Aanhef
Volledige naam: Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terugvordering en invordering Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) Helmond 2015.
Het college van burgemeester en wethouders,
Gelet op de artikelen 17, 18a, 52, 54, 58, 59, 60, 60a, 60b en 60c Participatiewet, de artikelen 13, 17, 20a, 25, 26, 27, 28, 29 en 29a Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de artikelen 13, 17, 20a, 25, 26, 27, 28, 29 en 29a Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en titel 4.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Besluit
Artikel I
De Beleidsregels Invordering Helmond 2015 worden als volgt ingevuld:
INVORDERING VAN TERUGGEVORDERDE BIJSTAND INGEVOLGE DE PARTICIPATIEWET OF UITKERING INGEVOLGE DE IOAW OF DE IOAZ OF VAN EEN OPGELEGDE BESTUURLIJKE BOETE
Artikel II
Deze beleidsregels treden, na bekendmaking, in werking op 1 januari 2015.
TOELICHTING BELEIDSREGELS OPSCHORTING, HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN INVORDERING PARTICIPATIEWET, WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKKTE WERKLOZE WERKNEMERS (IOAW) EN WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN (IOAZ)
1Algemeen
In de Participatiewet en in de IOAW en de IOAZ is het opschorten, herzien, intrekken en terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand of uitkering (met uitzondering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, Participatiewet, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, in die situaties is dat een verplichting) een algehele bevoegdheid van het college.
Het college maakt gebruik van deze bevoegdheid in de gevallen en op grond van de bepalingen in deze beleidsregels.
2Opschorting, herziening of intrekking van het toekenningsbesluit
Evenals terugvordering van bijstand of uitkering (behalve wanneer er sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58, eerste lid, Participatiewet, of uitkering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ) is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op bijstand of uitkering door middel van een herzienings- of intrekkingsbesluit een algehele bevoegdheid van het college. Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik van deze bevoegdheid.
De bepalingen onder sub 1 en 2 van onderdeel B. en D. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 54 lid 3 Participatieweten artikel 17 lid 3 IOAW en artikel 17 lid 3 IOAZ, doch zijn met een dwingend karakter geformuleerd:
a.indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de belanghebbende ten onrechte bijstand of uitkering is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstands- of uitkeringsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie (dit is een verplichting op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, Participatiewet).
b.in gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking van het toekenningsbesluit aan de orde zijn.
Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door het college onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van dit beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal derhalve “op zijn klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit niet het geval is dan gaat het college niet over tot herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het uitkeringsrecht zal in dat geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt gebracht.
Een andere overweging is of het college als gevolg van een grove fout een foutief besluit heeft genomen. Grove nalatigheid van het bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belanghebbende, tenzij het bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout betreft.
3Terugvordering
Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid. Benadrukt wordt dat de bijstand of uitkering uitsluitend wordt teruggevorderd (anders dan bedoeld in artikel 58, eerste lid, Participatiewet, en artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, waar het een verplichting is) in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd.
4Ten onrechte verleende bijstand of uitkering
De hier onder sub 1 omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 58, tweede lid, Participatiewet. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 58, tweede lid, Participatiewet, dwingend geformuleerd:
a.bijstand is, anders dan bedoeld in artikel 58, eerste lid, Participatiewet, ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager bedrag, recht op bijstand bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op grond van artikel 54 lid 3 Participatieweten beleidsregel nummer 2 van de Beleidsregels Terugvordering eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen.
b.aan de bijstand die in de vorm van een geldlening is verleend dient in alle gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting wordt in het toekenningsbesluit vastgelegd. Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een terugvorderingsbesluit genomen.
c.borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het toekenningsbesluit vastgelegd moet zijn dat de gemeente bijstand heeft verleend in de vorm van een borgstelling. Deze bijstand komt echter pas tot uitbetaling (aan de geldverstrekker) indien de belanghebbende in gebreke blijft met het terugbetalen van de door de geldverstrekker verleende geldlening. Op het moment van uitbetaling van de bijstand ontstaat tevens een vordering die op grond van artikel 58 lid 2 sub c Participatieweten de gemeentelijke beleidsregels kan worden teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk.
