Wet kinderopvang

Wko

Huidige tekst

Artikel 1.46 Wko

Geldt sinds 1 juli 2021

  1. 1

    Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.

  2. 2

    In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het landelijk register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.

  3. 3

    Bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid, doet het college opgave van de gegevens die ingevolge artikel 1.45, vierde lid, zijn verstrekt.

  4. 4

    Indien in een kindercentrum voorschoolse educatie wordt aangeboden, neemt het college dit op in het landelijk register kinderopvang.

  5. 5

    Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, tweede tot en met vijfde lid, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels, dan wel indien blijkt dat de houder niet langer het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang exploiteert en er geen wijziging van de houder van dat kindercentrum, gastouderbureau of die voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden, kan het college besluiten de beschikking, bedoeld in het tweede lid, in te trekken.

  6. 6

    In het besluit, waarbij een beschikking als bedoeld in het tweede lid, wordt ingetrokken, bepaalt het college met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Vervolgens draagt het college onverwijld zorg voor verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang, waarbij ook de einddatum van de toestemming tot exploitatie wordt opgenomen.

  7. 7

    Indien de aanvraag tot exploitatie van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010 door middel van een melding bij het college volstaat het college, in afwijking van het vijfde en zesde lid, met een beschikking waarin wordt bepaald met ingang van welke datum er geen toestemming meer is voor de exploitatie en verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang.

  8. 8

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verwijdering van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang uit het landelijk register kinderopvang.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RVS:2025:2978Raad van State, 2 juli 2025 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 29 juli 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aanvraag van [appellante] voor erkenning van haar beroepskwalificatie om te mogen werken als gastouder…

  • ECLI:NL:RBMNE:2024:2529Rechtbank Midden-Nederland, 25 april 2024 (bestuursrecht)

    De voorzieningenrechter komt tot conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de cursussen die verzoeker aanbiedt, moeten worden gezien als kinderopvang in de zin van de…

  • ECLI:NL:RVS:2019:2555Raad van State, 24 juli 2019 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 11 december 2017 heeft het college Dikkedeur een last onder dwangsom opgelegd.

  • ECLI:NL:RBAMS:2017:7323Rechtbank Amsterdam, 10 juli 2017 (bestuursrecht)

    Beroep ongegrond - Wet op kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) – overtredingen mbt pedagogisch beleidsplan, risico-inventarisatie, klachtenregeling, aantal kindplaatsen en VOG –…

  • ECLI:NL:RVS:2013:1707Raad van State, 30 oktober 2013 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college een op 22 februari 2011 door gastouderbureau Flexmoeders.nl ten behoeve van [appellant] ingediende aanvraag tot registratie van een voorziening voor…

  • ECLI:NL:RVS:2013:1440Raad van State, 9 oktober 2013 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 2 september 2011 heeft het college de door [wederpartij] geëxploiteerde voorziening voor gastouderopvang uit het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: het LRK) verwijderd.

  • ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ3954Rechtbank Zwolle-Lelystad, 11 april 2011 (belastingrecht)

    Voorschot kinderopvangtoeslag; ontbreken schriftelijke overeenkomst, beroep gegrond met instandlating rechtsgevolgen.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.