter de rechter-commissaris benoemd.

8. In het proces-verbaal van 25 september 2025 heeft de rechter-commissaris in r.o. 2.1 – vrij vertaald – overwogen dat de restantopbrengst € 42.458,54 bedraagt en dat, nu RepairExpert B.V. voor de helft eigenaar was van het registergoed, daarvan € 21.229,27 resteert voor de curator en de beslagleggers. De rechter commissaris heeft onder 3 een voorlopige staat van verdeling opgemaakt.

9. Op 30 september 2025 is vervolgens vanuit het kantoor van de notaris een e-mail gestuurd waarin onder andere staat:

“In de beschikking wordt gesproken over een restant verkoopopbrengst van 21.229,27. Echter is er eveneens een waarborgsom ad € 181.809,35 beschikbaar in verband met de niet nagekomen eerste transactie. Ons inziens komt deze waarborgsom eveneens toe aan de verkoopopbrengst. Kunt u deze waarborgsom meenemen in de verdeling?”

10. In het proces-verbaal van 31 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris in r.o. 2.1 overwogen dat de notaris hem heeft bericht dat er ook een waarborgsom van €181.809,35 beschikbaar. In r.o. 2.3 heeft de rechter-commissaris overwogen dat hij met de notaris van oordeel is dat deze waarborgsom “eveneens toekomt aan de verkoopopbrengst”. De rechter commissaris heeft onder 3 een aangepaste voorlopige staat van verdeling opgemaakt.

10. Ten slotte heeft de rechter-commissaris in het proces-verbaal van 27 november 2025 vastgesteld dat geen van partijen heeft gereageerd op de voorlopige staat van verdeling (r.o. 1.3) en het proces-verbaal gesloten, de definitieve staat van verdeling vastgesteld overeenkomstig de voorlopige staat van verdeling en de houder van de opbrengst van de executoriale verkoop van het registergoed, dat wil zeggen: de notaris, bevolen uit te keren overeenkomstig de staat van verdeling (zie onder 2 en het dictum). Ik zal hierna ook spreken over de beschikking.

10. Bij procesinleiding van 27 februari 2025 heeft de notaris – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking. De curator c.s. hebben geen verweer gevoerd.

10. Kort daarvoor, bij brief van 25 februari 2026 (bijlage 1 bij de procesinleiding) had de notaris de rechter-commissaris verzocht “de rangregeling te heropenen en de staat van verdeling en het daaraan gekoppelde betalingsbevel te herzien”, onder andere omdat het bericht van 30 september 2025 over de waarborgsom onjuist was, aangezien “geen sprake en (…) ook nooit sprake [is] geweest van de ontvangst door mij op mijn kwaliteitsrekening van een waarborgsom ter hoogte van dat bedrag”.

10. Dat verzoek heeft de rechter-commissaris gehonoreerd in een proces-verbaal van 10 april 2026.[_e794fb37-5ca7-490f-8184-67618b19b22b] Daarin staat onder andere:

“De rechter-commissaris is met de notaris van oordeel dat, omdat in de processen verbaal van 25 september 2025, 31 oktober 2025 en 27 november 2025 in het kader van onderhavige rangregeling uitgegaan is van een onjuist bedrag, de rangregeling heropen[d] moet worden en de staat van verdeling én het daaraan gekoppelde betalingsbevel moeten worden herzien. De rechter-commissaris zal daarom opnieuw staat van verdeling maken waarbij uitgegaan wordt van de restantbedrag executie-opbrengst van € 42.458,54.”

15. In een proces-verbaal van 22 mei 2026 heeft de rechtbank vervolgens dienovereenkomstig een nieuw bevelschrift afgegeven. Ik zal hierna ook spreken over de nieuwe beschikking. Als gezegd is mij niet bekend of de notaris conform de nieuwe beschikking heeft uitbetaald en ga ik ervan uit dat dat niet is gebeurd.

De juridische context

16. Voordat ik inga op de vraag of de deur van het cassatieberoep in deze zaak kan worden geopend, moet ik eerst iets uiteenzetten over de wetsbepalingen omtrent de rangregeling en over de mogelijk relevante EVRM-context.

De rangregeling

17. Het startpunt voor een rangregeling is de situatie waarin een registergoed is geëxecuteerd en de opbrengst door de notaris moet worden verdeeld over meerdere betrokkenen. Door de overdracht aan de executiekoper eindigde de executie; door zuivering vervallen hypotheken en beslagen (art. 3:273 BW). De kosten van de executie worden uit de koopprijs voldaan (art. 3:270 lot 1, slot, BW). Volgens art. 551 lid 2 Rv wordt vervolgens de netto-opbrengst (hierna soms ook, kortweg, de opbrengst) door de notaris bij een bewaarder (lees: een bank) ‘gestort’. Uitgaande van een giraal ontvangen koopprijs, kan de netto-opbrengst echter eenvoudigweg op de notariële kwaliteitsrekening blijven staan.[_6830587d-a705-44aa-959b-140e6153a1ea]

18. Soms bestaat na de executie verschil van mening over de vraag wat het gedeelte is dat elk van de belanghebbenden (voormalig beslagleggers) toekomt. De rangregeling dient ertoe duidelijkheid te verschaffen over de onderlinge verhouding tussen de verhaal zoekende schuldeisers, waartoe de meest gerede partij aan de voorzieningenrechter een verzoek tot benoeming van een rechter-commissaris moet richten (art. 552 lid 1 Rv). Op die rangregeling zijn de art. 482 t/m 490a, 490c en 490d Rv van toepassing (art. 552 lid 4 Rv).

18. Na benoeming van de rechter-commissaris worden de belanghebbenden[_b47edacf-b18f-4ee7-8694-f4a0e6ef9f90] opgeroepen en in de gelegenheid gesteld hun vorderingen in de rangregeling aan te melden (art. 482 Rv). Voor het aanmelden van vorderingen staat – in beginsel – veertien dagen. Daarna maakt de rechter-commissaris een (voorlopige) staat van verdeling op (art. 483 Rv). Hoewel de notaris in dit verband geen op de wet gebaseerde rol vervult, zal de rechter-commissaris bij het opstellen van de staat van verdeling normaliter afgaan op door de notaris – eventueel via de verzoeker – verschafte informatie.[_ca808f65-0015-4f41-85af-786fffe4b3b5] De rechter-commissaris verstrekt de staat van verdeling vervolgens aan alle belanghebbenden en bepaalt dag en uur waarop alle partijen zich bij de rechter-commissaris zullen kunnen vervoegen tot het voorstellen van hun tegenspraak (art. 484 lid 1 Rv).

20. Art. 485 Rv bepaalt vervolgens, met door mij aangebrachte onderstrepingen:

“1. Ingeval er geen tegenspraak gedaan wordt, zal de rechter-commissaris zijn proces-verbaal sluiten, en bij bevelschrift de houder van de netto-opbrengst gelasten daaruit de nog niet eerder voldane kosten te voldoen en aan de schuldeisers en de geëxecuteerde uit te betalen hetgeen hun, volgens de staat, toekomt. Het bedrag waarvoor een vordering of een daaraan verbonden voorrang voorwaardelijk is opgenomen of erkend, wordt gereserveerd tot de vordering of de voorrang vaststaat.

2. De bevelschriften worden in executoriale vorm uitgegeven.”

21. En art. 490 Rv bepaalt:

“Na het sluiten van het proces-verbaal van verdeling kan geen tegenspraak meer worden gedaan, hebben de belanghebbenden onderling geen recht meer op rente over hetgeen aan hen is toegedeeld, en kan geen beslag op de opbrengst van de executie meer worden gelegd.”

22. Op de werking tegenover de notaris kom ik zo meteen nog terug. Het komt mij nuttig voor om op deze plaats eerst kort stil te staan bij de vraag wat er nu eigenlijk vermogensrechtelijk gebeurt als in een rangregelingsprocedure moet worden vastgesteld aan wie welk deel van de executieopbrengst toekomt, wanneer die opbrengst op een notariële kwaliteitsrekening staat.[_f19810c1-1d96-4842-9201-b5aff7239ee9]

23. De gelden die zijn gestort op de kwaliteitsrekening behoren niet tot het vermogen van de notaris, maar behoren aan de gezamenlijke rechthebbenden door of ten behoeve van wie de stortingen hebben plaatsgevonden.[_975b8244-1c34-4ece-bc65-d4fe39e8f96d] De vordering op de bank die uit de rekening voortvloeit, komt toe aan de gezamenlijke rechthebbenden in gemeenschap en wel naar verhouding van ieders aanspraak (art. 25 lid 3 Wna). Alleen de notaris is bevoegd tot beheer en beschikking over de kwaliteitsrekening. De rechthebbenden hebben de bevoegdheid om de notaris te instrueren de aan hen toekomende bedragen aan hen over te maken. Uit het arrest Ontvanger/Eijking q.q. blijkt dat de beslagleggers, die worden voldaan uit de opbrengst die zich bevindt op de kwaliteitsrekening, rechtstreeks daartoe gerechtigd worden.[_0f9f5001-2cf8-456e-ba83-d4f147b19b7a] Vaststaat dus ook dat beslagleggers vanuit materieelrechtelijk oogpunt gezamenlijk niet tot meer gerechtigd kunnen zijn dan het bedrag dat als netto-opbrengst op de kwaliteitsrekening staat. In gewone mensentaal: het andere geld op de kwaliteitsrekening is van andere mensen. Dit staat allemaal niet ter discussie.

24. De rangregeling ziet gelet op het voorgaande op het rechtens vaststellen van ieders aandeel conform het vermogensrecht. De beschikking van de rechter-commissaris creëert dus geen nieuwe rechtstoestand. Zij is, met andere woorden, niet constitutief. De materieelrechtelijke verplichting van de notaris om aan de rechthebbende diens aandeel uit te betalen ontstaat dan ook niet doordat de beschikking kracht van gewijsde krijgt. Nee, zij is het gevolg van toepassing van het vermogensrecht (soms op achteraf bezien onjuiste feiten). De instructiebevoegdheid van de rechthebbenden jegens de notaris in verband met de door deze gehouden netto-opbrengst bestond al, maar kon nog niet worden uitgeoefend vanwege de onzekerheid over de omvang van ieders aandeel. Zodra de rangregeling definitief is, mag en moet de notaris aan de schuldeisers van de geëxecuteerde ‘het hunne’ uitkeren. Uit het stelsel van de kwaliteitsrekening volgt dat dit materieelrechtelijk nimmer meer kan zijn dan de netto-executieopbrengst.

24. Zoals wel vaker kan het materiële recht niet altijd ten volle worden geëffectueerd. De rechter moet het doen met de feiten die zij in de procedure kan vaststellen, goeddeels op basis van wat wordt aangedragen (art. 24 lid 1 en 149 lid 1 Rv). En dus kan het af en toe misgaan, soms in het klein, soms in het groot. Dit is op zichzelf natuurlijk niet bijzonder voor de rangregeling; het is van alledag voor alle procedures. Het streven is niet naar perfectie, het streven is naar rechtszekerheid, onder meer onder het motto dat lites finiri oportet. Als partijen de rechter onjuiste feiten geven en op basis daarvan wordt beslist, komt dat, behoudens rechtsmiddelen, uiteindelijk voor hun rekening.