d.een voorschot wordt op grond van artikel 52 Participatiewet van rechtswege (automatisch op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 3 Participatiewet regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende uitkering over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat kan zijn omdat er geen toekenning van een uitkering tot stand komt, of dat de toegekende uitkering niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2 sub d Participatiewet. Wanneer deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende bijstand.
e.er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin de bijstand bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat hierbij met name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit, bijvoorbeeld wanneer bijstand is verleend in afwachting van het beschikbaar komen van middelen (inkomen of vermogen), of wanneer achteraf een vergoeding wordt ontvangen voor kosten waarvoor in een eerder stadium ook reeds (bijzondere) bijstand is ontvangen. Ook de onverschuldigd betaalde bijstand als gevolg van een administratieve vergissing dient op grond deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als restrictie geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. Voor de hier bedoelde vorm van terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar.
h.In de volgende gevallen moet het college afzien van brutering en kan alleen de netto bijstand teruggevorderd worden:
1De reden voor terugvordering is in de loop van het jaar ontstaan en het college heeft nagelaten belanghebbende hiervan tijdig in kennis te stellen, waardoor deze niet meer in staat was de vordering binnen het kalenderjaar terug te betalen (zie CRvB 28-11-2006, nrs. 05/2497 NABW e.a.). In deze uitspraak waren de inkomsten, die tot de terugvordering hadden geleid, door belanghebbende keurig opgegeven en kon haar niet worden verweten dat zij de inlichtingenplicht had geschonden. Niet was gebleken dat het college niet in staat was geweest om in het kalenderjaar al tot terugvordering over te gaan. Het college had derhalve niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot bruto-terugvordering. Zie ook CRvB 08-06-2007, nrs. 06/1837 WWB e.a. en CRvB 24-07-2007, nr. 06/3265 WWB.
2Belanghebbende kan terzake van het ontstaan van de schuld geen verwijt worden gemaakt en hem kan ook niet worden verweten dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald (CRvB 15-07-2008, nr. 07/1890 WWB, CRvB 27-01-2009, nr. 08/4903 WWB en CRvB 06-10-2009, nr. 08/2103 WWB).
De onder sub 2 omschreven situaties waarin uitkering wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 17 IOAW en artikel 17 IOAZ. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer uitkering moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 17 IOAW en artikel 17 IOAZ, dwingend geformuleerd:
a.De uitkering is, anders dan bedoeld in artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, IOAW en in artikel 17, derde of vierde lid IOAZ of artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald;
b.Gebleken is dat de belanghebbende over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden;
c.In de gevallen zoals bovenstaand genoemd onder h. moet het college afzien van brutering en kan alleen de netto uitkering teruggevorderd worden.
5Terugvordering van gezinsleden
Op grond van artikel 59 lid 2 Participatiewet of artikel 26 lid 2 IOAW en artikel 26 lid 2 IOAZ kan bijstand of uitkering die als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend, maar wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd van degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger gesteld: bijstand of uitkering die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf een gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner worden teruggevorderd.
Duidelijk moet zijn dat:
-de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met deze partner heeft verzwegen.
-de verzwegen partner van de bijstandsverlening op de hoogte was.
Alle gezinsleden waarvan in bovengenoemde situaties kan worden teruggevorderd zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige) bedrag terug te betalen kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.
6Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit
In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te nemen, behalve wanneer er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 58, eerste lid, Participatiewet, of artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ. De vordering komt in dat geval niet tot stand. Ten tweede kan worden afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. Deze variant, ook wel kwijtschelding genoemd, wordt behandeld in beleidsregel 7 en verder.
In individuele situaties kunnen dringende redenen grond zijn om van een terugvorderingsbesluit af te zien. Wanneer er sprake is van een (verplichte) terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, Participatiewet, of artikel 25, eerste lid, IOAW/IOAZ, is artikel 58, achtste lid, Participatiewet, of artikel 25, zevende lid, IOAW/IOAZ, van toepassing. Voor de overige vormen van terugvordering kan hiervan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende, en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand ontving.
