Huidige tekst
Artikel 5b.6 Regeling houders van dieren
Goedkeuring modellen identificatiemiddelen 1 Het is verboden runderen, varkens, schapen, geiten, paardachtigen, kameelachtigen en hertachtigen te identificeren met middelen waarvan het model voor de desbetreffende diersoort niet door de minister is goedgekeurd. 2 Het is verboden papegaaiachtigen als bedoeld in artikel 76, eerste lid, onderdeel b, en honden, katten of fretten als bedoeld in artikel 70, van verordening (EU) nr. 2019/2035, te identificeren met een injecteerbare transponder waarvan het model voor de desbetreffende diersoort niet door de minister is goedgekeurd. 3 Een aanvraag tot goedkeuring als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gedaan bij de minister. 4 De minister keurt een model als bedoeld in het eerste lid of een model voor papegaaiachtigen als bedoeld in het tweede lid goed indien het: a.identificeren van de desbetreffende dieren met het desbetreffende middel is toegestaan op grond van verordening (EU) nr. 2019/2035 en deze regeling; b.voldoet aan de in verordening (EU) nr. 2021/520 respectievelijk verordening (EU) nr. 2021/963 gestelde regels aan het desbetreffende identificatiemiddel; en c.voor zover van toepassing, voldoet aan de in de artikelen 5b.18, 5b.24, 5b.25, 5b.26, 5b.31, 5b.32 en 5b.33 gestelde regels aan het desbetreffende identificatiemiddel. 5 De minister keurt een model voor honden, katten of fretten als bedoeld in het tweede lid goed indien het model voldoet aan bijlage II bij verordening (EU) nr. 576/2013. 6 De minister trekt een goedkeuring in, indien het model niet meer voldoet aan de in respectievelijk het vierde en vijfde lid gestelde eisen aan het desbetreffende identificatiemiddel. 7 Het derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van een goedgekeurd model.