24. Hier wringt de schoen, want de notaris is géén partij of belanghebbende in de rangregeling (zie hierna) maar draagt op grond van art. 485 Rv in eerste instantie wel de kosten ervan als de netto-opbrengst hoger wordt vastgesteld dan zij is. De redactie van deze art. 485 en 490 Rv laat er immers geen twijfel over bestaan dat het bevelschrift een einduitspraak is die voor de houder van de opbrengst, hier de notaris, een verplichting oplevert.[_7e6a9214-556a-442e-bd64-abce7990815a] In parlementaire stukken is erop gewezen dat het gaat om een beschikking als bedoeld in art. 430 Rv,[_e632cbb2-34d1-42d1-8098-0a32c45692c7] waarop ook art. 485 lid 2 Rv wijst. Van deze werking tegenover de notaris – die wordt bevolen iets te doen in relatie tot de opbrengst – is strikt genomen te onderscheiden dat de beschikking (desnoods) óók ten uitvoer moet/kan worden gelegd ten laste van het vermogen van de notaris.[_94dab429-1b49-4f55-a4c7-35b913158112] Mijns inziens is dat zo, want hoewel art. 485 lid 1 Rv bepaalt dat uitbetaling moet plaatsvinden ‘uit’ de opbrengst, gaat het daarbij in de context van rangregeling waarin de rechter-commissaris niet bekend is met de werkelijke opbrengst uit praktisch oogpunt noodzakelijkerwijs om deze vastgestelde bedrag van de opbrengst. Dit is in die zin ook ‘logisch’, omdat de schuldeisers en de geëxecuteerde geen inzicht hebben in de kwaliteitsrekening en in beginsel moeten kunnen uitgaan van de staat van verdeling. Op grond van art. 485 lid 1 Rv kunnen de schuldeisers en de geëxecuteerde de notaris eenvoudigweg aanspreken voor wat hen “volgens de staat” (de staat van verdeling dus) toekomt. Aangezien de notaris de vorderingen niet mag voldoen uit het overige saldo op de kwaliteitsrekening, dat hem niet toebehoort, zal de notaris dus zelf de portemonnee moeten trekken.

27. De Hoge Raad overwoog in 2009 het volgende, wat erop wijst – zij het in een net iets andere context – dat de notaris in bepaalde gevallen inderdaad met zijn vermogen ervoor in staat dat aan de schuldeisers wordt betaald wat hen toekomt volgens de rangregeling (met door mij aangebrachte onderstrepingen):

“3.6 Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt, dat de koopsom niet in handen van de notaris is gestort, maar aan de executant (Heembouw) ten goede is gekomen doordat de executiekoper ([betrokkene 2]) de executoriaal verkochte zaak, nadat hij de eigendom daarvan had verworven, heeft doorverkocht en de opbrengst van die laatste verkoop aan de executant heeft doen toekomen. Dit heeft kunnen gebeuren doordat de notaris aan [betrokkene 2] heeft toegestaan de koopprijs rechtstreeks aan Heembouw te betalen, en vervolgens niettemin verklaard heeft dat de koopprijs in zijn handen was gestort, zodat [betrokkene 2], in verband met het bepaalde in art. 525 lid 2 Rv., in staat was de eigendom van het pand te verkrijgen.

3.7

In verband met het stelsel van de wettelijke rangregeling als hiervoor weergegeven brengt redelijke toepassing van de art. 551-553 in verbinding met de art. 482-490a Rv. mee dat in een dergelijk geval bij de opstelling van de staat van verdeling geen rekening ermee wordt gehouden dat de koopprijs niet in handen van de notaris is gestort, en dat ook geen rol speelt waar die koopprijs als gevolg van de onregelmatigheden na de executieverkoop mogelijk wèl terecht is gekomen. De omstandigheid dat er geen door de notaris aangewezen bewaarder is die de netto-opbrengst onder zich heeft, staat hieraan niet in de weg, reeds omdat een notaris, die de ingevolge art. 551 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, op de voet van lid 4 van dat artikel, naast de Staat, jegens de belanghebbenden aansprakelijk is voor de daaruit voor hen voortvloeiende schade en dus (naast de Staat) moet instaan voor de aanwezigheid van de te verdelen netto-opbrengst. (…)”[_ab58bae0-efe4-470b-a9db-f694d4e9b6db]

Ik benadruk dat de in het hier aangehaalde arrest bedoelde aansprakelijkheid van art. 551 lid 4 Rv in het voorliggende geval mijns inziens niet aan de orde is, want de in die bepaling bedoelde verplichtingen zien – voor zover relevant – op het storten van de opbrengst bij een bewaarder.[_4b164b33-a192-4b02-965a-e8458647eb94] Niet ter discussie staat dat de notaris die storting in dit geval heeft verricht. Hier doet zich niet de situatie voor dat de notaris op hem rustende wettelijke verplichtingen niet is nagekomen, maar is namens hem – buiten elke wettelijke opdracht – aan de rechter-commissaris bericht dat een additioneel bedrag tot de opbrengst behoort. Weliswaar binden een daaruit voortvloeiende staat van verdeling en bevelschrift de notaris, op processuele gronden, maar dááruit volgt nog niet dat de onvolkomenheid voor rekening van de notaris komt en dat de schuldeisers materieelrechtelijk aanspraak kunnen maken op verdeling van meer dan de daadwerkelijke executieopbrengst. Dat de staat van verdeling aan de notaris kan worden tegengeworpen, ondanks dat deze is gebaseerd op een hogere opbrengst dan daadwerkelijk aanwezig is, berust daarentegen – als gezegd – op een redelijke uitleg van art. 485 lid 1 Rv (en dus niet op art. 551 lid 4 Rv).

28. Kortom, de notaris ‘hangt’ in beginsel. Het gevolg hiervan is dat met zo’n bevelschrift ten laste van de notaris feitelijk, onbedoeld, buiten de oevers van een rangregeling in strikte zin wordt getreden, te weten het vaststellen van de onderlinge verhouding tussen de verhaal zoekende schuldeisers met betrekking tot de opbrengst die daadwerkelijk op de kwaliteitsrekening staat. Dat is gelet op het voorgaande wél, terecht, de consequentie van het bevelschrift, maar niet de bedoeling. Er is wel een processuele rechtvaardiging voor, maar geen materieelrechtelijke rechtvaardiging. En daarom ligt het voor de hand, zoals nog nader zal worden besproken, dat de notaris linksom of rechtsom ‘iets kan doen' tegen zo’n bevelschrift.

Het EVRM

29. Daarmee komt het EVRM in beeld. Het recht op toegang tot de rechter van art. 6 lid 1 EVRM (en art. 17 Gw) zou in deze kwestie een rol kunnen spelen, net als de eigendomsbescherming van art. 1 Eerste Protocol EVRM en, in het verlengde daarvan, het recht op een effectieve remedie van art. 13 EVRM. Ik houd het kort, want ik meen dat de wenselijkheid van een rechtsingang voor de notaris eenvoudig invoelbaar is.

29. Uitgaande van de hypothese dat de beschikking, onder de streep, de burgerlijke rechten en verplichtingen van de notaris als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM vaststelt, moet de notaris daarover, alsnog, bij de rechter zijn zegje kunnen doen. Hij heeft recht op “a clear, practical opportunity to challenge an act that is an interference with his rights”.[_e68bf2f7-6641-41c3-b2fe-5e45922e4cfc] Hoewel de notaris als informatieverschaffer een zekere rol vervulde in de rangregeling – zonder dat de wet deze oplegt – heeft hij daarmee nog geen toegang tot de rechter ‘geconsumeerd’. Hij was in dat verband immers géén partij of belanghebbende (zie ook hierna in nr. 48) en het onderzoek van de rechter-commissaris had (anders dan zijn bevelschrift) ook geen betrekking op de vaststelling van de burgerlijke rechten en verplichtingen van de notaris; er was immers ook geen ‘geschil’ waaraan de notaris deelnam.[_cb5234cb-cfff-4d77-ae6b-8cb5deb1a0f9] En, belangrijk, de voorlopige staat van verdeling hoefde ook niet aan de notaris te worden toegezonden, al zou daarin vanuit praktisch oogpunt wel een zekere waarborg tegen fouten kúnnen schuilen. De notaris had – strokend met de wet – hooguit een zijdelingse rol, en dat de beschikking van invloed is op zijn burgerlijke rechten en verplichtingen is slechts een (wezenlijk) bijkomend gevolg en niet het onderwerp van die beschikking.

31. Tot slot: als de fout van de notaris, bestaande uit de opgave van een onjuist bedrag, ertoe leidt dat zijn vermogen voor (een aanzienlijk deel van) dat bedrag kan worden aangesproken, raakt dit in potentie ook aan de ‘eigendomsbescherming’ van art. 1 Eerste Protocol EVRM. Het is namelijk de vraag – het antwoord geef ik nu niet – of dat een op voldoende solide fundamenten berustende en aantasting van de vermogensrechtelijke aanspraken van de notaris is en of deze proportioneel is.[_33cc7bc9-ec30-483a-8e28-2e1494e9bf40] Voor zover de notaris meent dat art. 1 Eerste Protocol EVRM wordt geschonden, moet hem op grond van art. 13 EVRM een effectieve remedie ten dienste staan. Dat betoog van de notaris zie ik niet terug, maar relevante context is het mijns inziens wel.

32. Dan is het nu dus de vraag of de notaris de beschikking van 27 november 2025 door middel van dit cassatieberoep kan aantasten.

Heeft de notaris nog belang in cassatie?

De ‘heropening’ van de rangregeling en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen

33. In zijn brief van 16 juli 2026 sorteert de advocaat van de notaris voor op de vraag of er gelet op de in nr. 2 en 15 hiervoor bedoelde nieuwe beschikking van de rechter-commissaris eigenlijk nog wel belang bestaat bij het cassatieberoep. Volgens die brief bestaat ondanks de nieuwe beschikking nog belang, onder andere omdat “zou kunnen worden volgehouden dat [de nieuwe beschikking] is afgegeven in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen”.

33. Dat laatste is een reële observatie. Op het oorspronkelijke proces-verbaal van 27 november 2025, waartegen met dit cassatieberoep wordt opgekomen, staan handtekeningen en stempels; het daarin vervatte bevelschrift is zonder voorbehoud geformuleerd en betreft een beschikking die een einde maakt aan de rangregeling en bovendien een executoriale titel oplevert (zie hiervoor in nr. 20 en 21). Dit is een “naar het uiterlijk voor als een de betrokkenen bindende en voor gerechtelijke tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraak”, zoals de Hoge Raad dat noemt.[_c597cca6-1f3a-4488-a6ec-ef719572c0f4] De rechter-commissaris heeft naar aanleiding van de brief van de notaris van 25 februari 2026 niettemin ruimte gezien voor een ‘praktische oplossing’ door ‘heropening’ van de rangregeling en, uiteindelijk, het verstrekken van een nieuwe beschikking (zie nr. 13 t/m 15 hiervoor). Deze gang van zaken oogt in ieder geval klantvriendelijk, waarheidsgetrouw en doelmatig, maar de vraag is dus of deze gang van zaken aanvaardbaar is in het licht van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. En zo niet, dan rijst de vraag wat dáárvan de consequenties zijn.

