Aanhef
Inleiding
Per 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) en de Jeugdwet. Naast de verantwoordelijkheid voor de organisatie en uitvoering hiervan, is de gemeente ook verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op onterecht ontvangen en/of gedeclareerde zorg en ondersteuning.
De gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein, en Vijfheerenlanden (hierna: Lekstroomgemeenten) kopen gezamenlijk de zorg en ondersteuning in het kader van de Wmo en Jeugdwet in. Het toezicht op rechtmatigheid vindt ook in regionaal verband plaats, met als doel het voorkomen en beëindigen van onrechtmatige zorguitgaven binnen de Wmo en Jeugdwet.
Deze beleidsregel
1Conform artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht.
beschrijft de wijze waarop de Lekstroomgemeenten preventie, toezicht en handhaving op rechtmatigheid op het gebied van de Wmo en de Jeugdwet vormgeven. Met deze beleidsregel zorgen we er tevens voor dat onze medewerkers, inwoners en (zorg)aanbieders op de hoogte zijn van onze visie en beleid op dit gebied en daar steeds beter naar gaan handelen.
Het begint met preventie. Preventie richt zich op voorlichting en communicatie. Door kennis wordt onrechtmatigheid door onwetendheid zoveel mogelijk voorkomen. Dat laat onverlet dat de regio Lekstroom ook andere instrumenten inzet. Zo is er aandacht voor vroegtijdige detectie in de vorm van screening en risico-gestuurd toezicht op zorgaanbieders, zowel in de fase van contracteren van aanbieders als gedurende de looptijd van de overeenkomsten met aanbieders. Tot slot vindt reactief toezicht plaats op basis van ingekomen signalen van vermoedens van onrechtmatigheid. Op basis van de resultaten van het toezicht vindt eventueel handhaving plaats, waarbinnen een scala aan maatregelen kan worden ingezet.
Het doel van preventie, toezicht en handhaving is het bevorderen van de naleving van de regels
2Het betreft regels gesteld in of bij de wet, verordening, nadere regels, beleid en overeenkomsten.
, en het voorkomen en bestrijden van misbruik, oneigenlijk gebruik van zorggelden en onrechtmatigheid door (onbedoelde) fouten. Hiermee dragen we er zorg voor dat zorggelden op een juiste wijze worden besteed en dat de inwoners de zorg ontvangen die ze nodig hebben.
Leeswijzer
Het eerste hoofdstuk staat in het teken van landelijke en lokale kaders. Onderdeel van dit hoofdstuk is het zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens en de uitwisseling daarvan. In hoofdstuk twee verwoorden we de visie op rechtmatigheid en de uitgangspunten, waaronder de cirkel van naleving. Deze cirkel bestaat uit een viertal stappen; communicatie, dienstverlening, controleren en handhaving. Hoofdstuk drie staat in het teken van handhaving en gaat in op de handhavingsmaatregelen die ons ter beschikking staan en hoe / wanneer we deze toepassen. Daarvoor is een afwegingskader met een handhavingsmatrix opgesteld. In hoofdstuk vier wordt stilgestaan bij monitoring en evaluatie van deze beleidsregel. Tot slot zijn een drietal bijlagen toegevoegd waarin stil wordt gedaan bij de wettelijke grondslag voor het uitwisselen van gegevens, de bevoegdheden van de toezichthouders en de wettelijke grondslag in de Wmo en Jeugdwet voor toezicht en handhaving.
4 Handhaving
Tekst
De toezichthouder geeft op basis van zijn onderzoek advies aan de Regionale Backoffice Lekstroom (RBL) en/of de gemeente voor de te nemen maatregelen. Handhavingsmaatregelen worden niet uitgevoerd door de toezichthouder, maar door:
•Bij zorg in natura (gecontracteerde zorgaanbieders) door de Regionale Backoffice Lekstroom (RBL) (in ondermandaat en volmacht van college en burgemeester van Houten, die door de colleges en burgemeesters van de overige Lekstroomgemeenten is gemandateerd en gevolmachtigd).