7tot en met 10. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek
Wanneer een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium, behalve wanneer er sprake is van een verplichte terugvordering, reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.
In deze beleidsregel is artikel 78a Abw nagenoeg letterlijk overgenomen.
11tot en met 12. Kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting
In deze beleidsregels komt tot uitdrukking dat de aard van de vordering bepalend is voor het moment waarop kwijtschelding, behalve wanneer er sprake is van een verplichte terugvordering, aan de orde kan zijn. Kwijtschelding kan aan de orde zijn als bij:
-leenbijstand 3 jaren correct is voldaan aan de aflossingsverplichting. Met uitzondering van de leenbijstand voor schulden;
-ten onrechte genoten uitkering 5 jaren correct is voldaan aan de aflossingsverplichting, en;
-fraudevorderingen wanneer er voldaan is aan de criteria van artikel 58, zevende lid, Participatiewet, of artikel 25, zesde lid, IOAW/IOAZ.
Tevens is de bepaling opgenomen dat bij vorderingen kwijtschelding aan de orde kan zijn. Er is hier sprake van een ‘kan’-bepaling. Per casus wordt gemotiveerd aangegeven wanneer daartoe al of niet wordt overgegaan. In die afweging wordt meegenomen of de debiteur in de periode van aflossing opnieuw fraude heeft gepleegd of dat er sprake is geweest van invorderingsmaatregelen zoals beslag, verrekening of uitbesteding aan een incassobureau.
De mogelijkheid van de WSNP wordt beschouwd als een soort van vangnet.
Een uitzondering wordt gemaakt voor leenbijstand voor schulden. Bij niet nakoming van de verplichting wordt de volledige lening teruggevorderd en gelden de bepalingen van beleidsregel 4.
13Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek dan wel na voldoen aan betalingsverplichting
Hierin wordt aangegeven wanneer afgezien wordt van een kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 7 en als bedoeld in beleidsregel nummer 11.
14Boetebesluit
In deze regel is geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het boetebesluit.
15Terugvorderingsbesluit
In deze regel is geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het terugvorderingsbesluit.
Beleidsregels 16. tot en met 23.
De inhoud van deze beleidsregels spreekt voor zich.
Tenuitvoerlegging door middel van beslag (beleidsregel nr. 21 onder i) kan geschieden conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft de mogelijkheid van vereenvoudigd derdenbeslag op loon of uitkering.
De procedure is als volgt:
-de gemeente stuurt met een kennisgeving een afschrift van het dwangbevel naar degene van wie debiteur een periodieke uitkering ontvangt;
-hierin wordt de beslagvrije voet aangegeven;
de derde-beslagene moet de kennisgeving binnen 8 dagen voor gezien terugzenden aan de gemeente
door de terugzending is het beslag gelegd. De derde-beslagene wordt hiermee verplicht het voor beslag vatbare bedrag uit te betalen aan de gemeente
de gemeente moet binnen 7 dagen na retourontvangst van de kennisgeving een afschrift van die kennisgeving aangetekend toezenden aan de debiteur. Als de gemeente dit nalaat kan debiteur de President van de rechtbank vragen het beslag op te heffen.
een beslag wordt eerst gelegd ten aanzien van ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ, en vervolgens, wanneer van toepassing, ten aanzien van een opgelegde bestuurlijke boete op grond van de Participatiewet of op grond van de IOAW/IOAZ.
Ontvangsten worden dan eerst afgeboekt op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete en vervolgens op de ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ. Wanneer er door een deurwaarder ook beslag gelegd is op het inkomen van de belanghebbende, en de deurwaarder wil daarom delen in het beslag, worden, in verband met de preferentie van de vordering van het college (artikel 60, zevende lid, Participatiewet, artikel 30, eerste lid, IOAW/IOAZ) ontvangsten eerst afgeboekt op de ten onrechte ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet of ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de IOAW/IOAZ, en vervolgens op de vordering in verband met een opgelegde bestuurlijke boete.
Beleidsregel 24
Omwille van de leesbaarheid is de nadere uitwerking van de invorderingsprocedure opgenomen in een afzonderlijke bijlage.