35. Een rechterlijke uitspraak kan haar rechtskracht[_3c3fa260-6a45-4d5b-9620-7534e9cb2bcc] alleen verliezen door een op een wettelijke grondslag gegeven latere rechterlijke uitspraak. Het menu is beperkt. Om te beginnen behoren verbetering of aanvulling als bedoeld in art. 31 resp. 32 Rv tot de mogelijkheden. Buiten de grenzen van art. 31 en 32 Rv is men aangewezen op het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen (verzet, hoger beroep, cassatieberoep en dergelijke) – eventueel met toepassing van een doorbrekingsgrond – en kan de rechter die een uitspraak heeft gedaan dus niet zélf een uitspraak aantasten. Het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen brengt mee dat een onjuiste rechterlijke uitspraak – afgezien van het zeldzame geval van het geheel ontbreken van rechtskracht – niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat ook indien geen rechtsmiddel beschikbaar is, de uitspraak tussen partijen rechtskracht heeft, aldus de Hoge Raad sinds 1989.[_8030e021-4413-4aac-92e6-0e4cfa9e6ba4] Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is van openbare orde.[_6a5b79b0-5b26-4341-99e2-9c12079d346f] De lijn van de Hoge Raad kan volgens mij duidelijk worden gemaakt aan de hand van drie recentere uitspraken.

36. In HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2025:3476, heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat een uitspraak niet kan worden ‘ingetrokken’, zelfs niet met instemming van partijen:

“3.4.2. Buiten het toepassingsbereik van de art. 31 en 32 Rv kan de rechter niet zelf de rechtskracht van zijn uitspraak aantasten, ook niet met instemming van partijen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat die aantasting is voorbehouden aan de hogere rechter, aan wie door aanwending van een rechtsmiddel kan worden gevraagd een uitspraak uit de vorige instantie te vernietigen.

3.5.1 Blijkens het hiervoor in 3.2.4 aangehaalde oordeel heeft het hof op enig moment het arrest van 11 maart 2014 ingetrokken en bepaald dat opnieuw arrest zal worden gewezen, en heeft het die intrekkingsbeslissing bij arrest van 10 juni 2014 gehandhaafd.

(…)

3.5.3 In zijn arrest van 10 juni 2014 heeft het hof als omissie aangeduid dat in zijn arrest van 11 maart 2014 geen rekening is gehouden met de antwoordakte van [verweerster] c.s. Voor zover het hof van oordeel was dat dit een schending van het beginsel van hoor en wederhoor was die met toepassing van art. 31 Rv kon worden hersteld, heeft het hof het toepassingsbereik van die bepaling miskend (zie hiervoor in 3.4.1). Voor zover het hof dit niet heeft miskend, maar van oordeel was dat de geconstateerde omissie met toestemming van partijen niettemin door het hof zelf kon worden hersteld, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (zie hiervoor in 3.4.2). In zoverre slagen de klachten.”[_6a901846-ef9a-4119-9610-4ec033e41273]

Lewin vatte dit arrest kort en krachtig samen: “De wet kent niet het rechtsmiddel ‘intrekken en opnieuw uitspraak doen’. Eens gegeven, blijft gegeven.”[_2e708be8-a3ba-4bf5-86a9-8dd7b52a04ee]

37. In de zaak die leidde tot HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1167, accordeerde de rechtbank dat de rechter-commissaris in een beschikking terugkwam op een eerdere proceskostenveroordeling, omdat het – kort gezegd – zou gaan om een kennelijke fout die zich leent voor verbetering door analoge toepassing van art. 31 Rv. De fout zou erin gelegen zijn dat de proceskostenveroordeling in strijd was met art. 67 Fw. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking van de rechtbank:

“3.3.2. (…) Een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv kan slechts worden aangenomen indien voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is (…). Daarvan is geen sprake in geval van een materieel verkeerde beoordeling van enig onderdeel van de zaak (…). Dat de in de beschikking van 9 juni 2015 uitgesproken proceskostenveroordeling volgens de rechtbank onjuist was wegens “strijd met de opzet van art. [67] Fw”, betekent derhalve niet dat die proceskostenveroordeling berustte op een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat die door de rechtbank aangenomen onjuistheid alleen aan de orde kan worden gesteld door de aanwending van een rechtsmiddel (…).”

38. Het arrest HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:351, bevestigt de lijn die zich al manifesteerde door de twee hiervoor genoemde uitspraken met elkaar te verbinden:

“3.1.4 De rechtbank heeft in haar vonnis van 5 augustus 2019, waarbij zij de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op grond van art. 350 lid 3, aanhef en onder c en d, Fw, niet het faillissement uitgesproken (…). Zoals het hof in rov. 3.2.2 heeft vastgesteld, is dit vonnis in kracht van gewijsde gegaan (…). Daarmee is de toepassing van de schuldsaneringsregeling geëindigd zonder het uitspreken van het faillissement. Rechtbank en hof konden de aldus door hen gedane einduitspraken slechts verbeteren en aanvullen binnen de grenzen van de art. 31 en 32 Rv (…). Buiten die gevallen zou dit in strijd komen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.”

39. Twee rechtsstatelijke argumenten pleiten voor deze strenge benadering. Ten eerste: zonder gesloten stelsel van rechtsmiddelen – en dus zonder termijnen, procesregels, enzovoort – zullen in sommige gevallen ondoorzichtigheid en onvoorspelbaarheid dreigen en de betrouwbaarheid van uitspraken afnemen, waarmee de rechtszekerheid afneemt. Tjittes & Asser plaatsen het leerstuk uitdrukkelijk (ook) in de sleutel van de finaliteit van rechtsgedingen: “Zonder een gesloten systeem van rechtsmiddelen zou men tot in het oneindige kunnen doorprocederen en zou de nodige rechtszekerheid een illusie zijn”.[_5d098f30-fb3b-4177-8b3f-24c701dfe680] En Boonekamp schrijft: “Dat een vonnis of beschikking niet anders kan worden aangetast dan door aanwending van een rechtsmiddel is uit oogpunt van rechtszekerheid en ordelijke rechtspleging een fundamenteel beginsel van de Nederlandse rechtsorde.”[_b6417edf-a07e-4740-acf1-c2c70f8b4a9f] Ten tweede: als een rechterlijke uitspraak zonder wettelijk rechtsmiddel ongedaan kan worden gemaakt door de rechter die de uitspraak heeft gedaan, dan wordt in het algemeen de kans groter dat met succes druk kan worden uitgeoefend op rechters, intern en extern, waarmee de rechterlijke onafhankelijkheid wordt bedreigd. Daarom is het goed dat bezwaren tegen een uitspraak door de wet worden gekanaliseerd, waarbij wordt bepaald wie tegen een uitspraak kunnen opkomen, hoe (en wanneer) dat moet gebeuren en hoe de procedure om de bezwaren te beoordelen verloopt.[_b694b886-45a5-4fb3-9cf0-c29bdc7be883]

40. Ik heb mij nog afgevraagd wat de consequenties zijn indien een uitspraak in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen tot stand komt, vooral in een geval waarin een rechter met die uitspraak haar eerdere uitspraak ‘intrekt’ of ‘vernietigt’. Heeft die tweede uitspraak dan ab initio geen rechtskracht of is dat te rigoureus? Twee benaderingen zijn denkbaar.

40. De eerste benadering is gebouwd op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zelf. Het heeft een zekere logica dat ook een uitspraak die in strijd is met meergenoemd gesloten stelsel rechtskracht heeft zolang er geen rechtsmiddel tegen wordt aangewend. Er is rechtspraak van de Hoge Raad uit 2003 die, als ik het goed begrijp, precies dit suggereert, zij het in een andersoortig geval.[_8fd50b9a-ecb9-4d84-af83-db9199462c25] Ook een uitspraak uit 2015 suggereert dit.[_0b3ad840-46a7-4995-b8ae-c524523a2b39] Zou dit de juiste benadering zijn, dan heeft de nieuwe beschikking van 22 mei 2026 in het voorliggende geval rechtskracht en kan worden bepleit dat, indien deze in kracht van gewijsde is gegaan,[_1a9e0911-475c-4515-9e1f-c602ddf9ba0e] er sowieso geen belang schuilt in het cassatieberoep (daargelaten de vóórvraag of de notaris ontvankelijk is in zijn cassatieberoep).

42. Tegen deze benadering valt een tweede in te brengen. Als gezegd staan met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in potentie rechtsstatelijke (macro)belangen op het spel. Daarom laat, zoals al aan bod kwam, de Hoge Raad bijvoorbeeld de ‘intrekking’ van een uitspraak óók niet toe als partijen daarmee instemmen. De toelaatbaarheid daarvan is namelijk een kwestie die boven de belangen van partijen uitstijgt. Het is, als gezegd, van openbare orde. Dit maakt dat het mijns inziens niet voor de hand ligt de rechtskracht van een uitspraak afhankelijk te stellen van een rechtsmiddel indien de rechter met die uitspraak geheel buitenwettelijk tot aantasting van haar eerdere uitspraak beslist, bijvoorbeeld, meest vergaand, door ‘intrekking’ of ‘vernietiging’. In zo’n geval is de uitspraak al op het eerste gezicht onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen omdat de rechter een uitspraak doet die zij a priori eenvoudigweg niet kan doen. Te bepleiten is dat dit wél een zeldzaam geval is waarin rechtskracht ontbreekt (wat alsdan nog steeds in een hogere instantie kan worden geconstateerd[_bbe8cc8a-32e5-4182-8bb4-2b6f17114b26]). Ik voel voor deze tweede benadering, omdat zij een sterkere disciplinerende werking heeft, zelfs als in zekere zin zou kunnen worden gezegd dat daarmee het gesloten stelsel van rechtsmiddelen voor een stukje wordt opgegeven om het kracht bij te zetten.[_2a221ed9-3e84-4457-8253-d8cf92fb93f7] Tegelijkertijd zie ik uitdagingen op het vlak van rechtszekerheid: hoe kunnen betrokkenen, maar bijvoorbeeld ook deurwaarders en andere betrokken professionals, weten of de uitspraak nu wel of niet rechtskracht heeft? Dat gezichtspunt doet er zeker óók toe. Ik laat het graag aan de Hoge Raad om te bepalen wat in dezen wijsheid is, indien hij meent dat deze zaak daarvoor een geëigend platform is.