•Bij Persoonsgebonden budget (PGB): door de individuele gemeenten zelf. Dit kan bijvoorbeeld door een jurist van de gemeente of de medewerker die de beschikking heeft opgesteld zijn. Zij doen dit in mandaat van het college van de eigen gemeente.
De maatregelen zijn primair gericht op het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken van de onrechtmatigheid. Een maatregel kan vergaand zijn, met als doel herhaling te voorkomen, of eventuele overtreders te straffen en af te schrikken. Zorgontvangers en zorgaanbieder die zich met opzet niet aan de afspraken houden, worden aangepakt.
Bijlage 1 – Overzicht wettelijke grondslag uitwisselen gegevens
Wmo 2015
Ontvangen gegevens
Toezichthouder
College van burgemeester & wethouders
Verstrekker gegevens
Toezichthouder
Art. 5.2.4, derde lid Wmo 2015
College van burgemeester & wethouders
Art. 5.2.1 Wmo 2015
Zorgverlener PGB
Art. 5.2.2 Wmo 2015
Art. 5.2.2 Wmo 2015
SVB
Art. 5.2.4, tweede lid Wmo 2015
Aanbieder maatschappelijke ondersteuning
Art. 5.2.2. Wmo 2015
Art. 5.2.2 Wmo 2015
CAK
Art. 5.2.4, eerste lid Wmo 2015
Zorgverzekeraar en zorgaanbieder als bedoeld in de Zorgverzekeringswet
Art. 5.2.5, eerste lid Wmo 2015
CIZ
Art. 5.2.5, derde lid Wmo 2015
Uitvoerder Wet langdurige zorg
Art. 9.1.3, derde lid Wet langdurige zorg
Belastingdienst
Art. 5.2.3 Wmo 2015
Jeugdwet
Ontvangen gegevens
Toezichthouder
College van burgemeester & wethouders
Verstrekker gegevens
Toezichthouder
Art. 6, eerste lid
onder e Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
College van burgemeester & wethouders
Art. 6, eerste lid
onder e Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
Zorgverlener PGB
Art. 6, eerste lid
onder e Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
Art. 6, eerst lid onder e Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
SVB
Art. 6, eerst lid onder e Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
Art. 8.1.8 Jeugdwet
Aanbieder jeugdhulp
Art. 6, eerste lid
onder e Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
Art. 6, eerst lid onder c en e Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
Art. 6b. 1-6b.7 Regeling Jeugdwet
Uitvoerder Wet langdurige zorg
Art 6, eerste lid onder c Avg
Art. 2.9 onder d Jeugdwet
Art 9.1.3, derde lid Wet langdurig zorg
Strafrechtelijk onderzoek
Ontvangen gegevens
College van burgemeester & wethouders
College van burgemeester & wethouders
Sociaal rechercheur / BOA
Art. 6 Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten
OM (Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens)
Art. 39e en 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) /directie opsporing (Wet politiegegevens / FIOD)
Art. 18, tweede lid Wet politiegegevens
Overig Wet politiegegevens partner
Bijlage 2 – Overzicht bevoegdheden toezichthouders
Indien een persoon bij wet formeel is aangewezen als toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dan beschikt deze toezichthouder over de bevoegdheden zoals omschreven staan in afdeling 5.2 Awb. Op basis van artikel 5:13 Awb maakt een toezichthouder van zijn bevoegdheden gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Hij mag deze bevoegdheden niet inzetten om een andere wettelijke taak te kunnen vervullen. Ook moet de toezichthouder zijn bevoegdheid op de voor de inwoner minst belastende wijze uitoefenen. Wanneer de informatie kan worden verkregen op een minder ingrijpende manier, wordt daarvoor gekozen.
Hieronder worden de bevoegdheden van een toezichthouder weergegeven. De toezichthouder kan van deze bevoegdheden te allen tijde gebruik maken wanneer de toezichthouder dit doet uit hoofde van zijn taak om toezicht te houden op de naleving van wet- en regelgeving. Met betrekking tot het vorderen van inlichtingen en het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden wordt een verdere toelichting gegeven.