43. De vraag die in de onderhavige zaak echter eerst moet worden beantwoord, is of de ‘reparatieronde’ zoals deze naar aanleiding van de brief van de notaris van 25 februari 2026 heeft plaatsgevonden toelaatbaar is binnen het zojuist geschetste kader. Ik tref de figuur van ‘heropening’ in de context van een rangregeling nergens in de wet aan en ik vond in de rechtspraak noch de literatuur een aanknopingspunt. Let wel: iets anders is dat ‘tegenspraak’ als bedoeld in art. 485a en 486 Rv en de daarop volgende renvooiprocedure er logischerwijs toe leiden dat de voorlopige staat van verdeling ter discussie komt te staan, in welk verband wel wordt gesproken over ‘heropening van de rangregeling’ nadat in de renvooiprocedure is beslist.[_355543db-5dd8-47d2-8bbf-fbdaa51d00d2] Maar dat is niet wat hier voorligt: art. 485 lid 1 Rv veronderstelt nou juist dat er géén tegenspraak is – althans dat de tegenspraak is afgehandeld – en dat het proces-verbaal definitief wordt gesloten, wat volgens art. 490 Rv ertoe leidt dat geen tegenspraak meer kan worden gedaan. Dan heeft dus het laatste fluitsignaal geklonken en is ‘heropening’ door de rechter niet meer aan de orde. Dat betekent volgens mij echter niet dat daarmee de gang van zaken in het voorliggende geval zonder meer rechtens onacceptabel is geweest.

44. Kan de nieuwe beschikking van de rechter-commissaris wellicht worden gezien als een verbetering in de zin van art. 31 Rv? De beschikking geeft er zelf geen blijk van dat de rechter-commissaris heeft gemeend binnen deze kaders te bewegen. Ik denk dat dat terecht is. Zo’n ‘verbetering’ is alleen aan de orde als het gaat om – kort gezegd – missers die op basis van de uitspraak op het eerste gezicht duidelijk zijn, ook voor derden. Tot deze categorie behoort niet het geval dat in de procedure ingebrachte gegevens onjuist zijn en de rechter zijn beslissing daarop heeft gebaseerd, wat derden niet zonder meer kunnen zien aan de uitspraak. Dit is dus geen route.

44. Er is misschien wel een andere route binnen de perken van meergenoemd gesloten stelsel, zo blijkt hierna. Ik wil er daarbij niet stiekem over doen dat mijn beschouwingen daarover enigszins resultaatgestuurd zijn. De notaris zal mijns inziens toch ergens moeten kunnen aankloppen. Als het zo is dat de nieuwe beschikking buiten beschouwing zou moeten blijven op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dan dringt zich de noodzaak op de notaris een andere rechtsingang te bieden om de gerechtvaardigdheid van de mogelijke aantasting van zijn vermogen ter discussie te stellen. Ik merk nu reeds op, dat geen van de opties die ik kon bedenken ‘evident’ is. Ergens zal een bepaalde mate van lenigheid moet worden geëtaleerd. Is het niet hier, dan is het daar.

Een alternatieve duiding: een tweede, correctieve rangregeling

46. De totstandkoming van de nieuwe beschikking zou welwillend kunnen worden geduid, waarmee – wel zo praktisch – de angel eruit wordt gehaald. Het is nuttig deze route te verkennen, want hoewel de rechter-commissaris in het proces-verbaal van 10 april 2026 rept van een ‘heropening van de rangregeling’ – een figuur die wet niet kent – heeft hij niet de oorspronkelijke beschikking van 27 november 2025 ‘ingetrokken’, vernietigd of iets soortgelijks, wat zonder meer in strijd zou komen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Nee, hij heeft op verzoek van de notaris opnieuw een voorlopige staat van verdeling opgesteld, te weten in het proces-verbaal van 10 april 2026, die vervolgens aan belanghebbenden is voorgelegd.[_2fcb42e6-dd7a-4835-9967-3b229b1812c5] Vervolgens heeft hij op 22 mei 2026 de nieuwe beschikking gegeven. Feitelijk heeft zich dus iets voltrokken wat lijkt op een nieuwe rangregeling (onder hetzelfde zaakkenmerk[_292e215d-da31-4d3e-be1c-fd3ec0cc0245]). De moeilijkheden zitten erin dat (i) deze procedure niet is geïnitieerd door een verzoek aan de voorzieningenrechter (zie nr. 18); (ii) zij berust op een verzoek van de notaris, die normaliter geen belanghebbende is (zie nr. 48) en (iii) dat de brief van de notaris van 25 februari 2026 niet eenduidig is ingekleed als ‘formeel’ verzoekschrift. Dit zijn drie potentiële, maar misschien overwinbare knelpunten, en daar komt nog een vierde bij: hoe verhoudt de nieuwe beschikking zich tot de eerdere?

47. Ik begin aan het slot. De eerdere beschikking van 27 november 2025, die haar kracht formeel niet is verloren (gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen), is mijns inziens geen sta-in-de-weg voor een nieuwe rangregeling. Dat procedures over dezelfde thematiek elkaar opvolgen, doet zich wel vaker voor bij verzoekschriftprocedures. Denk aan alimentatiekwesties.[_5372287b-b01a-41c1-be75-f8cb123ebad2] Ook bij de aard van de rangregelingsprocedure past mijns inziens dat de rechter-commissaris onder omstandigheden in een nieuwe rangregeling een nieuwe beschikking kan geven, vanzelfsprekend met inachtneming van hoor en wederhoor. Of dat in het algemeen kan, is hier niet beslissend. Het gaat hier immers om een bijzonder geval. Hierbij is relevant dat de beschikking van 27 november 2025 in ieder geval geen gezag van gewijsde heeft in verhouding tot de notaris.[_48072f89-29a1-4229-94a6-6a23877243e7] Dat het bevelschrift tegen hem is gericht, doet daaraan niet af, omdat daaraan geen oordeel ten grondslag ligt dat een einde maakt aan een geschilpunt over een rechtsbetrekking met de notaris.[_57a33051-8aee-4e6d-9b09-2a7efdb391fc] Áls de horde zou kunnen worden genomen dat de notaris in deze specifieke context belanghebbende is en de rechter-commissaris om een nieuwe rangregeling kan verzoeken (zie hierna), dan zie ik niet hoe de eerdere procedure nog een obstakel kan zijn.

48. Normaliter is de notaris in de rangregeling geen belanghebbende en wat mij betreft blijft dat zo. Er is in het algemeen geen reden om in een rangregeling de notaris als belanghebbende op te roepen, want de verdeling van de opbrengst tussen verschillende schuldeisers en de geëxecuteerde, waarop de rangregeling in de kern betrekking heeft, gaat de notaris niet aan. De vaststelling van de hoogte van de netto-opbrengst, die de notaris in voorkomende gevallen dus wel kan raken, zal daarentegen meestal een niet-problematische bijkomstigheid zijn. Art. 482 lid 1 en 481 lid 2 Rv verwijzen dan ook terug naar de in art. 480 Rv bedoelde belanghebbenden, te weten de executant, de geëxecuteerde, andere schuldeisers en beperkt gerechtigden. Ik zie, in de normale situatie, geen wettelijk aanknopingspunt (en geen praktische aanleiding) om daarbuiten nog anderen als partij of belanghebbenden aan te merken.[_3b80a9a3-9c34-45b9-b242-ac4cc603f725]

49. Maar hier is geen normale situatie aan de orde. Hier heeft immers de notaris een belang bij de kwestie gekregen doordat hij een bevelschrift tegen zich moeten laten gelden op grond waarvan hij – onbedoeld en uitzonderlijkerwijs – meer moet uitkeren dan er in werkelijkheid aan netto-opbrengst beschikbaar is. Dan heeft de notaris, vanaf het geven van de beschikking, een tastbaar belang bij een hernieuwde rangregeling en kan hij mijns inziens daartoe – en mét deze temporele beperking – als belanghebbende worden aangemerkt. Veel meer kan ik daar niet over zeggen, anders dan dat het hier een merkwaardige bijzonderheid zou zijn, ingegeven door het recht op toegang tot de rechter, die beperkt zou blijven tot gevallen waarin iemand op goede gronden niet betrokken was bij een procedure maar wel het dictum tegen zich moet laten gelden. Uitstralende werking naar andere gevallen waarin het belanghebbendebegrip ter discussie kan worden gesteld (zoals in het personen- en familierecht en het jeugdrecht) is er bij mijn weten niet.

49. Dat de hernieuwde rangregeling ‘ter correctie’ in het voorliggende geval niet is ingeleid op de wijze waarop dat naar de letter (zie o.a. art. 552 Rv en 278 Rv) zou moeten, kan wellicht – althans voor dit geval – met pragmatisme tegemoet worden getreden. Die formaliteiten zien – behalve dan de verplichte betrokkenheid van een advocaat op de voet van art. 278 lid 3 Rv, die niet is nageleefd – in belangrijke mate op de verschaffing van gegevens waarover de rechter-commissaris al beschikte. Ik weet het: gegevens uit procedure A zijn niet automatisch gegevens in procedure B op de enkele grond dat de behandelend rechter daarmee ambtshalve bekend is, wat met name meebrengt dat twee gelijktijdige procedures over hetzelfde thema die door dezelfde rechter worden behandeld géén informationele eenheid vormen, te minder als de partijen niet identiek zijn. In deze specifieke context, waarin dezelfde rechter wordt geadieerd in een opvolgende procedure met dezelfde partijen met het oog op correctie van een fout, is het naar mijn mening denkbaar dat hieraan iets minder zwaar wordt getild. Ik acht dat zelfs denkbaar – hoewel de wet dus anders uitwijst – voor de ondertekening van het verzoekschrift door een advocaat, aangezien de notaris vermoedelijk goed in staat zal zijn om het bedoelde verzoek tot correctie zonder bijstand van een advocaat te doen. Notarissen zijn ook in andere contexten bevoegd tot het doen van een verzoek aan de rechter zonder advocatuurlijke bijstand (zie bijvoorbeeld art. 549 lid 1 Rv).

49. Bij zo’n ‘hernieuwde rangregeling ter correctie’ op verzoek van de notaris bevat de uiteindelijke beschikking inhoudelijk geen nieuwe of andere juridische beslissing (of motivering). De input verandert, de berekeningswijze blijft hetzelfde. In dit geval: eerst wordt de fiscus voldaan en daarna worden pondspondsgewijs de overige schuldeisers betaald; er worden geen schuldeisers toegevoegd en er wordt geen nieuwe voorrangspositie erkent. De onderlinge verhouding tussen de belanghebbenden blijft ongewijzigd. Een ieder zou, met de werkelijke netto-opbrengst, tot dezelfde verdeling (moeten) komen. Hoewel het dus niet gaat om de gevallen die worden bestreken door art. 31 en 32 Rv, is het ook niet zo dat de rangregeling inhoudelijk wordt overgedaan. Wel is er uiteraard hoor en wederhoor.

49. Als de nieuwe beschikking langs deze lijnen verenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en dus rechtsgeldig moet worden geacht, heeft de notaris geen belang bij zijn cassatieberoep omdat door de rechter-commissaris alsnog een beschikking is gegeven die de het bezwaar van de notaris wegneemt. Dit is niet op voorhand ondenkbaar. Het is tegelijkertijd ook goed denkbaar dat de Hoge Raad tegen achtergrond van het principiële gewicht van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen op iets anders uitkomt. In dat geval kon de rechter-commissaris de nieuwe beschikking van 22 mei 2026 niet geven, zodat deze mogelijkerwijs – als deze rechtskracht mist, wat niet vanzelfsprekend is – zal moeten worden weggedacht. Dit zou vervolgens meebrengen dat deze beschikking het belang niet heeft doen ontvallen aan het cassatieberoep.

Ontvankelijkheid: kan de notaris cassatieberoep instellen?

53. Tegen een beschikking als bedoeld in art. 485 Rv staat op grond van art. 490d Rv geen hoger beroep open. Dit betekent dat cassatieberoep, dat niet is uitgesloten, op grond van art. 78 lid 1 RO in verbinding met art. 398, aanhef en onder 1°, Rv wel openstaat.[_5514f282-c02e-4713-a7b8-50c35c26c220] Maar cassatieberoep staat alleen open voor diegenen, partijen en belanghebbenden, die in een van de vorige instanties zijn verschenen (art. 426 lid 1 Rv), met dien verstande dat dit niet de strekking heeft om cassatieberoep uit te sluiten voor een belanghebbende die buiten zijn schuld niet in de vorige instantie is verschenen[_d51f4997-312a-436d-9bcd-200a6189086f] (doordat de belanghebbende niet is opgeroepen, bijvoorbeeld).

54. Zoals in de procesinleiding wordt onderkend, is de notaris in eerste aanleg niet verschenen. Had hij dan toch, dus in de eerste rangregeling, als belanghebbende moeten worden aangemerkt, zodat hij had moeten kúnnen verschijnen? De procesinleiding meent van wel, omdat aan de notaris het bevel van art. 485 Rv is gegeven en dit moet uitvoeren.[_ef09e527-e5ca-4612-b280-9407d7916b66] Ik meen echter van niet, zoals ik hiervoor in nr. 48 al heb uiteengezet. Het achteraf-denken in dit uitzonderlijke geval moet het zicht op de praktische implicaties voor andere, gewone gevallen niet belemmeren, waarbij in het bijzonder van belang is dat een belanghebbende zal moeten worden opgeroepen (zie in dit geval art. 482 lid 1 Rv). Daarvoor is in de regel nu juist geen aanleiding en de praktische hanteerbaarheid van regeling is ermee gediend dat dat zo blijft. In deze lijn redenerend in de notaris niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

55. Nu is het overigens niet compleet ondenkbaar dat aan de niet-ontvankelijkheid eventueel een mouw zou kunnen worden gepast – bijvoorbeeld langs de lijnen die ik in nr. 49 heb uiteengezet voor een tweede rangregeling ‘ter correctie’, in welk verband de notaris wellicht wél als belanghebbende kan worden aangemerkt – indien daarmee, indachtig het EVRM, een doelmatige oplossing voor het probleem van de notaris binnen handbereik zou zijn, maar dat laatste is mijns inziens niet aan de orde. De kern van het probleem is immers niet dat de rechter-commissaris rechtens onjuist of onbegrijpelijk heeft beslist – of op zijn beslissing inhoudelijk iets is aan te merken, kan in het midden blijven – maar dat de notaris volgens het in cassatie gevoerde betoog onjuiste gegevens heeft verstrekt. Dit probleem laat zich toch het beste oplossen waar het is ontstaan: bij de rechter-commissaris. Een vernietiging door de Hoge Raad levert nog geen praktische oplossing op, tenzij de Hoge Raad de zaak zelf zou willen afdoen op grond van art. 429 lid 1 in verbinding met 420 Rv. Dat kan misschien wel, maar ligt mijns inziens niet voor de hand. De Hoge Raad zou, zo meen ik althans, de belanghebbenden in de gelegenheid moeten stellen bezwaren te maken en daarna de staat van verdeling moeten vaststellen en een bevelschrift moeten uitgeven. Ik kan mij voorstellen dat de Hoge Raad meent dat hij zijn tijd en aandacht aan andere dingen moet besteden. Zou de Hoge Raad de notaris wel ontvankelijk achten én de klachten (dat wil zeggen: die van subonderdeel 2.1 en/of subonderdeel 2.2) gegrond verklaren, dan zal er na verwijzing een nieuwe rangregeling moeten volgen.

55. De slotsom is daarmee dat de notaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.

55. Overigens kan de notaris sowieso geen succes boeken in cassatie voor zover hij, zoals hij in subonderdelen 1.1 en 1.2 doet, klachten erover formuleert dat de rechter-commissaris niet de gehele opbrengst van de executie, dat wil zeggen niet het gedeelte dat toekwam aan mede-eigenaar [verweerder 6] – verweerder in cassatie onder 6 – in de verdeling heeft betrokken. Onaardig gezegd gaat dát de notaris niet aan. Als uit het oogpunt van rechtsbescherming bij uitzondering een cassatieberoep voor de notaris wordt opengesteld, dan kan dat natuurlijk alleen betrekking hebben op beslissingen die de notaris nadelig raken, gelet op art. 3:303 BW.

55. Mijn zoektocht naar een rechtsingang – die het recht op toegang tot de rechter van art. 6 lid 1 EVRM, alsook een effectieve remedie in de zin van art. 1 EP EVRM in verbinding met art. 13 EVRM, kan garanderen – heeft mij vervolgens gebracht bij het derdenverzet als mogelijk meest geëigende route voor het geval dat moet worden aangenomen dat de nieuwe beschikking rechtskracht mist. Daarover zet ik iets meer uiteen, omdat er naar mijn opvatting nu eenmaal ergens een rechtsingang voor de notaris moet zijn. Daarna zal ik nog iets opmerken over de mogelijkheid van een executiegeschil.

De mogelijkheid van derdenverzet

59. Derdenverzet als bedoeld in art. 376 Rv is behoorlijk exotisch, het is dan ook een buitengewoon rechtsmiddel, en relatief weinig bekend. Het artikel stamt uit 1838 en luidt:

“Derden zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest.”[_0993ae1b-4804-4f12-b5a2-147bee0c64a1]

60. Deze bepaling heeft – als men erover hoort spreken in wandelgangen – ogenschijnlijk de strekking om eigenlijk nooit te worden toegepast.[_876aa76b-3626-48b0-8cd9-470ac70affa4] Een uiteenzetting over de oude wetsgeschiedenis heeft mijns inziens weinig meerwaarde; te constateren is wel dat in de wetsgeschiedenis het voorbeeld wordt genoemd van “het geval van mede-eigendom, pro indiviso bezeten, in welke een vonnis, tegen eenen der eigenaren uitgesproken, zoodanig den anderen medeeigenaar kan treffen, dat zijne regten en belangen aanmerkelijk zouden lijden”.[_83a86ae1-4e8c-4d53-b4eb-5d1b838942ef] De Hoge Raad heeft derdenverzet in 1989 mogelijk geacht in een geval van evidente samenspanning tussen eiser (vader) en gedaagde (zoon) tegenover de echtgenote van die laatste, waarbij de zoon een schuld erkende en zich refereerde aan het oordeel van de rechter.[_75dbc5bf-c083-4286-a9d6-08ca7e8f7c7f] Er is echter geen indicatie dat art. 376 Rv tot dergelijke gevallen van mede-eigendom of huwelijksgoederengemeenschap is beperkt.

61. Veelvuldig aangehaald wordt HR 21 maart 1924, NJ 1924, p. 535 (De Booy/Duitse Rijk), waarin de Hoge Raad constateerde dat art. 376 Rv verlangt dat de derde in een ‘recht’ wordt benadeeld, zodat de enkele aantasting van een belang niet volstaat.[_09dfbb51-d5a8-47f5-be9f-b5d1376f4fb1] Daargelaten dat het begrip ‘recht’ in art. 376 Rv voor meervoudige interpretatie vatbaar is (zie hierna), is deze beslissing met de wet in de hand natuurlijk de enige juiste.

62. Maar de Hoge Raad laat in zijn motivering van het bedoelde oordeel ook blijken dat derdenverzet überhaupt een ‘restrictief karakter’ heeft,[_a84b2462-cdcb-4a42-a15e-800ce7705471] wat ook een eeuw later dus nog volop resoneert. Principieel werd onder andere overwogen:

“dat het hier een buitengewoon rechtsmiddel betreft, dat aan derden de bevoegdheid geeft om nadat zij de door de wet geboden gelegenheid tot deelneming aan een hun vreemden rechtsstrijd hebben laten voorbijgaan, de werking van een tusschen anderen gewezen vonnis aan te tasten en aldus in bereids door dezen verkregen rechten in te grijpen;

dat dan ook bij de totstandkoming der wet de Regeering aanvankelijk gekant was tegen de opneming van het middel, (…)

dat mede op grond van een en ander aan het na aarzeling in de wet opgenomen rechtsmiddel geene ruimere werking is toe te kennen dan hierboven, met het oog op de woorden der wet, toelaatbaar werd geacht, zulks nog te minder, omdat de bevoegdheid tot deelneming aan een tusschen anderen gevoerden rechtsstrijd bij wege van tusschenkomst, aan derden enkel wordt gegeven ter voorkoming van benadeeling of verlies van hun toekomende rechten die door het rechtsgeding bedreigd worden, en dus zeker geene ruimere strekking is toe te kennen aan een middel, dat de resultaten van een reeds geëindigden rechtsstrijd van anderen beoogt te wijzigen of te niet te doen”.[_583d2b71-bf03-4433-85fe-64e35952a464]

63. Hierbij passen vier opmerkingen:

i. De suggestie dat derdenverzet een middel is voor ‘spijtoptanten’ die de door de wet geboden gelegenheid tot deelneming aan een geding hebben laten voorbijgaan, wat in beginsel voor eigen rekening moet komen, laat zich relativeren. Er zijn best wel wat situaties denkbaar waarin van een derde niet kan worden verwacht dat hij of zij zich in een procedure meldt, bijvoorbeeld ook, in algemene zin, wanneer de derde niet hoefde te verwachten dat feitelijk en/of rechtens onjuist zou worden beslist. Ik wil verder graag wijzen op bijvoorbeeld art. 2:16, eerste volzin, BW: “De onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of die zulk een besluit vernietigt, is voor een ieder, behoudens herroeping of derdenverzet, bindend, indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest.” Iedereen voor wie zo’n vernietiging of nietigverklaring bindend is, kon tussenkomen of zich voegen.[_58c18973-8818-4693-b87b-3261e6633c45] Het is op voorhand ook niet praktisch irreëel dat derden zich aldus met de zaak bemoeien. Desondanks wijst de wetgever hier dus uitdrukkelijk óók op de beschikbaarheid van derdenverzet (voor zover er geen tussenkomst of voeging is geweest).