Huisbezoek / Locatiebezoek
Artikel 5:15 Awb
Lid 1 Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
Lid 2 Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.
Lid 3 Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.
Een huisbezoek/locatiebezoek is geoorloofd bij een gegrond vermoeden van oneigenlijk gebruik / misbruik van voorzieningen of PGB’s. ‘Gegrond’ houdt in dat aantoonbare feiten en omstandigheden wijzen op onrechtmatigheden.
Bij de keuze voor het afleggen van een huisbezoek/ locatiebezoek houdt de toezichthouder rekening met het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel.
Huisbezoek
Het huisbezoek is toegestaan als laatste verificatiemiddel om gegevens van de inwoner (cliënt) bevestigd of weerlegd te krijgen. Als de gegevens op een andere wijze dan het huisbezoek bevestigd of weerlegd kunnen worden, is een huisbezoek niet geschikt.
Er zijn verschillende werkwijzen om een huisbezoek af te leggen. In alle gevallen moet de inwoner (cliënt) toestemming geven voor het betreden van de woning nadat is uitgelegd waar het bezoek voor is en wat de gevolgen zijn van een eventuele weigering. Dit kan dus voorafgaand aan het huisbezoek of voor de deur bij de inwoner (cliënt). De toestemming of weigering moet worden vastgelegd. Daarbij moet de identiteit van de inwoner (cliënt) worden gecontroleerd en genoteerd aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Als iemand zich niet bekend wil maken of geen geldig identiteitsbewijs kan of wil tonen, wordt dit genoteerd.
De toezichthouder kan ook een huisbezoek afleggen wanneer de inwoner slachtoffer is van een zorgaanbieder of vertegenwoordiger. De toezichthouder heeft dan geen vermoeden van onrechtmatigheden ten opzichte van de inwoner. Het eventueel weigeren van dit huisbezoek heeft dan ook geen gevolgen voor de inwoner.
Locatiebezoek
Een locatiebezoek kan nodig zijn om gegevens van een bedrijf of zorglocatie inzichtelijk te krijgen, bijvoorbeeld de dagbestedingslocatie. Voor het betreden van de locatie is geen toestemming nodig zoals wel toestemming nodig is voor het betreden van een woning. De verslaglegging van het locatiebezoek wordt vastgelegd in het onderzoeksrapport.
Vorderen gegevens en bescheiden
Artikel 5:16 Awb
Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 5:16a Awb
Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 5:17 Awb
Lid 1: Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
Lid 2: Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
Lid 3: Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs
Tijdens het onderzoek is het ter inzage vorderen van gegevens en bescheiden een middel om informatie te verzamelen. Artikel 5:16 en artikel 5:17 Awb hebben betrekking op het vorderen van zakelijke gegevens.
Het ter inzage vorderen van gegevens en bescheiden is een manier om informatie te verzamelen over het handelen van de persoon of het bedrijf dat wordt onderzocht. De toezichthouder controleert of de manier waarop de onderzochte partij aangeeft te handelen, overeenkomt met de werkelijkheid. Voorbeelden hiervan zijn: inzicht in de processen, hoe verloopt de administratie (cliëntadministratie, urenregistratie, roosters, ondertekening, etc.), en hoeveel personeel de onderzochte partij in dienst heeft. Het vorderen van gegevens en bescheiden kan bij de onderzochte partij zelf of bij een derde.
Voorbereiding vorderen gegevens en bescheiden
De toezichthouder bepaalt welke doel het vorderen heeft en bij wie gevorderd wordt. Dit kan per onderzoek verschillen. De toezichthouder bedenkt welke gegevens nodig zijn om het doel te bereiken en houdt hierbij rekening met proportionaliteit. De toezichthouder maakt hierbij gebruik van het sjabloon vorderen gegevens Wmo en Jeugdwet.
Er kunnen meerdere doelbepalingen zijn. De toezichthouder heeft als taak het toezicht houden op de rechtmatigheid. Met dit doel kan een toezichthouder dan ook informatie vorderen. Naast de doelbinding is er op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg) ook een grondslag nodig om te kunnen vorderen.