ii. De vrees dat derdenverzet een geëindigde rechtsstrijd opnieuw opent en daarom de gewenste ‘finaliteit’ van rechtspraak te zeer aantast, moet niet worden overtrokken. Nog daargelaten dat derdenverzet ook mogelijk is als de uitspraak waartegen het is gericht niet in kracht van gewijsde is gegaan doordat partijen (zelf ook) een rechtsmiddel hebben aangewend (zie nr. 66 hierna),[_f706a59a-dc0f-4008-8023-6202919a20c9] geldt – belangrijker – dat door derdenverzet een gewezen zaak juist niet opnieuw komt open te liggen.[_8b2ab017-eb99-4066-a9b1-1db70e3c942b] Als een derdenverzet uiteindelijk gegrond blijkt, dan wordt de uitspraak waartegen het gericht is volgens art. 380 Rv in beginsel alleen in zoverre verbeterd als het de rechten van derden heeft benadeeld (behoudens onsplitsbare samenhang). Logischerwijs is het daaraan voorafgaande debat in derdenverzet ook daartoe beperkt: er zullen mijns inziens vanuit praktisch oogpunt – anders dus dan in een regulier verzet – bezwaren/grieven tegen de uitspraak moeten worden aangevoerd.[_07099244-6000-48f5-b353-b2d606842986] Die bezwaren/grieven markeren waar het over gaat in het derdenverzet, zodat in zoverre wordt voortgebouwd op wat er al ligt. In beginsel wordt het derdenverzet bovendien behandeld door de rechter die de uitspraak heeft gedaan.[_2e980bce-7b4d-47a5-b9d8-2f6eaec2c18b] Dus het is niet zo dat de zaak nog eens van begin af aan wordt overgedaan.

iii. De belangen van partijen zijn géén goede reden om generiek terughoudend te zijn met derdenverzet. Daarvoor zijn verschillende situaties te verschillend. Het is namelijk zo dat de vernietiging ten gevolge van derdenverzet als vertrekpunt slechts ten gunste van de derde-oppossant, en in beginsel dus juist niet tussen partijen, werkt.[_8c66d86c-186c-4667-b994-43b61797e02c] Het is in zoverre merkwaardig dat de Hoge Raad in 1924 veronderstelde dat derdenverzet in “bereids door [partijen] verkregen rechten” ingrijpt. Of dat werkelijk zo is, hangt ervan af of de tegenwerpelijkheid van een uitspraak aan een derde bijdraagt aan de verwezenlijking van aanspraken van een partij, wat niet altijd zo is.[_7cb58fc7-3db9-43ba-a255-e76fc815ca43] De oorspronkelijke partijen zullen wel praktisch hinder ondervinden van het derdenverzet voor zover zij zich, nadat zij op de voet van art. 377 Rv zijn gedaagd, in de behandeling daarvan willen mengen – dat is natuurlijk een keuze – en proceskosten maken. Maar dit zou ook aan de orde zijn in een executiegeschil dat derden als onvolkomen alternatief ter beschikking staat (zie hierna).

iv. De Hoge Raad bedient zich terecht niet, anders dan sommige auteurs, van conceptuele magie rondom het partijbegrip en het gezag van gewijsde. Wiersma beschrijft (en verwerpt) de redenering dat “het gezag van gewijsde en de tenuitvoerlegging van het vonnis beperken tot partijen”, wat “als een doctrinair axioma [wordt] voorop[gesteld]” en als basis dient voor de gedachte “dat iedereen, die aan het vonnis gebonden is, qua talis partij is”.[_75f6ae23-c837-4fc5-a7d0-b47b4e42c6d8] Nog daargelaten dat dit soort ‘axiomatisch denken’ niet tot ongelukken bij de praktische en effectieve toepassing van art. 6 lid 1 EVRM mag leiden, klopt de redenering ook niet. In de eerste plaats is de tegenwerpelijkheid van (het dictum van) een uitspraak niet hetzelfde als het gezag van gewijsde.[_136e388f-9ed7-43dd-97db-52f8435737fa] De Hoge Raad oordeelde dan ook, logischerwijs, dat derdenverzet niet alleen beschikbaar is voor derden tegenover wie de betreffende uitspraak gezag van gewijsde heeft.[_feeb28d5-a951-4f04-96af-0bc42fc717c4] In de tweede plaats volgt helemaal niet uit de wet dat de inhoud en reikwijdte van een enkele (eind)uitspraak ervoor kan zorgen dat iemand die daarvóór derde is, alsnog partij wordt in het geding en dan geen derde meer is.

64. Gelet op het voorgaande moet ervoor worden gewaakt dat derdenverzet in deze zaak niet toepasbaar wordt geacht als gevolg van louter koudwatervrees. De wetgever heeft de mogelijkheid van derdenverzet als achtervang nu eenmaal wenselijk geacht. De algemene constatering dat de toepasbaarheid van derdenverzet uitzonderlijk is, geeft mijns inziens geen sturing. Het gaat immers altijd om de toepassingsvoorwaarden in relatie tot het geval dat aan orde is. Met de wet in de hand moeten in dat verband rationele argumenten worden onderzocht. Alleen aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of derdenverzet in dit bijzondere geval een oplossing kan bieden. Kortom, wat zijn nu eigenlijk de toepassingsvoorwaarden? En hoe verhouden deze zich tot het voorliggende geval? Ik pak nog eens de wet erbij. Art. 376 Rv, hiervoor al aangehaald, is best een lastige bepaling. Relevante operatoren zijn ‘derden’, ‘verzetten’, ‘vonnis’, ‘rechten’, ‘benadeelt’, ‘geroepen’ en ‘partij’. Kan art. 376 Rv hier nu worden toegepast?[_9e6071dc-b401-41fd-a58f-c01e51a058b3]

65. Eerst het begrip ‘vonnis’. Omvat dit ook, desnoods door overeenkomstige toepassing, de hier voorliggende beschikking? Dat ligt mijns inziens, ondanks de wettekst, op het eerste oog wel voor de hand. De Hoge Raad heeft ook nimmer in algemene zin beslist dat derdenverzet tegen beschikkingen is uitgesloten.[_678c271f-21d5-4ea0-bcec-427a306b1378] Het belangrijkste argument dat zou pleiten tegen analoge toepassing is dat, in de woorden van Snijders, “derden als belanghebbenden kunnen deelnemen aan een rekestprocedure en, ook al zijn zij in eerste aanleg niet verschenen, hoger beroep tegen een voor hen nadelige beschikking kunnen instellen”.[_ab9f99f9-ade5-4b5d-b17d-30d29187db57] Snijders acht dit doorgaans verdedigde argument echter niet “volkomen overtuigend”, want “wat als de belanghebbende niet is opgeroepen in de rekestprocedure en daarvan en van de daarin gegeven beschikkingen niet op de hoogte was en kon zijn?”[_21892cf5-c643-4105-a182-1b3c9a86ca0c] Ik lees daarin dat hij derdenverzet tegen beschikkingen niet categorisch wil uitsluiten en ik deel die opvatting, ook omdat lang niet alle derden die door een beschikking in relevant opzicht kunnen worden geraakt, automatisch belanghebbende zijn. Ik zie in de voorliggende zaak nou juist een voorbeeld (zie nr. 48 hiervoor).

66. Dan ‘derden’, ‘geroepen’ en ‘partij’. Uit de formulering van art. 376 Rv blijkt naar mijn begrip dat derdenverzet alleen openstaat voor diegenen die niet als partij of belanghebbende hebben deelgenomen aan de procedure en ook niet als zodanig zijn opgeroepen. Zie ook voorgaande alinea. Dit criterium is ook logisch: wie zijn zegje heeft kúnnen doen (en dat vervolgens al dan niet heeft gedaan), moet maar een ander rechtsmiddel instellen, zoals verzet, hoger beroep of cassatieberoep. Intussen maakt het voor de vraag of derdenverzet mogelijk is, in beginsel niet uit of een ander rechtsmiddel openstaat en/of is ingesteld, omdat de ‘doelgroep’ juist precies een andere is.[_9919d125-c872-472a-a93f-5d18addd63e6] Mijns inziens was de notaris in de oorspronkelijke rangregeling partij noch belanghebbende (zie nr. 48 hiervoor), en dus een derde in de zin van art. 376 Rv.[_59ee6a45-08f2-4920-b620-138a9cc41700]

67. Het lastigst zijn in het algemeen – maar niet per se in dit geval – de criteria van ‘benadeling’ en ‘recht’. Er moet een tamelijk rechtstreeks verband zijn tussen de aangevallen uitspraak en de benadeling in een recht.[_110cf091-6338-42c6-b507-acb89d233a00] Het gaat dan meestal om het dictum van de uitspraak, aangezien het gezag van gewijsde zich vrijwel nooit uitstrekt tot anderen dan partijen (art. 236 Rv).

68. De benadelende werking van het dictum kan er volgens mij op verschillende manieren zijn,[_72aa2277-a691-43a2-ba94-424cbcc932b8] maar in ieder geval is het – als gezegd – onvoldoende dat een belang van de derde wordt geraakt, want de wettekst maakt melding van “een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt”. De rechtspraak van de Hoge Raad suggereert dat het moet gaan om een ‘subjectief recht’.[_0fa71a5b-4996-4940-927c-ac767408f645] Archetypisch daarvoor is natuurlijk het eigendomsrecht, zoals in het voorbeeld uit de wetsgeschiedenis genoemd in nr. 60. In de lagere rechtspraak wordt wel aangenomen dat ook het verhaalsrecht van (tegenwoordig) art. 3:276 BW in aanmerking komt.[_e7a32a77-8c7d-402e-9807-ee9ffe3acc6b] Ik meen dat dat niet a priori moet worden afgewezen op de conceptuele grond dat niet elke juridische aanspraak, zoals bijvoorbeeld het verhaalsrecht, een ‘subjectief recht’ is.[_8447be21-8515-472a-81c9-5ceaa749dc90]

69. Bovendien kunnen de in nr. 58 genoemde EVRM-bepalingen een reden vormen om ‘recht’ als bedoeld in art. 376 Rv toch iets ruimer te zien dan wat typisch als ‘subjectief recht’ wordt aangemerkt. Ik meen überhaupt dat het in een geval als dit – waarin schending van het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM dreigt – voor de hand ligt om in eerste instantie te onderzoeken of de uitspraak de burgerlijke rechten en verplichtingen van de betrokkene vaststelt.[_8f4d87d6-bb99-42a8-a04b-4b52eb770006] Als dat zo is, zal mijns inziens de bedoelde ‘benadeling’ kunnen worden aangenomen als de derde-opposant tegen die vaststelling bezwaren heeft. Hier is dat zo.

70. Kortom, ik zie – wanneer dat nog nodig is - ruimte om te overwegen dat derdenverzet tegen de beschikking van 27 november 2025 een mogelijkheid is voor de notaris, zodat er geen rechtstekort is tegen de achtergrond van de in nr. 58 genoemde EVRM-bepalingen. Het is mijns inziens ook een praktische route, omdat er na met de verbetering een nieuw bevelschrift ligt en omdat de verbetering niet verder gaat dan nodig is om de rechten van de notaris te beschermen. Alle andere aspecten van de beschikking blijven ongemoeid.