Deze grondslagen zijn:
•Wettelijke verplichting, paragraaf 5.1 en 5.2 Wmo 2015 / 7.4 Jeugdwet;
•Toestemming van betrokkene;
•Vitaal belang van de betrokkene;
•Uitvoering overeenkomst;
•Algemeen belang / openbaar gezag;
•Gerechtvaardigd belang.
Per vordering bepaalt de toezichthouder of het ontvangen van kopieën of de originele stukken gewenst is. De toezichthouder beoordeelt daarbij of er naast de (wettelijke) toestemming nog toestemming van de betrokkene noodzakelijk is.
Vorderen
Bij het vorderen wordt onderscheid gemaakt tussen het vorderen bij de onderzochte partij en bij derden. Bij een onderzochte partij kan de toezichthouder de gegevens en bescheiden fysiek ophalen of per e-mail/post ontvangen. Ook kan de onderzochte partij gegevens en bescheiden zelf bij de toezichthouder langsbrengen. Bij het vorderen bij derden kan de toezichthouder de vordering telefonisch voor bespreken. De vordering zelf vindt altijd plaats op basis van een vorderingsbrief.
Zaken onderzoeken, openen en monsters nemen
Artikel 5:18 Awb
Lid 1: Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.
Lid 2: Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
Lid 3: De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Lid 4: Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
Lid 5: De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.
Lid 6: De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming.
Kort samengevat ziet artikel 5:18 Awb op de mogelijkheid voor een toezichthouder om zaken te onderzoeken, te openen en monsters te nemen.
Onderzoek vervoermiddelen
Artikel 5:19 Awb
Lid 1: Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
Lid 2: Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.
Lid 3: Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
Lid 4: Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
Lid 5: Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan.
In artikel 5:19 Awb is een aantal bevoegdheden neergelegd die ten aanzien van vervoermiddelen kunnen worden uitgeoefend. Onder vervoermiddelen worden niet alleen voertuigen verstaan, maar ook (lucht)vaartuigen (vliegtuigen en schepen). Voertuigen zijn niet alleen fiets en motorrijtuigen, maar ook aanhangwagens.
Weigering
Artikel 5:20 Awb
Lid 1: Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Lid 2: Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Lid 3: Het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid.
Lid 4: Indien de gevorderde medewerking strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder bestuursdwang voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling.
Op basis van artikel 5:20 Awb is een ieder verplicht mee te werken aan een vordering van de toezichthouder. Deze verplichting is de stok achter de deur voor alle andere bevoegdheden van de toezichthouder. Op basis van artikel 6:1 Wmo 2015 is de toezichthouder, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is, bevoegd tot inzage van dossiers. Ook wanneer iemand van een geheimhoudingsplicht voortvloeiend uit ambt, beroep of wettelijk voorschrift medewerking weigert.
Bijlage 3 - Wettelijke grondslagen Wmo 2015 en Jeugdwet voor toezicht en handhaving
Heronderzoek
Artikel 2.3.9 Wmo 2015
Lid 1: Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 (maatwerkvoorziening) of 2.3.6 (persoonsgebonden budget) te heroverwegen.
Artikel 8.1.3 Jeugdwet
Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget te heroverwegen.
Herziening, intrekking en invordering
Artikel 2.3.10 Wmo 2015
Lid 1: Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 (maatwerkvoorziening) of 2.3.6 (persoonsgebonden budget) herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:
a.de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
b.de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen,
c.de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten,
d.de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden,
e.de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Lid 2: Het college bepaalt in de beslissing, bedoeld in het eerste lid, het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.
Artikel 2.4.1 Wmo 2015
Lid 1: Indien het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 (maatwerkvoorziening) of 2.3.6 (persoonsgebonden budget) met toepassing van artikel 2.3.10, onderdeel a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget.
Lid 2: Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.
Artikel 8.1.4 Jeugdwet
Lid 1: Het college kan een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:
a.de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
b.de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen,
c.de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten,
d.de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget, of
e.de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.
Lid 2: Het college bepaalt in de beslissing als bedoeld in het eerste lid het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.
Lid 3: Indien het college een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget invorderen.