De mogelijkheid van een executiegeschil

71. Voor de volledigheid wijs ik nog op het volgende. Stel dat een beslaglegger de oorspronkelijke beschikking van 27 november 2025 ten laste van de notaris ten uitvoer wil leggen (wat in beginsel kan, gelet op art. 485 lid 2 Rv). Dan kan de notaris desnoods ook een executiegeschil starten op de voet van art. 438 Rv. Hij zal kunnen betogen dat de beslaglegger geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij deze tenuitvoerlegging omdat de beschikking van 27 november 2025 op een kennelijke feitelijke misslag berust.[_20adc79c-ba49-4cd2-b0a3-5f44bbb2153f] Hoewel de notaris dit in zoverre soelaas kan bieden dat zijn vermogen niet kan worden aangesproken, is daarmee alleen een finale oplossing bereikt als tevens de nieuwe beschikking van 22 mei 2026 rechtsgeldig tot stand is gekomen. Is dat laatste niet zo, dan hebben de beslagleggers en de notaris zélf, als beheerder van zijn kwaliteitsrekening, er belang bij dat er alsnog een feitelijk juiste beslissing komt. In zoverre is een executiegeschil dus geen remedie die beter is dan derdenverzet (wel kunnen zij natuurlijk naast elkaar worden geïnitieerd).

Afsluitende opmerkingen

72. Misschien vraagt de lezer zich al geruime tijd af: waar gáát dit nu eigenlijk over? De rechter-commissaris heeft een nieuwe beschikking genomen, tot nu toe heeft geen van de schuldeisers zijn beklag gedaan. Wat is nu eigenlijk het probleem? Het korte antwoord luidt denk ik: de notaris wil duidelijkheid krijgen over zijn rechtspositie, gelet op het niet zonder meer doorzichtige procedurele kader en de tamelijk creatieve reparatieronde die op de foutieve beschikking is gevolgd. Daarvoor kan ik zonder meer begrip opbrengen, te meer indien – ik weet niet of dat zo is – de notaris nog met uitbetaling conform de nieuwe beschikking wacht tot uitsluitsel bestaat over de juridische houdbaarheid van de gang van zaken (zie nr. 3 en 15).

72. Dus. Er is iets niet goed gegaan bij de totstandkoming van de beschikking van 27 november 2025. Dat kan gebeuren. De notaris wordt daardoor naar mijn begrip in potentie in zijn vermogen geraakt, er moet een middel route zijn om de beschikking van 27 november 2025 ter discussie te stellen, vooral gelet op het EVRM. Verdedigbaar is dat de ‘reparatieronde’ van een nieuwe rangregeling een nieuwe beschikking toegankelijk is. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich daartegen immers niet als een tweede rangregeling in deze vorm de eerste kon opvolgen. Houdt men deze deur gesloten, wat zeker denkbaar is, dan dwingt het EVRM er mijn inziens toe dat ten minste één andere deur naar een juridisch robuuste oplossing kan worden geopend. In deze procedure klopt de notaris daartoe op de deur van de Hoge Raad, in een poging de beschikking van 27 november 2025 aan te tasten. Cassatieberoep staat mijns inziens echter niet open voor de notaris, want hij is in eerste aanleg niet verschenen en behoefde ook niet als belanghebbende te worden aangemerkt. Het cassatieberoep raakt mijns inziens ook niet aan de kern van het probleem. Het buitengewone rechtsmiddel derdenverzet zou mijns inziens wél een oplossing kunnen bieden in dit buitengewone geval omdat het maatwerk biedt. Ik durf daarin een oplossing te zien, ondanks het besef dat het derdenverzet de reputatie heeft van uitzonderlijke uitzonderlijkheid. Ik kan het verkeerd zien. Ik geef de Hoge Raad in overweging met zo veel woorden in te gaan op de vraag waar de notaris terecht kan, gelet op de meergenoemde EVRM-bepalingen.

72. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de notaris in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Voetnoten

  1. Dat heeft de advocaat van de notaris bij brief van 16 juli 2026 aan Hoge Raad bericht. Daarbij heeft hij twee afschriften van processen-verbaal overgelegd.
  2. Zie daarover Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/723.
  3. Zie daarover Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/724.
  4. Dat is in deze zaak zo gegaan, en naar ik begrepen heb uit de praktijk gaat het wel vaker zo.
  5. Wat ik hier schrijf, geldt ook voor de kwaliteitsrekening van de deurwaarder (art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet).
  6. De korte beschrijving die hierna volgt, is ontleend aan H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties; Overdracht, Boom juridisch, Den Haag: 2019/220 e.v. en 249.
  7. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372 (m.nt. A.I.M van Mierlo), JOR 2011/208 (m.nt. J.J. van Hees).
  8. Zie bijvoorbeeld ook Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/729: “Wanneer geen tegenspraak wordt gedaan, sluit de rechter-commissaris het proces-verbaal (…) en geeft hij bij in executoriale vorm uitgegeven bevelschrift aan de deurwaarder of notaris die de opbrengst bewaart, opdracht om aan alle gerechtigden het hen toekomende uit te keren (…)”. Zie ook Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/733.
  9. Kamerstukken II 1980/81, 16593, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 67.
  10. Voor de volledigheid: het aanspreken van het overig saldo van de kwaliteitsrekening kan niet aan de orde zijn, want dat – heel kort gezegd – behoort ingevolge art. 25 lid 3 Wet op het notarisambt anderen (en niet de notaris) toe. Dus alleen de werkelijk beschikbare opbrengst en het vermogen van de notaris zélf komen in aanmerking. Mijns inziens is het overigens de notaris zelf die door de beschikking wordt gebonden, en niet een eventuele vennootschap waarin het notarisbedrijf is ondergebracht. En voor nog meer volledigheid merk ik op dat niet uitgesloten is dat de notaris zelf ook belanghebbende en daarmee mederechthebbende is met betrekking tot het saldo op de kwaliteitsrekening, namelijk voor zover hij een vordering heeft uit hoofde van dienstverlening. Zie bijvoorbeeld S.E. Bartels, WPNR 2022/7368, p. 351.
  11. HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3096, NJ 2010/663 (Heembouw/Fortis Bank c.s.).
  12. In dezelfde geest, maar evenmin rechtstreeks van toepassing, is bijvoorbeeld art. 25 lid 3, tweede volzin, Wet op het notarisambt: “De notaris of, indien het een gezamenlijke rekening als bedoeld in het eerste lid, zesde volzin betreft, iedere notaris, is verplicht een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond aan te vullen, en hij is ter zake daarvan aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk kan maken dat hem ter zake van het ontstaan van het tekort geen verwijt treft.” Zo’n tekort kan alleen ontstaan als er in eerste instantie voldoende saldo was maar ten laste daarvan ten onrechte betalingen zijn verricht. Dat is hier zo: het saldo wás er niet.
  13. EHRM 1 maart 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:1204JUD002380594 (Bellet/Frankrijk), § 36.
  14. Art. 6 lid 1 EVRM ziet immers op de beslechting van geschillen. Zie daarover bijvoorbeeld, uit veel meer, EHRM 24 augustus 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0824DEC000452304 (Alaverdyan/Armenië), § 31 en 34-36.
  15. Geheel in algemene zin verwijs ik naar bijv. EHRM 12 oktober 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1012JUD006066900 (Kjartan Ásmundsson/IJsland), § 39 t/m 45. Zie voorts Sdu Commentaar EVRM, art. 1 EP EVRM, aant. C.2.4 t/m C.2.6 (A.E.M. Leijten, bijgewerkt t/m november 2019) en T Barkhuysen & M.L. van Emmerik, ‘De eigendomsbescherming van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het Nederlandse burgerlijk recht: het Straatsburgse perspectief’, Preadviezen voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht 2005, p. 62-65.
  16. HR 13 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0329, NJ 1991/767, r.o. 4.
  17. H.J. Snijders geeft daarvan de volgende omschrijving: “De rechtskracht – kracht van recht – van een rechterlijke uitspraak laat zich mogelijk het beste aanduiden in deze zin dat de uitspraak de status heeft van een processueel rechtsfeit, dat wil zeggen een processueel feit met rechtsgevolg (…).” Zie NJ 2004/558 onder 4.
  18. HR 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0608, NJ 1989/588 (Jamin/ […]), r.o. 3.2.
  19. HR 2 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2020:1546, NJ 2023/208, r.o. 3.2.
  20. Waarover bijvoorbeeld ook M.M. Verschuren, ‘Rechters kunnen hun eigen uitspraak of arrest niet zelf intrekken’, TvPP 2016, p. 1-2. Aantekening hierbij verdient dat de Hoge Raad ongelukkigerwijs overweegt dat aantasting is voorbehouden aan de hogere rechter, terwijl er rechtsmiddelen zoals verzet, herroeping en derdenverzet bestaan die kunnen leiden tot aantasting van een uitspraak door de ‘instantie van herkomst’, dus door een rechter van gelijke rang. Maar het is onverminderd zo dat daarvoor altijd een rechtsmiddel nodig is en ‘intrekking’ niet tot de mogelijkheden behoort. Aldus ook Lewin in JBPr 2016/9. Zie ook HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1167, NJ 2016/281, r.o. 3.3.2 en HR 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0608, NJ 1989/588 (Jamin/ […]), r.o. 3.2.
  21. JBPr 2016/9.
  22. Tjittes & Asser, Rechtmiddelen, 2011/1.3.
  23. Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/41.
  24. Dat leidt in bepaalde gevallen tot een omslachtig procedé, maar op dit punt is wetsgetrouwheid nu eenmaal cruciaal, wat onverlet laat dat ruimere wettelijke mogelijkheden tot verbetering van uitspraken zeker denkbaar zijn. Waarover bijvoorbeeld E.M. Wesseling-van Gent, ‘Verbeter de verbetering’, in: R.H. de Bock, R.J.Q. Klomp & E.L. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 333-336.
  25. HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2625, NJ 2004/558 m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.2.4. Een kortgedingrechter had beoogd om, op verzoek van beide partijen, een eerder vonnis door middel van een nieuw vonnis te herstellen. In cassatie stond vast dat het tweede vonnis echter niet kon gelden als een herstelvonnis. Volgens de Hoge Raad had het hof vervolgens met juistheid geoordeeld dat ten gevolge daarvan twee vonnissen naast elkaar bestaan. Van belang is dat de Hoge Raad overweegt dat het tweede vonnis “moet worden aangemerkt als een vonnis waarin de kortgedingrechter opnieuw een beslissing heeft gegeven op dezelfde vordering”. NJ-annotator Snijders meent dat zo’n onvolkomen herstelvonnis, ook al is het dus in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, inderdaad rechtskracht heeft en in de plaats komt van het oorspronkelijke vonnis.
  26. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3476, r.o. 3.7.
  27. Bij mijn weten is tegen de nieuwe beschikking niet (tijdig, dus binnen drie maanden) cassatieberoep ingesteld. Alleen cassatieberoep staat open (zie nr. 53 hierna).
  28. Vgl. E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 267: “De rechter kan bijvoorbeeld een eindvonnis hebben gewezen waarbij door een apparaatsfout over het hoofd is gezien dat na de mondelinge behandeling een wrakingsverzoek is gedaan dat nog op afhandeling wacht. Intrekking van de prematuur gedane uitspraak en opnieuw eindvonnis wijzen is dan niet het juiste antwoord; na instelling van een rechtsmiddel tegen het later eindvonnis zal de appelrechter moeten constateren dat de ingetrokken uitspraak rechtskracht heeft behouden.”
  29. Ik realiseer mij dat er ook andere middelen zijn, zoals cassatie in het belang der wet (art. 78 lid 1 Wet RO).
  30. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2422, JOR 2019/68 m.nt. J.J. van Hees.
  31. In zijn brief van 16 juli 2026 aan de griffie van de Hoge Raad meldt de advocaat van de notaris dat de rechtbank heeft verzuimd [betrokkene 1] (middellijk bestuurder van de gefailleerde RepairExpert B.V.) op te roepen. Wat daarvan zij, mijns inziens is dit voor het debat in cassatie niet van belang, omdat een dergelijk verzuim weliswaar kan leiden tot aantasting van de daaropvolgende uitspraak door een rechtsmiddel (hier: cassatieberoep), maar dát cassatieberoep is bij mijn weten niet ingesteld.
  32. Maar dat is natuurlijk niet beslissend. Zoals één zaakkenmerk twee gelijktijdige zaken kan omvatten, kan één zaakkenmerk twee opeenvolgende zaken omvatten. De gerechtsadministratie is niet beslissend voor de procesrechtelijke kwalificatie in dezen.
  33. Zie bijvoorbeeld HR17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJ 2013/277, r.o. 5.4.
  34. Op grond van art. 236 lid 1 Rv geldt het gezag van gewijsde immers – behoudens wettelijke uitzonderingen – alleen tussen partijen. Een uitzondering is er hier niet.
  35. Dat is de ‘bron’ van het gezag van gewijsde. Zie bijvoorbeeld HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, NJ 2022/129, r.o. 3.1.1 t/m 3.1.4.
  36. Vergelijk Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/724.
  37. HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:112, NJ 2017/64, r.o. 4.2.
  38. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1967, NJ 2023/360, r.o. 3.5.2 en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, r.o. 3.1.
  39. Zie procesinleiding, p. 8.
  40. Volgens zowel wetten.overheid.nl als InView zou de bepaling al in 1828 in het Staatsblad zijn geplaatst, maar dat klopt niet. Pas in 1837 werd de bepaling aangedragen en, uiteindelijk, afgekondigd. Zie Kamerstukken II 1836/37, XI, nr. 10 (ontwerp van wet) en Handelingen II 1836/37, bijlagen, vel 55, nr. 13 (memorie van toelichting), p. 229-230 (onder “ontwerp no. 9.”). Zie vervolgens Stb. 1837/33; inwtr.: Stb. 1838/12.
  41. De zeldzame rechter die het aandurft om derdenverzet toe te laten stelt zich dan ook bloot aan kritiek. Zie bijv. Rb Gelderland, 29 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:7020, JBPr 2023/74, m.nt. Th.D van der Sanden.
  42. Handelingen II 1836/37, bijlagen, vel 55, nr. 13 (memorie van toelichting), p. 229-230 (onder “ontwerp no. 9.”).
  43. HR 8 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC0650, NJ 1990/192.
  44. De Hoge Raad overweegt “dat dus volgens de duidelijke woorden der wet het verzet door derden openstaat, niet reeds wanneer de derden in hunne belangen, maar wanneer zij in hunne rechten benadeeld worden”.
  45. Aldus nr. 2.4.1 van de conclusie van A-G Wuisman (ECLI:NL:PHR:2014:1834) voor HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3452 (81 lid 1 RO).
  46. HR 21 maart 1924, NJ 1924, p. 535.
  47. Asser/Kroeze 2-I 2021/320 (aan het slot).
  48. Of dit onder omstandigheden ertoe leidt dat de derde-opposant ondanks een ontvankelijk derdenverzet toch maar even moet wachten op wat voortvloeit uit de behandeling van de gewone rechtsmiddelen, laat ik in het midden. Daarover gaat het hier immers niet.
  49. Ik heb er dus wel wat vraagtekens bij als ik in dit verband lees “dat de resultaten van een reeds beëindigde rechtsstrijd tussen anderen niet dan bij hoge uitzondering behoren te worden gewijzigd of tenietgedaan”. Aldus Th.D van der Sanden in JBPr 2023/74.
  50. Toegegeven: dat staat niet in art. 377 Rv en in de literatuur vond ik het ook niet terug. Maar als de derde-opposant geen bezwaren/grieven formuleert, kan hij niet over het voetlicht brengen waarom de uitspraak (in beginsel: deels; zie art. 380 Rv) moet worden vernietigd. Vgl. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 380 Rv, aant. 2 (G. Snijders, bijgewerkt t/m 20 april 2026): “Uit art. 380 Rv blijkt duidelijk dat het verzet niet leidt tot een nieuwe beoordeling van het gehele tussen de oorspronkelijke partijen gewezen vonnis, maar uitsluitend tot een nieuwe beoordeling van die onderdelen ervan waarin de gestelde benadeling van rechten van de derde is gelegen.”
  51. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 380 Rv, aant. 2 (G. Snijders, bijgewerkt t/m 20 april 2026).
  52. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 380 Rv, aant. 2 (G. Snijders, bijgewerkt t/m 20 april 2026).
  53. Ook hier wijs ik op art. 2:16 lid 1 BW (zie nr. 60 hiervoor). Het is denkbaar dat bijvoorbeeld aandeelhouder op grond van art. 2:15 BW met succes is opgekomen tegen een besluit dat hem benadeelt, terwijl het wegnemen van die benadeling niet verlangt dat de vernietiging van het besluit óók aan andere aandeelhouders tegenwerpelijk is. Het hangt maar net af waarover het gaat.
  54. K. Wiersma, Het rechtsmiddel verzet van derden (diss. Leiden), Leiden: Universitaire Pers Leiden 1952, p. 2.
  55. Zo is in verband met het al genoemde art. 2:16 lid 1 BW door Asser/Kroeze 2-I 2021/320 (aan het slot) erop gewezen dat de werking erga omnes van de vernietiging of nietigverklaring van een besluit nog niet gezag van gewijsde behelst, met andere woorden: die werking behelst niet “de bindende kracht van de aan de uitspraak ten grondslag liggende geschilbeslissing over een nietigheids- of vernietigingsgrond.” Overigens: niet alle uitspraken hebben überhaupt gezag van gewijsde. Zie bijvoorbeeld art. 257 Rv ten aanzien van kortgedingvonnissen.
  56. HR 8 december 1989, NJ 1990/192, r.o. 4.2.
  57. Zeer uitgebreid over al deze aspecten is K. Wiersma, Het rechtsmiddel verzet van derden (diss. Leiden), Leiden: Universitaire Pers Leiden 1952. Ik hield het vooral bij recentere literatuurbronnen.
  58. Uit HR 26 november 1982, NJ 1983/123, wordt in de literatuur weliswaar soms afgeleid dat analogische toepassing van de bepalingen over derdenverzet op beschikkingen niet mogelijk wordt geacht. Zo Tjittes & Asser, Rechtsmiddelen, 2011/5.1.1. Hugenholtz/Heemskerk nr 190 lijkt iets minder stelling: ”Tegen beschikkingen op verzoekschrift is derdenverzet tot nu toe niet toegelaten.” De genoemde beschikking van de Hoge Raad bevat alleen dat analoge toepassing derdenverzet op “beschikkingen waar het hier om gaat”, te weten betreffende levensonderhoud, niet kan worden aanvaard. De redenering die de Hoge Raad daarvoor geeft, is dat in dat soort procedures het hoger beroep niet openstaat voor belanghebbenden, maar alleen voor de verzoeker en de verweerder.
  59. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 376 Rv, aant. 6 (G. Snijders, bijgewerkt t/m 20 april 2026)
  60. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 376 Rv, aant. 6 (G. Snijders, bijgewerkt t/m 20 april 2026)
  61. Ook uitspraken die niet in kracht van gewijsde zijn gegaan, zijn vatbaar voor derdenverzet. Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 376 Rv, aant. 6 (G. Snijders, bijgewerkt t/m 20 april 2026), die verwijst naar HR 3 november 1899, W 7355, en HR 8 december 1989, NJ 1990/192.
  62. Dat het dictum zich tegen hem richt, maakt dat natuurlijk niet anders, want staan blijft dat de notaris niet aan de procedure heeft déélgenomen, en daarom gaat het in art. 376 Rv. De conceptuele/semantische vraag of de notaris door het dictum niet eigenlijk partij wórdt – nee, dat lijkt mij niet – komt mij dan ook als gezocht voor. Relevant is dat niet, zodat ik er ook geen aandacht aan besteed.
  63. Strengst lijkt nr. 2.4.2 van de conclusie van A-G Wuisman (ECLI:NL:PHR:2014:1834) voor HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3452 (81 lid 1 RO): “Het strookt het meest met het restrictieve karakter van het rechtsmiddel derdenverzet om benadeling in rechten door het vonnis pas dan aan te nemen, indien die benadeling hieruit voortvloeit dat het vonnis krachtens de wet in die zin ook tegenover de derde werking heeft dat ingevolge de wet het vonnis mede voor de derde bepaalt wat een hem toekomend recht inhoudt dan wel in elke mate hij dat recht kan uitoefenen. Wanneer een vonnis inzake een rechtsverhouding tussen andere personen mede de betekenis, die het recht van een derde voor deze derde heeft, beïnvloedt enkel vanwege de feitelijke afhankelijkheid van dat recht van die rechtsverhouding, dan is er dus geen sprake van benadeling van dat recht door het vonnis in de zin van artikel 376 Rv. De derde heeft dan wel belang bij wat de rechtsverhouding tussen die andere personen inhoudt en de derde kan vanwege een vonnis omtrent die verhouding in dat belang worden geschaad, maar die omstandigheid alleen is niet voldoende om het rechtsmiddel van derdenverzet te kunnen inzetten.”
  64. Zie in dit verband de annotatie van Meijers bij HR 1 december 1939, NJ 1940, p. 445. Zie ook nr. 2.4.3-2.4.4 van de conclusie van A-G Wuisman (ECLI:NL:PHR:2014:1834) voor HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3452 (81 lid 1 RO).
  65. HR 21 maart 1924, NJ 1924, p. 535. Wat een subjectief recht is, is voer voor drie dissertaties, maar behoeft hier geen uitwerking.
  66. Rb. 13 december 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:6055, r.o. 3.2 en Rb Gelderland, 29 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:7020, JBPr 2023/74, m.nt. Th.D van der Sanden, r.o. 4.6.
  67. De parallel met art. 3:6 BW, dat beperkt is tot subjectieve rechten, gaat niet op. Dáár draait het erom dat rechtszekerheid moet bestaan omtrent de voorwerpen van goederenrechtelijke rechten. Zo’n macrobelang speelt hier niet. Rechtszekerheid speelt hier wel een rol voor zover de finaliteit van rechterlijke uitspraken door derdenverzet ongedaan wordt gemaakt, maar dat is een geheel andere context. In deze procedurele context is weliswaar terughoudendheid met derdenverzet het devies, maar bestaat geen aanleiding om zonder meer strikt om te gaan met het begrip ‘recht’ in art. 376 Rv in verhouding tot een meer algemene notie van juridische aanspraken.
  68. Dat is in sommige opzichten een restrictievere toets dan in art. 376 Rv besloten ligt, maar als die smallere poort toegang biedt, dan is de omvang van de grotere poort geen interessante kwestie meer.
  69. Zie HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 ([…] / […]), r.o. 3.2.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.